Gemeentelijke regelgeving

Verordening Wmo en Jeugd Zaltbommel 2023

Gemeente Zaltbommel · geldt sinds 1 januari 2023

2. De hulpvraag

Stap 1: Melding bij de gemeente

2.1.1 Indienen hulpvraag

Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan deze melding op de volgende manieren doen:

Gemeentekantoor Zaltbommel

Hogeweg 11

5301 LB Zaltbommel

Telefoonnummer 14 0418

Team sociaal domein

Telefoonnummer: 14 0418

E-mail: wmo@zaltbommel.nl

Buurtteam Zaltbommel

Telefoonnummer: 06 -12 98 58 19

E-mail: buurtteamzaltbommel@hetbuurtteam.nl

Buurtzorg Jong Zaltbommel dorpen

Telefoonnummer: 06 - 20 74 41 48

E-mail: zaltbommeldorpen@bzjong.nl

Buurtzorg Jong Zaltbommel stad

Telefoonnummer: 06 - 12 59 75 53

E-mail: zaltbommelstad@bzjong.nl

2.1.2 Doel en procedure

Het doel van de melding is om de hulpvraag van de inwoner in behandeling te nemen. De gemeente bevestigt de melding binnen 5 werkdagen per e-mail of telefoon aan de inwoner en nodigt de inwoner daarbij uit voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Ook geeft de gemeente informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner) en de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (persoonlijk plan).

2.1.3 Gegevens

De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen 7 dagen te leveren. Bij de uitnodiging voor het gesprek wordt duidelijk gemaakt welke gegevens dat zijn.

Stap 2: Gesprek na de melding

2.2.1 Doel en procedure gesprek

Een inwoner, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. Het gesprek kan, naar inschatting van de medewerker en met instemming van de hulpvrager, telefonisch plaatsvinden. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt plaats binnen 28 dagen nadat de inwoner contact heeft opgenomen.

Bij de start van het gesprek identificeert de inwoner zich met een geldig identiteitsbewijs. Als de inwoner een persoonlijk plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker dit bij het gesprek. Als de inwoner dat wil, kan hij iemand (bijvoorbeeld een familielid of onafhankelijk cliëntondersteuner) vragen om bij het gesprek aanwezig te zijn.

2.2.2 Inhoud gesprek

1De medewerker bespreekt met de inwoner welk effect hij wil bereiken. In het gesprek onderzoekt de medewerker:

a.de behoefte van de inwoner: wat is er nodig?

b.de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect?

c.Wat gaat er goed in het leven van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?

d.de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen organisaties bieden?

2De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb). De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag.

2.2.3 Verslag

1Binnen vier weken na het gesprek stuurt de medewerker de inwoner een verslag van de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag en naar de persoonlijke situatie van de inwoner.

2Als de medewerker meer informatie nodig heeft voor het verslag, waardoor het verslag niet binnen de hiervoor genoemde termijn kan worden toegestuurd, dan wordt de inwoner hierover geïnformeerd.

3Uit het verslag blijkt welk effect de inwoner wil bereiken en hoe dat kan worden gerealiseerd (ondersteuningsplan). Daarbij wordt gekeken naar de korte en naar de lange termijn.

4De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit naar de gemeente. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven en het voor gezien ondertekenen.

5Als de inwoner hulp-op-maat van de gemeente wil ontvangen, kan hij dit aangeven op het ondertekende verslag. De gemeente ziet het verslag dan als een aanvraag.

Stap 3: Aanvraag

2.3.1 Aanvraag

[Jeugdwet, Wmo, Awb]

1Na de melding en het gesprek met een medewerker van de gemeente, kan de inwoner een aanvraag indienen. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp verleent en welke vorm die hulp dan heeft.

2De inwoner dient een aanvraag in met een aanvraagformulier van de gemeente.

3Een aanvraag wordt ingediend bij de gemeente.

2.3.2 Aanvraag voor hulp-op-maat

[Jeugdwet, Wmo]

1Vraagt de inwoner hulp-op-maat, dan kent de gemeente die hulp toe in de volgende situatie:

a.De hulp is noodzakelijk is om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken;

b.De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet bereiken met gebruikelijke hulp van huisgenoten, met hulp vanuit het sociale netwerk of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; en

c.De hulp past bij het gewenste effect en de persoonlijke situatie van de inwoner.

2De hulp-op-maat is voldoende in inzet en van kwaliteit, zodat de inwoner het gewenste effect kan bereiken.

3De gemeente kan hulp-op-maat weigeren als de inwoner de hulpvraag had kunnen voorzien en kunnen voorkomen.

4De gemeente kan hulp-op-maat weigeren als de inwoner na de melding en vóór het besluit zelf al de hulp-op-maat heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij de gemeente daar schriftelijk toestemming voor heeft gegeven of de noodzaak van de hulp-op-maat achteraf nog kan vaststellen.

5Als die weigering betekent dat de inwoner grote problemen zal krijgen (onevenredig nadeel ervaart), dan kan de gemeente, in uitzonderlijke gevallen, de hulp-op-maat wel toekennen.

2.3.3 Advisering

[Jeugdwet, Wmo, Awb]

De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat een wel deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag.

2.3.4 Beoordelen aanvraag

[Jeugdwet, Wmo, Awb]

1Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over:

a.de behoeften van de inwoner;

b.de (on)mogelijkheden van de inwoner;

c.de persoonlijke situatie van de inwoner;

d.de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente.

2Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente de volgende stappen:

Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is.

Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen en stoornissen er precies zijn.

Stap 3: De gemeente bepaalt welke hulp nodig is en hoe veel.

Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp (bijlage 1) of algemeen gebruikelijke voorzieningen (bijlage 2), hulp van anderen uit het sociale netwerk en van andere voorzieningen of organisaties.

Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.

3Voor iedere stap geldt, dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.

2.3.5 Beslistermijn

[Jeugdwet, Wmo, Awb]

1De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen 2 weken nadat de aanvraag is ontvangen, en in ieder geval binnen 8 weken na de melding.

2De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt of als de gemeente de aanvraag niet binnen de termijn kan behandelen.

Stap 4. Beslissing

2.4.1 Inhoud besluit

[Jeugdwet, Wmo, Awb]

1De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner te weten komt of er wel of geen hulp wordt gegeven. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven.

2Geeft de gemeente hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:

a.wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is;

b.wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt;

c.hoe en door wie de hulp wordt gegeven; en

d.welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden.

3Geeft de gemeente hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:

a.waarvoor het pgb bedoeld is;

b.hoe hoog het pgb is;

c.wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt;

d.hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt; en

e.welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden

4Geeft de gemeente hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:

a.voor welk doel het geld wordt gegeven;

b.wanneer het geld wordt betaald;

c.hoe vaak het geld wordt betaald; en

d.welke voorwaarden en verplichtingen er gelden.

5Besluit de gemeente geen hulp te geven, dan wordt in het besluit in ieder geval toegelicht:

a.waarom er geen hulp wordt toegekend;

b.hoe de inwoner in bezwaar kan gaan tegen dit besluit.

6Het besluit geeft aan hoe en binnen welke termijnen de inwoner in bezwaar kan gaan tegen dit besluit.

2.4.2 Verval van recht

[Jeugdwet, Wmo]

Het recht op hulp vervalt als de inwoner niet binnen 6 maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.

2.5 Uitzonderingen

2.5.1 Jeugdhulp via arts e.a.

[Jeugdwet, Awb]

1De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder.

2De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over zulke doorverwijzingen.

3De gemeente stuurt over de jeugdhulp een besluit per brief naar de inwoner. Dit besluit voldoet aan dezelfde eisen als het besluit na een aanvraag bij de gemeente zelf.

2.5.2 Spoedeisende gevallen

[Jeugdwet, Wmo,]

1In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is, zonder dat de normale procedure wordt gevolgd. Het kan dan gaan om de volgende hulp:

a.het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen;

b.het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp;

c.het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning; of

2Er is sprake van een spoedeisend geval als de uitkomst van de normale procedure voor een aanvraag om hulp niet afgewacht kan worden.

4. Wonen in een veilige en gezonde omgeving

4.2 Zelfstandig en veilig wonen

4.2.1 Geschikte woning

1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. De inwoner moet voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2.

2De hulp-op-maat houdt in dat de woning bereikbaar, toegankelijk, doorgankelijk en bruikbaar wordt gemaakt. Dit gebeurt door de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, berging en de gang(en), hal of overloop in de woning bouwkundig aan te passen.

3Als de woning van de inwoner niet of slechts tegen hoge kosten (meer dan de kosten van een tegemoetkoming voor verhuizing) aangepast kan worden, dan zal de gemeente van de inwoner verwachten dat hij verhuist naar een geschikte(re) woning, als deze beschikbaar is. De huidige woning wordt dan niet door de gemeente aangepast.

4De gemeente zorgt voor een tegemoetkoming in de verhuiskosten op basis van de NIBUD-prijzengids als de inwoner verhuist naar een geschikte(re) woning en daarbij voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2.

4.2.2 Een schone en leefbare woning

1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner hulp-op-maat kan krijgen als hij als gevolg van een beperking zijn woning niet schoon en leefbaar kan houden. De inwoner moet daarbij voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2 van deze verordening.

2De hulp-op-maat houdt in dat de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer, toilet en de gang(en) tussen die ruimten voor zover nodig regelmatig schoongehouden worden. Ook het aanbrengen van structuur in de huishouding, en het wassen, drogen en strijken van kleding, bedden- en linnengoed kan deel uitmaken van de hulp-op-maat.

3Als er in het huishouden van de inwoner minderjarige kinderen zijn, dan bestaat de hulp-op-maat ook uit het overnemen van de gebruikelijke zorg voor deze kinderen. Deze hulp is vooral bedoeld om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.

4Een schone en leefbare woning als genoemd in lid 1 betekent dat de vertrekken genoemd in lid 2 hygiënisch en veilig moeten zijn. Het huis mag niet vervuilen.

4.2.3 Beschermd wonen

Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van de beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening van centrumgemeente ’s-Hertogenbosch zoals vastgesteld door de gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch op 12 oktober 2021. Deze verordening is te vinden op overheid.nl.

4.2.4 Maatschappelijke opvang

Voor inwoners die hulp-op-maat in de vorm van de maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de verordening van centrumgemeente ‘s-Hertogenbosch zoals vastgesteld door de gemeenteraad van ’s-Hertogenbosch op 12 oktober 2021. Deze verordening is te vinden op overheid.nl.

4.3 Dagbesteding en begeleiding

4.3.1 Een ingevulde dag hebben

[Wmo]

1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende in staat zijn om de dag goed in te vullen, hulp-op-maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2.

2De hulp-op-maat houdt in dat inwoners mee kunnen doen aan recreatieve of andere begeleide groepsactiviteiten voor maximaal 10 dagdelen per week.

4.3.2 Veiligheid bij deelname aan de samenleving

[Wmo]

1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die hulp nodig hebben om veilig de dag door te komen, hulp-op-maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2.

2De hulp-op-maat houdt in dat inwoners begeleid worden. De begeleiding kan een-op-een of in een groep plaatsvinden. Het betekent, dat de begeleider toezicht houdt op de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving te communiceren. De begeleider kan ook helpen bij normale (dagelijkse) activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën, maar neemt deze niet volledig over.

4.4 Meedoen aan de samenleving

4.4.1 Verplaatsen in en om de woning

[Wmo]

1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet voldoende kunnen verplaatsen in en om de woning, hulp-op-maat kunnen krijgen.

2De hulp-op-maat houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die geschikt is voor dagelijks zittend gebruik door de inwoner.

4.4.2 Verplaatsen dichtbij huis

[Wmo]

1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die vanwege een beperking onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, hulp-op maat kunnen krijgen. Zij moeten wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.3.2.

2De hulp-op-maat houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis zodat ze mee kunnen doen met recreatieve, maatschappelijke en religieuze activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen kunnen doen. Die hulp kan bestaan in het aanbieden van:

a.de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer;

b.een taxi;

c.een scootmobiel, of

d.het gebruikmaken van een vervoermiddel.

3Het moet gaan om:

a.het zich verplaatsen rondom de woning;

b.het zich verplaatsen over een langere afstand dicht bij huis; of

c.het vervoer naar de plek waar de inwoners deelnemen aan een activiteit van de gemeente om de dag in te vullen.

4Om taxivervoer voor inwoners die dat nodig hebben beschikbaar en betaalbaar te houden kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer, voordat andere hulp-op-maat voorzieningen aan de orde kunnen komen.

4.5 Mantelzorg

4.5.1 Ondersteuning mantelzorger

1De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die mantelzorg geven hulp-op-maat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden.

2De hulp-op-maat houdt in dat de mantelzorg kan worden overgenomen door een professional.

3De gemeente stelt advies of hulp door de mantelzorgconsulent van Welzijn Bommelerwaard beschikbaar.

4.5.2 Mantelzorgwaardering

1De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Daarom heeft de gemeente verschillende vormen van mantelzorgwaardering. Het doel van mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers voor de samenleving te onderstrepen.

2De mantelzorgwaardering heeft, onder andere, de volgende vormen:

a.Een geldbedrag aan te vragen in de vorm van een mantelzorgcompliment.

b.Een mantelzorg dag georganiseerd door Welzijn Bommelerwaard.

4.5.3 Voorwaarden mantelzorgcompliment

1Een mantelzorgcompliment kan worden aangevraagd door of namens degene die mantelzorg ontvangt. Er moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden:

a.De mantelzorg wordt over een periode van minimaal 3 maanden verleend.

b.De mantelzorg wordt verleend door iemand die geen betaalde hulp aan de inwoner geeft.

c.De mantelzorg wordt voor minimaal 8 uur per week verleend.

2De gemeente heeft een formulier waarmee het mantelzorgcompliment kan worden aangevraagd.

3Het mantelzorgcompliment is per kalenderjaar gedurende 6 aaneengesloten weken aan te vragen. De startdatum wordt actief gecommuniceerd.

4De inwoner kan slechts voor één persoon een mantelzorgcompliment aanvragen.

5Een mantelzorgcompliment bestaat uit een bedrag van € 100,-.

5. De vorm van de hulp

5.3 Persoonsgebonden budget

5.3.1 Voorwaarden

1In plaats van hulp in natura kan de inwoner een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als het om Wmo-hulp of jeugdhulp gaat en voldaan is aan de voorwaarden die de Wmo en de Jeugdwet stellen.

2Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan:

a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

b.het voeren van een pgb-administratie;

c.ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie en;

d.kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s).

3De gemeente verstrekt geen pgb in de volgende situaties:

a.De kosten zijn gemaakt vóórdat de aanvraag is ingediend en het is niet meer na te gaan of die hulp nodig was.

b.Voorzieningen waarvoor een collectieve voorziening aanwezig is.

c.Uit het door de inwoner ingediende pgb-plan blijkt niet dat de kwaliteit van de hulp voldoende gewaarborgd is.

d.De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en de beoogde pgb-beheerder is dezelfde persoon als de beoogde hulpverlener.

5.3.2 Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk

De persoon die hulp geeft, mag iemand uit het sociale netwerk van de inwoner zijn als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden:

a.Deze persoon hanteert een tarief dat 50% bedraagt van het laagste toepasselijke tarief per uur of per resultaat dat een door de gemeente gecontracteerde leverancier hiervoor zou hanteren, en

b.Het tarief dat deze persoon hanteert, voldoet aan de Wet minimum loon

c.Deze persoon heeft gemotiveerd aangegeven dat de hulp niet tot overbelasting leidt, en

d.Als de dienst zorg omvat waarvoor landelijke kwaliteitscriteria of een minimale opleiding is vereist, beschikt de persoon over de desbetreffende kwalificatie

5.3.3. Pgb bij hulp door zzp’er

De persoon die hulp geeft mag een zzp’er zijn als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden:

a.Deze persoon hanteert een tarief dat maximaal 90% bedraagt van het laagste toepasselijke tarief per uur of per resultaat dat een door de gemeente gecontracteerde leverancier hiervoor zou hanteren, en

b.Deze persoon is hiertoe opgeleid, in het bezit van bijzondere deskundigheid.

5.3.4 Pgb bij hulp door zorgaanbieder

De zorgaanbieder die hulp geeft voldoet aan de volgende voorwaarden:

a.Deze persoon hanteert een tarief dat maximaal 100% bedraagt van het laagste toepasselijke tarief per uur of per resultaat dat een door de gemeente gecontracteerde leverancier hiervoor zou hanteren.

5.3.5 Hoogte en tarief pgb

1Het pgb wordt door de gemeente vastgesteld aan de hand van een plan over de besteding van het pgb dat de inwoner heeft gemaakt (pgb-plan). Het plan moet goedgekeurd zijn door de gemeente. De gemeente kan hiervoor een format beschikbaar stellen.

2Bij een product houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds- en verzekeringskosten.

3De gemeente stelt het tarief voor hulp door iemand uit het sociale netwerk vast op het goedgekeurde tarief uit artikel 5.3.2 onder a. Dit tarief is minstens het wettelijk minimumuurloon, inclusief vakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek, zoals dit is geregeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

4Als de hulp wordt gegeven door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, wordt dit altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien. Wordt de hulp gegeven door een ander uit het sociale netwerk die beroepsmatig de hulp verleent, dan gelden de regels voor beroepsmatig verleende hulp.

5.3.6 Verantwoording pgb

De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad.

7. Zorgkosten

7.1 Bijdrage voor mensen met een chronische ziekte of beperking

7.1.1 Voorwaarden voor de bijdrage

Een inwoner die een chronische ziekte of een beperking heeft, kan van de gemeente een extra bijdrage krijgen. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

a.een inwoner kan geen gebruik maken van een collectieve, algemeen gebruikelijke of maatwerkvoorziening om de betreffende beperking te compenseren.

b.er zijn extra kosten verbonden aan de ziekte of beperking.

7.1.2 Mogelijke tegemoetkoming

a.Een autoaanpassing voor een bedrag van maximaal € 4.000,-- per 5 jaar.

b.Verhuis- en inrichtingskosten voor een bedrag van maximaal € 5.500,--

c.Aanschaf en onderhoud van een sporthulpmiddel voor een bedrag van maximaal € 3.500,-- inclusief de kosten voor verzekering voor drie jaar.

d.Bezoekbaar maken van een woning voor een bedrag van maximaal € 3.000,--

e.Sanering van de woning voor een bedrag van maximaal € 2.500,--.

8. Afspraken tussen inwoner en gemeente

8.1 Hoe gaan we met elkaar om?

8.1.1 De rol van de gemeente

De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een gelijkwaardige manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:

a.Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.

b.De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.

c.De gemeente respecteert de privacy van de inwoner.

d.De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.

e.De gemeente wijst de inwoner op beschikbare deskundige hulp.

8.1.2 De rol van de inwoner

1De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:

a.De inwoner zet eerst de eigen mogelijkheden in voordat hij hulp vraagt aan de gemeente.

b.Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem.

c.De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.

2De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:

a.De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner.

b.De gemeente ontvangt alle documenten en bewijsstukken die zij nodig heeft zo snel mogelijk van de inwoner.

c.De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente.

8.2 Beëindigen en terugvorderen voorziening

8.2.1 Beëindiging voorziening

[Jeugdwet, Wmo]

1De gemeente kan een voorziening beëindigen als:

a.de voorziening niet langer passend of nodig is;

b.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;

c.de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;

d.iemand de betreffende zorg en ondersteuning kan verkrijgen onder de Wet langdurige zorg (Wlz), omdat de Wlz voorliggend is aan de Wmo en Jeugdwet;

e.de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;

f.de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld;

g.de inwoner niet binnen zes maanden gebruik heeft gemaakt van de voorziening, tenzij hem dat niet te verwijten is.

2De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).

8.2.2 Terugvordering voorziening

[Wmo, Burgerlijk Wetboek]

De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 8.2.1

8.3 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?

8.3.1 Controle

[Jeugdwet, Wmo]

1De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een voorziening en of hij de juiste voorziening heeft aangevraagd of ontvangt.

2De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.

3Bij beëindiging van de voorziening op verzoek van de inwoner, onderzoekt de gemeente wat de reden is van de beëindiging. De gemeente gaat ook na of de voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.

8.3.2 Voorkomen van fraude

[Jeugdwet, Wmo,]

De gemeente streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik aan de inwoner die gebruik maakt van de voorziening.

8.3.3 Beleidsplan en beleidsverslag

[Jeugdwet, Wmo]

De gemeente stelt één keer in de vier jaar een beleidsplan vast. De gemeente stelt na afloop van ieder kalenderjaar een beleidsverslag vast. Daarin beschrijft de gemeente of de gestelde doelen voor dat jaar zijn behaald en de redenen waarom dat wel of niet is gebeurd.

8.3.4 Privacy

[Jeugdwet, Wmo]

1De gemeente zorgt ervoor dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt (tijdens bijvoorbeeld een huisbezoek).

2Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.

8.3.5 Toezichthouders

[Jeugdwet, Wmo]

De gemeente wijst een of meer ambtenaren aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.

Bijlage 1: Gebruikelijke hulp

Dit is zorg die van ouders, partner of sociale omgeving verwacht mag worden. Alleen zorg die niet redelijkerwijs van ouders verwacht mag worden is zogenaamde bovengebruikelijke hulp. De gemeente Zaltbommel gebruikt bij het afwegen of iet s in uw situatie gebruikelijke hulp is de handreiking van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast is het van uw situatie afhankelijk wat uw eigen kracht is. Dit beoordeeld een professional van het wijkteam.

Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normale ontwikkeling in verschillende levensfasen van het kind.

Kinderen van 0 tot 3 jaar

•hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;

•ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;

•zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 3 tot 5 jaar

•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op

•gehoorafstand (bijv. ouder kan was ophangen in andere kamer);

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

•kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;

•hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;

•hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;

•zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 5 tot 12 jaar

•kinderen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur/week;

•kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. kind kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);

•hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;

•hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;

•zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

•hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrije tijdsbesteding gaan;

•hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Kinderen van 12 tot 18 jaar

•hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;

•kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;

•kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;

•kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;

•hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;

•hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;

•hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);

•hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;

•hebben tot 17 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.

Bron: Factsheet Zorg voor kinderen met een intensieve zorgvraag Gebruikelijke zorg

Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport, november 2016

Bijlage 2: Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn in principe voor iedereen beschikbaar, of u nu wel of geen beperking heeft. Wat in een concrete situatie algemeen gebruikelijk is, hangt vaak af van verschillende factoren. Algemeen gebruikelijke voorzieningen worden in beginsel niet vanuit de Wmo verstrekt.

Bij de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, kijkt de gemeente naar het individuele geval. Dus iedere aanvraag moet worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden van de aanvrager.

De gemeente kan dus niet zomaar stellen dat een bepaalde voorziening in ieder individueel geval algemeen gebruikelijk is. Een voorziening is daarmee dus nooit als zodanig algemeen gebruikelijk.

Met het criterium ‘algemeen gebruikelijk’ wordt voorkomen dat de gemeente een voorziening verstrekt waarvan aannemelijk is te achten dat een cliënt daarover ook zou hebben beschikt als hij geen beperkingen had gehad. Individueel onderzoek is cruciaal voor de beoordeling of een voorziening in het individuele geval algemeen gebruikelijk is. De bevindingen uit dit onderzoek zijn nodig om goed gemotiveerd een aanvraag (voor een maatwerk voorziening) toe te kennen of af te wijzen. De criteria voor algemeen gebruikelijke voorziening komen uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie de uitspraak CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535:)

Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze:

-niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

-daadwerkelijk beschikbaar is;

-een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en;

-financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau, ongeacht of de aanvrager zelf een minimuminkomen heeft.

Om te bepalen of de voorziening gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau sluit de gemeente aan bij rechtbankjurisprudentie (zie Rb. Den Haag, 11-02-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2084). Een hulpmiddel kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau indien de kosten daarvan binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

De financiële situatie van een cliënt mag binnen de Wmo 2015 alleen in beeld komen als de cliënt betwist een algemeen gebruikelijke voorziening te kunnen betalen. De gemeente moet dan onderzoeken of de financiële situatie inderdaad dusdanig is dat niet volgehouden kan worden dat de gevraagde voorziening voor deze cliënt algemeen gebruikelijk te achten is. De cliënt moet hiervoor dan ook inzage geven in zijn financiële positie.

Voor wat betreft de kostprijs van de gevraagde voorziening hoeft niet per se uitgegaan te worden van de nieuwprijs. Waar het om gaat is dat de voorziening geschikt is om het probleem op te lossen of te verminderen, en dat zou ook kunnen met een goede, maar gebruikte voorziening.

Er is geen complete lijst van voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn, maar voorbeelden zijn:

Hulpmiddelen

•Tandem (met uitzondering van een ouder-kind tandem);

•Fiets met lage instap, ligfiets;

•Spartamet/tandemmet;

•Elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap) voor een persoon van 16 jaar en ouder;

•Bakfiets, fietskar, aanhangfiets;

•Aankoppelfiets voor kinderen;

•Reparatie verlichting, vervangen banden of fietszadel;

•Buggy tot 4 jaar;

•Rollator/krukken, looprekken, loophulpen met 3 of 4 poten;

•personenauto en de gebruikskosten die daaraan verbonden zijn;

•Auto-accessoires: airconditioning, stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, automatische transmissie, blindering, kosten rijbewijs, APK, verzekeringen, trekhaak;

Woningaanpassingen

•Eenhendelmengkranen;

•Thermostatische kranen;

•Keramische of inductie kookplaat;

•Verhoogd toilet of toiletverhoger;

•Tweede toilet/sanibroyeur;

•Renovatie van verouderde woonvoorzieningen;

•Antislipvloer/coating;

•Drempelhulpen / nivellering;

•(Opklapbare) wandbeugels;

•Zonwering (inclusief elektrische bediening);

•Ophogen tuin/bestrating bij verzakking;

•(tweede) Trapleuning

•(opklapbare) Beugels

•Douchecabine

•Douchekop en glijstang

•Douchezitje (in elke uitvoering)

•Vervanging keukenapparatuur

•Centrale verwarming

•Dakkapellen

•Losse airco-units

•Screens en zonneschermen

•Elektrische bediening zonwering

•Luchtbevochtigers en luchtontvochtigers

•Wasdroger

•Mobiele (huis) telefoon

•Automatische deuropeners voor garage

•Renovatie keuken (15 jaar)

•Renovatie badkamer (25 jaar)

Huishoudelijke Hulp

•kreuk- en strijkvrije kleding;

•Was- en strijkdienst;

•Vaatwasser;

•Glazenwassersbedrijf;

•Maaltijdverzorging;

•Hondenuitlaatservice;

•Tuinman;

•Klussendienst;

•Boodschappenservice

Andere vormen van Algemene Voorzieningen

•Inloop GGZ

•Peutertoeslag

Bron

Deze verordening is grotendeels geïnspireerd op de omgekeerde modelverordening. Dit is een uitgave van:

Stimulansz

Postbus 2758

3500 GT Utrecht

T (030)2982800

www.stimulansz.nl

info@stimulansz.nl

Auteurs:

Henk van Deutekom

Henk Kooistra

Evelien Meester

Annemieke Wildenburg

De modelverordening sociaal domein is tot stand gekomen met de waardevolle inbreng van:

Floor Bentfort van Valkenburg

Wim Eiselin

Pieter-Jan de Jongh

Wilma Kuiper

Maarten Simons

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.