Aanhef
Voorwoord
Voor u ligt de biodiversiteitsvisie voor de buitenruimte van gemeente Zeist. Wij vinden biodiversiteit belangrijk en schetsen daarom in dit plan de mogelijkheden voor het vergroten van de biodiversiteit in Zeist en de acties die wij de komende periode in de buitenruimte gaan nemen om de biodiversiteit te verbeteren.
Niet alleen wijzelf vinden biodiversiteit belangrijk. De inwoners ook, zoals blijkt uit eerdere reactie uit de "Maaltijd van Zeist" en uit het grote aantal reacties dat is binnengekomen op onze raadpleging door middel van Storymaps. De reacties konden niet allemaal een op een verwerkt worden in dit plan. In het kader van Samen Duurzaam Zeist kunnen in de toekomst mogelijk meer ingebrachte actiepunten worden opgepakt.
Maar ook de Groene Makelaar kan een belangrijke rol spelen bij het verbinden van bewoners en organisaties met de gemeente en stimuleren van meer biodiversiteit, ontstenen en vergroenen.
Deze biodiversiteitsvisie biedt handvatten voor de gemeente in het beheer van de openbare ruimte, maar daarnaast ook voor bijvoorbeeld inwoners en projectontwikkelaars. Het plan vormt hiermee een eerste stap in de ontwikkeling van het thema biodiversiteit in het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid en Samen Duurzaam Zeist.
Dit plan is in opdracht van de gemeente Zeist geschreven door Bureau Waardenburg.
Geelsprietdikkopje.
Biefstukzwam
Bijlage III Doelsoorten en maatregelen
In deze bijlage geven we voor alle doelsoorten aan met wat voor maatregelen ze geholpen kunnen worden. In bijlage III gaan we dieper in op hoe die maatregelen er uit kunnen zien.
Doelsoorten
•
Maatregelen
Zoogdieren
Boommarter
•
Creëren veilige oversteekplaatsen bij wegen (bijvoorbeeld faunabrug bij portaalpalen (ook voor eekhoorn), buis of tunnel onder de weg door).
Das
•
Verbeteren voedselaanbos vruchten en noten
•
Creëren veilige oversteekplaatsen bij wegen (faunabuis)
Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel)
•
Aanbrengen van bijvoorbeeld stapels dood hout, takkenrillen, takkenhopen of stapels stenen (met openingen ertussen) als verblijfplaats voor kleine marterachtigen.
•
Aanbrengen van lijnvormige landschapselementen, zoals hagen, houtsingels, ruigtestroken, en bloemstroken langs akkers, waarlangs kleine marterachtigen zich graag voortbewegen.
•
Vergroten van het voedselaanbod door toepassen van bloem- en zadenrijke begroeiingen (voedselplanten voor insecten en muizen).
•
Creëren veilige oversteekplaatsen bij wegen (bijvoorbeeld met een buis of tunnel onder de weg door).
Eekhoorn
•
Creëren veilige oversteekplaatsen bij wegen (bijvoorbeeld faunabrug bij portaalpalen (ook voor eekhoorn), buis of tunnel onder de weg door).
•
Creëren aaneengesloten bomenrijen.
•
Aanplant voedselbomen of -struiken (bijvoorbeeld hazelaar, tamme kastanje, eik, walnoot, grove den).
Egel
•
Aanbrengen van bijvoorbeeld stapels dood hout, takkenrillen, takkenhopen of stapels stenen (met openingen ertussen) als verblijfplaats voor de egel (vergelijkbaar dus met die voor kleine marterachtigen) of een speciaal egelhuis.
•
Vergroting voedselaanbod door gericht vegetatiebeheer (vergroting vegetatiestructuur, voedselplanten voor insecten en (huisjes)slakken, enzovoorts).
•
Creëren veilige oversteekplaatsen, met name bij 50 km-wegen, bijvoorbeeld door bestaande duikers of via een buis onder de weg.
•
Maken van een opening van 15x15 cm in schuttingen en gaashekken, om de egel doorgang te verlenen.
•
Robotmaaiers ’s nachts uitschakelen, om verwonding van egels te voorkomen
Ree
•
Aanleg kleinschalige elementen voor beschutting en rust: grienden, bosjes, rietvelden.
Vleermuizen
•
Verbeteren kwaliteit leefgebied door vergroting voedselaanbod (verbeteren waterkwaliteit voor groter insectenaanbod, toepassen inheemse bomen, ecologisch groenbeheer).
•
Behoud of vergroting aantal verblijfplaatsen (toepassen van vleermuiskasten, laten staan van oude bomen, inbouwen kasten in gebouwen).
•
Beperken verstoring (o.a. verlichting buitenruimte en gebruik vleermuisvriendelijke roodachtig verlichting).
Vogels
Huismus
•
Behoud/vergroting aantal nestplaatsen in huizen. Plaatsen van nestkasten of (nog beter) achterwege laten of twee pannenlatten hoger plaatsen van vogelschroot onder pannendaken.
•
Zorgen voor insecten- en zadenrijke begroeiing.
•
Zorgen voor plekjes met kaal zand, waar mussen een zandbad kunnen nemen.
Gierzwaluw
•
Behoud / vergroting aantal nestplaatsen. Beschermen bestaande nestplaatsen. In nieuwbouw kasten inbouwen in muren (geen Gierzwaluwdakpannen)
Zwarte roodstaart
•
Creëren en behoud nestgelegenheid (plattegrinddaken, steenstapels, “halfholen” nestkasten).
•
Vergroting voedselaanbod door gericht vegetatiebeheer (rommelhoekjes met wat onkruid, stapels steenachtig materiaal).
Boerenlandvogels (o.a. patrijs, witte kwikstaart, kneu, ringmus)
•
Creëren nestgelegenheid en vergroting voedselaanbod door gericht vegetatiebeheer (Ruigte- en bloemrijke stroken langs percelen, overhoekjes met ruigte en of struweel). Voor ringmus en witte wikstaart kunnen ook nestkasten geplaatst worden.
Reptielen
Hazelworm
•
Creëren kunstmatige schuilplaatsen: dood hout, takkenrillen, plaatjes hout, golfplaat, dakpan.
•
Veilige oversteekplekken (ecoduct, kleine faunatunnel)
Levendbarende hagedis en zandhagedis
•
Creëren verblijfplekken: takkenrillen, houtstapels, stukken golfplaat van 50x50cm.
•
Variatie in hoogte van begroeiing en kale zandplekken.
•
Veilige oversteekplekken (ecoduct, kleine faunatunnel)
Ringslang
•
Aanleg broeihopen.
•
Veilige oversteekplekken (bij voorkeur doorlopende oeverstroken onder bruggen).
Amfibieën
Amfibieën
•
Aanleg en onderhoud visvrije poelen of andere visvrije wateren.
•
Zorgvuldig slootbeheer (gefaseerd en buiten het voortplantingsseizoen).
Vissen
Grote en kleine modderkruiper, bittervoorn
•
Zorgvuldig slootbeheer (bij schonen altijd 25 % van de planten laten staan).
•
Verbeteren waterkwaliteit door ruigte- of bloemenstroken langs sloten.
•
Dood hout in het water aanbrengen.
Insecten
Wilde bijen, hommels en zweefvliegen
•
Uitbreiding oppervlakte bloemrijke graslandvegetaties.
•
Creëren verblijfplaatsen in bodem en in dood organisch materiaal (bijv. onbehandelde weidepalen).
•
Vergroting oppervlakte structuurrijk grasland door gefaseerd maaibeheer (per keer 10 à 20 % van de vegetatie laten staan. Op plekken waar voldoende ruimte is kan het zogenaamde sinusbeheer worden toegepast).
•
Inrichting en beheer richten op nectarplanten (ook bomen en struiken).
•
Aanbrengen van een strook met struiken en ruige bloeiende planten langs bos of bosplantsoen (een mantel-zoom).
Dagvlinders
•
Uitbreiding beheer bloemrijke vegetaties.
•
Vergroting oppervlakte structuurrijk grasland door gefaseerd maaibeheer (per keer 10 à 20 % van de vegetatie laten staan. Op plekken waar voldoende ruimte is kan het zogenaamde sinusbeheer worden toegepast).
•
Inrichting en beheer richten op waard- en nectarplanten (ook bomen en struiken).
•
Aanbrengen van een strook met struiken en ruige bloeiende planten langs bos of bosplantsoen (een mantel-zoom).
Sprinkhanen
•
Vergroting oppervlakte structuurrijk grasland door gefaseerd maaibeheer (per keer 10 à 20 % van de vegetatie laten staan. Op plekken waar voldoende ruimte is kan het zogenaamde sinusbeheer worden toegepast).
•
Aanbrengen van een strook met struiken en ruige bloeiende planten langs bos of bosplantsoen (een mantel-zoom).
Planten & Paddenstoelen
Planten algemeen
•
Beheer gericht op stimuleren inheemse soorten
•
Bestrijden invasieve exoten (uitheemse planten, die de neiging hebben sterk uit te breiden ten koste van inheemse planten. Voorbeelden: Japanse duizendknoop, reuzenberenklauw, grote waternavel).
Planten van heide en schraalland
•
Het beheer van heide en schraalland vergt een op de specifieke situatie toegesneden beheer van begrazing of maaien met afvoer van maaisel, gecombineerd met diverse andere maatregelen zoals kleinschalig plaggen, opbrengen van steenmeel en dergelijke.
Water- en oeverplanten
•
Zorgvuldig en gefaseerd schoningsbeheer sloten.
•
Keuze van het type natuurvriendelijke oever volgens de ‘Handreiking Natuurvriendelijke oevers’ van Stowa (2011). Dus niet standaard een flauwe oever toepassen.
Muurplanten
•
Muurplanten sparen bij renovaties
•
Gebruik van kalkmortels in plaats van portlandcement bij renovatie en nieuwbouw, met name bij kade- en keermuren.
Paddenstoelen
•
Paddenstoelvriendelijk beheer van paddenstoelenrijke bermen, bijvoorbeeld niet maaien als er veel paddenstoelen aanwezig zijn (dus bij gazonbeheer het maaien tijdelijk stopzetten), tweemaal per jaar maaien en afvoeren van het maaisel.
•
Bomen zo lang mogelijk behouden (bijv. toepassen breuksnoei).
•
Aanbrengen of laten staan/liggen dood hout.
•
Boomkeuze voor mycorrhiza-vormende soorten (eik, beuk, linde, populier).
Bijlage IV Maatregelen voor biodiversiteit
Inleiding
In dit hoofdstuk staan maatregelen die kunnen worden toegepast om de biodiversiteit te verbeteren. Het gaat om zowel aanleg als beheer.
Aanleg landschapselementen
Hoogstamboomgaard
Past in: Kromme Rijn-gebied.
Goed voor: Patrijs, groene specht, wilde bijen.
Belangrijk: biologische bestrijding, tussenliggende gras extensief gemaaid (bloemrijk) gras.
Figuur IV- 1Hoogstamboomgaard.
Hakgriendbosje
Past in: Kromme Rijn-gebied.
Goed voor: insecten als het groot dikkopje, amfibieën, kleine marterachtigen, reeën.
Belangrijk: Het meest typisch voor het Kromme Rijn-gebied zijn de essengrienden. Probleem is wel dat essen bij het hakhoutbeheer extra gevoelig lijken te zijn voor de essntaksterfte. De stobben vertegenwoordigen ook hoge natuurwaarden, bijvoorbeeld als schuilgelegenheid voor kleine marterachtigen en als groeiplaats van mossen. eikenhakhout is ook mogelijk, maar komt van oorsprong meer voor op de droge gronden.
Figuur IV- 2 Essengriend (foto A. Kinnaer).
Natuurvriendelijke oever
Past in: alle gebieden.
Goed voor: oeverplanten, amfibieën, insecten (zoals libellen), vissen.
Belangrijk: flauwe oever (bij voorkeur 1:5 of flauwer) of plasdras oever (trapsgewijs aflopend). Hoe breder de oever hoe waardevoller voor verschillende soorten. Pas voor het ontwerp de ‘Handreiking Natuurvriendelijke Oevers, een standplaatsbenadering’ van Stowa (2010) toe om het type oever te bepalen.
Figuur IV- 3 Natuurvriendelijke oever.
Poel of klein water
Past in: alle gebieden (ook in tuinen!).
Goed voor: amfibieën, insecten (zoals libellen), oeverplanten.
Belangrijk: diepte tussen 60-100 cm, flauwe oevers (1:4 of flauwer) aan noord/west zijde. Ronde poelen passen landschappelijk minder goed in het komgebied. Hier zijn ook rechthoekige of langgerekte poelen (of geïsoleerde sloten) mogelijk.
Figuur IV- 4Poel.
Bloemrijk gras
Past in: alle gebieden.
Goed voor: insecten (zoals vlinders, wilde bijen en zweefvliegen), wilde planten.
Belangrijk: bloemrijk gras ontstaat door extensief te maaien en maaisel af te voeren. Eventueel kan ingezaaid worden met een daarvoor speciaal geselecteerd bloemrijk grasmengsel met inheemse soorten. Gebruik hiervoor bij voorkeur gras (of maaisel) uit de directe omgeving.
Figuur IV- 5 Bloemrijk gras.
Haag
Past in: Kromme Rijn-gebied, bebouwde kom.
Goed voor: Patrijs, struweelvogels, kleine marterachtigen, insecten (vlinders en wilde bijen).
Belangrijk: bij een haag kan het zowel gaan om een strakke vlechtheg of kniphaag als om een losse haag of struweelhaag. Deze laatste heeft de hoogste biodiversiteit, maar ook een vlechtheg of kniphaag biedt al meerwaarde in de vorm van schuil- en broedgelegenheid en, indien de haag tot bloei komt, aanbod van nectar en stuifmeel. Een gemengde haag, bestaande uit meerdere soorten, geeft meer mogelijkheden voor verschillende soorten.
Figuur IV- 6Vlechtheg. Een kniphaag levert bijna evenveel biodiversiteit op en kost minder onderhoud.
Figuur IV- 7Losse haag of struweelhaag.
Bloem- en zadenrijke akkerrand
Past in: Kromme Rijn-gebied.
Goed voor: boerenlandvogels, kleine marterachtigen, insecten (vlinders, wilde bijen).
Belangrijk: inzaaien met inheems zaadmengsel dat past bij de ondergrond en/of extensief onderhouden van akkerranden.
Figuur IV- 8 Bloemrijke akkerrand.
Ruigtestrook of ruige overhoeken
Past in: Kromme Rijn-gebied.
Goed voor: Patrijs, struweelvogels, kleine marterachtigen, insecten (sprinkhanen, vlinders en wilde bijen).
Belangrijk: door extensief maaien en afvoeren ontstaan deze ruigtes. Het is belangrijk om over het belang van dit beeld te communiceren.
Figuur IV- 9 Ruigtestrook langs akker (foto: Stichting Kleine Marters).
Slibwand
Past in: Kromme Rijn-gebied, bebouwd gebied
Goed voor: vogels (oeverzwaluw en ijsvogel), wilde bijen.
Belangrijk: het is een steile wand langs het water, opgebouwd uit baggerslib. Indien er ergens gebaggerd moet worden en het slib is niet verontreinigd, kan het slib op deze wijze verwerkt worden.
Takkenril
Past in: alle gebieden
Goed voor: amfibieën, kleine marterachtigen
Belangrijk: snoeiafval van grote takken kan hiervoor gebruikt worden. De takkenrillen ook onderhouden.
Figuur IV- 10 Takkenril.
Bomenrij
Past in: alle gebieden
Goed voor: vleermuizen, vogels
Belangrijk: diversiteit in het bomenbestand, qua soort en leeftijd zorgt voor minder kwetsbaarheid bij plagen. Voorkeur voor inheemse soorten en diversiteit in bloeiseizoen. Bij toepassen uitheemse soorten, is de voorkeur voor zuidelijke Europese soorten. De soorten die hier op lezen (zoals insecten) kunnen Nederland dan makkelijker bereiken.
Figuur IV- 11 Bomenrij van populier.
Overige beplanting
Past in: bebouwd gebied
Goed voor: vogels, insecten, amfibieën.
Belangrijk: letten op voldoende nectarplanten en diversiteit in bloeiseizoen (bloeiboog voor hommels en vlinders en variatie in soorten voor andere wilde bijen).
Faunapassages
Faunapassages zorgen ervoor dat kleine zoogdieren en amfibieën veilig een weg of spoorweg kunnen kruisen. In de Leidraad Faunavoorzieningen 2013 (Wansink et al., 2013) staat uitgebreid beschreven hoe een dergelijke voorziening moet worden aangelegd. De Leidraad is te downloaden van de site van het MJPO (www.mjpo.nl). Hieronder staan enkele voorbeelden, die in Zeist kunnen worden toegepast.
Faunabuis
Veel soorten kleine zoogdieren, kunnen via een buis veilig de overkant van een weg bereiken. Hoe groter de buis, hoe meer soorten er gebruik van maken.
Figuur IV- 12 Faunabuis.
Halfopen amfibieëntunnel
Tunnel waarvan boven licht (en waarschijnlijk vooral ook lucht en regenwater) in kan vallen. Of deze beter werken dan een faunabuis is niet bekend.
Figuur IV- 13 Halfopen amfibieëntunnel.
Ecoduiker of loopstrook door duiker
Veel kleine zoogdieren volgen graag oevers van watergangen. Waar deze een weg kruisen, steken ze vaak de weg over omdat ze niet graag door een duiker zwemmen (zelfs een otter zwemt niet door een duiker!) Daardoor vallen bij duikers vaak verkeersslachtoffers. Oplossing is een ecoduiker, met looppaden langs de randen. De looppaden moeten goed aansluiten op de oevers van de watergang. Bij bestaande situaties kan een looppad in een bestaande duiker worden aangebracht.
Figuur IV- 14 Loopstrook onder brug.
Boombrug
Een boombrug is een voorziening van die boomkronen met elkaar verbindt over een weg. Vaak worden ze aangelegd bij wegportalen (waar richtingaanwijzers of matrixborden aan hangen). Eekhoorns en boommarters blijven liever op hoogte, dan dat ze door een buis onder de weg door gaan. Ook vleermuizen kunnen er gebruik van maken om een weg over te steken.
Maatregelen bebouwd gebied
Groen of bruin dak
Past bij: alle platte daken of daken met een beperkte hellingshoek, van bestaande gebouwen met voldoende draagconstructie of nieuwbouw.
Goed voor: vogels, insecten en planten, evenals verkoeling van het bebouwde gebied.
Belangrijk: een groen dak afhankelijk van de draagkracht een beplanting met weinig wortelruimte (sedum, bodembedekker) of veel wortelruimte (boom). Een bruin dak is een dak met een laag grond, zand of puin, waar geen beplanting wordt aangebracht (hoogstens wordt er een zaadmengsel opgebracht). Hier moet vanzelf begroeiing op komen. Indien er voldoende draagkracht is, heeft een bruin dak vanuit biodiversiteit de voorkeur boven een groen dak. De gewenste dakopbouw kiezen in overleg met een specialist.
Figuur IV- 15Groen dak.
Groene gevel
Past bij: alle blinde muren, waarbij met zelfhechtende planten of een klimconstructie kan worden gewerkt.
Goed voor: vogels, insecten, planten
Belangrijk: bloeiende en besdragende soorten hebben extra aantrekkingskracht voor fauna.
Figuur IV- 16Groene gevel (foto: Subhrajyoti Saha)
Geveltuin
Past bij: gevels met minimaal 0,5 meter ruimte naast de gevel, waar wat verharding kan worden verwijderd om een tuintje te maken.
Goed voor: vogels, insecten, egel, planten.
Belangrijk: nectarplanten zijn waardevol. Let op spreiding van het bloeiseizoen.
Figuur IV- 17Geveltuin.
Kademuur of stapelmuur
Past bij: watergangen binnen of bij bebouwd gebied, parken en tuinen.
Goed voor: muurvegetatie, bij kademuren ook voor (onder)waterplanten, die weer interessante biotopen vormen voor insecten, (water)vogels en vissen.
Belangrijk: kalkrijke metselspecie is interessant voor muurllora, evenals holtes tussen de stenen, waar planten zich kunnen vestigen of insecten verblijfsruimtes vinden.
Figuur IV- 18Stapelmuur.
Wadi
Past bij: groenstroken en parken om water op te vangen en eventueel te reinigen met een helofytenfilter.
Goed voor: kleine zoogdieren, zoals de egel, amfibieën, vogels, insecten en planten.
Belangrijk: een wadi kan op verschillende manieren ingericht worden, met gras, vaste planten, ruigtes en bosschages. Belangrijk is dat het hemelwater dat hier naartoe geleid wordt goed de grond kan intrekken.
Figuur IV- 19Wadi
Natuurvriendelijke tuin
Past bij: alle tuinen van mensen die de natuur dichtbij en de seizoenen willen beleven.
Goed voor: vogels, insecten, amfibieën (als er wat water is), kleine zoogdieren, zoals de egel.
Belangrijk: maken van verschillende gradiënten (overgangen) tussen hoog en laag, nat en droog, lage en hogere beplanting, gebruik van nectarplanten, besdragende struiken en rommelhoekjes. In het winterseizoen de tuin met rust laten en oude beplantingsdelen, zoals oude stengels, laten staan.
Figuur IV- 20 Natuurvriendelijke tuin met inheemse planten.
Nesthulp voor vogels
Past bij: gebouwen, waar geen openingen meer in de constructie aanwezig zijn. Dit ondervangen door nestkast, inbouwkast, gevelsteen, speciale dakpannen, geen vogelschroot aanbrengen, etc.
Goed voor: diverse vogels, zoals huismus, gierzwaluw, huiszwaluw.
Belangrijk: er zijn diverse speciale (nest)kasten te koop. Bij nieuwbouw kunnen voorzieningen meteen worden ingebouwd. Een specialist kan advies geven over voorzieningen en positionering daarvan.
Figuur IV- 21Wit dakoverstek voor huiszwaluw.
Vleermuiskasten
Past bij: gebouwen, waar geen openingen meer in de constructie aanwezig zijn. Dit ondervangen door kasten aan de gevel, inbouwkasten, gevelsteen, etc.
Goed voor: gebouwbewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis
Belangrijk: inbouwkasten hebben de voorkeur boven buiten opgehangen kasten, omdat ze veel duurzamer zijn.
Figuur IV- 22Inbouwkasten voor vleermuizen.
Nesthulp voor wilde bijen (bijenhotel)
Past bij: (moes)tuinen, parken, brede bermstroken.
Goed voor: diverse insecten.
Belangrijk: bijenhotels bestaan uit hout- of steenblokken met gaten, bundels bamboe of riet (aan één kant dicht!), met zachte kalkspecie gemetselde stenen, een leemwandje, open bestrating of met (zand)voegen. De gaten in de hout- of steenblokken moeten aan één kant dicht zijn en glad afgewerkt, zonder rafels en splinters.
De meeste wilde bijen (70%) nestelen overigens in de grond. Enkele soorten, zoals de pluimvoetbij, doen dat het liefst op kaal zand. Voor deze bijen zijn stukjes kaal zand of zandhopen een geschikte nesthulp.
Nesthulpen voor wilde bijen hebben overigens alleen zin in de directe omgeving van geschikte nectar- en stuifmeelplanten.
Figuur IV- 23 Bijenhotel.
Drinkschaal
Past bij: (moes)tuinen
Goed voor: insecten en vogels
Belangrijk: Voor insecten is het prettig als er in de schaal een steen ligt, zodat ze zich op kunnen warmen. Voor vogels is het goed om een ondiepe schaal te hebben, waar ze ook in kunnen baden.
Figuur IV- 24 Drinkschaal (foto: Vivara.nl).
Egelhuis
Past bij: tuinen, rommelhoekjes in openbare plantsoenstroken of parken
Belangrijk: zet een egelhuis op een beschutte plek, onder een takken- of bladerhoop. Het plaatsen van een egelhuis heeft alleen zin als de tuin geschikt is voor egels, dus met voldoende beschutting en voedsel (zie natuurvriendelijke tuin). Zorg ervoor dat de tuin toegankelijk is voor egels, door een opening van 15 x 15 cm in schuttingen of hekken te maken. En zorg ervoor dat robotmaaiers van zonsondergang tot zonsopkomst uitgeschakeld zijn.
Figuur IV- 25 Egelhuis (foto: Vivara.nl).
Figuur IV- 26 Egels zorgen zelf voor de aankleding van het egelhuis.
Ecologisch groenbeheer
Ecologisch beheer van groenelementen is van belang om de waarde voor flora en fauna blijvend te verhogen. In grote lijnen komt dit beheer neer op:
•Het vergroten van overgangen (gradiënt), bijvoorbeeld tussen hoge en lage begroeiing.
•Gefaseerd beheer, dus bij elke beheerronde een (wisselend) deel onbeheerd laten. Zo kunnen soorten altijd vluchten naar het onbeheerde deel.
•Verschralingsbeheer (afvoeren van maaisel of bagger).
Beheer bloemrijk gras
Om gras bloemrijker te maken is een beheer van twee maal per jaar maaien waarbij het maaisel wordt afgevoerd (hooilandbeheer) het meest effectief. Belangrijk daarbij is het om gefaseerd te werken, dat wil zeggen dat per maaibeurt 10 - 20 % van de begroeiing blijft staan. Een bijzondere manier van gefaseerd maaien en afvoeren is het sinusbeheer, ontwikkeld door Jurgen Couckuyt, waarbij in steeds wisselende slingerende banen wordt gemaaid (zie bijlage 2).
Ook met begrazing is bloemrijk gras te realiseren. Dat is echter lastiger te realiseren dan met maaien en afvoeren van het gras.
Inzaaien of niet inzaaien?
De laatste jaren is het inzaaien van bloemen voor bijvoorbeeld bijen populair. In zogenaamde bijenmengsels zitten echter vaak veel uitheemse soorten, die er wel vrolijk uitzien, maar waar maar weinig wilde bijen van profiteren. Bovendien gaan deze mengsels ten koste van inheemse soorten. Inzaaien is duur en het effect is vaak maar kort. Inzaaien kan gunstig zijn als:
•gebruik gemaakt wordt van inheemse soorten, waarvan het zaad liefst in de directe omgeving is geoogst (bijvoorbeeld door het uitspreiden van hooi van een geschikte andere locatie);
•het zaadmengsel goed wordt afgestemd op de situatie ter plekke (bodemsoort, vocht, beschaduwing, enzovoorts).
Zaaien heeft doorgaans een beter effect als het plaatsvindt op onbegroeide bodem, dan wanneer er al gras aanwezig is.
Gazons
Ook gazons kunnen bloemrijk zijn met typische gazonbloeiers als madeliefje, paardenbloem en draadereprijs. Ook deze planten zijn waardevol als nectarplant. Bovendien is gazon van belang voor vogels als de merel. Maai gazons niet te vaak en niet te laag, om bloeiende planten een kans te geven. Indien tijdens de bloei gemaaid moet worden, maai dan ook gazons gefaseerd. Voer bij voorkeur ook het maaisel van gazons af.
Schonen oppervlaktewater
Bij het schonen van oppervlaktewater is het van belang dat per schoningsbeurt 25-50% van het oppervlak ongemoeid wordt gelaten. Als er teveel waterplanten worden verwijderd, kunnen de overblijvende waterplanten te weinig voedingsstoffen uit het water halen. Dat veroorzaakt een sterke algengroei, waardoor het water troebel wordt. Ook treden sneller problemen op met ziekten als botulisme. Tot slot kan het water zuurstofloos worden als de algen in het najaar allemaal tegelijk afsterven en verrotten.
Beheer verhardingen
In Zeist houdt de gemeente verhardingen gelukkig al lange tijd niet meer onkruidvrij met gif, maar met borstelen en of verhitten. Vaak wordt aangeraden om verhardingen in mortel te leggen en te voegen met voegmortel. Dit voorkomt weliswaar onkruid, maar zorgt ervoor dat de verharding nog minder waterdoorlatend wordt. Daarnaast zijn er veel soorten wilde bijen, die hun nestjes maken in het voegzand tussen de tegels.
Beheer bomen
Het beheer van bomen in Nederland komt voort uit de praktijk van de bosbouw ten behoeve van de houtoogst. Oude en zieke bomen worden daarom relatief snel gekapt, omdat ze gevaar op zouden leveren. Juist oude en holle bomen leveren echter veel biodiversiteit op. Op Engelse landgoederen is veel ervaring met een andere vorm van het beheer van bomen, gericht op het zo lang mogelijk handhaven van de bomen. Een techniek die ook in Nederlandse parken goed kan worden toegepast, is de zogenaamde breuksnoei. Deze snoeimethode is kortgeleden in Nederland geïntroduceerd en is er op gericht oudere, door zwammen geïnfecteerde bomen, een tweede jeugd te geven. Met deze snoeitechniek kunnen bomen honderden jaren oud worden, zonder gevaar op te leveren voor de bezoekers van parken.
Tijdelijke natuur
Op braakliggende stukken grond is soms spontane natuur ontstaan. Met de bestemming ‘tijdelijke natuur’ zorgt de gemeente dat deze groene ruimte dienst kan doen als verblijf- en foerageergebied zonder dat het daarmee in strijd is met de Wet natuurbescherming.
Bijlage V Sinusbeheer
Handleiding Sinusbeheer
Door Jurgen Couckuyt, Singeldreef 42, 9160 Lokeren, België. Tel.+32 (0)473 43 62 24 couckuyt.jurgen@telenet.be
Wat is een sinus?
Een sinus is een golvende lijn (in de huidige context door mij een sinuspad genoemd) die afwisselend in de tijd een middellijn meermaals doorkruist. De frequentie van deze sinus wordt bepaald door het aantal keren dat je deze middellijn doorkruist. Je kan de frequentie in de tijd aanpassen door zowel de hoogte van de sinus als de breedte van de sinus te veranderen. En dat is nu net de bedoeling wanneer je het sinuspad (rode lijn) maait. Variëren met de hoogtes en breedtes van de sinus.
De vorm van een sinuspad wordt willekeurig bepaald door de hoogte en breedte.
Uitvoering van het sinusbeheer.
Omdat dagvlinders graag in een gunstig microklimaat vertoeven, werken we steeds tegen een houtkant of bosrand aan. Het hooiland gaat zo in een meer gevarieerde manier over in de ruigte en/of mantelzoom i.p.v. de scherpe overgang bij het gefaseerd maaibeheer. De optimale situatie voor een ideaal microklimaat is een houtkant of bosrand die zuidwaarts gericht ligt (dus in het noorden van je gebied). In de onderstaande voorbeelden ligt de bosrand dus ook in het noorden.
Sinusbeheer is een vergevorderde methode die zowel hooilandbeheer als insectenbeheer samen laat gaan. Hooilandbeheerders die met beide streefdoelen willen rekening houden, staan steeds voor een dilemma, nl. ik moet maaien want anders verschraal ik niet, en ik mag niet maaien want dat is nefast voor insecten die afhankelijk zijn van een bloemrijk hooiland.
sinusbeheer laat beide toe én met extra veel voordelen!
In deze handleiding wordt enkel de werkwijze belicht. Wie meer wil weten over het waarom van sinusbeheer, kan binnenkort een uitgebreid artikel verwachten in natuurbladen en wetenschappelijke tijdschriften.
Stap 1: het sinuspad A.
Naarmate het gras begint te groeien in het voorjaar is het tijd om een eerste sinuspad te maaien.
1Maak een slingerend pad (sinuspad) met de maaibalk parallel met de houtkant/bosrand.
2Varieer met de frequentie van het sinuspad zowel in de hoogte als in de breedte.
3Vermijdt een monotone sinus. Varieer!
4Durf met de sinus ook eens in de houtkant/bosrand te maaien alsook veel verder in het hooiland (dit is de hoogte van de frequentie).
5Voer het maaisel uit het sinuspad zodra dit droog is.
Stap 2: eerste maaibeurt van het hooiland.
Wanneer je het tijd acht om het hooiland te maaien.
1Maai dan enkel de binnenzijde van het hooiland (wit gedeelte).
2Het sinuspad en de buitenzijde van het hooiland (groen gedeelte) worden niet gemaaid!
3Voer het maaisel uit het hooiland na een 2-tal dagen wanneer dit gedroogd is.
Het gemaaide hooiland groeit langzaam weer aan en wordt gedomineerd door een zomerbloei
(lichtgroene gedeelte).
Stap 3: het tweede sinuspad B.
Nadat het gemaaide hooiland weer is aangegroeid, wordt het tijd om een tweede sinuspad B te maaien.
1Maai een nieuw sinuspad B maar let op dat dit verschoven is t.o.v. het eerste sinuspad A dat visueel nog altijd zichtbaar is. (groene kleurschakeringen).
2Varieer ook nu weer met de frequentie van de sinus zowel in de hoogte als breedte.
3Voer ook nu weer het maaisel af eens gedroogd.
Stap 4: de tweede maaibeurt.
Als de tijd weer rijp is, kunnen we het hooiland een tweede maaibeurt geven.
1Neem het tweede sinuspad B als grens tussen het niet gemaaide gedeelte (groen gedeelte) en het te maaien (wit) gedeelte.
2Het sinuspad wordt niet meegemaaid!
3Voer het maaisel af na een 2-tal dagen eens dit droog is.
Zoals u kan zien, treedt er t.o.v. de eerste maaibeurt een variatie op in de vegetatiestructuur. Dit merk je a.d.h.v. de verschillende groenschakeringen. Deze situatie treedt niet op bij gefaseerd maaibeheer!
Na de tweede maaibeurt (zomer) groeit ook nu het gemaaide hooiland weer aan. Bij een zachte winter kan het gras zelfs zeer lang doorgroeien waardoor het hooiland in een ongewenste situatie de winter ingaat (lichtgroene gedeelte).
Stap 5: het derde sinuspad C.
Tijdens lange nazomers en zachte winters blijft het gras groeien. In dat geval maaien we een derde sinuspad C.
1Varieer ook nu weer met de frequentie t.o.v. de 2 vorige sinuspaden. Dit is nog steeds visueel merkbaar (groene kleurschakeringen).
2Durf bij dit sinuspad meer in het hooiland te gaan (hoogte van de sinus).
3Voer het maaisel af eens gedroogd.
NB. Dit sinuspad kan dus zowel in de late zomer of zelfs in de winter gemaaid worden!
Laatste stap: het hooiland klaarmaken voor het nieuwe seizoen.
Deze laatste maaibeurt hoeft niet noodzakelijk te gebeuren op het einde van de zomer. Dit kan evengoed doorgaan in de winter bij gunstige omstandigheden (of in het vroege voorjaar) opdat de gewenste botanische soorten onder de beste omstandigheden kunnen doorgroeien eens het voorjaar op gang komt. Deze keer hoef je het recentste sinuspad niet ongemaaid te laten en kan je mee maaien met de derde maaibeurt. Ook nu alles afvoeren na een tweetal dagen drogen.
Vanaf nu begint de ganse cyclus opnieuw met dat verschil dat je veel meer verschraalt in het hooiland, maar ook een veelvoud aan nectar, uitwijkmogelijkheden en overwinteringsmogelijkheden genereert. En als je goed rekent, kan je in de kleurenschakeringen zien dat er delen zijn die niet gemaaid zijn. Daartussen liggen ook delen die slecht éénmaal zijn gemaaid in het voorjaar en éénmaal in het najaar. Daarnaast heb je ook nog delen die tweemaal zijn gemaaid en het eigenlijke hooiland zelfs tot 3 maal is gemaaid! Wie doet beter? Deze gevarieerde situatie zal je nooit verkrijgen bij gefaseerd maaibeheer!