Aanhef
Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Zevenaar, in zijn vergadering van 3 maart 2026 overwegen dat het wenselijk is regels vast te stellen waarbinnen bijzondere bijstand kan worden verleend;
Gelet op: artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht, en de artikelen 7 lid 1 onder b, 11 en 35 van de Participatiewet;
besluiten vast te stellen ‘Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Zevenaar 2026’.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
Alle begrippen die niet zijn uitgelegd hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In deze beleidsregels betekent:
a.de wet: de Participatiewet;
b.belanghebbende: de alleenstaande of het gezin die in aanmerking wenst te komen voor bijzondere bijstand;
c.bijstandsnorm: de bijstandsnorm volgens artikel 5 onder c van de wet, zonder toepassing van artikel 22a van de wet;
d.college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zevenaar;
e.draagkracht: het deel van het inkomen en/of vermogen dat de belanghebbende geacht wordt aan te wenden om in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd te voorzien;
f.duurzame gebruiksgoederen: gebruiksgoederen die bestemd zijn voor een duurzaam gebruik, zoals bijvoorbeeld een koelkast, wasmachine, bed, matras en bankstel;
g.inkomen: het inkomen volgens artikel 31 tot en met 33 van de wet;
h.nibud prijzengids: de jaarlijks door het Nationaal instituut voor budgetvoorlichting (Nibud) uitgegeven gids met een overzicht van de prijzen van diverse artikelen en diensten;
i.stofferingskosten: de kosten voor inrichting zoals behang, gordijnen, verf en vloerbedekking.
j.Wlz: Wet langdurige zorg;
k.Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
l.Wsf: Wet studiefinanciering 2000;
m.Wsnp: Wet schuldsanering natuurlijke personen;
n.woonkosten:
•Bij huur van een woning, een woonwagen of een woonboot, de rekenhuur per maand volgens artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag;
•Bij eigendom van een woning, woonwagen of een woonboot:: de maandelijkse hypotheekrente en zakelijke lasten per maand;
o.zelfstandige: de zelfstandige als bedoeld in artikel 2 van het Bbz 2004;
Artikel 2. Aanvraag
Een aanvraag voor bijzondere bijstand gebeurt via een vastgesteld formulier. Alle gevraagde bewijsstukken moeten worden meegestuurd. Bijzondere bijstand wordt niet verleend voor kosten die langer dan 13 weken vóór de aanvraag zijn gemaakt. De aanvraag moet uiterlijk binnen dertien weken na het maken van de kosten worden ingediend.
Hoofdstuk 2 Bijzondere bijstand
Artikel 3. Hoogte van de bijzondere bijstand
De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt niet meer dan de kosten van de goedkoopste toereikende voorziening, tenzij deze beleidsregels anders bepalen.
De hoogte van de te verlenen bijstand wordt verminderd met de draagkracht van belanghebbende.
Artikel 4. Drempelbedrag
Het college hanteert bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand geen drempelbedrag.
Artikel 5. Vorm van de bijstand
1De bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt, tenzij deze beleidsregels anders bepalen.
2In afwijking van het eerste lid wordt de bijzondere bijstand in de vorm van een renteloze geldlening verstrekt in de gevallen die genoemd worden in artikel 48, tweede lid, van de wet.
Hoofdstuk 3 Draagkracht
Artikel 6. Draagkrachtbepaling
1De draagkracht wordt op de kosten in mindering gebracht.
Artikel 7. Draagkracht uit inkomen
1Draagkracht uit inkomen wordt vastgesteld volgens artikel 31, 32 en 33 van de wet.
2De draagkracht is een percentage van het netto inkomen boven 110% van de bijstandsnorm, op het moment van aanvraag.
3Voor het vaststellen van de draagkracht gelden de onderstaande draagkrachtpercentages voor het inkomen:
a.15% van het netto inkomen exclusief vakantiegeld boven 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm tot een bedrag van € 2.750,- per jaar;
b.30 % van het netto inkomen exclusief vakantiegeld boven 110% de van toepassing zijnde bijstandsnorm dat meer dan € 2.750,- per jaar;
c.100% van het netto inkomen exclusief vakantiegeld boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm in geval van woonkostentoeslag.
4Bij de bepaling van de draagkracht wordt de kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de wet buiten beschouwing gelaten. Voor de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in lid 3 moet als de kostdelersnorm van toepassing is, worden gelezen: de norm die van toepassing zou zijn geweest als de kostdelersnorm niet geldt.
5De middelen als bedoeld in artikel 31 lid 2 van de wet worden vrijgelaten.
6De alleenstaande ouderkop (ALO kop) wordt niet in aanmerking genomen bij de vaststelling van de draagkracht.
7Bij zelfstandig ondernemers wordt de draagkracht berekend op basis van het inkomen over het kalenderjaar voorafgaand aan de aanvraag. Basis hiervoor is in beginsel de (voorlopige) aanslag over dat jaar en secundair de belastingaangifte. Wijkt de draagkracht van de zelfstandige op moment van de aanvraag substantieel af (20 procent of meer], dan wordt de draagkracht van de zelfstandige in afwijking van de eerste volzin vastgesteld op basis van de gegevens die bekend zijn over het inkomen op moment van de aanvraag of de laatste 6 maanden voorafgaand aan de aanvraag. Basis hiervoor is de laatste kwartaalaangifte/BTW aangifte die is gedaan.
8Bij het vaststellen van de draagkracht wordt de studietoeslag, bedoeld in artikel 36b van de wet tot de middelen gerekend.
9Bij het vaststellen van de draagkracht vanaf de datum van AOW-gerechtigde leeftijd, hanteren we de norm van de AOW.
10Giften tot een bedrag van € 1200,00 worden niet tot de middelen gerekend in de volgende gevallen:
a.als deze worden verstrekt voor kosten waarvoor in algemene zin bijzondere bijstand (of een WMO/jeugdvoorziening) kan worden verleend.
b.als deze worden verstrekt voor noodzakelijke kosten of voor medisch noodzakelijke kosten. Dit geldt alleen als de levensstandaard hierdoor niet onverantwoord wordt verhoogd.
11Tot het inkomen wordt gerekend behaalde opbrengsten uit gokken. Er moet sprake zijn van een goede administratie die de inleg en de behaalde opbrengst aantoont per gokactiviteit. Indien de behaalde opbrengst hoger is dan de hoogte van de inleg wordt dit tot het inkomen gerekend. Indien er geen sprake is van een goede administratie die de inleg en de behaalde opbrengst aantoont per gokactiviteit worden de opbrengst en de inleggelden als inkomen aangemerkt, tenzij op dezelfde datum bij dezelfde gokinstelling zowel geld is ingelegd als uitbetaald. In dat geval wordt alleen de behaalde opbrengst als inkomen aangemerkt.
Artikel 8. Draagkracht vermogen
1Het vermogen wordt vastgesteld volgens artikel 34 van de wet.
2Spaargeld dat tijdens de bijstandsperiode is opgebouwd telt niet mee voor het bepalen van het recht op bijstand conform artikel 34 lid 2 onderdeel c van de wet.
3Het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf als bedoeld in artikel 34 lid 2 onderdeel d van de wet wordt niet meegerekend.
4Van een voertuig met een waarde tot € 4500,00 geldt alleen de waarde boven € 4500,00 als vermogen. De waarde wordt bepaald aan de hand van de ANWB/BOVAG koerslijst.
5Voor zelfstandigen wordt het eigen vermogen bepaald volgens de regels van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
6Als het vermogen meer bedraagt dan het vrij te laten vermogen, dan wordt een bedrag dat gelijk is aan de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag in mindering gebracht op het vermogen.
7Voor belanghebbenden met een vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 derde lid van de wet wordt, na toepassing van hetgeen is bepaald in het zesde lid, 100% van het vermogen als draagkracht aangemerkt.
Artikel 9. Draagkrachtperiode
1De draagkracht wordt in beginsel telkens voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten zijn gemaakt.
Voor personen die algemene bijstand (inclusief AIO) ontvangen geldt dat de draagkrachtperiode gelijk is aan de periode dat de uitkering wordt ontvangen.
2In geval van oudere arbeidsongeschikten of mensen met een WAJONG-uitkering wordt de draagkrachtperiode gelijk gesteld aan de periode dat de uitkering wordt ontvangen.
3Bij belanghebbenden met een uitkering op grond van de wet wordt de draagkracht gedurende de uitkeringsperiode op nihil gesteld.
4Bij grote wijzigingen in het inkomen of vermogen wordt de draagkracht opnieuw vastgesteld. Hiervan is sprake als het gaat om:
a.een wijziging van de gezinssituatie die een normwijziging (of beëindiging van de bijstand) tot gevolg heeft; of
b.een wijziging in de vermogenssituatie, als de wijziging een overschrijding van de van toepassing zijnde vermogensgrens betekent.
5De toepassing van het vierde lid levert geen wijziging op van de eerder vastgestelde draagkrachtperiode, maar geldt voor de resterende draagkrachtperiode.
Hoofdstuk 4 Medische kosten
Artikel 10. Extra stookkosten in verband met ziekte of handicap
1Het college verleent bijzondere bijstand voor stookkosten wanneer uit een medisch advies blijkt dat er sprake is van meerkosten als gevolg van medische noodzaak en indien van toepassing de tegemoetkoming voor chronisch zieken en/of gehandicapten aantoonbaar ontoereikend is.
2Extra stookkosten zijn de kosten die uitstijgen boven het gemiddelde. Voor de beoordeling hiervan wordt gekeken naar de gemiddelde stookkosten zoals die zijn vermeld in de Nibud prijzengids.
Artikel 11. Collectieve zorgverzekering
1Inwoners met een netto maandinkomen tot 120% van de geldende bijstandsnorm kunnen deelnemen aan de collectieve zorgverzekering van Menzis. Voor de premie van de aanvullende pakketten wordt gedeeltelijk bijzondere bijstand verstrekt. Deze wordt rechtstreeks aan de zorgverzekeraar betaald om de premie te verlagen.
2De gemeente vergoed een deel van de aanvullende premie. De hoogte van de gemeentelijke bijdrage voor de verschillende pakketten staat in de integrale bijlage.
3Voor deelname aan de collectieve zorgverzekering geldt een vermogenstoets conform artikel 34 van de wet.
4Het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf als bedoeld in artikel 34 lid 2 onderdeel d van de wet wordt niet meegenomen.
Hoofdstuk 4 Reiskosten
Artikel 12. Medische behandeling.
Voor bijzondere bijstandsverlening komen in ieder geval de volgende niet verzekerbare medische noodzakelijke kosten in aanmerking:
1Reiskosten voor een bezoek aan een arts, therapeut of specialist buiten de gemeente, als deze hulp niet binnen de gemeente beschikbaar is.
2De hoogte van de bijstand wordt vastgesteld op basis van de onbelaste reiskostenvergoeding volgens de richtlijnen van de Belastingdienst. Voor het bepalen van de afstand wordt de kortste route vanaf het woonadres gehanteerd. In geval er gereisd is met het openbaar vervoer worden de werkelijke kosten vergoed.
3Parkeerkosten worden vergoed.
4Bij afstanden onder de 10 kilometer geldt geen vergoeding, behalve bij aantoonbare gezondheidsproblemen of bijzondere situaties.
Artikel 13. Reiskosten ziekenbezoek
1Voor het bezoeken van een buiten de woongemeente verpleegde partner dan wel bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, kan bijzondere bijstand worden verleend.
2De hoogte van de bijstand wordt vastgesteld op basis van de onbelaste reiskostenvergoeding volgens de richtlijnen van de Belastingdienst. Voor het bepalen van de afstand wordt de kortste route vanaf het woonadres gehanteerd.
3De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie van maximaal vier keer per week aan een partner of bloed- of aanverwant in de 1e graad en op een bezoekfrequentie van eenmaal per week aan een bloed- of aanverwant in de 2e graad.
4In bijzondere situaties zoals bij een terminaal verpleegde of kinderen, kan op individuele basis worden afgeweken van de bezoekfrequentie zoals genoemd in lid 5.
5Parkeerkosten worden vergoed.
Artikel 14. Reiskosten bezoek gedetineerde
1Voor de reiskosten van het bezoek aan een gedetineerde kan bijzondere bijstand worden verstrekt indien de gedetineerde een partner dan wel bloed- of aanverwant in de 1e graad is en de gedetineerde geen recht op verlof heeft.
2De kosten van één reis per maand voor 2 belanghebbenden of één reis per 14 dagen per belanghebbende komen voor bijzondere bijstand in aanmerking.
3De hoogte van de bijstand wordt vastgesteld op basis van de onbelaste reiskostenvergoeding volgens de richtlijnen van de Belastingdienst. Voor het bepalen van de afstand wordt de kortste route vanaf het woonadres gehanteerd.
4Als de gedetineerde jonger is dan 18 jaar kan de frequentie van het bezoek anders worden gesteld, maar niet meer dan 2 keer per week.
Artikel 15. Reiskosten die niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand
De volgende reiskosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:
a.Reiskosten voor woon-werkverkeer.
b.Reiskosten in het kader van een re-integratietraject of bezoek werkplein UWV.
c.Reiskosten van natuurlijke ouders voor contact met pleegkind. Deze kosten worden vergoed als ‘bijzondere kosten pleegzorg’. Verantwoordelijkheid voor uitbetaling ligt bij de pleegzorgorganisatie.
d.Reiskosten voor bezoek aan een kind naar aanleiding van een omgangsregeling na een echtscheiding.
Hoofdstuk 5 Woonkosten
Artikel 16. Inrichtingskosten
1Indien belanghebbende vanuit een niet verwijtbare situatie beschikt over onvoldoende draagkracht voor de betaling van duurzame gebruiksgoederen en redelijkerwijs niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten en er geen geldlening bij de Kredietbank Nederland mogelijk is waarmee volledig in de kosten kan worden voorzien, is bijzondere bijstand mogelijk volgens artikel 51 van de wet.
2De in het eerste lid van dit artikel genoemde categorie belanghebbenden zijn in ieder geval zij die in het kader van de verplichte taakstelling huisvesting vergunninghouders zich voor het eerst in de gemeente huisvesten.
3De hoogte van de bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt bepaald aan de hand van de richtprijzen zoals die zijn vermeld in de Nibud prijzengids, waarbij in beginsel wordt uitgegaan van maximaal 60% van de genoemde bedragen, omdat belanghebbende de goederen tweedehands aan moet kunnen schaffen.
4Bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen worden in de vorm van een lening verstrekt.
5Bijzondere bijstand voor stofferingskosten wordt verstrekt om niet tot een bedrag van € 1.750,00. Het maximaal te verstrekken bedrag wordt telkens per 1 januari geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Artikel 17. Verhuiskosten
1Onder bijzondere omstandigheden om bijstand voor verhuiskosten te verlenen wordt in ieder geval gerekend:
a.Een eerste verhuizing van statushouders uit een AZC of andere inrichting voor opvang.
b.Een niet voorzienbare en noodzakelijke verhuizing als gevolg van een verhuisverplichting in verband met de verstrekking van een woonkostentoeslag
c.Een verhuizing als gevolg van een onveilige situatie.
2Als uitgangspunt geldt dat in eerste instantie moet worden verhuisd met behulp van het eigen netwerk. De hoogte van de bijstand voor verhuiskosten is gelijk aan de gemaakte kosten van de huur van een aanhanger of busje (incl. brandstofkosten), waarvoor in beginsel een maximum geldt van € 250,00.
3Als een eigen netwerk en zelfredzaamheid ontbreekt, kunnen de kosten van een verhuizer worden vergoed waarvoor in beginsel een maximum geldt van € 1000,00.
Artikel 18. Eerste huur en waarborgsom
1Tot bijzondere omstandigheden om bijstand te verlenen voor kosten van de eerste huur en de waarborgsom wordt in ieder geval gerekend:
a.Een eerste verhuizing van statushouders;
b.Een niet voorzienbare en noodzakelijke verhuizing als gevolg een verhuisverplichting in verband met de verstrekking van een woonkostentoeslag.
c.Een verhuizing als gevolg van een onveilige situatie.
d.Wanneer de gemeente van vestiging de eerste maandhuur niet vergoed.
2De verstrekte bijzondere bijstand voor de eerste huur wordt om niet verstrekt en met (schriftelijke) machtiging/instemming van belanghebbende direct overgemaakt naar de verhuurder/woningstichting.
3Voor de waarborgsom wordt leenbijstand verstrekt.
Artikel 19. Woonkostentoeslag eigenaren
1Om te voorkomen dat belanghebbende noodgedwongen het huis moet verlaten, kan het college ervoor kiezen bijstand te verlenen waarbij alleen de volgende woonkosten voor deze woonkostentoeslag in aanmerking komen:
a.De hypotheekrente;
b.De zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, zoals rioolrechten, het eigenaarsdeel waterschapslasten, het erfpachtcanon, de premies van verzekeringen tegen brand- en stormschade (alleen voor de opstallen) en het eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting (dus niet het gebruikersdeel).
2De hoogte van de woonkostentoeslag als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld op de woonkosten minus de eigen bijdrage die gelijk is aan de maximale huurgrens minus de maximale huurtoeslag.
3Voor woonkosten boven de maximale huurgrens vergoedt het college 100% van de woonkosten.
4De woonkostentoeslag als bedoeld in het tweede en derde lid wordt verleend tot belanghebbende beschikt over een woning met een huur onder de huurgrens maar maximaal voor de duur van 1 jaar. Hierbij wordt de verplichting opgelegd naar een goedkopere huurwoning te verhuizen met een huur tot maximaal de maximale huurgrens. Deze periode kan worden verlengd als sprake is van bijzondere omstandigheden. Hieronder wordt verstaan dat het een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten nog niet te zijn verhuisd naar een goedkopere woning. De periode en de verhuisplicht worden telkens voor de duur van zes maanden verlengd.
5Belanghebbende die een woning in eigendom heeft en aan wie het college de verhuisplicht heeft opgelegd moet:
a.binnen 1 maand na eerste toekenning van de bijzondere bijstand een urgentieverklaring aanvragen;
b.zich binnen 1 maand na eerste toekenning van de bijzondere bijstand inschrijven als woningzoekende bij Entree en deze inschrijving handhaven gedurende de hele periode dat een woonkostentoeslag wordt ontvangen; en
c.in de periode van bijstandsverlening aantoonbare activiteiten verrichten om een passende woning of woonruimte te zoeken en te accepteren.
6Onder aantoonbare activiteiten wordt in ieder geval verstaan minimaal vijf reacties per maand op passende woningen bij een woningbouwvereniging of op de particuliere markt, ook buiten de gemeente Zevenaar.
7Onder passende woningen worden in ieder geval woningen of woonruimten verstaan:
a.met woonlasten die lager zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens;
b.die volgens algemene maatstaven passen bij de gezinssituatie van belanghebbende
Artikel 20. Woonkostentoeslag huurders
1De hoogte van de woonkostentoeslag in geval van een huurwoning is afhankelijk van de huurprijs en wordt vastgesteld overeenkomstig de berekening van de huurtoeslag tot de maximale huurgrens.
2Meerkosten van huur die boven de huurgrens uitstijgen, worden aangemerkt als bijzondere kosten wanneer belanghebbende door omstandigheden buiten zijn schuld in redelijkheid niet kan beschikken over een huurwoning met een huur onder de huurgrens. De kosten boven de maximale huurgrens worden 100% vergoed.
3De woonkostentoeslag als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt verleend tot belanghebbende beschikt over een huurwoning met een huur onder de huurgrens maar maximaal voor de duur van 1 jaar. Hierbij wordt de verplichting opgelegd naar een goedkopere huurwoning te verhuizen met een huur tot maximaal de maximale huurgrens. Deze periode kan worden verlengd als sprake is van bijzondere omstandigheden. Hieronder wordt verstaan dat het een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten nog niet te zijn verhuisd naar een goedkopere woning. De periode en de verhuisplicht worden telkens voor de duur van zes maanden verlengd.
4Belanghebbende die een woning huurt en aan wie het college de verhuisplicht heeft opgelegd moet:
a.binnen 1 maand na eerste toekenning van de bijzondere bijstand een urgentieverklaring aanvragen;
b.zich binnen 1 maand na eerste toekenning van de bijzondere bijstand inschrijven als woningzoekende bij Entree en deze inschrijving handhaven gedurende de hele periode dat een woonkostentoeslag wordt ontvangen; en
c.in de periode van bijstandsverlening aantoonbare activiteiten verrichten om een passende woning of woonruimte te zoeken en te accepteren.
5Onder aantoonbare activiteiten wordt in ieder geval verstaan minimaal vijf reacties per maand op passende woningen bij een woningbouwvereniging of op de particuliere markt, ook buiten de gemeente Zevenaar.
6Onder passende woningen worden in ieder geval woningen of woonruimten verstaan:
a.met woonlasten die lager zijn dan de maximaal subsidiabele huurgrens;
b.die volgens algemene maatstaven passen bij de gezinssituatie van belanghebbende.
Artikel 21. Compensatie verminderde huurtoeslag als gevolg van inkomensvrijlating
1Als bij de belanghebbende een inkomensvrijlating volgens artikel 31 lid 2 onder n, r en y van de wet wordt toegepast, kan een daling van de huurtoeslag door het college worden gecompenseerd met bijzondere bijstand.
2De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op het bedrag van de daling van de huurtoeslag.
3De verstrekking duurt even lang als de duur van de inkomensvrijlating.
Hoofdstuk 6 Juridische kosten
Artikel 22. Kosten Rechtsbijstand
1Voor zover een voorliggende voorziening aanwezig is, zoals de Wet op de rechtsbijstand, de Wet tarieven burgerlijke zaken of een rechtsbijstandsverzekering, bestaat geen recht op bijzondere bijstand;
2Bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de eigen bijdrage op grond van een toevoeging volgens de Wrb, voor griffierechten en voor andere door de wet of kantonrechter vastgestelde noodzakelijke kosten mits een diagnosedocument van het Juridisch loket of een vergelijkbaar document wordt overlegd.
3De volgende kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking:
a.Vertaalkosten;
b.Reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van rechtszittingen;
c.Proceskosten;
d.Kosten gemaakt in de bezwaarfase, anders dan de eigen bijdrage op grond van de Wrb.
4De bijstand wordt om niet verstrekt;
5Aan de bijstand kunnen verplichtingen worden verbonden, zoals het overleggen van betalingsbewijzen en, indien van toepassing, een rechterlijk vonnis.
Artikel 23. Kosten bewindvoering, mentorschap en curator
1De bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijke kosten, maar bedraagt nooit meer dan de in ‘Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren’, vastgestelde bedragen.
2Voor de kosten van WSNP bewind is geen bijzondere bijstand mogelijk.
3Voor de kosten van beheer PGB is alleen vergoeding mogelijk wanneer de aanvrager voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zorg in natura niet tot de mogelijkheden behoort.
Artikel 24. Kosten budgetbeheer bij schulden
1Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de kosten van budgetbeheer indien de noodzaak wordt bevestigd door team schuldhulpverlening.
2De vaststelling van de noodzaak van budgetbeheer wordt vastgesteld door de schuldhulpverlenende instantie en vastgelegd in een plan van aanpak.
3Na aangeven door team schuldhulpverlening middels een beschikking schuldhulpverlening, verstrekt het college bijzondere bijstand voor de kosten gedurende het traject schuldhulpverlening.
Artikel 25. Vaste lasten kort gedetineerden
1Het college verstrekt een vergoeding voor de vaste lasten van een gedetineerde als daartoe zeer dringende redenen zijn.
2Belanghebbende dient korter dan 6 maanden gedetineerd te zijn en men kon niet vooraf voor deze kosten reserveren.
3De kosten die voor vergoeding in aanmerking komen zijn; huurprijs minus huurtoeslag en vastrecht voor gas, water en elektriciteit.
Hoofdstuk 7 Toeslag levensonderhoud jongeren 18 tot 21 jaar
Artikel 26. Bepaling voor jongeren in een inrichting geen beroep op onderhoudsplicht.
1Belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar die in een inrichting verblijven, komen in aanmerking voor bijzondere bijstand op grond van artikel 35 lid 1 van de wet voor de kosten van levensonderhoud als die belanghebbende voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
a.de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of
b.deze persoon redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken.
2De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in lid 1 is per kalendermaand gelijk aan de inrichtingsnorm voor een alleenstaande (ouder) als bedoeld in artikel 23 lid 1 onderdeel a en lid 2 onderdeel a van de wet.
Hoofdstuk 8 Overige kosten
Artikel 27. Uitvaartkosten
1Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor het deel van de kosten van een uitvaart die de belanghebbende moet betalen. Bij de beoordeling van de hoogte van de kosten geldt in beginsel dat de kosten van een sobere uitvaart voor bijzondere bijstandsverlening in aanmerking komt.
2De begrafeniskosten zijn voor rekening van de opdrachtgever, die daarvoor zo nodig de nabestaanden kan aanspreken. De nabestaanden, voor zover zij erfgenaam of bloedverwant zijn en op grond van artikelen 392 – 396 BW:1 tot onderhoud van de overledene verplicht zijn, kunnen ieder afzonderlijk voor hun aandeel in de kosten, bijzondere bijstand aanvragen.
3De hoogte van de bijzondere bijstand als bedoeld in het tweede lid is gelijk aan het aandeel in de werkelijke kosten voor de totale uitvaart waarbij uitgegaan wordt van de richtprijzen genoemd in de Nibud prijzengids.
4Kosten van een koffietafel en advertentiekosten worden niet vergoed.
Hoofdstuk 9 Minimaregelingen
Artikel 28.
Bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor de minimaregelingen als in dit hoofdstuk genoemd, geldt dat de draagkracht uit vermogen wordt vastgesteld conform het bepaalde in artikel 8 van deze beleidsregels. Voor het overige gelden onderstaande voorwaarden.
Artikel 29. Kindpakket: vergoeding reiskosten schoolgaande kinderen
Ouders of verzorgers met een inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en/of in een schuldhulpverleningstraject of Wsnp traject zitten, van kinderen (die ingeschreven staan op het adres van de ouder, waarbij het BRP leidend is), op het voortgezet onderwijs komen in aanmerking voor een tegemoetkoming in de reiskosten. De reiskosten worden vergoed tot maximaal € 500,00 per schooljaar per kind als men aan de volgende voorwaarden voldoet:
•Het moet gaan om reiskosten voor kinderen op het voortgezet onderwijs;
•Het moet gaan om de dichtstbijzijnde school of opleiding;
•De reisafstand van huis naar school is meer dan 10 kilometer;
De vergoeding wordt éénmaal per schooljaar aan de ouders toegekend.
Artikel 29.1 Kindpakket: schoolkosten
Ouders of verzorgers met een inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en/of in een schuldhulpverleningstraject of Wsnp traject zitten, met kinderen (die ingeschreven staan op het adres van de ouder, waarbij het BRP leidend is) op het voortgezet onderwijs komen in aanmerking voor een jaarlijks bedrag van € 100 per kind, dit ter ondersteuning van de betaling van diverse schoolkosten (schriften, boekentas, regenpak, gymkleding, excursies etc).
Artikel 29.2 Kindpakket: computerregeling
Ouders of verzorgers met een inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en/of in een schuldhulpverleningstraject of Wsnp traject zitten, met kinderen (die ingeschreven staan op het adres van de ouder, waarbij het BRP leidend is) vanaf 10 jaar tot 18 jaar komen éénmaal per vijf jaar in aanmerking voor een bedrag van € 500,00 per kind voor de aankoop van een computer/laptop/tablet met een printer.
Artikel 29.3 Kindpakket: diplomazwemmen A en B
Ouders of verzorgers met een inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en/of in een schuldhulpverleningstraject of Wsnp traject zitten, met kinderen (die ingeschreven staan op het adres van de ouder, waarbij het BRP leidend is) in de leeftijd tot 18 jaar komen in aanmerking voor een vergoeding van de kostprijs voor diplomazwemmen A en B. Ook voor het inschrijfgeld wordt een vergoeding toegekend.
Artikel 30. Identiteitskaart
Ouders of verzorgers met een inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en/of in een schuldhulpverleningstraject of Wsnp traject zitten, met kinderen (die ingeschreven staan op het adres van de ouder, waarbij het BRP leidend is) in de leeftijd van 0 tot 18 jaar komen in aanmerking voor een vergoeding van de kostprijs vergoed voor de aanschaf van een identiteitskaart. De kosten voor een paspoort worden vergoed tot maximaal het bedrag van de kosten van een identiteitskaart.
Artikel 31. Gelrepas
Inwoners van de gemeente Zevenaar en gezinnen met kinderen (die ingeschreven staan op het adres van de ouder, waarbij het BRP leidend is) van 4 tot en met 17 jaar met een inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en/of in een schuldhulpverleningstraject of Wsnp traject zitten komen in aanmerking voor de Gelrepas. Kinderen onder de 4 jaar kunnen gebruik maken van het tegoed van hun ouder(s)/verzorgers. Zij hebben geen eigen tegoed op hun pas. De tegoeden op de pas worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de consumentenprijsindex van het CBS. De pas wordt jaarlijks verstrekt. Studenten komen niet in aanmerking.
Artikel 32. Doelgroep bijdrageregeling chronisch zieken en gehandicapten
1Een belanghebbende met een chronische ziekte of handicap met een inkomen tot 120% van de bijstandsnorm en/of in een schuldhulpverleningstraject of Wsnp traject zit, heeft recht op een vergoeding uit de bijdrageregeling chronisch zieken en gehandicapten.
2Er is in ieder geval sprake van een chronische ziekte of handicap als belanghebbende:
a.Een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO, Wajong, WIA) heeft met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%;
b.Beschikt over een toekenningsbeschikking Wmo voorziening;
c.Een bewijs van indicatie Wlz-zorg heeft;
d.Een geldige gehandicaptenparkeerkaart heeft.
3De vergoeding uit de bijdrageregeling chronisch zieken en gehandicapten bedraagt € 250,00 per belanghebbende per kalenderjaar.
4De vergoeding wordt éénmaal per kalenderjaar verstrekt.
Artikel 33. Doelgroep compensatieregeling chronisch zieken en gehandicapten
Inwoners van de gemeente Zevenaar met een chronische ziekte of handicap met een inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en/of in een schuldhulpverleningstraject of Wsnp traject zitten, die niet verzekerd zijn via de collectieve zorgverzekering voor minima van de gemeente en die in een bepaald jaar het volledige eigen risico hebben betaald komen in aanmerking voor een vergoeding van € 75,00 per persoon.
Artikel 34. Regeling duurzame gebruiksgoederen voor inwoners met AOW gerechtigde leeftijd
Inwoners van de gemeente Zevenaar hebben recht op de regeling duurzame gebruiksgoederen wanneer ze :
•Op de datum van aanvraag pensioen gerechtigd zijn;
•Op de peildatum een inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm hebben en/of in een schuldhulpverleningstraject of Wsnp traject zitten;
•In geval van gehuwd of samenwonend zijn, één van beide vanaf de datum aanvraag of 12 maanden na laatste toekenning individuele inkomenstoeslag, de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
•zelfstandig wonen en niet inwonend zijn of in een groepswoning en/of Wlz instelling verblijven.
Inwoners met alleen een AOW inkomen worden gelijkgesteld aan inwoners die een bijstandsinkomen ontvangen en hebben daarom geen draagkracht. Op het pensioen dient de pensioenvrijlating in mindering te worden gebracht.
Van deze regeling kan eenmaal in de vier jaar gebruik worden gemaakt (aansluitend op de individuele inkomenstoeslag). De hoogte van de vergoeding wordt gelijkgesteld met de vergoeding voor de Individuele Inkomens Toeslag (IIT).
Artikel 35. Hardheidsclausule
1In bijzondere situaties kan het college afwijken van het bepaalde in deze beleidsregels indien toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
2In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien beslist het college.
Artikel 36. Overgangs- en slotbepalingen
1Deze regels worden aangehaald als ‘Beleidsregels bijzondere bijstand en minimaregelingen gemeente Zevenaar 2026’.
2De regels treden in werking vanaf 1 januari 2026 onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Zevenaar 2021.
3De Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Zevenaar 2021 blijven van toepassing op de aanvraag van bijstand die uiterlijk is ingediend op 31 december 2025 en op de resterende periode van reeds op grond van die beleidsregels toegekende bijzondere bijstand, voor zover dat leidt tot een gunstiger resultaat voor de belanghebbende tot:
a.zes maanden na inwerkingtreding van deze beleidsregels;
b.de periode dat deze is verstrekt, als dat korter is dan de periode, bedoeld in onderdeel a.