Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Zeewolde 2026 en verder

Gemeente Zeewolde · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

Besluit:

1Instemmen met het vaststellen van de Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Gemeente Zeewolde 2026 en verder;

2Instemmen met het vaststellen van het bijbehorende Afwegingskader;

3Deze beleidsregels met het Afwegingskader onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels handhaving Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen Zeewolde (daterend van 1 januari 2014) in laten gaan op 1 januari 2026;

4Akkoord te gaan met het versturen van bijgaande Raadsinformatiebrief om de raad te informeren over deze beleidsregels.

Inleiding

Nota Sociaal Domein ‘Samen doen wat nodig is’

Het leven brengt soms uitdagingen met zich mee. Een steuntje in de rug is dan zeer welkom. Deze steun verzorgen we samen met inwoners en partners. De nota sociaal domein biedt de ruimte om bij het organiseren en bepalen van hulp en ondersteuning echt anders te denken en te doen. Deze nota is geschreven voor degenen waar het uiteindelijk allemaal om draait: onze inwoners, klein en groot. Zij die, om welke reden dan ook, afhankelijk zijn van de ondersteuning die onze gemeente kan bieden.

Kansrijk opgroeien

Kansrijk opgroeien is één van de vier opgaven binnen de nota sociaal domein. Kansrijk opgroeien gaat over het bieden van perspectief aan kinderen en jongeren. Met de uitdaging dat alle kinderen gezond en veilig opgroeien, hun talenten ontwikkelen en naar vermogen meedoen. Uitgangspunt is dat de jeugd wordt gestimuleerd zich te ontwikkelen in de volle breedte: in onderwijs, sport, persoonlijke ontwikkeling en gezondheid. Hiervoor is een kind- en gezinsvriendelijke opvoedings- en opgroeiomgeving nodig. Een sterke pedagogische en sociale basis. Ook kinderopvang speelt een belangrijke rol in zo’n omgeving.

Kwaliteit Kinderopvang

Kinderopvang heeft een belangrijke plaats in onze samenleving. Kwalitatief goede kinderopvang draagt bij aan een goede start voor kinderen in de maatschappij. Het draagt ook bij aan een goede ontwikkeling en aan het welbevinden van kinderen. In de kinderopvang moeten kinderen zich veilig voelen en de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen (denk aan sociaal emotionele-, cognitieve- en taalontwikkeling). Het gaat daarbij om een brede ontwikkeling met aandacht voor sociale activiteiten zoals samen spelen, samenwerken en leren van en met elkaar. Zo draagt kinderopvang bij aan een goede start voor kinderen in het basisonderwijs en de samenleving.

Goede kinderopvang:

Waar kinderen zich veilig voelen en hun ontwikkeling wordt bevorderd.

Dit volgt ook uit één van de doelen die de wetgever heeft gesteld bij het opstellen van de Wet kinderopvang:

“Het bevorderen van de ontwikkeling van kinderen. De houder van een kinderopvangvoorziening is verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede kinderopvang. Het is belangrijk dat direct vanaf de start van een opvanglocatie verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang wordt aangeboden. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind in een veilige en gezonde, stimulerende en vertrouwde omgeving achterlaten. In het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) staan alle organisaties die toestemming hebben gekregen om kinderopvang aan te bieden. In het register staan de contactgegevens van de organisaties, de onderzoeksrapporten van de toezichthouder en de handhavingsmaatregelen die het college heeft genomen.”

Jaarlijkse rapportage kwaliteit kinderopvang

Het college brengt jaarlijks aan de Inspectie van het Onderwijs een rapportage toezicht en handhaving kinderopvang uit. Belangrijk onderdeel in dit verslag is het aantal keren dat het college handhavingsinstrumenten, zoals een aanwijzing, boete, last onder dwangsom of exploitatieverbod heeft ingezet. Net als de Inspectie van het Onderwijs houdt het college zo zicht op de staat van de kwaliteit van de kinderopvang. Het college kan deze jaarlijkse rapportage ook gebruiken om de doeltreffendheid van de werkwijze te monitoren en waar nodig aan te passen. Daarbij kijkt het college naar de aard van de overtredingen waarop handhaving is ingezet. De resultaten van inspectieonderzoeken kunnen, naast aanscherpingen in de eigen werkwijze en het vaststellen van speerpunten, ook leiden tot aanbevelingen richting de wetgever, de sector of tot de inzet van extra toezicht- en handhavingscapaciteit.

Ambitie

De eerste jaren van een kind hebben grote invloed op de latere ontwikkeling. Het aanbieden van verantwoorde kinderopvang in een gezonde en veilige omgeving is daarom belangrijk. Voorzieningen voor jonge kinderen leveren daaraan een belangrijke bijdrage, naast het verminderen van achterstanden en het bevorderen van gelijke kansen. Goede kwaliteit is daarbij een essentiële factor. Daarom wil het college dat kinderen in Zeewolde toegang hebben tot kwalitatief goede kinderopvang waarin zij zich optimaal kunnen ontwikkelen.

Het college ziet het ook als zijn rol houders te stimuleren de kwaliteit van de geboden opvang daar waar mogelijk te verbeteren en de kwaliteit en veiligheid van kinderopvang te waarborgen. Het college vertrouwt erop dat houders zich uit eigen beweging houden aan alle kwaliteitseisen zoals vastgelegd in wet- en regelgeving. Gemeente Zeewolde spreekt kinderopvanghouders aan op hun eigen verantwoordelijkheid en streeft er naar regelmatig met hen in gesprek te gaan over (lokale) ontwikkelingen en signalen.

Kwalitatief goede kinderopvang:

•voldoet structureel aan de gestelde kwaliteitseisen;

•vindt plaats in een veilige en gezonde omgeving;

•wordt geboden door vaste en vertrouwde personen in vaste groepen;

•draagt bij aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van kinderen;

•geeft belangrijke normen en waarden mee aan kinderen.

Waarom deze beleidsregels?

In de Wet kinderopvang staat de rol van het college beschreven. Deze beleidsregels zetten de invulling van de wettelijke taken van het college uiteen. Daarmee dragen ze bij aan:

•een transparante werkwijze, omdat houders, ouders, toezichthouders en andere belanghebbenden vooraf geïnformeerd zijn over de mogelijkheden en bevoegdheden van het college;

•rechtsgelijkheid, door het vastleggen van beleidsregels die voor iedereen gelden;

•het waarborgen van veiligheid van een kwetsbare doelgroep;

•het bevorderen en stimuleren van kwalitatief goede kinderopvang;

•het bevorderen van kwalitatief goede voorschoolse educatie.

2. Starten van een kinderopvangvoorziening

2.5 Wijzigingen registratiegegevens LRK

2.5.1 Wijziging houder of rechtsvorm

Als een andere houder een kinderopvangvoorziening wil overnemen moet deze nieuwe houder hiervoor vooraf toestemming vragen. Dit geldt ook als de houder een andere rechtsvorm krijgt. Dit wordt gezien als een houderwijziging, ook als de bestuurder hetzelfde blijft.

Een houderwijziging wordt behandeld als een nieuwe aanvraag (zie hoofdstuk 2.1). Het college bepaalt de inhoud van een onderzoek in deze gevallen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de toezichthouder.

Bij dit onderzoek zijn het college en de toezichthouder ook ‘Streng aan de poort’. Want als een andere houder een kinderopvangvoorziening voortzet, is het van belang dat de voorziening aan de kwaliteitseisen blijft voldoen. Dit betekent dat voor deze wijziging ook een afhandelingstermijn van 10 weken geldt. Het college houdt zo veel mogelijk rekening met het belang van de continuïteit van de opvang. Daarom is het belangrijk dat de houder de aanvraag tijdig indient en alle benodigde stukken heeft bijgevoegd.

2.5.2 Wijziging aantal kindplaatsen

Bij de toestemming tot exploitatie is het maximum aantal kindplaatsen aangegeven. Dit maximum aantal kindplaatsen neemt de toezichthouder ook mee in de beoordeling of de houder redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen voldoet, bijvoorbeeld met betrekking tot de eisen in het domein accommodatie en groepen.

Wanneer dit aantal later wijzigt is het belangrijk dat de houder dit als een wijziging doorgeeft. Voor een verhoging van het aantal kindplaatsen is aanvullende toestemming van het college nodig. Om hierover een besluit te kunnen nemen is een advies van de toezichthouder nodig. Het college geeft toestemming voor de wijziging als de houder daarmee aan de kwaliteitseisen blijft voldoen. De afhandelingstermijn is 8 weken.

2.5.3 Wijziging toevoegen bemiddelingsrelatie of beëindigen bemiddelingsrelatie

Als een gastouder zich wil aansluiten bij nog een gastouderbureau, dan moet dit gastouderbureau deze extra bemiddelingsrelatie aanvragen via een wijzigingsformulier. Ook het beëindigen van een bemiddelingsrelatie moet tijdig worden gemeld. Bij het toezicht op een gastouderbureau kijkt het college ook naar de aangesloten gastouders.

Omdat deze wijziging meestal slechts een administratieve aanpassing in het LRK is, wordt dit wijzigingsverzoek zo snel mogelijk verwerkt.

2.5.4 Verhuizing

Verhuizing van een kinderopvangvoorziening is een nieuwe aanvraag en moet gemeld worden als een aanvraag voor toestemming tot exploitatie (zie hoofdstuk 2.1). De afhandelingstermijn is 10 weken.

Bij een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan sprake zijn van een verhuizing zonder dat een nieuwe aanvraag tot exploitatie nodig is. De verhuizing van een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan daarom via een wijzigingsformulier worden doorgegeven.

4. Handhaving: de rol van de gemeente

4.6 Handhavingsmiddelen van het college

4.6.1 Mogelijke maatregelen na herstelaanbod

Het college spreekt houders aan op de eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun aanbod. Zodra de kwaliteit tekortschiet, spoort het college de houder aan om deze tekortkomingen snel en structureel te herstellen. Het resultaat van bijvoorbeeld een herstelaanbod kan voor het college reden zijn om niet direct bestuurlijk te handhaven. Door kinderopvanghouders hiertoe in de gelegenheid te stellen, worden tekortkomingen eerder hersteld en kan onnodig handhaven worden voorkomen. Dat kan bijvoorbeeld passend zijn als overtredingen zijn hersteld of als uit het inspectierapport blijkt dat een overtreding redelijkerwijs binnen afzienbare periode is hersteld.

Deze werkwijze kan worden toegepast wanneer de houder eerder voldoende nalevingsbereidheid heeft getoond en direct is begonnen met het nemen van verbetermaatregelen. Ook is het van belang dat sprake is van een kwalitatief goede en transparante bedrijfs- en beleidsvoering, waarbij geen twijfel kan bestaan over de naleving. Daarvoor zijn onder andere een inzichtelijke en transparante organisatie, beleidsvoering en administratie van belang. De houder moet het college op de hoogte houden van de genomen verbetermaatregelen. Ook kan de toezichthouder op verzoek van het college (nader) onderzoek uitvoeren om te beoordelen in hoeverre de houder daadwerkelijk zelf zorgdraagt voor kwaliteitsverbetering. Wanneer blijkt dat dit niet of onvoldoende het geval is, dan zet het college alsnog bestuurlijke handhaving in om de naleving van de kwaliteitseisen af te dwingen.

Het herstelaanbod (hoofdstuk 3.6) heeft invloed op de inzet van handhaving. In het rapport is feitelijke informatie opgenomen over de mate van herstel en de nalevingsbekwaamheid en -bereidheid van de houder. De handhaver weegt dit mee in het handhavingsbesluit en blijft altijd bevoegd om een herstelmaatregel op te leggen. Ook kan het college na herstel een bestuurlijke boete opleggen voor de overtreding die in het verleden is begaan.

Het college kan gebruik maken van één van de volgende handhavingsmaatregelen waarbij 4.6.2 t/m 4.6.7 herstellende maatregelen zijn en 4.6.8 een bestraffende maatregel is.

4.6.2 De aanwijzing

Met de aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welk termijn, moet nemen om de wettelijke voorwaarden na te leven. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.

De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. Het college betrekt deze aanwijzing bij handhavingsbesluiten in de opvolgende 3 jaar.

De aanwijzing is doorgaans de best geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken. Met de aanwijzing maakt het college aan een overtreder duidelijk dat die altijd aan het opgenomen voorschrift moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing in de eerste plaats ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken.

De aanwijzing is de start van een formeel handhavingstraject wat gevolgd wordt door een nader onderzoek door de toezichthouder om te controleren of de overtreding hersteld is. Het nader onderzoek voert de toezichthouder uit nadat hij hiervoor opdracht heeft gekregen van de gemeente.

Blijkt uit het nader onderzoek dat de overtreding nog niet of niet volledig hersteld is, dan kan het college er voor kiezen om nogmaals een aanwijzing op te leggen gevolgd door een nader onderzoek.

Voordat een tweede aanwijzing opgelegd wordt, nodigt gemeente Zeewolde de houder of de locatiemanager uit voor een overleg. De houder of locatiemanager kan dan toelichten waarom het nog niet gelukt is om de overtreding(en) te herstellen. Gemeente Zeewolde doet dit onder andere omdat de houder of locatiemanager geen mogelijkheid heeft gehad om een zienswijze in te dienen op het inspectierapport van het nader onderzoek. Daarnaast vindt gemeente Zeewolde het belangrijk om in gesprek te gaan, eventueel maatwerk toe te passen en te investeren in een goede, open en transparante relatie.

4.6.3 De last onder dwangsom

Als de aanwijzing niet tot structureel herstel van de overtreding heeft geleid, kan het college een last onder dwangsom opleggen. Het college kan ook direct een last onder dwangsom opleggen zonder dat eerst een aanwijzing is gegeven. Met een last onder dwangsom legt het college de houder de plicht op om maatregelen uit te voeren binnen een aangegeven termijn. Als een houder binnen de hersteltermijn de overtreding opheft en/of niet herhaalt, hoeft deze de dwangsom niet te betalen.

Het college kondigt altijd aan dat hij van plan is een last onder dwangsom op te leggen. In dit voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom geeft het college aan welke wet- en regelgeving van toepassing is en op welke wijze een overtreding moet worden beëindigd. Ook wordt de houder de gelegenheid geboden om een ‘zienswijze’ in te dienen tegen het voornemen tot oplegging van een last onder dwangsom. De termijn hiervoor is meestal twee weken.

Is vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, dan moet de houder de dwangsom betalen. Met een last onder dwangsom kan op meerdere herhalingen worden gehandhaafd. Een last onder dwangsom kent daarvoor een maximumbedrag.

Als er binnen 3 jaar, sinds de laatste opgelegde aanwijzing, een overtreding van dezelfde kwaliteitseis is vastgesteld kan het college een last onder dwangsom opleggen. Dit kan het college zelfs doen als dezelfde kwaliteitseis in de tussenliggende periode is beoordeeld en er geen overtreding is vastgesteld.

De last onder dwangsom is de best geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken na de aanwijzing, als sluiting van de opvang (nog) niet proportioneel is. Wordt de overtreding na het opleggen van een last onder dwangsom toch herhaald, dan heeft dat financiële gevolgen zonder dat de bedrijfsvoering wordt onderbroken. Daarmee is de last onder dwangsom een handhavingsmaatregel met een gedoseerde financiële prikkel om de overtreding structureel op te heffen.

4.6.4 Verlengen van een bevel

Als de toezichthouder een schriftelijk bevel heeft opgelegd (hoofdstuk 3.7) en de overtreding(en) zijn naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende hersteld, dan kan het college het bevel met minimaal 7 dagen verlengen en zolang de houder nodig heeft om de overtreding(en), naar het oordeel van de toezichthouder, structureel te herstellen.

4.6.5 Sluiting van de kinderopvang: het exploitatieverbod

Zodra uit een inspectieonderzoek blijkt dat geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang sluit het college de kinderopvang tijdelijk. Wat onder verantwoorde kinderopvang wordt verstaan is vastgelegd in artikel 1.49 van de Wko. Ook kan de kinderopvang gesloten worden zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt.

Daarnaast gaat het college over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid. Bij deze tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit verbeterd is en blijft, mag de kinderopvang weer open. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek.

Het sluiten van een locatie voor kinderopvang is een ingrijpende maatregel die niet alleen gevolgen heeft voor de houder maar ook voor diens personeel, ouders en kinderen. In de hiervoor beschreven situaties is sluiting van een locatie doorgaans noodzakelijk. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang. Met een gesloten locatie kan de houder zich samen met het personeel volledig richten op herstel van de kwaliteit van opvang zonder dat (emotionele) veiligheid en/of gezondheid van de opgevangen kinderen nog langer in het geding is.

Als het college een kinderopvanglocatie sluit, moet de houder de ouders zelf op de hoogte stellen van deze sluiting. Als de houder dit niet doet, informeert het college of de toezichthouder ouders hierover. Dit gebeurt schriftelijk of mondeling.

4.6.6 Intrekken toestemming

Lukt het de houder na sluiting van een locatie niet om (binnen redelijke termijn) de overtredingen structureel op te heffen dan kan het college de toestemming tot exploitatie intrekken. Ook als een houder de kwaliteitseisen structureel niet naleeft, na verbetering opnieuw overtredingen begaat, veel en/of ernstige overtredingen heeft of overtredingen die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld, sluit het college de kinderopvang permanent. Dit doet hij door de toestemming tot exploitatie in te trekken en de voorziening te verwijderen uit het LRK.

Een onvermijdelijke ingreep als de houder voldoende gelegenheid heeft gehad om de kwaliteit van opvang te herstellen en dit, naar het oordeel van de toezichthouder, niet is gelukt.

Het college kan de toestemming ook direct intrekken bijvoorbeeld als:

•niet langer wordt voldaan aan de definitie van kinderopvang, ouderparticipatiecrèche, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau;

•er sprake is van (een) overtreding(en) die, naar het oordeel van de toezichthouder, niet hersteld kan (kunnen) worden.

4.6.7 De last onder bestuursdwang

De manier waarop de houder de kinderopvang wil vormgeven is aan de houder. Bij een last onder bestuursdwang neemt het college bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. Dat maakt dat de last onder bestuursdwang doorgaans geen geschikt handhavingsmiddel is. Dit handhavingsmiddel is bijvoorbeeld wel geschikt om een kinderopvangvoorziening te sluiten en gesloten te houden bij overtreding van een exploitatieverbod. Alle kosten die gemaakt worden bij de last onder bestuursdwang zijn voor rekening van de houder.

Zowel het intrekken van de toestemming als de last onder bestuursdwang zijn zware maatregelen met vergaande consequenties.

4.6.8 Bestuurlijke boete (bestraffende maatregel)

Naast de handhaving gericht op herstel kan het college ook gebruik maken van de mogelijkheid bestuurlijke boetes op te leggen. Dit is een bestraffende maatregel.

Elke overtreding beoordeelt en bestraft het college afzonderlijk ook als één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden. Het college kan een boete opleggen als een houder na het opleggen van een aanwijzing geen maatregelen heeft genomen om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Zodra één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden, beoordeelt het college of het totale boetebedrag dat kan worden opgelegd evenredig is met de ernst van de overtredingen en de mate waarin de kwaliteit van opvang negatief werd beïnvloed.

Een boete heeft altijd financiële gevolgen voor de overtreder. De draagkracht van een overtreder speelt geen rol bij het bepalen van de hoogte van een boete. Deze draagkracht is voor het college immers moeilijk vast te stellen. Een boete treft niet elke overtreder even zwaar. Als de overtreder kan aantonen dat hij een boete niet in één keer kan betalen zonder dat de continuïteit van de opvang in gevaar komt, dan is dat in beginsel geen reden om een boete te matigen of van het opleggen van een boete af te zien. Wel kan dit reden zijn om een betalingsregeling toe te staan.

Ook het (vrijwillig) sluiten van een locatie is geen reden om van het opleggen van een boete af te zien.

In het afwegingskader is een aantal overtredingen benoemd dat voor een directe boete in aanmerking kan komen vanwege de ernst van de overtreding. ‘Kan’ omdat dit het college de ruimte biedt voor maatwerk en gemotiveerd afwijken. Als het college besluit direct een boete op te leggen, dan motiveert, beargumenteert en onderbouwt hij altijd waarom hij hiervoor kiest en besluit dit te doen. Het college zal altijd aankondigen dat hij voornemens is om een boete op te leggen zodat de houder de gelegenheid geboden wordt een zienswijze in te dienen.

Bijlage: Afwegingskader

Handhaving samengevat

Het college treedt handhavend op als de toezichthouder een overtreding vaststelt op een kinderopvangvoorziening. In dit afwegingskader geeft het college aan welke bedragen het uitgangspunt zijn bij de inzet van handhavingsmiddelen.

De toezichthouder kan een houder van een kinderopvangvoorziening de gelegenheid bieden om vastgestelde overtredingen nog tijdens de onderzoeksperiode op te heffen (het herstelaanbod). Als de houder de overtreding al heeft hersteld of redelijkerwijs snel zal herstellen, kan het college besluiten af te zien van handhaving gericht op herstel.

Herstellende handhaving

Het college kan bij herstellende handhaving kiezen voor de aanwijzing, daarin staat welke maatregelen moeten worden genomen om de overtreding te herstellen. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.

Het college kan bij herstellende handhaving ook kiezen voor de last onder dwangsom. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat de aanwijzing niet tot herstel van de overtreding heeft geleid.

Als ook de last onder dwangsom en de invordering daarvan niet leiden tot structureel herstel sluit het college de locatie (tijdelijk) met een exploitatieverbod. Als een houder geen verantwoorde kinderopvang aanbiedt sluit het college een kinderopvanglocatie direct.

Blijkt na (tijdelijke) sluiting dat de kwaliteit van opvang alsnog niet structureel is hersteld dan trekt het college de toestemming in. Het college kan de toestemming ook direct intrekken.

Bestraffende handhaving

Het college kan een boete opleggen als een houder na het opleggen van een aanwijzing geen maatregelen heeft genomen om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Ook kan het college besluiten direct een boete op te leggen als de ernst van de overtreding daar aanleiding toe geeft. In het afwegingskader is een overzicht van dit soort overtredingen opgenomen.

Bedragen

De hier opgenomen bedragen gelden per overtreding van een voorschrift. Het aantal overtredingen waarvoor het college een financiële sanctie oplegt is beperkt tot 4 overtredingen van hetzelfde voorschrift per inspectieonderzoek.

Voor de bedragen sluit het college aan bij de categorieën genoemd in artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht

3Als deze bedragen in het Wetboek van Strafrecht aangepast worden, dan zijn de gewijzigde bedragen van toepassing.

. Gezien de ernst van het niet aanbieden van kinderopvang die voldoet aan de minimale kwaliteitseisen is met name aangesloten bij de tweede, derde en vierde categorie. Een financiële sanctie is nooit lager dan het genoemde bedrag uit de eerste categorie. Voor de gastouderopvang, met uitzondering van de gastouderbureaus, en de ouderparticipatiecrèches wordt hierop een uitzondering gemaakt. Daar gelden andere bedragen.

In de tabel is het maximum sanctiebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen.

Bij recidive verdubbelt het college dit maximum.

Hersteltermijnen

Overtredingen met grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang en/of met gevolgen voor de directe veiligheid, gezondheid of het pedagogisch welbevinden van de kinderen in de dagelijkse opvangpraktijk moeten in beginsel direct of binnen maximaal 2 weken worden beëindigd na verzending van de aanwijzing.

Overtredingen met gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang en/of voor herstel of wijziging van beleidsvoering en administratieve vereisten moeten in beginsel binnen maximaal 2 maanden dagen worden hersteld na verzending van de aanwijzing.

Overtredingen met lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang en/of overtredingen die geen directe gevolgen hebben voor de veilige en gezonde omgeving van de kinderen moeten in beginsel binnen een gemiddelde termijn van maximaal 4 maanden worden hersteld na verzending van de aanwijzing.

Voor elke overtreding beoordeelt het college welk hersteltermijn passend en geboden is waarbij maatwerk mogelijk is en altijd zorgvuldig gekeken wordt naar de ernst van de overtreding.

Dwangsommen Kindercentrum (Kinderdagverblijf of Buitenschoolse Opvang)

Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving

Administratie

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Maatregelen aanpak A-ziekten

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Overtredingen in het domein Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Pedagogisch klimaat

Pedagogisch beleid

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Pedagogische praktijk

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Voorschoolse educatie

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Overtredingen in het domein pedagogisch klimaat hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Personeel en groepen

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Opleidingseisen

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Aantal beroepskrachten

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en Stagiairs

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Stabiliteit van de opvang voor kinderen

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Voertaal

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Personeel en groepen hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Veiligheid en gezondheid

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Meld- overleg- en aangifteplicht

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Accommodatie

Eisen aan ruimtes

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Accommodatie hebben, bij het ontbreken van een acute situatie, over het algemeen gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Bij acute situaties hebben overtredingen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Ouderrecht

Informatie

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Oudercommissie

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Klachten en geschillen

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben over het algemeen lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Dwangsommen Gastouderbureau

Personeel

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

de derde categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling, een bedrag van € 10.300,-

Personeelsformatie per gastouder

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Personeel hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

Veiligheid en gezondheid

Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Meld- overleg- en aangifteplicht

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

Ouderrecht

Informatie

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Oudercommissie

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Klachten en geschillen

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben over het algemeen lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht

Kwaliteitscriteria

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Administratie gastouderbureau

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overtredingen in het domein Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht hebben over het algemeen grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

Dwangsommen Gastouder

Het maximum dwangsombedrag voor een voorziening voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan.

Dwangsommen Ouderparticipatieopvang

Het maximum dwangsombedrag voor een ouderparticipatiecrèche is gelijk aan het bedrag genoemd bij de tweede categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan.

Bestuurlijke boete

Per overtreding van het voorschrift. Voor de overtredingen in het onderstaande overzicht kan het college naast een herstelsanctie ook een boete opleggen. In de tabel is het maximum boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive verdubbelt het college het maximum boetebedrag.

Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de hoogte van de boete altijd af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Om tot matiging over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont.

Als met 1 feitelijke gedraging 2 of meer overtredingen zijn begaan legt het college alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste boetebedrag. Daarnaast matigt het college een boete aan de hand van de omvang van de organisatie.

Overtredingen die in aanmerking kunnen komen voor een directe boete

Algemeen

kindercentrum en GOB

gastouders

Exploitatie zonder toestemming college

de vierde categorie, een bedrag van € 25.750,-

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Schenden medewerkingsplicht

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Niet opvolgen bevel

de vierde categorie, een bedrag van € 25.750,-

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Overtreden exploitatieverbod

de vierde categorie, een bedrag van € 25.750,-

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Niet (tijdig) melden wijzigingen

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150

Personeel en groepen

kindercentrum en GOB

Verklaring omtrent Gedrag (VOG)

de tweede categorie per ontbrekende VOG, een bedrag van € 5.150,-

Personenregister kinderopvang

de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling, een bedrag van € 5.150,-

Beroepskrachtkind-ratio (BKR)

de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht, een bedrag van € 5.150,-

Op de uren dat niet tenminste de helft van het conform de BKR benodigde aantal beroepskrachten is ingezet.

de helft van het bedrag genoemd bij de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht, een bedrag van € 2.575,-

Kwalificatie

Het benodigde diploma, certificaat, enz.

de tweede categorie per ontbrekende kwalificatie, een bedrag van € 5.150,-

Gastouders - Personeel en groepen

Verklaring omtrent Gedrag (VOG)

de eerste categorie per ontbrekende VOG, een bedrag van € 515,-

Groepsgrote en groepssamenstelling

de eerste categorie per overtreding, een bedrag van € 515,-

Kwalificatie

Het benodigde diploma, certificaat, enz.

de eerste categorie per ontbrekende kwalificatie, een bedrag van € 515,-

Kwaliteit gastouderbureau

Pedagogische praktijk

Begeleiding en ondersteuning van de Gastouder:

Uitvoering pedagogisch beleid door gastouders leidt tot verantwoorde gastouderopvang.

de tweede categorie per VGO waar onvoldoende is toegezien op de kwaliteit van opvang en/of de begeleiding tekortschiet, een bedrag van € 5.150,-

Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht:

De samenstelling van de groep kinderen bij de gastouder

de tweede categorie per VGO waar de groepsgrootte en/of samenstelling niet voldoet, een bedrag van € 5.150,-

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang:

Inschrijving en koppeling gastouder, huisgenoten en structureel aanwezigen

de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling, een bedrag van € 5.150,-

Veiligheid en gezondheid:

Inventarisatie van risico’s voorzieningen voor gastouderopvang

de tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Overige kwaliteitseisen

Niet opvolgen aanwijzing

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

voor gastouder tweede categorie, een bedrag van € 5.150,-

Eisen ruimtes gastouderopvang:

De houder van een gastouderbureau toetst aantoonbaar jaarlijks op naleving van deze eisen

de tweede categorie per VGO waar niet is voldaan aan deze kwaliteitseisen en niet aantoonbaar is getoetst op de naleving, een bedrag van € 5.150,-

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie per gastouder waar de kennis en het gebruik van de handelwijze uit de meldcode niet is bevorderd, een bedrag van € 5.150,-

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

de derde categorie, een bedrag van € 10.300,-

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.