Gemeentelijke regelgeving

Integraal handhavings-beleid fysieke leef-omgeving 2022

Gemeente Zandvoort · geldt sinds 4 oktober 2022

Bijlage 1 Sanctiestrategie voor BWT herstelsancties

In de volgende paragrafen wordt beschreven hoe de gemeente Zandvoort handhavend optreedt op het gebied van bouw, bestemmingsplan overtredingen en brandveiligheid. Het doel van de bestuursrechtelijke handhaving is het ongedaan maken van de overtreding met het wettelijk voorschrift. Daarbij hanteert Zandvoort in beginsel twee stappen, een voornemen en besluit last onder dwangsom.

Standaard procedure bestuurlijke herstelsanctie

1aNa constatering van een planologische overtreding wordt onderzocht of de overtreding gelegaliseerd kan worden. Als dit het geval is, wordt in het voornemen last onder dwangsom gelegenheid geboden voor het indienen van een aanvraag onderhevig aan het stellen van een termijn, waarbij tevens wordt aangegeven dat bij het uitblijven zal worden doorgepakt. De termijnen voor het indienen van zienswijzen en aanvraag worden op elkaar afgestemd.

1b) Als legalisatie niet mogelijk is wordt medegedeeld dat sprake is van een overtreding die niet voor legalisatie in aanmerking komt. Dat zal in het voornemen kenbaar gemaakt worden. Of een begunstigingstermijn ook in het voornemen moet worden verleend tot herstel van de overtreding is afhankelijk van het voorproces. Een begunstigingstermijn is bij een voornemen last onder dwangsom niet vereist.

3) Duurt de overtreding nog steeds voort, dan volgt een formele aanschrijving met de aankondiging van dwangmiddelen onder het stellen van een termijn.

4) Slechts onder bijzondere omstandigheden, waaronder gedragsovertredingen van geringe aard, wordt een waarschuwing opgelegd. Veelal blijkt overigens een waarschuwing niet effectief (denk daarbij aan situaties dat iets illegaal is gebouwd).

Uitzonderingen op de twee-traps-strategie

•In spoedeisende situaties waarbij direct optreden gewenst is, worden gelijk bestuursrechtelijke maatregelen genomen (artikel 5:31 lid 1 en 5:31 lid 2 Abw).

•Indien sprake is van recidive, nalatig gedrag, een calculerende of malafide instelling van de overtreder of ernstige verwijtbaarheid, wordt gelijk een last onder dwangsom opgelegd.

•In geval van een overtreding samenhangend met een onttrekking van woonruimten aan de woonruimtevoorraad geldt vanwege de koppeling met de bestuurlijke boete geen waarschuwing.

Om de handhaving in Zandvoort te professionaliseren, zal ook het proces volgens een vast stramien moeten verlopen. Hieronder volgt een uiteenzetting van dit proces. De uitvoering van de handhaving verloopt langs een traject waarvan de kaders (procedure-eisen) vastliggen in de Awb waaraan gemeenten gebonden zijn.

Aanleiding

Een handhavingstraject start meestal met een inspectie door een toezichthouder waarbij een overtreding is geconstateerd of met een melding dan wel een schriftelijk handhavingsverzoek van een overtreding door een belanghebbende of burger waarop een inspectie volgt.

Inspectie

De toezichthouder maakt een rapportage van de inspectie en indien sprake is van een overtreding die zich voor verdergaande maatregelen leent gebeurt dit op ambtseed of –belofte. Bij constatering van een overtreding, meldt de toezichthouder de overtreder wat de overtreding is en dat deze een brief hierover tegemoet kan zien.

Onderzoek

Daarna volgt het verplichte jurisprudentieonderzoek naar de mogelijkheid om de gepleegde overtreding alsnog te legaliseren. Is dat het geval, dan zal de overtreder bij (in beginsel) het voornemen schriftelijk verzocht worden alsnog een vergunning of een ontheffing aan te vragen. Is legalisatie niet mogelijk, dan zal de overtreder de overtreding ongedaan moeten maken.

Waarschuwingsbrief (voornemen tot het nemen van een bestuursrechtelijke maatregel)

In bijzondere gevallen kan allereerst worden volstaan met een tussentijdse waarschuwing. In de ambtelijke brief krijgt de overtreder het bericht, dat hij binnen een te bepalen termijn de overtreding ongedaan moet maken en op welke wijze dat dient te gebeuren of dat hij een aanvraag dient te doen. Daaraan is in de regel een waarschuwing gekoppeld voor bestuursdwang of een dwangsom.

Inspectie

Na afloop van de termijn uit de waarschuwingsbrief controleert de toezichthouder of de overtreding is beëindigd.

Voornemen tot opleggen bestuurlijke herstelsanctie

Als blijkt dat na de waarschuwing de overtreding niet is beëindigd en evident niet te legaliseren is wordt bij een voornemen tot oplegging van een bestuurlijke herstelsanctie kenbaar gemaakt, waarbij in ieder geval een termijn wordt gesteld voor het naar voren brengen van zienswijzen. Eventueel kan nog een extra termijn worden verleend voor het beëindigen van de overtreding.

De Awb legt de verplichting tot het kenbaar maken van een voornemen op. Deze reactie kan reden zijn om het voornemen tot het opleggen van een bestuursrechtelijke maatregel uit de brief aan te passen

Besluit last onder dwangsom of bestuursdwang

Mocht uit de zienswijzen of naar aanleiding van een herinspectie blijken dat de overtreding voortduurt, dan wordt in een handhavingsbesluit de feitelijke last opgelegd met daaraan gekoppeld een dwangsom of bestuursdwang en met een daarbij behorende begunstigingstermijn. In beginsel krijgt betrokkene (opnieuw) een begunstigingstermijn om aan de lastgeving te voldoen, zonder dat de dwangsom wordt verbeurd of de bestuursdwang uitgevoerd wordt. Tegen het handhavingsbesluit kan de overtreder bezwaar en beroep instellen en verzoeken om schorsing van (de werking van) het besluit (voorlopige voorziening). In het kader van toeristische verhuur bevat de standaard lastgeving twee lasten onder dwangsom. Het ene is gericht op beëindiging van de toeristische verhuur van de woonruimte en het opnieuw in gebruik nemen van de woonruimte ter bewoning en de andere is gericht op het voorkomen van herhaling van strijdig toeristisch gebruik.

Inspectie

Na afloop van de termijn uit het besluit controleert de toezichthouder opnieuw of de overtreding is beëindigd. Wordt na de begunstigingstermijn vastgesteld dat de overtreding nog voortduurt, dan wordt dwangsom (van rechtswege) de of kan de bestuursdwang worden uitgevoerd. Dat vraagt geen afzonderlijke actie meer.

Invorderen dwangsom

Verbeurde dwangsommen worden ingevorderd, ook na het ongedaan maken van de overtreding. Indien nodig, kan de gemeente de dwangsom via een dwangbevel innen. Een dwangsom wordt altijd volledig en adequaat ingevorderd. Immers, het gezag van handhaving is gebaat bij invordering.

Uitvoeren bestuursdwang

Bij de keuze voor bestuursdwang, wordt na verloop van de begunstigingstermijn overgegaan tot het feitelijk toepassen van bestuursdwang. Dat betekent dat de gemeente de overtreding feitelijk zal beëindigt door zelf uitvoering te geven aan bestuursdwang

De kosten (inclusief de voorbereidingskosten) die de gemeente daarvoor moet maken, wordt in beginsel verhaald op de overtreder.

Bezwaar

Tegen een handhavingsbesluit kan de aangeschrevene een bezwaarschrift indienen.

Na een heroverweging wordt een besluit op bezwaar genomen. Het indienen van een bezwaarschrift schort het handhavingsbesluit echter niet op.

Schorsing

De overtreder kan tegelijkertijd aan bezwaar en beroep een zogeheten voorlopige voorziening (schorsingsverzoek) vragen bij de rechtbank of de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wijst de rechter de schorsing toe, dan verliest het handhavingsbesluit (tijdelijk) zijn werking.

Een voorlopige voorziening kan in elke fase van het (hoger) beroep en de bezwaarprocedure worden gevraagd.

Beroep

De overtreder en andere belanghebbenden kunnen tegen onze beslissing op bezwaar beroep instellen. De rechtbank beslist op het beroep.

Hoger beroep

Tegen een uitspraak van de rechtbank kan als laatste stap hoger beroep ingesteld worden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen uitspraken van de Raad van State is geen hoger beroep meer mogelijk. Daarmee ligt een finaal oordeel over de inhoud van de zaak vast.

Bijlage 2 Sanctiestrategie onttrekking toeristische verhuur

Onderstaand beleid vervangt de “Beleidsregel bestuurlijke boete illegale woonruimteonttrekking toeristische verhuur”, vastgesteld bij collegebesluit met kenmerk: 2019/4721.

Sanctiestrategie onttrekking toeristische verhuur

Inleiding en aanleiding

College en gemeenteraad van zandvoort is gebleken dat steeds vaker appartementen, woningen en andere ruimten in strijd met de bestemming, in zijn geheel illegaal worden verhuurd ten behoeve van toeristisch verblijf.. Het gaat dan vooral om woningen die voor een (langere) tijd en/of gedurende het gehele jaar aangeboden worden door eigenaren die niet in die woning hun hoofdverblijf hebben. Er is dan geen sprake meer van het wel toegestane incidenteel verhuur, noch van ondergeschikt gebruik ten opzichte van het hoofdgebruik, te weten de woonfunctie, noch van bewoning, omdat deze woonruimten in feite grotendeels of geheel voor toeristische verhuur fungeren. Deze woningen worden aan de woningvoorraad onttrokken en er ontstaat een vorm van oneerlijke concurrentie ten opzichte van partijen die in dezelfde sector actief zijn en wel overeenkomstig de geldende regels handelen.

Op grond van artikel 21, onder a, van de Huisvestingswet 2014 is het verboden om woonruimten die met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening zijn aangewezen zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders, anders dan ten behoeve van de bewoning of het gebruik als kantoor of praktijkruimte door de eigenaar, aan de bestemming tot bewoning te onttrekken of onttrokken te houden.

Ter bevordering van een juiste afweging tussen de betrokken belangen, heeft de gemeenteraad van Zandvoort onder andere de Huisvestingsverordening “Zuid-Kennemerland/IJmond:Zandvoort 2019”. Vervolgens is ook de Huisvestingsverordening “Zuid-Kennemerland/IJmond:Zandvoort 2021” (hierna: de Huisvestingsverordening) vastgesteld, waarmee de voorgaande Huisvestingsverordeningen werden gewijzigd. In de Huisvestingsverordening zijn, in tegenstelling tot de vorige versie, alle woonruimten aangewezen die toebehoren aan een gebouw zoals bedoeld in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014 met uitzondering van woonruimten in eigendom van de woningcorporaties. Door deze wijziging is het niet (meer) toegestaan om zonder een vergunning woonruimten aan de woningvoorraad te onttrekken. Op overtreding daarvan kan handhavend worden opgetreden door het opleggen van een bestuurlijke boete en/of het opleggen van een last onder dwangsom.

Het doel van de vergunningplicht is het voorkomen van de negatieve effecten op de leefbaarheid. Het in stand houden van de woonruimtevoorraad is noodzakelijk, omdat de vraag naar dergelijke ruimten het aanbod in ruime mate overtreft. In het kader van het behoud en de samenstelling van woonruimten wordt onder leefbaarheid een (woon)wijk verstaan waar een goede balans is tussen de verschillende functies (wonen, werken, recreatie, enzovoort) en waar de bewoners zich veilig en vertrouwd voelen.

Prioriteitstelling

Bij een efficiënte uitoefening van de toezichts- en handhavingstaken gaat planmatig prioriteit uit naar de volgende zaken die in strijd zijn met wet- en regelgeving:

-Toeristische verhuur in woonruimten door rechtspersonen;

-Toeristische verhuur in woonruimten door mensen zonder hoofdverblijf op de plaats waar toeristische verhuur wordt aangeboden (tweede woningen);

-Voortzetting van handhaving ten aanzien van toeristische verhuur van woonruimten in wooncomplexen waarbij de handhaving reeds is opgestart;

-Toeristische verhuur waar klachten of verzoeken om handhaving over bekend zijn;

-Toeristische verhuur wat kan leiden tot gevaarlijke situatie in het kader van brandveiligheid of anderszins.

Bestuurlijke boete

Een bestuurlijke boete is een bestraffende (punitieve) sanctie met als doelstelling het toevoegen van leed aan de overtreder voor het begaan van de overtreding. Dit handhavingsinstrument is dus wezenlijk anders dan de last onder dwangsom of bestuursdwang die reparatoir (herstellend) van bedoeling zijn, omdat bij deze herstelsancties de overtreder in beginsel in de gelegenheid wordt gesteld de overtreding ongedaan te (doen) maken binnen een bepaalde termijn.

Deze twee instrumenten bestuurlijke boete en de last onder bestuursdwang kunnen en mogen in het kader van de onttrekking van woonruimten in verband met toeristische verhuur naast elkaar worden opgelegd, zo volgt uit jurisprudentie. Een bestuurlijke boete op zich geeft geen aanzet tot het ongedaan maken van de overtreding, maar is slechts bestraffend ten opzichte van de gedraging. Daarom zal eveneens een last onder dwangsom worden opgelegd. Evenmin kan worden volstaan met uitsluitend een last onder dwangsom. Als dat het beleid zou zijn, zou een overtreder altijd rustig kunnen afwachten tot het college langskomt met een last onder dwangsom met een daaraan gekoppelde en (vereiste) redelijke begunstigingstermijn. De twee instrumenten completeren elkaar aldus en worden in beginsel gelijktijdig te worden opgelegd. Onder omstandigheden kan van deze lijn worden afgeweken door uitsluitend een last onder dwangsom of uitsluitend een bestuurlijke boete op te leggen.

Bij het opleggen van een bestuurlijke boete dient een geldsom betaald te worden, ook al wordt de overtreding daarna (eventueel op basis van een gelijktijdig opgelegde last onder dwangsom) ongedaan gemaakt

In afwijking van de boete uit het strafrecht, wordt de bestuurlijke boete geheel via de bestuurlijksrechtelijke weg opgelegd en afgehandeld. Bij een constatering van een overtreding wordt de boete door burgemeester en wethouders opgelegd. De bezwaar- en beroepsprocedure van de Algemene wet bestuursrecht is daarop van toepassing, omdat het een beschikking betreft. De politie en het Openbaar Ministerie spelen geen rol in het proces. Omgevingsdienst IJmond voert deze taak in mandaat uit.

Wettelijke verankering bestuurlijke boete in de Huisvestingsverordening

In het eerste lid van artikel 35 van de Huisvestingswet 2014 is bepaald dat de gemeenteraad in de Huisvestingsverordening kan regelen, dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd ter zake van de overtreding van de verboden zoals bedoeld in de artikelen 8, 21 of 22 van die wet. In het eerste lid van artikel 24 van de Huisvestingsverordening is dit uitgewerkt.

Deze beleidsregel beperkt zich tot het opleggen van een bestuurlijke boete in het geval van illegale woonruimteonttrekking ten behoeve van toeristische verhuur van woonruimten (artikel 16 en artikel 24, eerste lid en tweede lid onder c, van de Huisvestingsverordening in combinatie met de artikel 21, aanhef en onder a, en artikel 35, van de Huisvestingswet 2014). Door het aanwijzen van woonruimten zijn de instrumenten om op te treden tegen illegale, toeristische verhuur, uitgebreid.

De hoogte van de bestuurlijke boete in de Huisvestingsverordening voor woonruimteonttrekking

Boetebedragen

De bestuurlijke boete bedraagt volgens artikel 24, tweede lid, onder c, van de Huisvestingsverordening, voor de verboden in artikel 21 van de Huisvestingswet 2014

I. eerste overtreding € 12.500

II. herhaalde overtredingen € 20.000

Bij herhaling van de overtreding (recidive) wordt dus een hogere boete opgelegd. Van recidive is sprake als na het opleggen van een bestuurlijke boete voor een overtreding, wordt vastgesteld dat de overtreder opnieuw dezelfde overtreding begaat in hetzelfde of in een ander gebouw.

Matigingsbeleid bestuurlijke boete huisvestingsverordening

Definities

In dit matigingsbeleid wordt verstaan onder:

-bestuurlijke boete: een bestraffende sanctie als bedoeld in artikel 5:2, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht;

-boetebedrag: het standaardboetebedrag zoals vastgesteld in Huisvestingsverordening;

-college: het college van burgemeester en wethouders van Zandvoort;

-Huisvestingsverordening: de Huisvestingsverordening van de gemeente Zandvoort zoals die luidde ten tijde van het opleggen van de boete;

-overtreder: de overtreder als bedoeld in artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (pleger en medepleger), in de regel is dit de kadastraal eigenaar, waaronder tevens in gezamenlijkheid moet worden begrepen (gehuwd) samenwonende partners of een rechtspersoon;

-overtreding: de overtreding als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

-standaard beslagvrije voet: 90% van de voor de overtreder geldende bijstandsnorm.

Geen redenen tot matiging

Uitgangspunt is dat geen matiging plaatsvindt. De mate van ernst van de overtreding is voor het college geen reden om een boete te matigen. Ook het na constatering door een toezichthouder dat de overtreding is opgeheven is gelet op het bestraffend karakter van de bestuurlijke boete geen aanleiding voor matiging. Het niet op de hoogte zijn van de regelgeving kan verder evenmin – mede gezien de publiekscampagne die is georganiseerd bij de introductie van de strafbaarstelling - leiden tot matiging. Bij recidive bestaat evenmin aanleiding voor matiging.

Slechts wanneer de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is, kan er aanleiding zijn voor matiging. Onder bijzondere omstandigheden wordt verstaan een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht.

Verminderde verwijtbaarheid

De boete kan worden gematigd, indien de overtreder aannemelijk maakt dat hij voorafgaand aan constatering van de overtreding al hetgeen heeft gedaan dat redelijkerwijs van hem gevergd kon worden om de overtreding te voorkomen. Ook kan aanleiding worden gevonden voor verminderde verwijtbaarheid in gevallen dat een overtreder uit bestuurshandelen (anders dan afdracht van toeristenbelasting) heeft veronderstelt aan alle wet- en regelgeving te voldoen.

Het percentage waarmee matiging van de boete plaatsvindt wordt in beginsel bepaald volgens onderstaande tabel, specifieke omstandigheden kunnen er echter toe leiden dat andere matigingspercentages worden aangehouden:

Mate van verwijtbaarheid

Percentage matiging boete

Volledige verwijtbaarheid

0%

Verminderde verwijtbaarheid

50%

Geen verwijtbaarheid

100%

Matiging bij aantoonbare geringe financiële draagkracht van de overtreder

Het college kan de boete matigen met maximaal 50%, indien deze, gelet op de financiële draagkracht van de overtreder, onevenredige gevolgen voor de overtreder heeft. Het college matigt de boete niet wegens geringe financiële draagkracht, indien de boete minder bedraagt dan: 10% van de voor de overtreder geldende bijstandsnorm (inclusief vakantietoeslag), vermenigvuldigd met 60. Bij een vastgestelde beslagvrije voet is van onevenredige gevolgen als hiervoor bedoeld in ieder geval sprake indien de overtreder aannemelijk maakt dat zijn netto besteedbare maandinkomen, bij aflossing van de volledige boete in 60 maandelijkse termijnen, daalt tot onder de standaard beslagvrije voet.

Bij de beoordeling of het aannemelijk is dat deze situatie zich voordoet, houdt het college rekening met eventueel aanwezig (roerend en op basis van kadastrale gegevens onroerend) vermogen. Tevens wordt rekening gehouden met het voordeel of het geschatte voordeel dat de overtreder heeft genoten uit de overtreding.

Om het college in staat te stellen te beoordelen wat de financiële draagkracht van overtreder is, legt de overtreder in ieder geval de volgende documenten over:

a.de definitieve aanslagen Inkomstenbelasting van de Belastingdienst over de drie jaren voorafgaand aan de overtreding;

b.de aangiften inkomstenbelasting van de Belastingdienst over de drie jaren voorafgaand aan de overtreding;

c.een kopie van een huurovereenkomst, in het geval bewijs aantoont dat de overtreder een woning huurt;

d.de aanslagen onroerende zaakbelasting van de afgelopen drie jaren in geval de overtreder een woning bezit;

e.bankafschriften van rekeningcourant- en spaarrekeningen van de overtreder en alle gezinsleden over de periode van twee jaar voor de datum waarop de bestuurlijke boete werd opgelegd;

f.de meest recente salaris- of uitkeringsspecificatie.

Meerdere overtreders / functioneel daderschap

Indien meerdere eigenaren als overtreder zijn aan te merken, gelden de volgende uitgangspunten.

Basis is dat iedere overtreder (eigenaar) evenveel betrokkenheid heeft bij de overtreding. Op basis van gegevens uit het Kadaster wordt bekeken welke personen (natuurlijke en/of rechtspersonen) kunnen worden aangemerkt als overtreder. In beginsel is dat de eigenaar. In geval een pand eigendom is van meerdere natuurlijke personen komen alle natuurlijke personen in beginsel in aanmerking voor functioneel daderschap, behoudens indien sprake is van gehuwden en/of blijkens kadastrale gegevens samenwonende partners. Gehuwden en/of blijkens kadastrale gegevens samenwonende partners worden beschouwd als één overtreder. In het geval het pand is aangekocht door één rechtspersoon is de rechtspersoon overtreder.

In geval van meerdere eigenaren/overtreders wordt het bedrag van de bestuurlijke boete per te onderscheiden overtreders gematigd met:

-20% per overtreder indien sprake is van 3 of 4 te onderscheiden overtreders;

-30% per overtreder indien sprake is van 5 en meer te onderscheiden overtreders.

Dit houdt verband met het vanuit de overtreding onder de diverse overtreders te verdelen economisch voordeel bij de toeristische verhuur.

Bij een rechtspersoon (waaronder mede een VOF zonder rechtspersoonlijkheid wordt verstaan) wordt de boete in beginsel aan de rechtspersoon opgelegd. Bij een eenmanszaak aan de eigenaar. Echter, ingeval bestuurders, vennoten of feitelijk leidinggevenden van een rechtspersoon allen uitvoeringshandelingen verrichten en als medeplegers (nauwe en bewuste samenwerking) verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor de overtreding, dan bestaat de mogelijkheid om niet (alleen) de rechtspersoon maar alle feitelijk bestuurder, leidinggevenden of medeplegers afzonderlijk te beboeten. Per bestuurder of leidinggevende wordt dan 70% van het boetebedrag opgelegd. Dit betreft overigens een situatie die zich niet vaak voordoet.

Aan overtreders (eigenaren), die blijkens kadastrale gegevens één gezamenlijk huishouden vormen (zoals gehuwde eigenaren) wordt slechts één boete opgelegd per overtreding, om ervoor te zorgen dat ze niet tweemaal in hun vermogen worden geschaad. Daarentegen worden overtreders (eigenaren) die afzonderlijke vermogens en/of woonplaats hebben, en als (mede)plegers verantwoordelijk zijn voor de uitvoeringshandelingen van de verbodsbepaling (al dan niet als functioneel dader), afzonderlijk beboet steeds voor 80% van het boetebedrag.

In beginsel (vindt oplegging plaats van) één boete aan de vof als eigenaar. In geval de vennoten gezamenlijk de uitvoeringshandelingen verrichten, of kennis hadden van de gepleegde feiten, en dus als medeplegers aangemerkt kunnen worden, ligt afzonderlijke beboeting eveneens voor 80% van het boetebedrag voor de hand.

Betalingsregeling

Indien de overtreder aannemelijk maakt dat er sprake is van individuele omstandigheden die een betalingsregeling rechtvaardigen, kan het college op verzoek van de overtreder toestaan dat de boete wordt afgelost in maximaal 60 maandelijkse termijnen.

Als een overtreder gedurende de loop van de betalingsregeling aannemelijk maakt dat onverkorte nakoming van de regeling voor hem onevenredige gevolgen heeft, zoals bedoeld kan hij het college verzoeken om een nieuwe betalingsregeling te treffen, waarbij met zijn gewijzigde financiële draagkracht rekening wordt gehouden.

Beleidsvrijheid opleggen bestuurlijke boete woonruimteonttrekking

Op grond van de Huisvestingswet 2014 dienen gemeenten zorg te dragen voor een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimten. Met onder andere het aanwijzen van woonruimten in de Huisvestingsverordening waarvoor een vergunningplicht geldt bij een woonruimteonttrekking, heeft Zandvoort invulling gegeven aan deze verantwoordelijkheid. Van woonruimteonttrekking is sprake als wonen niet de hoofdactiviteit is en de woonruimte voor andere doelen dan reguliere huisvesting wordt gebruikt (in casu “toeristische verhuur”).

In het eerste lid van artikel 24 van de Huisvestingsverordening is bepaald dat een overtreding van de betreffende verboden, waaronder dus ook woonruimteonttrekking, kan worden bestraft met een bestuurlijke boete. Burgemeester en wethouders kunnen dus in voorkomende gevallen besluiten een bestuurlijke boete op te leggen, maar zijn daartoe niet verplicht. Aan deze “beleidsvrijheid” is, ter bevordering van de consistentie en transparantie met betrekking tot de handhaving, invulling gegeven door de onderhavige beleidsregel. Als uitgangspunt geldt dat met een bestuurlijke boete wordt opgetreden en dit kan worden gecombineerd met een last onder dwangsom gericht op herstel van de overtreding.

Uitvoering toezicht

Het constateren van toeristische verhuur waarbij woonruimten wordt onttrokken aan de voorraad, kan plaatsvinden op basis van klachten/meldingen, een (schriftelijk) verzoek van belanghebbenden om handhavend op te treden of door een eigen waarneming van toezichthouders. Toezichthouders maken gebruik van de toegekende bevoegdheden in de Algemene wet bestuursrecht en “digitale recherchering” waaronder “scraping” (computertechniek met specifieke software om informatie van het internet te extraheren en analyseren). De uitkomsten van het onderzoek worden (zeker als dit leidt tot aanschrijvingen) vastgelegd in een op ambtseed of –belofte opgemaakt rapport van bevindingen met eventueel een beeldrapportage.

Verzoek om handhaving illegale toeristische verhuur

Op een schriftelijk verzoek om handhaving dient binnen een redelijke termijn een besluit te volgen. Volgens vaste rechtspraak van de bestuursrechter moet bij een gegrond verzoek om handhaving in beginsel handhavend worden opgetreden, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn.

Eigen waarneming toezichthouders illegale toeristische verhuur (actieve handhaving)

Op het toeristisch verhuren van tweede- en opeenvolgende woningen en vakantieverhuur - waarbij het tijdens afwezigheid van de hoofdbewoner hotelmatig of recreatief in gebruik geven van een woonruimte - waarbij niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor woonruimteonttrekking zonder vergunning, zal actief toezicht worden gehouden. In de praktijk blijkt juist dat deze vormen van toeristische verhuur het meest belastend zijn voor het woon- en leefklimaat. Daarnaast zal actief worden gehandhaafd als bedrijven/intermediairs woningen aanbieden ten behoeve van toeristische verhuur.

Proces bestuurlijke boete, last onder dwangsom en invordering

Er wordt in twee stappen gehandhaafd. Allereerst zal toezicht ter plaatse worden gehouden. In geval de overtreder/eigenaar zelf aanwezig is op locatie en onderdeel wordt van het onderzoek door de toezichthouder, dan zal hij worden gewezen op het nemo tenetur-beginsel en de op de mogelijkheid tot cautie worden gewezen. Aanwezige toeristen, die niet als overtreder worden gezien, wordt geen cautie mogelijkheid geboden.

Op basis van de toezichthoudersrapportage zal een gecombineerd voornemen leiden tot een besluit tot opleggen van een bestuurlijke boete en een besluit tot opleggen van een last onder dwangsom. Het beleid ten aanzien hiervan is zo geformuleerd om gezien de noodzaak van het bestraffen en herstellen van woonruimteonttrekkingen een vlotte, gelijklopende procedure te doorlopen. Daarnaast wordt gezien het bestraffend karakter van de bestuurlijke boete en omdat de overtreding moet worden opgelost er bewust voor gekozen niet met waarschuwingen te werken. Een waarschuwing in dit kader strekt tot geen enkel aanwijsbaar doel. Voorts geldt dat een brede publiekscampagne aan de introductie van de bestraffing is vooraf gegaan, waarbij steeds is gewaarschuwd dat indien sprake is van hoofdverblijf elders handhavend opgetreden zal worden.

Aangezien de hoogte van de bestuurlijke boete in de huisvestingsverordening voor het onttrekken van woonruimten hoger is dan € 340, zal onder andere een rapport moeten worden opgesteld van de bevindingen van toezichthouders en de overtreder dient in de gelegenheid gesteld te worden om voorafgaand aan het boetebesluit een zienswijze naar voren te brengen, waarbij de overtreder tevens op zijn “mogelijkheid tot cautie” wordt geattendeerd. Het voornemen tot het opleggen van de bestuurlijke boete kan worden gecombineerd met het voornemen tot het opleggen van de last onder dwangsom gericht op herstel van de overtreding. De naar aanleiding daarvan naar voren gebrachte zienswijze wordt in beide besluiten bij de besluitvorming betrokken.

Het opleggen van een bestuurlijke boete is een beschikking zodat de voorschriften van hoofdstuk 3 en titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn. Belanghebbenden kunnen een bezwaarschrift indienen tegen een boetebesluit en de invordering daarvan. Bij een onbevredigend resultaat is het mogelijk beroep in te stellen bij de rechtbank en eventueel nog hoger beroep bij de Raad van State.

Ten aanzien van de invordering wordt strak de hand gehouden aan de procedure om niet af te doen aan door de Afdeling Bestuursrechtsrpaak van de Raad van State verlangde gezag van handhaving. In beginsel wordt geen uitstel van betaling verleend en volgt de invordering de procedure van kennisgeving van verschuldigdheid, (invordering en) aanmaning en vervolgens betekening van een dwangbevel.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.