Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Zeist 2026

Gemeente Zeist · geldt sinds 21 maart 2026

Aanhef

1In te stemmen met de gewijzigde beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Zeist 2026 en de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Zeist 2023 in te trekken.

INLEIDING

Een deel van onze inwoners heeft wel eens een helpende hand nodig. Bijvoorbeeld om thuis de boel draaiende te houden. Of om actief aan het dagelijks leven deel te kunnen blijven nemen. De gemeente Zeist biedt die helpende hand, zodat Zeistenaren zo lang mogelijk en zo zelfstandig mogelijk kunnen blijven meedoen in de samenleving. Het streven is dat mensen zélf de regie over hun leven houden. De gemeente biedt waar nodig hulp op maat, passend bij de mogelijkheden van de inwoner en zijn omgeving.

Deze gemeentelijke taak is vastgelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). In de Verordening Sociaal Domein Zeist is beschreven hoe de gemeente deze wet uitvoert. Veel onderwerpen zijn al voldoende beschreven in de verordening. Voor een aantal onderwerpen wordt in deze Beleidsregels een nadere uitwerking gegeven. Beleidsregels zijn regels die aangeven hoe het college van B&W omgaat met haar bevoegdheden rond de uitvoering van de Wmo. De beleidsregels zijn bedoeld voor de afweging van belangen, het vaststellen van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften.Er worden handvatten gegeven voor de afwegingen die gemaakt worden om hulp op maat in te zetten. Het college handelt in principe volgens deze beleidsregels, behalve als dit vanwege bijzondere omstandigheden onredelijk is. Dan kan worden afgeweken van de beleidsregels.

3 EEN SCHOON EN LEEFBAAR HUIS

3.3 Huishoudelijke Ondersteuning

3.3.1 Huishoudelijke Ondersteuning Extra (HO-X)

Huishoudelijke Ondersteuning Extra (HO-X) is aan de orde bij huishoudens waar (tijdelijk) meer nodig is dan schoonmaken en eenvoudige regie. Het gaat om schoonmaken in combinatie met ondersteuning in de vorm van praktische inzet rond de structurering van het huishouden en ondersteuning van de cliënt daarbij. Het gaat om zwaar ontregelde huishoudens, inwoners die de grip op hun dagelijks leven kwijt zijn of dreigen te verliezen, inwoners met multi- problematiek op diverse levensdomeinen die gepaard gaat met zwaar verminderde draagkracht en toegenomen draaglast en stress. Voorbeelden: na hoarding-behandeling, bij meldingen van overlast, ggz-problematiek, inwoners met een licht verstandelijke beperking (lvb) die door omstandigheden de regie zijn kwijtgeraakt, inwoners die in ernstig isolement verkeren, leiden aan verslaving etc.

HO-X zal in de regel tijdelijk wordt ingezet en zich richten op normalisering en stabilisering van de situatie. Er zal dan dus altijd sprake zijn van een activerende indicatie waarbij de inwoner leert om zelf, of met hulp van zijn netwerk weer de regie te voeren over zijn huishouden. Dat kan wel inhouden dat daarna ‘gewone’ huishoudelijke ondersteuning nog langere tijd nodig is. In de indicatie worden concreet de beoogde resultaten benoemd waaraan de zorgaanbieder samen met de inwoner gaat werken, binnen een periode van maximaal een jaar.

4 BEGELEIDING

4.3 Vormen van begeleiding

4.3.1 Keuze individuele begeleiding of groepsbegeleiding/ dagbesteding

Met betrekking tot de begeleiding maakt de gemeente onderscheid tussen individuele begeleiding en begeleiding in een groep. Of de inwoner is aangewezen op individuele begeleiding of begeleiding in groepsverband, wordt bepaald door de afweging wat het best past. Begeleiding in groepsverband gaat voor op individuele begeleiding als daarmee hetzelfde doel kan worden bereikt.

Groepsbegeleiding of dagbesteding

Groepsbegeleiding kan de volgende doelen hebben:

▪︎ Het bieden van een dagprogramma met als doel al dan niet aangepaste vormen van werk (ook vrijwilligerswerk) of school te vervangen;

▪︎ Het bieden van activiteiten met als doel een andere vorm van dagstructurering dan werk of school (denk aan 65-plussers) en ook het zoveel mogelijk handhaven van zelfredzaamheid, cognitieve capaciteiten en vaardigheden of het reguleren van gedragsproblemen.

▪︎ Het ontlasten van de mantelzorger.

Bij groepsbegeleiding kan als dat nodig is, vervoer geïndiceerd worden naar de locatie waar de begeleiding plaatsvindt. Vervoer wordt alleen toegekend als:

a.Er groepsbegeleiding is geïndiceerd;

b.De inwoner niet in staat is om de locatie waar de begeleiding plaatsvindt zelfstandig of met behulp van personen uit zijn/haar sociale netwerk te bereiken.

Er kan vanuit de Wmo geen toezicht tijdens het vervoer worden geïndiceerd. Ook niet naar begeleiding in groepsverband. Het vervoer moet afgestemd zijn op de doelgroep die wordt vervoerd.

Het gaat hier niet om vervoer met de Regiotaxi maar om vervoer dat geregeld wordt door de zorgaanbieder van de dagbesteding.

Individuele begeleiding

Individuele begeleiding heeft als doel het verbeteren van de zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie van de inwoner, zodat hij zelfstandig kan blijven wonen. Individuele begeleiding kan bijvoorbeeld bestaan uit het helpen bij het plannen van activiteiten, het regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag.

De begeleiding kan activerend of stabiliserend zijn. Onder activerend verstaan we ‘activiteiten gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner, zoals vaardigheden aanleren of inwoners stimuleren om maatschappelijk actief te worden’.

Onder stabiliserend verstaan wij ‘activiteiten gericht op trainen of onderhouden van de vaardigheden van een inwoner, zodat de inwoner zo lang mogelijk zelfstandig thuis kan blijven wonen en maatschappelijk actief kan blijven.

4.3.2 Onderscheid reguliere en gespecialiseerde begeleiding

Alleen voor individuele begeleiding wordt onderscheid gemaakt tussen gespecialiseerde begeleiding en reguliere begeleiding. Voor de meeste begeleidingsvragen, kan reguliere begeleiding worden ingezet. Dat is het uitgangspunt.

Voor de begeleiding van sommige inwoners is een bepaald specialisme nodig. Bijvoorbeeld omdat er sprake is van een zeer specifiek of zwaar ziektebeeld.

Gespecialiseerde begeleiding is bedoeld voor:

▪︎ Inwoners die niet zelfredzaam zijn en waarbij sprake is van ernstig tekortschietende zelfregie, sociaal-emotionele problematiek, integratie en participatie. Er is sprake is van complexe en/of meervoudige problematiek wat vraagt om intensieve begeleiding.

▪︎ De gespecialiseerde begeleiding richt zich op:

▪︎ tekortschietende zelfregie en/of inzicht in de problematiek;

▪︎ ernstige problemen t.a.v. het psychisch en/of cognitief functioneren;

▪︎ oriëntatiestoornissen;

▪︎ gedragsproblematiek, ook gedragsproblemen waardoor er risico bestaat voor de veiligheid van de inwoner en/of anderen;

▪︎ of plotselinge veranderingen waardoor bovenstaand beeld optreedt.

▪︎ Bijkomende problematiek die veelal zorgt voor een ernstige ontregeling of risico in disfunctioneren zoals:

▪︎ crimineel gedrag, reclassering;

▪︎ verslavingsproblematiek;

▪︎ crisissituaties;

▪︎ ernstige verwaarlozing.

Bij gespecialiseerde individuele begeleiding kan er ook aandacht zijn voor activerende elementen zoals het regelen van dagelijkse bezigheden, het nemen van besluiten, het plannen en uitvoeren van taken en/of met extra aandacht voor ontwikkeltrajecten op het vlak van wonen, werk, sociaal netwerk. Afschalen van deze vorm van begeleiding naar reguliere begeleiding is mogelijk.

Na afloop van de periode van begeleiding kan waakvlamzorg worden ingezet. De begeleiding is dan niet wekelijks nodig voor een aaneengesloten periode, maar slechts op incidentele momenten en op afroep, om terugval te voorkomen. De maximale omvang daarvan bedraagt 10 uur binnen een looptijd van maximaal een jaar.

Bemoeizorg is een intensieve vorm van ondersteuning voor mensen die maatschappelijk in de problemen komen. Het gaat om de ongevraagde bemoeienis met mensen met ernstige, vaak geestelijke problematiek, die hulp niet willen accepteren of daar niet om vragen. Bemoeizorg heeft niet als belangrijkste doel om specifieke problemen te verminderen, maar richt zich op het toeleiden naar zorg waarbij het sociale netwerk van het hele huishouden wordt betrokken. De ondersteuning kan er ook op gericht zijn om overlast voor de omgeving te voorkomen of te beperken. Het bestaat onder meer uit het bereiken van zorgmijders, het contact leggen met deze doelgroep, zorgcoördinatie en praktische ondersteuning. Een taak van de gemeente is onder meer zorgen voor een goede afstemming tussen de verschillende instanties.

4.3.3 Afspraken met landelijke aanbieders voor specifieke groepen

Voor sommige vormen van dagbesteding en begeleiding geldt dat deze landelijk worden ingekocht. Het betreft dagbesteding en begeleiding voor mensen met een zintuigelijke beperking (visueel of auditief). De toegang tot deze begeleiding gaat hetzelfde als die tot alle andere vormen van begeleiding.

4.3.4 Omvang van begeleiding

Het aantal uren individuele begeleiding wordt toegekend op basis van onder meer:

▪︎ De doelen die bereikt moeten worden op basis van de (medische) situatie van de inwoner;

▪︎ De concrete taken die de begeleider met de inwoner gaat oppakken;

▪︎ De aard van de begeleiding: regulier of gespecialiseerd;

▪︎ Het aantal keer per week dat de begeleider moet komen;

▪︎ Kans op terugval van de inwoner.

Het aantal dagdelen groepsbegeleiding wordt toegekend op basis van onder meer:

▪︎ De doelen die bereikt moeten worden op basis van de (medische) situatie van de inwoner;

▪︎ De behoefte van de inwoner;

▪︎ De aard van de begeleiding;

▪︎ De behoefte van de eventuele mantelzorger;

6 WONEN IN EEN GESCHIKT HUIS

6.2 Afwegingskader

6.2.1 De woning

De gemeente kijkt bij de beoordeling of een woonvoorziening kan worden verstrekt naar de woonsituatie van de inwoner. Uitgangspunt is dat de gemeente alleen voorzieningen verstrekt voor de woning die het hoofdverblijf van de inwoner is. In uitzonderlijke gevallen kan er sprake zijn van twee hoofdverblijven. Bijvoorbeeld bij een kind van gescheiden ouders dat op twee adressen woont.

Belangrijk is verder dat de inwoner voor langere tijd in de woning kan blijven wonen. Een pension, gehuurde kamer of anti-kraakwoning zal niet zo snel in aanmerking komen voor grote aanpassingen.

Bij specifiek op gehandicapten en/of ouderen gerichte woongebouwen verwacht de gemeente het één en ander aan aanpassingen van de woningeigenaar. Vooral wat betreft de algemene ruimtes. Van de eigenaar van het gebouw mag immers verwacht worden dat als hij een gebouw aanduidt als geschikt voor gehandicapten of ouderen, hij daar ook de voorzieningen voor heeft getroffen.

Voor een zorgwoning waarbij de functie “verblijf” van toepassing is, zal de gemeente in principe geen woningaanpassingen verstrekken. De gemeente gaat ervan uit dat dit type woning geschikt is voor inwoners met beperkingen.

6.2.2 Oorzaak van het probleem

Van inwoners mag goed woninggebruik worden verwacht. En van een verhuurder mag verwacht worden dat er gebruik gemaakt wordt van deugdelijke materialen. Als een woonprobleem is ontstaan door het woongedrag van de inwoner of door de gebruikte materialen in de woning, dan zal de oplossing in eerste instantie in aanpassing van het gedrag of gebruik van andere materialen worden gezocht.

Er zijn situaties waarbij de inwoner verhuist van een aangepaste en/of geschikte woning naar een woning die minder of helemaal niet is aangepast/geschikt is. Dit is een verhuizing van een geschikte naar een niet geschikte woning. De gemeente verstrekt alleen woonvoorzieningen als voor deze verhuizing een belangrijke reden bestaat.

Een belangrijke reden kan bijvoorbeeld zijn dat de inwoner een baan heeft gekregen op grote afstand van zijn woning, waardoor verhuizen noodzakelijk is. Maar ook een echtscheiding kan een reden zijn dat de inwoner moet verhuizen. In al dit soort gevallen verwacht de gemeente wel dat de inwoner van tevoren contact opneemt, zodat de gemeente kan meedenken over de goedkoopst passende oplossing. Ook gaat de gemeente ervan uit dat de inwoner actief op zoek gaat naar een geschikte woning. Als deze niet binnen een redelijke termijn beschikbaar is, kan besloten worden om toch een woonvoorziening toe te kennen.

Als iemand met (dreigende) beperkingen verhuist vanuit een voor hem of haar ongeschikt huis, verwacht de gemeente dat hij of zij deze gelegenheid aangrijpt om naar een geschikte woning te verhuizen. Hierbij verwacht de gemeente van de inwoner dat hij of zij hierbij ook rekening houdt met de toekomst.

Natuurlijk staat het iedereen vrij om zijn eigen nieuwe woning uit te kiezen. De gemeente zal bij de aanvraag van woonvoorzieningen via de Wmo echter altijd overwegen in hoeverre de inwoner met de ontstane problemen rekening had kunnen houden op het moment dat hij naar de huidige woning is verhuisd. Dus in welke mate waren de nu ontstane problemen toen voorzienbaar. Had de inwoner op dat moment bijvoorbeeld al kunnen weten dat de trap over enkele jaren een onneembaar obstakel zou zijn? In dat geval zal de gemeente geen woonvoorziening toekennen. De inwoner heeft zelf immers het risico genomen dat zijn woning (in de toekomst) niet geschikt zou zijn.

6.2.3 Eigen oplossingen

De gemeente onderzoekt in hoeverre de inwoner het woonprobleem zelf kan oplossen. Hierbij kijkt de gemeente ook of het woonprobleem kan worden opgelost met voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. In hoofdstuk 2 is het begrip algemeen gebruikelijk beschreven.

De volgende woonvoorzieningen zijn voorbeelden van voorzieningen die in veel situaties algemeen gebruikelijk zijn:

▪︎ Het aanbrengen van beugels en handgrepen;

▪︎ Het laten aanleggen van een (tweede) toilet, verhoogd toilet of het aanschaffen van een toiletverhoger.

▪︎ Het installeren van een toiletpot met föhn- en spoel/wasinrichting

▪︎ Het plaatsen van een reguliere inductiekookplaat

▪︎ Het plaatsen van hendelmengkranen en thermostatische kranen

▪︎ Een badkamervloer voorzien van anti-slip behandeling of anti-slip bad- of douchematten

▪︎ Het plaatsen van eenvoudige drempelhulpen

Klussendiensten kunnen eventueel hulp bieden bij het aanleggen van voorzieningen.

Het anders inrichten van de woning kan ook een eigen oplossing zijn. Bijvoorbeeld het verplaatsen van een wasmachine van een bovenverdieping naar een benedenverdieping.

Voor een kortdurende behoefte aan een oplossing zijn losse woonvoorzieningen (zoals een douchestoel) te leen via de Zorgverzekeringswet.

6.2.4 Verhuizen

De gemeente kijkt ook in hoeverre verhuizen een oplossing kan bieden voor het woonprobleem. Als de woning niet of alleen tegen zeer hoge kosten aangepast kan worden, verwacht de gemeente dat de inwoner verhuist naar een meer geschikte woning. De gemeente geeft dan een verhuisadvies af.

Hierbij zullen onder andere de volgende punten worden meegenomen:

▪︎ Financiële consequenties van de verhuizing;

▪︎ De termijn waarop een meer geschikte woning kan worden gevonden (in verband met de medische verantwoorde termijn);

▪︎ De sociale situatie van de inwoner, bijvoorbeeld de aanwezigheid van mantelzorgers in de omgeving van de woning;

▪︎ De aanwezigheid van voor de inwoner noodzakelijke voorzieningen in de omgeving van de woning.

De gemeente zal alle argumenten zeer zorgvuldig afwegen voordat zij een verhuisadvies afgeeft.

6.3 Woonvoorzieningen

6.3.1 Roerende woonvoorzieningen

Roerende woonvoorzieningen zijn voorzieningen die verplaatsbaar zijn en niet nagelvast zitten. Bijvoorbeeld douchestoelen, toiletstoelen, douchebrancards, verrijdbare tilliften en losse of eenvoudig verwijderbare drempelhulpen.

Roerende woonvoorzieningen gaan voor op onroerende woonvoorzieningen. Een losse douchestoel gaat bijvoorbeeeld voor op een douchezitje aan de muur, als deze een passende oplossing biedt. Een losse (roerende) voorziening heeft als voordeel dat deze snel kan worden ingezet, herbruikbaar is en voor meerdere doeleinden kan worden ingezet. Zo kan een douchestoel bijvoorbeeld ook gebruikt worden om aan de wastafel te zitten of om op te zitten bij het aankleden.

6.3.2 Onroerende woonvoorzieningen

Onroerende woonvoorzieningen zijn nagelvaste woonvoorzieningen die verwijderd kunnen worden (bijvoorbeeld een traplift) en nagelvaste woonvoorzieningen die nietof niet eenvoudig verwijderd kunnen worden, zoals een aanbouw aan een woning. We noemen dat ook wel een bouwkundige aanpassing of woontechnische ingreep. Een bouwkundige aanpassing of woontechnische ingreep aan een woonruimte kent de gemeente toe aan de inwoner. Als het een huurwoning betreft, zorgt de eigenaar van de woning echter voor de betreffende aanpassingen. De gemeente kan er in dat geval voor kiezen om de kosten voor de voorziening direct aan de eigenaar uit te betalen. De gemeente stuurt de beschikking toe aan de inwoner, met een afschrift aan de eigenaar.

6.3.2.1 Eenvoudige woningaanpassingen

Eenvoudige woningaanpassingen zijn bijvoorbeeld:

▫︎ Het plaatsen van een onderrijdbare wastafel;

▫︎ Het plaatsen van een opklapbaar douchezitje;

▫︎ Het plaatsen van een opklapbare beugel;

▫︎ Het aanleggen van een stroomvoorziening voor een scootmobiel of traplift.

6.3.2.2 Complexe woningaanpassingen

Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt de gemeente met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden. Van de offertes wordt de goedkooopst passende oplossing gekozen. Als voor de woningaanpassing een omgevingsvergunning noodzakelijk is, dan wordt de woningaanpassing pas toegekend als vaststaat dat die wordt verleend.

Bij de toekenning van voorzieningen, is het niveau van sociale woningbouw het uitgangspunt. Dit is vastgelegd in het meest actuele “Bouwbesluit”.

De gemeente gaat ervan uit dat de eigenaar van de woning zo nodig zelf zorgt voor de aanpassing van de opstalverzekering.

Als een bouwkundige nagelvaste woonvoorziening in eigendom aan de woningeigenaar wordt verstrekt is de woningeigenaar verantwoordelijk voor onderhoud en reparatie van de voorziening.

Een woningaanpassing, met uitzondering van een traplift, moet uiterlijk binnen drie maanden na het verlenen van de voorziening gereed zijn. Als dat niet lukt, kan de gemeente besluiten om de eerder verleende voorziening in te trekken. Daarbij wordt rekening gehouden met factoren als beschikbaarheid van materialen en aannemers. Als de voorziening gereed is, moet door de inwoner aan de gemeente een schriftelijke gereedmelding worden overlegd.

Voor aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten van een wooncomplex wordt altijd eerst een beroep gedaan op de woningeigenaar (bijvoorbeeld woningeigenaar of VvE), omdat er door meerdere bewoners gebruik zal worden gemaakt van de voorziening (bijvoorbeeld een automatische deuropener). De woningeigenaar heeft de verantwoordelijkheid om gemeenschappelijke ruimten voor alle bewoners in het dagelijks gebruik geschikt te maken en te houden. Dit geldt in het bijzonder voor wooncomplexen die bedoeld zijn voor ouderen of mensen met een beperking.

Bij aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten zal de gemeente ook beoordelen of het verantwoord is voorzieningen (zoals trapliften) op een voor een ieder bereikbare plaats te zetten. Ook kijkt de gemeente naar zaken als (brand)veiligheid en slijtage door weer en wind.

6.3.3 Vervangen vloerbedekking in verband met longklachten

Inwoners met allergie of astma kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage in de kosten voor het vervangen van de vloerbedekking als dat noodzakelijk is. Dit is alleen mogelijk wanneer een arts een duidelijke diagnose heeft gesteld en door middel van een medisch advies de ernst en noodzaak is vastgesteld.

De inwoner kan alleen een vergoeding krijgen als:

a.hij bij de aanschaf van de oude materialen niet had kunnen weten dat hij longklachten zou krijgen of dat deze erger zouden worden;

b.de vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is;

c.de vervanging niet kan worden gezien als algemeen gebruikelijk in de zin van artikel 2.3.

In principe gaat het bij woningsanering om het vervangen van de vloerbedekking in de slaapkamer en in de woonkamer. Voor het vervangen van gordijnen of behang in de slaap- of woonkamer worden geen saneringskosten verstrekt.

Voor de kosten wordt door de gemeente onderzoek gedaan naar de op dat moment goedkoopst passende oplossing.

Bij verhuizing na het onstaan van de klachten komt de inwoner niet in aanmerking voor een vergoeding. Bij een verhuizing is het immers gebruikelijk dat iemand zijn woning opnieuw inricht en stoffeert. Hierbij kan de inwoner alvast rekening houden met zijn klachten.

In bijlage 2 is de hoogte van de vergoeding opgenomen.

6.3.4 Verhuiskostenvergoeding

Iemand die vanwege zijn beperkingen niet meer in zijn eigen woning kan wonen en daarom moet verhuizen, kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming: de verhuiskostenvergoeding.

Te denken valt vooral aan de volgende drie situaties:

▪︎ De inwoner gaat naar een nieuwe geschikte woning, omdat hij in zijn oude woning niet meer op een normale manier kan functioneren;

▪︎ De inwoner vraagt om een woningaanpassing, maar na onderzoek blijkt dat een verhuizing een geschikte en de goedkoopste oplossing is voor zijn probleem. Het kan ook zijn dat de huidige woning van de inwoner zich niet leent voor een aanpassing. Ook dan is verhuizing de meest voor de hand liggende oplossing;

▪︎ Iemand zonder beperkingen die in een aangepaste woning woont, maakt deze op verzoek van de gemeente vrij.

Een verhuiskostenvergoeding is een alternatief voor een woningaanpassing als dit een geschikte en de goedkoopste oplossing is voor het woonprobleem van de inwoner.

De gemeente kent geen verhuiskostenvergoeding toe in onder andere de volgende gevallen:

▪︎ Algemeen gebruikelijke verhuizingen, bijvoorbeeld jongeren die op zichzelf gaan wonen, gezinnen die groter gaan wonen of ouderen die kleiner gaan wonen;

▪︎ Geen onverwacht optredende noodzaak;

▪︎ Verhuizing naar een zorginstelling, de kamers worden meestal gestoffeerd opgeleverd.

De hoogte van de vergoeding is opgenomen in bijlage 2.

6.3.5 Bezoekbaar maken woning

Als de inwoner zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling of bij scheiding bij één ouder verblijft en de tweede ouder regelmatig bezoekt, kan voor de tweede woonruimte een voorziening worden getroffen om deze ruimte bezoekbaar te maken. Daarbij gaat het alleen om de volgende zaken:

▪︎ Het kunnen bereiken van de woning;

▪︎ Het kunnen bereiken en gebruiken van de woonkamer;

▪︎ Het kunnen bereiken en gebruiken van het toilet.

Hierbij gaat het dus in eerste instantie alleen om op bezoek gaan en niet over logeren.

De hoogte van de vergoeding is opgenomen in bijlage 2.

6.3.6 Verwijderen van voorzieningen

Woonvoorzieningen die in bruikleen zijn verstrekt, zoals een traplift, blijven eigendom van de gemeente. De kosten voor het verwijderen dan wel innemen, komen dan ook voor rekening van de gemeente.

Voor andere woningaanpassingen geldt dat deze niet verwijderd hoeven te worden als de inwoner niet langer gebruikt maakt van de woning. Als de verhuurder of eigenaar van de woning het nodig vindt de woningaanpassing te verwijderen, zijn de kosten daarvan voor hem.

7 ROLSTOELEN

7.3 Type rolstoel

7.3.1 Programma van eisen

Er zijn verschillende soorten rolstoelen beschikbaar. Bij de selectie van het type rolstoel wordt onder andere gekeken naar:

▪︎ Hoe vaak en voor welk doel de rolstoel wordt gebruikt

▪︎ Wat de fysieke mogelijkheden zijn van de inwoner om de rolstoel zelf voort te bewegen

▪︎ Of de inwoner de rolstoel zelf moet kunnen voortbewegen of dat het volstaat als iemand anders de rolstoel voortbeweegt

▪︎ Of de inwoner in staat is om de rolstoel veilig zelf te besturen, als het gaat om een elektrische rolstoel.

Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel, kan via een medisch en/of ergotherapeutisch advies door de gemeente een programma van eisen worden opgesteld. In het programma van eisen kan informatie worden opgenomen over:

▪︎ Lichaamsmaten;

▪︎ Benodigd zitkussen;

▪︎ Elektrisch of handbewogen;

▪︎ Wijze van bediening;

▪︎ Opvouwbaar of niet.

7.3.2 Aanpassingen en accessoires

Als het medisch noodzakelijk is, worden aanpassingen en accessoires aan de rolstoel aangebracht. Bijvoorbeeld zit-, rug- of ondersteuningsdelen. Aanpassingen of accessoires die niet medisch noodzakelijk zijn, maar die de inwoner wel wenst, kunnen eventueel door de inwoner zelf worden aangeschaft.

Er wordt rekening gehouden met de belangen van eventuele mantelzorgers. Dat betekent bijvoorbeeld dat er duwondersteuning kan worden verstrekt, als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen.

Voor kinderen die niet in een gewone kinderrolstoel kunnen zitten, zijn er diverse soorten aangepaste zitvoorzieningen. Zitvoorzieningen die op school worden gebruikt worden gezien als een onderwijsvoorziening. Hiervoor kan de inwoner terecht bij het UWV.

7.3.3 Onderhoud en reparatie

De kosten van onderhoud en reparatie zijn bij de verstrekking van een rolstoel voor permanent en semipermanent gebruik inbegrepen. De gemeente sluit hiervoor een onderhoudscontract af bij de leverancier of verhoogt het pgb met een bedrag hiervoor. Voor rolstoelen voor incidenteel gebruik sluit de gemeente geen onderhoudscontract af, omdat deze rolstoelen relatief weinig gebruikt worden en eenvoudig van constructie zijn.

7.3.4 Verzekering

De gemeente verzekert gemotoriseerde rolstoelen en andere gemotoriseerde vervoermiddelen die in het kader van de Wmo worden verstrekt via een verzekeringscontract bij de leverancier. Dat is een verzekering tegen het risico van wettelijke aansprakelijkheid. Niet gemotoriseerde rolstoelen en andere niet gemotoriseerde vervoermiddelen vallen onder de particuliere wettelijke aansprakelijkheidsverzekering van de bruiklener. Bij rolstoelen die in de vorm van een pgb worden verstrekt, wordt het afsluiten van een verzekering aan de inwoner overgelaten. In het totale pgb is een bedrag opgenomen voor de kosten van een verzekering.

8 VERVOER EN VERVOERMIDDELEN

8.2 Afwegingskader

8.2.1 Mogelijkheid om met het openbaar vervoer te reizen

Bij een hulpvraag voor vervoer kijkt de gemeente eerst of de inwoner met het openbaar vervoer kan reizen. Redenen waarom iemand dat niet zou kunnen, kunnen zijn: de halte kan niet bereikt worden, het wachten is een probleem, het in- en uitstappen is een probleem, het reizen met anderen is een probleem, de langere duur van de reis is een probleem, het overstappen is een probleem.

Hierbij kijkt de gemeente ook of de inwoner het probleem bij het reizen met openbaar vervoer zelf kan oplossen. Bijvoorbeeld door het gebruik van een OV-begeleiderskaart, waarmee een begeleider gratis meekan. Of door middel van het oefenen van veelgebruikte routes. Ook kan behandeling, bijvoorbeeld bij angstklachten, een optie zijn.

8.2.2 Voorliggende en gebruikelijke voorzieningen

Voor het oplossen van vervoersproblemen zijn er diverse voorliggende en gebruikelijke oplossingen:

▪︎ het blijven gebruiken van de eigen auto, als dat gezien de beperkingen en de financiën nog haalbaar is;

▪︎ de belbus of vervoer door vrijwilligers;

▪︎ taxivervoer of vervoer via familie en vrienden;

▪︎ fiets met lage instap en/of hulpmotor;

▪︎ tandem;

▪︎ gebruik van loophulpmiddelen, om bijvoorbeeld bij de bushalte te komen;

▪︎ leerlingenvervoer en vervoer via het UWV (school en werk);

▪︎ vervoer via de ziektekostenverzekering bij bepaalde behandelingen.

Als de inwoner begeleiding nodig heeft bij het vervoer, verwacht de gemeente dat hij dit zoveel mogelijk oplost via zijn eigen netwerk of vrijwilligers.

8.2.3 Niet anti-revaliderend en verkeersveilig

De gemeente verstrekt geen vervoersvoorziening als het gebruik daarvan in strijd is met een behandelplan van de inwoner en/of nadelig is voor de revalidatie. De gemeente stimuleert inwoners om zoveel mogelijk actief en in beweging te blijven.

Verder moet de inwoner het vervoermiddel veilig kunnen besturen. Dit kan o.a. worden beoordeeld aan de hand van het verkeersverleden van de inwoner en de huidige beperkingen. Als het niet duidelijk is of de inwoner verkeersveilig is, dan kan de gemeente een aantal observatielessen laten plaatsvinden, onder leiding van een ergotherapeut.

8.2.4 Gericht op vervoer binnen de regio

De vervoersvoorzieningen zijn gericht op het vervoer binnen de regio. Voor buiten de regio zijn er voorzieningen zoals Valys. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente wel een vervoersvoorziening voor bestemmingen buiten de regio verstrekken. Bijvoorbeeld voor het bezoeken van ‘thuis’ door kinderen en jongeren die in een instelling wonen.

8.3 Vervoersvoorzieningen

8.3.1 Collectief en individueel vervoer per regiotaxi

Regiotaxi is een collectief vervoerssysteem voor deur-tot-deurvervoer. Reizen met een regiotaxi lijkt op reizen met een gewone taxi of rolstoeltaxi, met een paar verschillen:

▪︎ ritten van Regiotaxi kunnen gecombineerd worden, dus het kan zijn dat de inwoner met andere reizigers een taxi deelt en de taxi daarom misschien een stukje omrijdt;

▪︎ de regiotaxi's rijden van 6.00 uur tot 24.00 uur en op vrijdag en zaterdag tot 1.30 uur;

▪︎ de inwoner moet een rit met een regiotaxi minimaal een uur van te voren reserveren;

▪︎ De regiotaxi mag in de periode van een kwartier voor tot een kwartier na de ingeplande vertrektijd vertrekken.

De regiotaxi is voor iedere inwoner, dus ook voor inwoners zonder beperkingen, beschikbaar. Er kan vanuit de Wmo een vervoerspas worden toegekend als hulp op maat voor vervoer. Met deze pas kunnen inwoners met een beperking tegen een gereduceerd tarief reizen met de Regiotaxi.

Voor iedere Wmo-pashouder is een vervoersbudget van maximaal 1500 kilometers per jaar ingesteld. Dit betekent dat iedere Wmo-pashouder maximaal 1500 kilometers voor het gereduceerde tarief kan reizen. Reist iemand meer, dan geldt het OV-tarief van de Regiotaxi. Dit is ook het tarief wat niet-pashouders betalen voor het reizen met de Regiotaxi.

De hoogte van het gereduceerde tarief is opgenomen in bijlage 2 en is vergelijkbaar met de kosten die iemand maakt bij gebruik van regulier openbaar vervoer.

Hulpmiddelen, zoals rolstoelen, rollators en scootmobielen kunnen mee met de regiotaxi. Ook rolstoelvervoer is mogelijk.

Regiotaxi Utrecht biedt de mogelijkheid voor individueel vervoer. Dit houdt in dat inwoners op medische gronden of andere zwaarwegende redenen alleen vervoerd kunnen worden. De ritten van deze Wmo-pashouders met een indicatie “individueel vervoer” mogen niet gecombineerd worden met andere ritten.

8.3.2 Vervoerskostenvergoeding

Aan inwoners voor wie zowel het openbaar vervoer als het collectief of individueel vervoer via de regiotaxi geen passende oplossing is voor hun vervoersprobleem, kan de gemeente een vergoeding voor individueel taxivervoer of vergoeding voor vervoer met de eigen auto toe kennen als dit de meest geschikte en goedkoopste oplossing is.

De hoogte van de vergoeding per kilometer is opgenomen in bijlage 2. De gemeente onderzoekt de vervoersbehoefte van de inwoner en bepaalt aan de hand daarvan voor hoeveel kilometer per jaar vergoeding nodig is. Daarbij geldt een maximum van 2000 kilometer per jaar.

8.3.3 Vervoermiddelen

De meeste vervoermiddelen worden in bruikleen verstrekt. Dat betekent dat ze in eigendom blijven van de leverancier[KLv1.1]. De gemeente heeft afspraken geamaakt met de leveranciers van vervoermiddelen over onderhoud, reparatie en verzekering van de vervoermiddelen.

8.3.3.1 Scootmobiel

Een scootmobiel kan een goede oplossing zijn voor een inwoner die vanwege loopbeperkingen of een beperkt uithoudingsvermogen problemen heeft met vervoer. Een scootmobiel is alleen geschikt als de gebruiker zelfstandig op en van de scootmobiel stappen en veilig aan het verkeer kan deelnemen.

De mogelijkheid bestaat om lessen voor de scootmobiel toe te kennen. Er zijn twee soorten lessen:

▪︎ observatielessen om te bekijken of een scootmobiel geschikt is voor de gebruiker. Deze lessen vinden plaats voordat de scootmobiel is toegekend;

▪︎ gewenningslessen om te leren omgaan en oefenen met de scootmobiel. Deze lessen vinden plaats nadat de scootmobiel is toegekend en voornamelijk in de eigen omgeving.

Essentieel verschil met de observatielessen is dat bij de gewenningslessen al een scootmobiel is toegekend en de inwoner met die scootmobiel gaat oefenen. Bij observatielessen is er twijfel over toekenning en worden de lessen gebruikt om daar een advies over te geven.

Ook nadat een scootmobiel is toegekend, kan tussentijds getoetst worden of de gebruiker nog veilig aan het verkeer kan deelnemen.

Belangrijk is dat er een brandveilige[KLv2.1] stallingmogelijkheid voor de scootmobiel is met een elektriciteitspunt voor het opladen van de accu’s. Als dit niet het geval is, komen ook de kosten voor de aanleg van een stalling of elektriciteitspunt voor vergoeding in aanmerking. Als deze kosten erg hoog zijn, kunnen andere vervoersvoorzieningen worden overwogen. Als de stalling niet te realiseren is, kan aan de inwoner eventueel een verhuisadvies worden gegeven.

8.3.3.2 Aangepaste fiets

Een aangepaste fiets is speciaal ontworpen en bestemd voor mensen met een beperking, zoals een duofiets of een driewielfiets. Dit kan ingezet worden als blijkt dat een standaardfiets in de situatie van de inwoner niet volstaat en dat de inwoner in staat is om de aangepaste fiets veilig te gebruiken.

Een standaardfiets kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Dit geldt ook voor de bromfiets, de fiets met hulpmotor en de tandem.

In zeer specifieke situaties kan het voorkomen dat een elektrische fiets een passende oplossing is. Voor het toekennen van een vergoeding voor de aanschaf wordt uitgegaan van het bedrag dat het Nibud hanteert. Daarnaast wordt een vergoeding toegekend voor onderhoud en verzekering.

8.3.3.3 Handbike

Een handbike is een soort aankoppelfiets aan de rolstoel, waarmee iemand met behulp van armkracht de rolstoel kan voortbewegen. Een handbike kan gebruikt worden voor afstanden die normaal met de fiets afgelegd zouden worden.

8.3.3.4 Autoaanpassingen, bruikleenauto en Canta

Iemand komt voor een autoaanpassing in aanmerking als blijkt dat hij geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer en de verstrekking van de autoaanpassing de goedkoopste of enige oplossing is om het vervoersprobleem op te lossen. Algemeen gebruikelijke aanpassingen, zoals airco, een automaat en stuurbekrachtiging komen niet voor vergoeding via de Wmo in aanmerking.

Het verstrekken van een bruikleenauto of een Canta in bruikleen is een dure oplossing. De gemeente verstrekt een dergelijke voorziening alleen als andere oplossingen niet passend zijn.

8.3.4 Verplaatsen voor kinderen

Kinderen met een lichte beperking worden vaak vervoerd in een aangepaste buggy. De gemeente kan een aangepaste buggy verstrekken vanuit de Wmo. Aangepaste buggy’s zijn breder en groter dan de buggy’s voor niet-gehandicapte kinderen. Ze bieden meer ondersteuning voor kinderen met bijvoorbeeld een minder goede zitfunctie. Voor kinderen met een zwaardere beperking zijn er diverse soorten duwwandelwagens die in meer of mindere mate ondersteuning bieden.

Kinderrolstoelen en driewielfietsen voor wat grotere kinderen wijken in essentie niet af van rolstoelen en driewielfietsen voor volwassenen. Alleen de maatvoering is anders.

Bij het beoordelen van de noodzaak voor een vervoersvoorziening van kinderen gaat de gemeente uit uitvan de zelfstandige vervoersbehoefte van het kind. Bij jongere kinderen zal de zelfstandige vervoersbehoefte kleiner zijn dan bij oudere kinderen.

De Wmo biedt geen voorziening voor het vervoer naar en van school. Hier is een voorliggende voorziening voor, het leerlingenvervoer. Ook vervoer naar en van de jeugdinstelling is geen onderdeel van de Wmo, daarvoor wordt vanuit de Jeugdwet vervoer ingezet.

Voor vervoer van kinderen is een apart auto- of fietszitje nodig. Voor kinderen met een beperking kan de gemeente een aangepast auto- of fietszitje verstrekken, voor zover deze voorzieningen niet algemeen gebruikelijk zijn.

Aan wat oudere kinderen kan de gemeente ook aangepaste fietsen, scootmobielen en andere vervoersmiddelen toekennen als een gewone (elektrische) fiets of bromfiets niet geschikt is.

BIJLAGE 1 – RICHTLIJNEN INDICEREN HUISHOUDELIJKE ONDERSTEUNING

Huishoudelijke Ondersteuning wordt geïndiceerd in minuten en uren. Voor de onderbouwing van de in te zetten hoeveelheid ondersteuning, wordt gebruik gemaakt van het normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 van bureau HHM. In deze bijlage is niet het volledige normenkader van bureau HHM overgenomen, maar slechts een schematisch overzicht van de manier waarop de in te zetten minuten en uren worden berekend. Het volledige normenkader is op te vragen bij de gemeente.

BIJLAGE 2 – TEGEMOETKOMING KOSTEN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING

Voor een aantal vormen van hulp op maat die in deze beleidsregels zijn beschreven, geldt een tegemoetkoming voor de kosten.

1Wonen

1.1 Woningsanering (vervanging vloerbedekking)

De inwoner komt alleen in aanmerking voor een vergoeding voor het vervangen van de vloerbedekking als de te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Als het artikel ouder dan acht jaar is, dan krijgt de inwoner geen vergoeding. Binnen de acht jaar worden de volgende afschrijvingen gehanteerd:

▪︎ 0% als het te vervangen artikel nieuwer is dan twee jaar;

▪︎ 25% als het te vervangen artikel tussen de twee en vier jaar oud is;

▪︎ 50% als het te vervangen artikel tussen de vier en zes jaar oud is;

▪︎ 75% als het te vervangen artikel tussen de zes en acht jaar oud is.

De financiële tegemoetkoming voor zeil of linoleum is € 56,- per meter, uitgaande van een gemiddelde breedte van 4 meter en inclusief legkosten en egalisatie (prijspeil 2026 conform prijzengids Nibud).

1.2 Verhuiskosten

Het standaardbedrag voor de verhuiskostenvergoeding bedraagt € 3.725,- (prijspeil 2026). Dit bedrag is gebaseerd op de gemiddelde kosten voor een verhuizing en de kosten voor stoffering van de woning volgens het Nibud. Per situatie wordt onderzocht of hiervan naar boven of naar beneden moet worden afgeweken.

1.3 Bezoekbaar maken woning

De hoogte van de financiële vergoeding om een woning bezoekbaar te maken bedraagt maximaal € 3.000,- (prijspeil 2026). Per situatie wordt onderzocht of hiervan naar boven of naar beneden moet worden afgeweken.

2Sport

Het standaardbedrag voor de aanschaf van een sportrolstoel of sporthulpmiddel bedraagt € 3.000,- (prijspeil 2026). Dit is bedoeld als tegemoetkoming in de kosten van aanschaf, onderhoud en verzekering voor een periode van drie jaar. Per situatie wordt onderzocht of dit voldoende is.

3Vervoer

De gemeente onderzoekt de vervoersbehoefte van de inwoner en bepaalt aan de hand daarvan voor hoeveel kilometer per jaar vergoeding nodig is. Daarbij geldt een maximum van 2000 kilometer per jaar.

3.1 Taxikosten

Voor taxivervoer wordt uitgegaan van de volgende kilometerprijzen, gebaseeerd op de Regeling maximumtarief en bekendmaking tarieven taxivervoer:

i.Taxivervoer: € 3,05 per kilometer

ii.Rolstoeltaxivervoer: € 3,85 per kilometer

Uitbetaling vindt plaats op declaratiebasis.

3.2 Eigen auto

Voor compensatie van vervoer met de eigen auto, wordt uitgegaan van de auto die de inwoner bezit of voor zijn vervoer gebruikt. Via de ANWB autokostentabel (www.anwb.nl/auto/autokosten) wordt via het kenteken de prijs per kilometer (vaste en variabele kosten) voor die specifieke auto berekend. De cliënt moet hiervoor de volgende gegevens overleggen:

i.kenteken

ii.type uitvoering en opties

iii.aankoopdatum

iv.aankooprijs

v.kilometerstand

vi.verwachte bezitsduur

vii.verwacht aantal kilometers per jaar.

De kosten voor een autoaanpassing worden bepaald door het (medisch) noodzakelijke programma van eisen en goedkoopst compenserende oplossing in relatie tot de maatwerkvoorziening.

3.3 Regiotaxi

Voor iedere Wmo-pashouder is een vervoersbudget van maximaal 1500 kilometer per jaar ingesteld. Dit betekent dat iedere Wmo-pashouder maximaal 1500 kilometer voor het Wmo tarief van € 0,32 per kilometer (prijspeil 2026) kan reizen. Reist iemand meer, dan geldt het OV-vangnettarief van de Regiotaxi van € 0,85 per kilometer. Dit is ook het tarief wat niet-pashouders betalen voor het reizen met de Regiotaxi.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.