Aanhef
De raad van de gemeente Zevenaar;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 4 november 2025 met nummer Z/25/502403;
gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;
besluit vast te stellen de volgende verordening:
Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2026
Artikel 1 Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
1gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
2verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;
3water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.
Artikel 2 Aard van de belasting
Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a.de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b.de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht
1De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.
2Met betrekking tot de belasting wordt als gebruiker aangemerkt:
a.Bij gebruik van een perceel door meerdere leden in een huishouden, degene die door de in artikel 231,tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar is aangewezen;
b.ingeval een gedeelte van een perceel voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan;
c.bij het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik, degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 4 Voorwerp van de belasting
1Voorwerp van de belasting is een perceel.
2Voor de toepassing van deze verordening wordt als één perceel aangemerkt:
a.de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;
b.de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats is gebonden;
c.een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.een samenstel van twee of meer in onderdeel b of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.
e.het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Maatstaf van heffing
1De heffing als bedoeld in artikel 2 van de verordening wordt voor percelen die zijn bestemd en worden gebruikt voor woondoeleinden, geheven per perceel.
2De heffing als bedoeld in artikel 2 van de verordening wordt voor de overige percelen geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater dat vanuit een perceel wordt afgevoerd.
3Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters water dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.
4Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:
a.watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of
b.bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.
5De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.
Artikel 6 Belastingtarieven
1De heffing als bedoeld in artikel 2 van de verordening bedraagt per perceel dat is bestemd en wordt gebruikt voor woondoeleinden, € 252,00 per kalenderjaar
2Indien een perceel als bedoeld in het eerste lid op 1 januari van het belastingjaar of bij aanvang van de belastingplicht door één persoon wordt gebruikt bedraagt de heffing € 176,00 per kalenderjaar.
3De heffing als bedoeld in artikel 2 van de verordening bedraagt voor de overige percelen per kalenderjaar € 226,00 per 500 m3 of gedeelte daarvan
4Onverminderd het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid, bedraagt de belasting € 0,- voor bebouwde en onbebouwde percelen waarbij geen sprake is van een voorziening met betrekking tot het toevoeren van water.
Artikel 7 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8 Wijze van heffing
De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor de belasting in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor de belasting in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 4,00.
4Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.
5Belastingbedragen van minder dan € 10,00 worden niet geheven. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen aangemerkt als één belastingaanslag.
Artikel 10 Termijnen van betaling
1In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald uiterlijk twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.
2In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3In afwijking in zoverre van het eerste en tweede lid geldt, dat de verschuldigde bedragen automatisch geïncasseerd worden in twee gelijke termijnen indien het totaalbedrag van het aanslagbiljet minder dan € 50,00 of tussen de € 10.000,00 en € 30.000,00 bedraagt.
4De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 11 Kwijtschelding
Het kwijtscheldingsbeleid is geregeld in de verordening kwijtschelding gemeentelijke belastingen.
Artikel 12 Overgangsrecht
De ‘Verordening rioolheffing 2025” van 18 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 13 Inwerkingtreding
•Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
•De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
Artikel 14 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: 'Verordening rioolheffing 2026.'