Gemeentelijke regelgeving

Regionaal uniform uitvoerings- en handhavingsbeleid Noordzeekanaalgebied (NZKG) 2019-2022

Gemeente Zaanstad · geldt sinds 19 november 2019

Bijlage 1. Beschrijving van UUN i.r.t. PGF

Uniforme werkwijze Omgevingsdienst NZKG

Prestatiegericht Financieren houdt in dat transparant en eenduidig wordt bepaald welke producten en diensten tegen welke prijs en kwaliteit door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) worden geleverd aan de opdrachtgevers. De inzet van de VTH

19VTH: Vergunningverlening. Het in behandeling nemen van een aanvraag, het beoordelen daarvan en het nemen van een beslissing op de aanvraag in de vorm van een beschikking en het afhandelen van een melding. In de Wet milieubeheer, de Wet bodembescherming en aanverwante besluiten zijn hierover regels opgenomen.Toezicht. De controle op de naleving van wet- en regelgeving (als het vergunde eenmaal is beschikt of de melding is gedaan, inclusief termijnbewaking) en het zonder formeel juridische instrumenten tegemoet treden van overtredingen. Onder toezicht wordt tevens verstaan: controles in het kader van handhaving. Handhaving. De (bestuurlijke) oordeelsvorming over bevindingen tijdens inspectie en toezicht, en het – waar nodig en bestuurlijk wenselijk geacht – plegen van interventies (maatregelen en sancties) met formeel juridische instrumenten, zoals het toepassen van het opleggen van dwangsommen, bestuursdwang, het intrekken van een vergunning of de toepassing van strafrecht door buitengewoon opsporingsambtenaren.

-instrumenten op het gebied van milieu/Brzo, bouw en bodem heeft als hoofddoel het zorgvuldig waarborgen van een veilig en leefbaar Noordzeekanaalgebied, met oog voor de kwaliteit van het gebied en de gewenste ontwikkelingen en toenemend ruimtegebruik van het gebied.

Voorheen werd het niveau waarop de VTH-taken werden uitgevoerd bepaald door de individuele gemeente/ provincie voor het eigen gebied. Bij de oprichting van de OD NZKG is gesproken over de wens om te komen tot een ‘level playing field’ en het begrip uniform uitvoeringsniveau. De OD NZKG streeft een uniform uitvoeringsniveau na voor het hele Noordzeekanaalgebied, gebaseerd op de wettelijke kaders, de kwaliteit en ervaring van de OD NZKG, met voldoende aandacht voor lokale accenten. Dit uniform uitvoeringsniveau is het uitgangspunt voor de PGF-systematiek.

De wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd is gebaseerd op de landelijke Kwaliteitscriteria 2.1, die in een Verordening kwaliteit Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht vastgelegd worden. Daarnaast zijn de werkzaamheden gebaseerd op gangbare en beproefde methodieken, landelijke wetgeving c.q. richtlijnen en de opgedane ervaring van de OD NZKG van de afgelopen jaren. Met deze methodiek worden risico’s in het Noordzeekanaalgebied ten aanzien van de veiligheid en omgevingskwaliteit adequaat geborgd.

De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en veiligheid op de terreinen van milieu/Brzo, bouw en bodem ligt bij de exploitant, eigenaar of initiatiefnemer van de betrokken milieu-, bouw- of bodemactiviteiten. De OD NZKG beziet namens de opdrachtgever of die verantwoordelijkheid (voldoende) wordt genomen en onderneemt acties op basis van ingeschat risico (op basis van data-analyse en ervaring) en wettelijke voorschriften en spant zo als het ware een vangnet om de grootste risico’s te beperken. Dit betekent dat de capaciteit vooral daar wordt ingezet waar de opdrachtgever het beste rendement van haar werk kan behalen. Het maatschappelijk belang en de ingeschatte gevolgen voor het milieu, veiligheid en/of gezondheid bepalen de intensiteit van de inzet.

Door het uniforme uitvoeringsniveau ontstaat een uniforme werkwijze. Standaardisering en digitalisering zorgen voor vlotte afhandeling. Specialistische kennis is aanwezig en wordt ingezet waar nodig. Op basis van risicoanalyses wordt de daadwerkelijke inzet bepaald en zijn belangrijke thema’s voor de opdrachtgevers herkenbaar. Door op een uniforme manier de werkzaamheden uit te voeren, kan de OD NZKG groeien in professionaliteit en effectiever en efficiënter gaan werken.

In de systematiek van Prestatiegericht Financieren wordt voor milieu/Brzo, bouw en bodem gewerkt met twee productcategorieën: een categorie output producten en een categorie regie producten. Het uitgangspunt voor deze categorieën is dat voor alle opdrachtgevers een uniform uitvoeringsniveau geldt, zodat de inzet voor gelijkwaardige bedrijven in gelijke situaties hetzelfde kwaliteitsniveau kent. Per categorie producten, vastgelegd in het voorliggende productenboek, is het duidelijk welke kwaliteit geleverd wordt tegen welke prijs. Daarnaast is er een categorie randvoorwaardelijke en programma overstijgende producten.

Productcategorieën: output, regie, randvoorwaardelijk en programma overstijgend

In de uitvoeringsovereenkomsten worden de werkzaamheden in drie soorten pakketten ingedeeld.

•In de categorie output producten wordt de benodigde inzet in uren op de taken van te voren begroot. De ‘zwaarte’ van bepaalde activiteiten bepaalt de benodigde inzet in uren. Dit wordt uiteindelijk vertaald in samengestelde integrale kengetallen (uren per bedrijf/activiteit).

•In de categorie regie producten wordt de benodigde inzet in uren op de taken vooraf op urenbasis begroot. In deze categorie betreft het veelal activiteiten die op maat voor de verschillende opdrachtgevers worden uitgevoerd, zoals beleidsadvisering op verschillende facetten.

•In de categorierandvoorwaardelijk zijn taken opgenomen die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het primaire proces. Dit is bijvoorbeeld van toepassing op procesondersteuning (het Regiebureau) en accountmanagement. De opdrachtgevers financieren deze taken naar rato van de afgenomen producten en diensten.

•In de categorie programma overstijgend zijn producten opgenomen die overstijgend zijn aan de werkvelden. Dit is bijvoorbeeld van toepassing op het product bezwaar en beroep en uitvoering Bibob toetsen. De benodigde inzet in uren op wordt vooraf op urenbasis begroot.

Bij de opbouw van het uniform uitvoeringsniveau is gestart met het benoemen van de belangrijkste thema’s zoals geluid, externe veiligheid, duurzaamheid, luchtverontreiniging en constructieve veiligheid. Met deze thema’s is een risicoanalyse uitgevoerd van bedrijven, bouw- en bodemactiviteiten, leidend tot een risico-indeling.

Vervolgens kan voor elke betrokken taak of product (een vergunning, een handhaving, klachten, e.d.) het werkniveau/de intensiteit bepaald worden. Dit vertaalt zich uiteindelijk in een kengetal voor dit type bedrijf, het bouwwerk of de bodemactiviteit. Aangezien de aard van de werkzaamheden bij milieu, bouw of bodem verschilt, verschillen deze methoden ook in de exacte uitwerking. Wat ze gemeen hebben is dat er een risicoafweging plaatsvindt en dat uiteindelijk bij potentieel zwaardere belastende activiteiten meer inzet wordt gepleegd dan bij eenvoudiger, minder belastende activiteiten en dat dit dan voor het hele uitvoeringsgebied van de OD NZKG gelijk is. De inzet die nodig is voor de output producten wordt uiteindelijk begroot door de werkvoorraad te vermenigvuldigen met het gewogen kengetal.

Het is de bedoeling dat de beschreven uitvoeringsniveaus risico gestuurd worden toegepast. In het jaarlijks op te stellen VTH-Uitvoeringsprogramma worden in overleg tussen de opdrachtgever en OD NZKG op basis van mogelijk per jaar verschillende prioriteiten activiteiten en speerpunten geprogrammeerd. Het bekende naleefgedrag hoort volgens de Landelijke Handhavingsstrategie ook een rol te spelen bij de programmering van toezicht en handhaving. Ook grootte en ligging ten opzichte van bewoning van een inrichting kunnen een rol spelen. Daarom kan het zijn dat niet ieder bedrijf in het hoge uitvoeringsniveau ieder jaar wordt gecontroleerd, en kan het zijn dat sommige bedrijven of bedrijfstakken met een laag uitvoeringsniveau vaker bezocht kunnen worden. In de praktijk kan op de kengetallen en frequenties uit het uniform uitvoeringsniveau differentiatie in de uitvoering optreden, meestal op basis van met de opdrachtgever besproken overwegingen.

I.Werkveld Bouw

Uniform Uitvoeringsniveau Bouw

Uitgangspunten

Samengevat komen de doelstellingen van de VTH-taken voor de Wabo en Omgevingswet bouw, gebruik en sloop er op neer dat ervoor wordt gezorgd dat bouwwerken veilig, gezond, bruikbaar en energiezuinig worden gebouwd en dat ook blijven, dat zij op een zo milieuvriendelijk mogelijke manier tot stand komen, in stand blijven en eventueel worden afgebroken en dat de bouwwerken zo lang mogelijk meegaan (tenminste 50 jaar). Voorts hebben de vergunningverleners, constructeurs en toezichthouders er (mede) voor te zorgen dat de (schaarse) ruimte efficiënt wordt gebruikt, door te kijken of het past binnen het bestemmingsplan of dat afwijken mogelijk is, en dat de bouwwerken daarin voldoen aan redelijke eisen van welstand waar dat geldt.

Het belang heeft vooral betrekking op (a) de kwaliteit van bouwwerken, (b) de inpassing van bouwwerken in hun omgeving, (c) de veiligheid van het bouwwerk, (d) de veiligheid van bouwplaatsen, (e) rechtsbescherming en (f) normen en voorschriften op het gebied van bouwen, verbouwen en slopen.

Wet- en regelgeving proberen daarbij zoveel mogelijk risico’s van het bouwen en verbouwen vanuit zowel het algemeen als individueel belang te voorkomen. Op dit moment is een voorstel van Wet in ontwerp dat beoogt een deel van de controle van een deel van de bouwwerken door kwaliteitsbureaus in de markt te laten toetsen. Vergunningverleners, constructeurs en toezichthouders spelen daarbij een rol in de uitvoerende zin, dat wil zeggen toetsend, inspecterend en handhavend.

Algemeen doel van vergunningverlening in het kader van de Wabo is het bevorderen dat de vergunde werkzaamheden plaatsvinden binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving en voor toezicht en handhaving dat de uitvoering van werkzaamheden en het gebruik van de betrokken panden plaatsvinden binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving en – voor zover van toepassing – de afgegeven vergunning. Indien overtredingen worden geconstateerd wordt bestuursrechtelijk opgetreden met passende waarschuwingen of sancties als stillegging van de bouwwerkzaamheden of het opleggen van een last onder dwangsom. Resultaat van het bouwtoezicht moet zijn dat het uiteindelijk gerealiseerde bouwwerk aan de regels voldoet. In een enkel geval is dat niet mogelijk en is er sprake van onomkeerbare schade. In dat geval kan strafrechtelijk worden opgetreden (vooral rond overtredingen met asbest).

Doelen van constructief toezicht zijn dat panden in gebruik genomen kunnen worden, dankzij bouw of verbouw op een verantwoorde wijze en conform de vergunning. Controle op de constructieve veiligheid van de bestaande bouw neemt toe (verdachte panden, oneigenlijk gebruik, functieverandering, energieprestaties). Dit levert een bijdrage aan het gewenste maatschappelijk effect: Een kwalitatieve veilig gebouwde omgeving. Een calamiteit in de bebouwde omgeving geeft een onveilig gevoel en heeft een grote maatschappelijke impact.

Het gestelde maatschappelijke doel (outcome) is dat er op een kwalitatief hoog niveau wordt ge- en verbouwd en dat daarmee het risico op calamiteiten tot een minimum wordt teruggebracht. Op deze wijze ontstaan veilige gebouwen in bebouwde omgeving, die de gemiddelde levensduur van 50 jaar zullen halen. Dat geschied door steekproefsgewijze controle op de aangeboden vergunningaanvraag, bouwtekeningen en berekeningen en op locatie tijdens de uitvoering. Deze steekproeven worden ingegeven door een risico inschatting van de meest ervaren werkverdelers. Outputdoelstelling hierbij is dat elk bouwwerk wordt beoordeeld qua risico, waarbij de grote of risicodragende gebouwen volledig inhoudelijk worden behandeld.

De OD NZKG voert afhankelijk van de opdrachtgever combinaties van de volgende VTH-taken Wabo/bouw uit:

•VTH-taken Wabo/bouw voor bepaalde gebieden;

•VTH-taken Wabo/bouw voor bedrijven/utiliteitsbouw (o.a. Type C, of bij Brzo- of RIE-bedrijven);

•VTH-taken Wabo/bouw en openstellingsvergunning tunnels;

•(V)TH-taken in verband met brandveiligheid in de gebruiksfase voor de utiliteitsbouw (gebruikstoezicht).

Bouwtoezicht Op Maat

In de OD NZKG wordt al enkele jaren gewerkt met Bouwtoezicht Op Maat (BOM). BOM is geënt op landelijke toetsingskaders voor bouwvergunningen en bouwtoezicht. Hierin worden bouwwerken in verschillende categorieën onderverdeeld en getoetst op de relevante aspecten. In 2015 is dit systeem beknopt geëvalueerd en doorontwikkeld door kengetallen toe te voegen voor verbouw-activiteiten. In het kader van PGF is er op geanticipeerd op het vaststellen van BOM als uniform uitvoeringskader. Bij de inrichting van de werkprocessen en het zaaksysteem binnen de OD NZKG is BOM geïmplementeerd, en het is ook de grondslag voor de aantallen in de UVO 2019.

Het uitgangspunt van de methodiek is dat de verantwoordelijkheid bij de eigenaar ligt, waarbij het bevoegd gezag beziet of die verantwoordelijkheid voldoende wordt genomen en waarbij alleen acties worden ondernomen op basis van het ingeschatte risico, waarop het bevoegd gezag haar capaciteit bepaalt.

De hoofdlijnen van het uniforme uitvoeringsniveau – vertaald in kernbepalingen - kunnen als volgt worden samengevat:

•De minste kernbepalingen hanteert het bouwtoezicht bij bouwaanvragen tot € 100.000,-- zonder veiligheidsconsequenties en bij lichte industriefuncties, zoals loodsen.

•Voor de overige type bouwwerken wordt een basispakket aangeboden, waarbij altijd als kernbepalingen de volgende thema’s vertegenwoordigd zijn: ruimtelijke inpassing (bestemmingsplan), esthetische inpassing (welstand), constructieve veiligheid, brandveiligheid, gebruiksveiligheid, geluid (behalve bij industriefuncties), ventilatie, energiezuinigheid en omgevingsaspecten. Speerpunten hierbij zijn:

•Een bouwwerk zit constructief goed in elkaar;

•Ongevallen en uitbreiding bij brand worden voorkomen;

•Veilig gebruik;

•Geluidwering;

•Ventilatie in relatie tot gezondheid.

•Uitbreiding van het basispakket geldt voor woningbouw (thema’s sociale veiligheid, vocht, daglicht, toegankelijkheid, ruimten en energiezuinigheid) en utiliteitsbouw, behalve bedrijfsgebouwen en loodsen (thema’s vocht, toegankelijkheid en energiezuinigheid).

•Nooit van primair van belang zijn de thema’s: afvalwater en riolering, bescherming tegen schadelijke stoffen / dieren, energie- en watervoorziening en opstelplaatsen voor hulpdiensten. Een deel van deze thema’s valt wel onder het uniforme uitvoeringsniveau voor milieu.

Het uniforme uitvoeringsniveau heeft ten doel onaanvaardbare risico’s met betrekking tot ruimtelijke inpassing (bestemmingsplan), esthetische inpassing (welstand), Bouwbesluit (constructieve veiligheid, brandveiligheid, gebruiksveiligheid, gezondheid, energiezuinigheid) en omgevingsaspecten (bouwveiligheid) af te vangen. Voor deze beoordeling is een risicomatrix opgesteld met toetsniveau 0 - 4.

Werkzaamheden rond de omgevingsvergunningenverlening voor tunnels wegverkeer of railverkeer en het toezicht daarop vallen niet onder de kengetallen uit de BOM-systematiek. Bovendien is vaker sprake van systeemtoezicht. Dergelijke werkzaamheden vinden altijd op regiebasis plaats.

Brandveiligheidstoezicht in de gebruiksfase

Toezicht op brandveilig gebruik van panden valt niet onder Bouwtoezicht Op Maat. Er is bij de verschillende te controleren panden mogelijk sprake van enige overlap tussen het werk van de milieu-inspecteurs en de gebruiksinspecteurs. Er wordt gewerkt met een kengetal van gemiddeld 8 uur per controle. De prioritering van de opdrachtgever bepaalt de controlefrequentie op de betrokken panden. Het kan dus zijn dat voor een pand meerdere keren per jaar wordt gecontroleerd, of om de paar jaar.

Risicomatrix Wabo/bouw

Het rendement van het uitvoeringsniveau is afhankelijk van het bouwplan dat wordt aangeboden. De cruciale factoren zijn daarbij:

•Het type bouwwerk;

•De locatie van het bouwwerk.

Essentieel hierbij is dat de onderwerpen veiligheid, gezondheid, energiezuinigheid en duurzaamheid als basiswaarden aan de principes ten grondslag liggen. Het operationeel maken gebeurt via de zogenaamde risicomatrix, die is ingebed binnen een pakket van flankerend beleid. De risicomatrix is sturend voor de intensiteit van de werkzaamheden (het adequaat niveau). De combinatie van gevolg en kans leidt tot een risicoscore.

Bouwwerktypologie categorieën:

BOM-categorie nieuwbouw

Soort bouwwerk

A1, < € 100.000, niet constructief

Vlaggenmast, hekwerk, wijziging gevel, plaatsen installatie, interne niet constructieve verbouwing, reclame zonder een constructie

A2, < € 100.000, constructief

Constructieve verbouwing, dakopbouw, funderingsherstel, meerpalen, steiger, porto-cabin, reclame met een constructie (op het dak of reclameborden)

B1, woongebouw

Woongebouw en woontoren

B2, andere woonfunctie

Vrijstaande en eengezinswoningen,

B3, lichte industriefunctie

Loods, hal, tank(installatie), opslagruimte, opvangbasin, pompkamer, schakelhal

B4, overige industriefunctie

Bedrijfs(verzamel)gebouw, atelier, broedplaatsen, autoshowroom of –werkplaats, tankstation, (zelfstandige) parkeergarage

B5, bijeenkomst- cel-, onderwijs-, gezondheid- (bed-gebonden), logiesfunctie

Theater, station, restaurant, gevangenis, school, universiteit, ziekenhuis, vakantiewoning en hotel

B6, kantoor-, winkel-, sport-, gezondheidsfunctie (niet bed-gebonden)

Kantoor, winkel, gezondheidscentrum, artsenpraktijk, sporthal en stadion

B7, bouwwerk geen gebouw zijnde

Kade, geluidsscherm, damwand, bruggen, laadplatform, hoogspanningsstation, funderingen

BRIKS overige (RO-, inrit-, kap-, sloop- en gebruiksvergunning

Sloopmeldingen

Het principe dat ligt achter de werkniveaus is dat van ‘opbouwen van vertrouwen’. De OD NZKG inventariseert bij een aangegeven thema de risico-elementen en gaat hierbij na wat van een plan de cruciale secties zijn. Voorbeelden van secties zijn een bouwlaag, een woningtype, een gebouwvleugel, een trappenhuis, een galerij of een specifieke ruimte. Bij werkniveau 4 vindt een 100% toets plaats, bij de andere niveaus niet. Het betreft dan een steekproefsgewijze toets. Afhankelijk van het vertrouwen dat hieruit blijkt kan voor repeterende elementen het werkniveau worden verlaagd of verhoogd. Bijvoorbeeld bij het thema daglicht: er wordt gekeken welke ruimten van een bouwplan het meest kritisch zijn ten aanzien van dit thema. Afhankelijk van de toetsresultaten wordt de toets vervolgd op een hoger of lager niveau.

Voor verbouwsituaties zijn vaak minder onderdelen aan de orde dan voor nieuwbouw. Zo hoeft bij veel verbouwingen de al aanwezige fundering niet te worden aangepast. Het toetsniveau per onderwerp is in principe hetzelfde, maar afhankelijk van de soort verbouwing is het waarschijnlijk dat er minder onderwerpen getoetst hoeven te worden. Daarom zijn er lagere kengetallen aan de orde.

Het model met de toetsniveaus

Bouwwerken zijn volgens prijs, omvang, complexiteit, risico’s ingedeeld in zogenaamde zwaarte categorieën. In het verleden waren hieraan ook gemiddelde uurbestedingen gekoppeld, deze zijn bij de start van de OD NZKG losgelaten. In de modellen wordt gerekend met de BOM-categorieën en de door de bestuur en directie vastgestelde kentallen uit de PGF-systematiek.

In de spreadsheet leest u steeds cijfers van 0 tot 4 met de kleuren wit, groen, geel, oranje, rood. Deze cijfers corresponderen met de vastgestelde werkwijze in landelijke protocollen die de OD gebruikt omdat ze onderdeel zijn van het BOM beleid.

Kort komt het neer op:

X-as:

Vergunningverlening: Bij bouwwerken zijn conform de regelgeving in het bouwbesluit een aantal categorieën maatregelen gegroepeerd.

Bij constructie zijn vooral de constructieve technische elementen, thema’s en verbindingen benoemd.

Bij toezicht en handhaving thema’s waarop gecontroleerd wordt tijdens toezicht.

Y-as:

In de tabellen zijn soorten bouwwerken geordend en geclassificeerd volgens de BOM categorisering weergegeven op de Y-as.

Uniform Uitvoeringsniveau (vastgesteld in 2016) volgens BOM.

In 2017 en 2018 is de methode risicogestuurd toetsen doorontwikkeld ten gevolge van schaarste op de arbeidsmarkt en explosieve groei in de bouw. Het gewenste niveau kon niet gerealiseerd worden, indien alle bouwaanvragen op alle elementen volledig getoetst moeten worden is meer capaciteit nodig om de kwaliteit te halen. Om toch verantwoorde keuzes te maken is een methode met een verlaagde ondergrens voorgelegd aan de desbetreffende opdrachtgevers. In dialoog met de opdrachtgevers moet worden bezien hoe invulling gegeven kan worden aan de aanpassing.

Outputproducten Bouw

De onderstaande output producten met bijbehorende kengetallen zijn voor Bouw van toepassing:

In de kengetallen voor regulering en toezicht BOM wordt uitgegaan van de afgegeven aanvragen (meestal vergunning, maar het kan bijvoorbeeld ook een weigering zijn) en is in het kengetal meegewogen dat een deel van de procedures niet leidt tot een beschikking (bijvoorbeeld intrekkingen). In de kengetallen zijn meegenomen:

•Alle uren benodigd voor toetsing van de diverse inhoudelijke onderwerpen (zie matrix);

•Procescoördinatie;

•Toezicht in de realisatiefase.

Randvoorwaardelijk zijn opgenomen:

•Alle uren voor registratie, publicatie en verzending van beschikkingen;

•Alle uren voor analyses en projecten in het kader van Risico en Informatie Gestuurd Werken.

De uren uit het kerntaken mogen uit leges worden gedekt (waaronder de kosten van vooroverleg over de indieningsvereisten), evenals de uren voor registratie, publicatie en verzending van beschikkingen.

Niet in de kengetallen zijn verwerkt de kosten van externe adviezen (welstand, Brandweer etc.) en materiële kosten van publicaties). Deze vallen ook onder mogelijke legesdekking. De betrokken budgetten zijn aanvullend opgenomen in de materiële budgetten. Voor reguliere handhaving vindt de uitvoering plaats op regiebasis. Het benodigd aantal uren wordt geschat op basis van ervaring. Verweer in het kader van bezwaar en beroep op genomen beschikkingen is onderdeel van het randvoorwaardelijk pakket, op regiebasis. Zowel handhaving als verweer bij bezwaar en beroep kan niet uit leges worden gedekt.

Regieproducten Bouw

De onderstaande regie producten worden voor Bouw gerealiseerd:

II. Werkveld Bodem

A.Uniform Uitvoeringsniveau Bodem

Uitgangspunten

Hoofddoel van de Wet bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) zijn het beschermen van de leefomgeving voor wat betreft de bodem. Specifieke handelingen in en op de bodem en de toepassing van grond en bouwstoffen kunnen van invloed zijn op de bodemkwaliteit. Doel van de uitvoering van de taken is zorgdragen voor verbetering van het naleefgedrag binnen dit taakveld.

Het uitgangspunt van de bodem kerntaken is dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en het gebruik van de bodem ligt bij de gebruiker, waaronder ook de in de bodem uitvoerende of op de bodem toepassende partij wordt verstaan, evenals de eigenaar. Dit kan een burger of bedrijf zijn, maar is in veel gevallen ook een overheid.

De OD NZKG voert in opdracht van gemeenten en provincie diverse wettelijke kerntaken uit op het gebied van bodem. Dit betreft in hoofdlijnen de volgende primaire basistaken:

•Wet bodembescherming (Wbb): vergunning- en toezicht (VT)-taken met betrekking tot (oude) bodemsaneringen en handelingen in of met verontreinigde bodem;

•Besluit bodemkwaliteit (Bbk): vergunning- en toezicht (VT)-taken met betrekking tot het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen, die de bodemkwaliteit kunnen beïnvloeden;

•Wet milieubeheer (Wm): vergunning- en toezicht (VT)-taken met betrekking tot de bodemkwaliteit gerelateerd aan een inrichting (o.a. nieuwe gevallen bodemsanering);

•Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi): toezichttaken met betrekking tot (verontreinigde) lozingen buiten inrichtingen, bijvoorbeeld in combinatie met bodemsaneringsmaatregelen.

Het betreft hier voornamelijk taken die een gevolg zijn van bij het bevoegde gezag gedane meldingen. De OD NZKG handelt zaken voor de bevoegde gezagen af zoals regulering (registratie, beoordeling, beschikking) en toezicht (administratieve- en veldcontrole).

Als gevolg van een tekortkoming of gebrek kunnen overtredingen van genoemde regelgeving aan de orde zijn. Als gevolg hiervan kan bestuurlijke en/of strafrechtelijke handhaving (H-taken) aan de orde zijn , en eventueel hierop volgend bezwaar en beroep. Deze taken zijn formeel geen onderdeel van het landelijk gedefinieerde basistakenpakket, maar aan de oorspronkelijke kerntaken te relateren taken (onderdeel van het randvoorwaardelijk pakket). Doel van het bodemtoezicht is het toezien op bescherming van de leefomgeving voor wat betreft bodem, meer specifiek ten aanzien van bodemverontreiniging. Concreet betekent dit dat moet worden toegezien of de uitvoering van bodemwerkzaamheden plaatsvindt binnen de kaders van wet- en regelgeving voor bodembescherming, waaronder de standaardvereisten aan Bus-saneringen of conform de door het bevoegd gezag opgestelde beschikking op een saneringsplan, dan wel de aanwijsbeschikking bij nieuwe gevallen van bodemverontreiniging.

Een deel van de werkzaamheden vindt juist niet plaats op basis van aanvragen of meldingen. Periodieke of gerichte projectmatige surveillances worden ingezet om juist werken te onderzoeken die niet vooraf aan het bevoegd gezag zijn gemeld. Daarmee is er ook geen koppeling aan een product mogelijk. Surveillance is een aanvullende taak welke op regiebasis plaatsvindt.

Voor bodem is ook van belang dat stromen van grond of specifieke bouwstoffen (Besluit bodemkwaliteit) of bouwafvalstoffen (bijvoorbeeld asbest) worden gevolgd in de productieketen of tussen geografische gebieden. Dit vindt vaak plaats in de vorm van projecten en analyses Informatie Gestuurde Handhaving. Deze werkzaamheden vinden op regiebasis plaats.

Voor het bodemwerkveld is een goede informatiepositie van essentieel belang omdat handelingen op vooraf onbekende locaties plaatsvinden dan wel dat verontreinigd materiaal getransporteerd wordt naar een vooraf onbekende bestemming. Risico en Informatie Gestuurd Werken op basis van analyses van beschikbare (externe) databronnen is daarom binnen het Bodemwerkveld een constant product om een goed naleefgedrag te bevorderen. Dit maakt deel uit van het randvoorwaardelijk pakket.

Daarnaast voert de OD NZKG diverse overige bodem-gerelateerde taken uit, die niet tot de kerntaken of het randvoorwaardelijk pakket behoren. Dit kan gaan over specifieke ondersteunende taken aparte afspraken worden gemaakt, zoals:

•Zaakgebonden advies (o.a. bodemtoets bij bouwaanvragen);

•Uitvoeren van (historisch) onderzoek bij gemeentelijke opdrachten;

•Verstrekken van beschikbare bodeminformatie aan derden (o.a. makelaarsinfo);

•Activiteiten in het kader van de bodemkwaliteitskaart (ontwikkeling, beheer en onderhoud);

•Advies uitvoeringsbeleid;

•Specifieke thematische bodemprojecten (keteninspecties; steekproef-bemonstering).

Risico-analyse bodem

Het beginpunt van de categorisering van de output producten bodem zijn de soorten werkzaamheden waaraan de wettelijke bodemtaken gerelateerd zijn. Hierbij is gebruik gemaakt van verwachte milieugevolgen die bij dergelijke werkzaamheden zouden kunnen optreden. Dit heeft geleid tot een indeling van Categorie A (aanzienlijk) t/m E (gering), in afnemende volgorde.

Aan de categorieën zijn de volgende soorten werkzaamheden toegekend:

Categorie

Milieurisico

Soort werk

Categorie A

Aanzienlijk

* Grote/complexe saneringen

* Illegale sanering

* Illegale toepassing

* Verzoek om handhaving

* Bevels-beschikking

Categorie B

Hoog

* Reguliere saneringen

* Nieuw geval van bodemverontreiniging

* Wijziging sanering

* Nazorg saneringslocaties

* Gesloten stortplaatsen

Categorie C

Gemiddeld

* BUS-mobiel (BUS=Besluit uniforme sanering)

* BUS-immobiel

* Wijziging BUS

* Tanksanering

* Handeling niet ernstig verontreinigde grond

* Grootschalige bodemtoepassing

* Sanering binnen inrichting/nul-situatieherstel (Wm)

* Tijdelijke maatregel/voorziening

Categorie D

Beperkt

* BUS-tijdelijke uitplaatsing

* Meldingsplichtige toepassing (vormgegeven en niet vormgegeven bouwstof)

* Toepassing gebied specifiek beleid

* Nazorg GBT

* Toepassing verontreinigde grond (klasse Industrie/Wonen)

* Toepassing bagger (klasse A/B)

* Opslag tijdelijke depots (buiten inrichting)

* Opslag grondbanken (binnen inrichting)

Categorie E

Gering

* 10 m3/Kleinschalig-grondverzet-regeling

* Toepassing schone grond (primair en secundair)

* Lozing buiten inrichting

* Niet meldingsplichtige toepassing (vormgegeven en niet vormgegeven bouwstof)

In de praktijk blijkt een aanzienlijk andere aanpak en inspanning tussen bodemsaneringen (Wbb/Wm) en bodemtoepassingen/lozingen (Bbk/Blbi). Dientengevolge is een onderscheid in uitvoeringsniveaus oftewel subcategoriseren gerechtvaardigd (voor Wbb/Wm en voor Bbk/Blbi).

Onze functionele bodemwerkzaamheden onderscheiden zich in regulering (voornamelijk registreren, beoordelen, beschikken) en toezicht (administratief en in het veld). Voor deze verschillende handelingen is per (sub)categorie aangegeven welk niveau van inspanning noodzakelijk is om aan een adequaat niveau te kunnen voldoen. Deels wordt dit bepaald door de wettelijke taak, bijvoorbeeld de verplichting tot registratie of beschikking, deels wordt dit gewogen naar de milieugevolgen.

De volgende onderscheidende uitvoeringsniveaus zijn gebruikt:

•4 = volledig en alle aspecten behandelen;

•3 = kritische/representatieve aspecten behandelen;

•2 = risico gestuurd op de uitgangspunten behandelen;

•1 = risico gestuurd handelen op basis van plausibiliteit;

•0 = niet of vrijwel niet behandelen.

Voor het veldtoezicht is dit nader vertaald naar een indicatief bezoekpercentage:

•4 = 100-90% van de gevallen worden bezocht;

•3 = 90-60% van de gevallen worden bezocht;

•2 = 60-40% van de gevallen worden bezocht;

•1 = 40-10% van de gevallen worden bezocht;

•0 = 10-0% van de gevallen worden bezocht.

Per subcategorie is voor de verschillende handelingen een inschatting gemaakt van het benodigde uitvoeringsniveau uitgedrukt in uren. Voor iedere subcategorie leidt dit hiermee tot een profiel van adequaat niveau oftewel een globale beschrijving wat minimaal gedaan moet worden om tot een adequaat inzetniveau te komen.

Het totaal van de in te zetten ‘gemiddelde’ uren en het aantal gevallen per opdrachtgever bepaalt uiteindelijk de benodigde inzet (gewogen kengetal) per categorie voor de vergunnings- en toezichtstaken samen.

Het aantal gevallen per jaar binnen het gebied van de opdrachtgever betreft een inschatting op basis van eerdere ervaringen en onderbouwde verwachtingen. Gezamenlijk leidt dit met de randvoorwaardelijke inzet (= factor maal de kerninzet) tot het totaal aantal uren adequate inzet. Worden de specifieke (thematische) opdrachten op het gebied van bodem toegevoegd, dan leidt dit tot het geraamde totaal aantal in te zetten uren op het gebied van bodemprojecten (fte’s). De feitelijke inzet wordt uiteindelijk bepaald door het feitelijke aanbod aan projecten op ieder moment en het dan geldende uitvoeringsprogramma en de daarin gestelde prioriteiten en beleidsvoorkeuren.

Risicomatrix bodemtoezicht

De uitvoering bij het bodemtoezicht wordt geprioriteerd volgens de onderstaande risicomatrix. In deze tabel is een onderscheid gemaakt op vier niveaus. De taken die in de hoogste prioriteit (vier) vallen worden te allen tijde uitgevoerd. De taken op prioriteitsniveau drie altijd, tenzij er op dat moment geen capaciteit beschikbaar is. Taken op prioriteitsniveau twee en één worden binnen projecten dan wel als er meermalen overtredingen op een specifiek onderdeel worden geconstateerd uitgevoerd.

Handhavingsthema

Doelgroep

Prioriteit

Illegale sanering

Opdrachtgever/Aannemer/Transporteur

prioriteit 4

Asbest / illegale sloop

Opdrachtgever/Aannemer/Transporteur

prioriteit 4

Toepassen IBC

Opdrachtgever/Aannemer/leverancier

prioriteit 4

Calamiteiten

Veroorzaker/Opdrachtgever/Aannemer/MKB

prioriteit 4

Klachten

Veroorzaker

prioriteit 4

Reguliere sanering

Opdrachtgever/Aannemer/MKB/Adviesbureau

prioriteit 3

Grote/complexe sanering

Opdrachtgever/Aannemer/MKB/Adviesbureau

prioriteit 3

Tijdelijke beveiligingsmaatregelen

Eigenaar/Opdrachtgever/Aannemer

prioriteit 3

Ketentoezicht / integrale controle

Divers

prioriteit 3

Bodemonderzoeken / partijkeuringen

Adviesbureau

prioriteit 3

Officieel verzoek om handhaving

Divers

prioriteit 3

Bus immobiel

Opdrachtgever/Aannemer/MKB/Adviesbureau

prioriteit 2

Bus tijdelijke uitname < 25 m3

Opdrachtgever/Aannemer/Adviesbureau

prioriteit 2

Bus tijdelijke uitname > 25 m3

Opdrachtgever/Aannemer/MKB/Adviesbureau

prioriteit 2

Artikel 28 Wbb

Opdrachtgever/Aannemer

prioriteit 2

Opslag in tijdelijke depots

Opdrachtgever/Aannemer

prioriteit 2

Toepassen niet vormgegeven bouwstoffen

Opdrachtgever/Aannemer/leverancier

prioriteit 2

Toepassen niet schone grond

Opdrachtgever/Aannemer/leverancier

prioriteit 2

Bus mobiel

Opdrachtgever/Aannemer/MKB/Adviesbureau

prioriteit 1

Zorgplicht

Opdrachtgever/Eigenaar/Gebruiker

prioriteit 1

Bedrijfsterreinen waar geen onderzoek is uitgevoerd

prioriteit 1

Locaties met bevelsbeschikking

Eigenaar/Opdrachtgever/Aannemer

prioriteit 1

10m3 regeling

Opdrachtgever/Aannemer

prioriteit 1

Opslag bij grondbanken

Grondbank

prioriteit 1

Toepassen vormgegeven bouwstoffen

Opdrachtgever/Aannemer/leverancier

prioriteit 1

Toepassen schone grond (primair zand)

Opdrachtgever/Aannemer/leverancier

prioriteit 1

Toepassen schone grond (niet primair zand)

Opdrachtgever/Aannemer/leverancier

prioriteit 1

Toepassen grond in grootschalige projecten

Opdrachtgever/Aannemer/leverancier

prioriteit 1

Lozingen

Opdrachtgever/Aannemer

prioriteit 1

Monitoring

Eigenaar/Opdrachtgever/Adviesbureau

prioriteit 1

Nazorg

Eigenaar/Opdrachtgever/Adviesbureau

prioriteit 1

Grondtransporten

Transporteur

prioriteit 1

Algemene wijkcontrole

Divers

prioriteit 1

Outputproducten Bodem

De onderstaande output producten met bijbehorende kengetallen zijn voor Bodem van toepassing:

Grote en complexe saneringen zijn per definitie naar aard en omvang verschillend. Gegeven de grote afwijkingen is gekozen voor het afrekenen op regiebasis. Daarnaast zijn in de kengetallen niet meegenomen:

•De uren voor eventueel uit de constatering van overtredingen voortvloeiende bestuursrechtelijke of

•strafrechtelijke handhaving;

•De uren en kosten van verweer in het kader van bezwaar en beroep of van hoorzittingen, welke zijn opgenomen in het randvoorwaardelijk pakket.

Regieproducten Bodem

De onderstaande regie producten worden voor Bodem gerealiseerd:

III. Werkveld Milieu/Brzo

Uitgangspunten

Met deze methodiek wordt één gezamenlijke uitvoeringskwaliteit voor de VTH-milieutaken voor de reguliere bedrijven in het hele Noordzeekanaalgebied vastgesteld. Hiermee wordt onder andere invulling gegeven aan het ‘level playing field’.

In de wet- en regelgeving wordt er een onderscheid gemaakt in grootte en complexiteit van bedrijven door de gedifferentieerde toepassing van VTH-instrumenten en door de wettelijke verplichtingen die (rechtstreeks) gelden. De aanpak die in dit hoofdstuk wordt beschreven valt uiteen in twee delen. In deel A de aanpak voor de “reguliere” bedrijven, die vallen onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit of een andere Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB). De bedrijven die vallen onder het Besluit risico zware ongevallen (Brzo 2015) of hoofdstuk 4 van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE4, chemische industrie) worden in deel B behandeld. Voor Brzo- en RIE4-bedrijven geldt een zwaarder regime, gebaseerd op landelijke regelgeving en aanpak, hogere kengetallen en met toepassing van een per bedrijf opgesteld ‘basisbeeld’ (Risico en Informatie Gestuurd Werken).

Om in de uitvoeringspraktijk aan te sluiten bij de aanpak van risico gestuurd werken is de oplopende schaal van bedrijven gebaseerd op een afnemend milieurisico voor milieu én Brzo. De OD NZKG kiest voor alle bedrijven, een ketenaanpak, waarbij werkzaamheden op het terrein van regulering, toezicht en handhaving zijn samengevoegd. Op deze manier wordt voor de gehele keten de basis gelegd voor risico- en informatie gestuurd werken.

A.Uniform Uitvoeringsniveau Milieu

Eén gezamenlijk uitvoeringskwaliteit VTH Milieu: indeling in 5 categorieën (RIE Overig; C; B1; B2; A)

De OD NZKG kiest voor een ketenaanpak, waarbij werkzaamheden op het terrein van regulering, toezicht en handhaving zijn samengevoegd. De aanpak in de keten is een combinatie van de wijze waarop de prioriteiten en inzet worden bepaald van zowel regeling als toezicht en handhaving.

De wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd is gebaseerd op de landelijke Kwaliteitscriteria 2.1, die zijn vastgelegd in de gemeentelijke en provinciale Verordeningen “kwaliteit Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht”, gangbare en beproefde methodieken, landelijke wetgeving c.q. richtlijnen en de opgedane ervaring van de OD NZKG van de afgelopen jaren. Met deze methodiek worden risico’s in het Noordzeekanaalgebied ten aanzien van de veiligheid en omgevingskwaliteit adequaat geborgd. Dit is het OD NZKG niveau dat beoogd werd bij de doelstelling om tot omgevingsdiensten te komen.

Het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en veiligheid op het terrein van milieu ligt bij de exploitant, eigenaar of initiatiefnemer van de betrokken milieuactiviteiten. Het gewenste maatschappelijk effect is behoud of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving. Het hoofddoel daarbij is bewerkstelligen dat inrichtingen op een veilige, gezonde, duurzame en leefbare wijze worden geëxploiteerd en de potentiële overlast van inrichtingen hierop wordt verminderd. Het resultaat moet zijn dat inrichtingen conform de vereisten in de milieuwet en -regelgeving worden geëxploiteerd. Exploitanten nemen verantwoordelijkheid voor een zorgvuldige bedrijfsvoering. OD NZKG verleent in dat kader vergunningen en voert toezicht en handhaving uit.

Voor de inzet van de regulering is het onderscheid dat de wet maakt in grootte en complexiteit van bedrijven door de wettelijke verplichtingen die (rechtstreeks) gelden. Allereerst zijn er de type A-inrichtingen, waarop de algemene regels uit het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing zijn. Dit type bedrijven is niet-meldingsplichtig en moet voldoen aan het Activiteitenbesluit. Bij de meldingsplichtige bedrijven, de zogenoemde type B-inrichtingen, zijn de algemene regels uit het Activiteitenbesluit ook van toepassing. Een aanvullende verplichting is dat een bedrijf ook een melding moet indienen bij het bevoegd gezag met bepaalde milieu-gegevens. De derde type bedrijven zijn de zogenoemde type C-inrichtingen. Voor deze bedrijven geldt een vergunningplicht, waarbij er aanvullende milieuvoorschriften worden gesteld in een omgevingsvergunning. Ook voor deze bedrijven zijn bepaalde algemene regels uit het Activiteitenbesluit rechtstreeks werkend.

Overige Rie-bedrijven en Brzo- en RIE4-bedrijven zijn ook type C-inrichtingen, maar met een andere aanpak. Op deze bedrijven zijn aanvullende (Europese) en strengere wet- en regelgeving van toepassing. Hierdoor is de VTH-inzet bij deze bedrijven hoger (zie deel B). Wel worden de RIE-overig bedrijven (T&H Milieu en Leefomgeving) ook meegenomen in de brancheaanpak (zie hierna).

Op basis van deze methodiek zijn de bedrijfstakken beoordeeld op de thema’s: externe veiligheid, brandveiligheid, energiebesparing, afval, afvalwater, lucht, geur, geluid/licht en bodembescherming. Alle bedrijven in een bedrijfstak zijn ongeacht grootte, ligging of naleefgedrag ingedeeld in uitvoeringsniveaus. De risicovolle branches hebben het hoogste uitvoeringsniveau (niveau 4); de gemiddeld risicovolle branches hebben twee uitvoeringsniveaus (niveau 3 en 2) en de laag risicovolle branches hebben het laagste uitvoeringsniveau (niveau 1). Daarnaast zijn voor de vergunningtaken de Wabo-types C (milieuvergunningplichtig), B (meldingsplichtig en A (niet-meldingsplichtig) relevant.

In de uiteindelijke onderverdeling die is gebruikt voor de begroting en de kengetallen is deze aanpak gecombineerd. De onderverdeling C-B-A is voor categorie type B nog verder verfijnd, tussen B2 (bedrijven in uitvoeringsniveaus 4 en 3 waarbij er zwaardere milieurisico’s zijn) en B1 (bedrijven in uitvoeringsniveaus 2 en 1 met lichtere milieurisico’s).

De eerste stap is dat bepaald wordt welke van de bovenbeschreven thema’s het risico bepalen (en hoe zwaar deze wegen). Vervolgens wordt voor elke betrokken taak of product (een vergunning, melding, etc.) het werkniveau/de intensiteit bepaald en vindt een risicoafweging plaats. Uiteindelijk wordt bij potentieel zwaardere, de omgeving belastende activiteiten meer inzet gepleegd dan bij eenvoudiger, minder belastende activiteiten op een voor het hele uitvoeringsgebied van de OD NZKG gelijke wijze.

Regulering: prioritering en indeling werkzaamheden

De werkzaamheden bij Vergunningverlening Milieu bestaan uit:

•Behandelen van vraaggestuurde aanvragen (vooroverleg, vergunningen, opstellen van maatwerkvoorschriften en toetsen van meldingen);

•Implementatie van de systematiek programmatisch actualiseren, waaronder het toetsen van de actualiteit van vergunningen en eventuele actualisatie van vergunningen van een deel van het bedrijvenbestand.

De inzet bij regulering wordt in eerste instantie bepaald door de ingediende aanvragen en meldingen door bedrijven. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een type C-inrichting kost substantieel meer tijd dan het afhandelen van een melding doordat een vergunning maatwerk voor meerdere milieu-aspecten vraagt. Bij de type A- en B-inrichtingen kunnen in beperkte mate eveneens maatwerkvoorschriften opgesteld worden. Daarnaast kunnen op verzoek (van het bedrijf of derden) of ambtshalve vergunningen aangepast worden. Binnen de vraaggestuurde aanvragen hebben de procedures met wettelijke termijnen voorrang op de procedures met servicetermijnen. Na vraaggestuurd werk, hebben achtereenvolgens prioriteit: de implementatie van nieuwe wet- en regelgeving in vergunningen, afspraken met de opdrachtgevers, reguliere actualisaties en revisies.

Ook bestaat er een wettelijke plicht voor het bevoegd gezag om periodiek de vergunningssituatie te bezien op actualiteit op wet- en regelgeving. Afhankelijk van wettelijke implementatietermijnen van nieuwe wet- en regelgeving, een risico-analyse en prioritering kunnen omgevingsvergunningen aangepast worden. Dit wordt ook wel het programmatisch actualiseren van het vergunningenbestand genoemd. In de VTH-strategie wordt dit nader uitgewerkt.

Toezicht & Handhaving: prioritering van de inzet

De bedrijven uit het bedrijvenbestand van de OD NZKG zijn op basis van de Standaard Bedrijfsindeling (SBI-codes) van de Kamer van Koophandel beoordeeld op milieu- en veiligheidsrisico’s. De 8 milieuthema’s zijn: afval, afvalwater, bodem, duurzaamheid, externe veiligheid, geluid, geur en lucht. Ook wordt er rekening gehouden met brandveiligheid.

Deze branches zijn per SBI-codes gewaardeerd via de onderstaande scorelijst op de 9 genoemde thema’s en gerangschikt naar risicoprofiel. Op basis van de in het tabel weergegeven puntenscore van 0 t/m 5 wordt getoetst in hoeverre een milieuonderwerp bij een branche van toepassing is:

Score

Toepassing bij milieudoelen

0

Niet van toepassing

1

Gering

2

Enige

3

Gemiddeld

4

Groot

5

Zeer groot

Op basis van de scores zijn de bedrijven ingedeeld naar risiconiveaus van 1 t/m 4 en RIE, waarbij RIE en 4 een hoog risico betreft en 1 een verwaarloosbaar risico.

Het naleefgedrag en de bedrijfsgrootte spelen bij de bepaling van het uitvoeringsniveau (RIE, C, B2, B1 en A) en milieuzwaarte (RIE-overig, 4, 3, 2 en 1) geen rol. Bij de programmering van welke bedrijfstakken projectmatig worden aangepakt of welke thema’s specifiek gecontroleerd worden, wordt het naleefgedrag wel meegewogen. Een dergelijke afweging kan bijvoorbeeld worden gedaan na een risicoanalyse in het kader van een VTH-Uitvoeringsprogramma. Op basis hiervan zullen in de praktijk dus met meer aspecten dan alleen het uitvoeringsniveau controles worden gepland.

Planning toezicht in de praktijk: de branche-aanpak

Vervolgens zijn de ca. 16.000 bedrijven in het Noordzeekanaalgebied ingedeeld in 20 branches (c.q. bedrijfstakken/bedrijfssegmenten). Alleen de ca. 450 bedrijven die onder de parapluvergunning van Schiphol vallen zijn apart gezet. Hiervoor is een aparte aanpak, het zogenaamde systeemtoezicht. De bedrijven zijn geclusterd aan de hand van type bedrijfsactiviteiten. Door bedrijven die hetzelfde type toezicht en handhaving vereisen te clusteren, is er een eenduidige lijn aangebracht in het werk. De risicobenadering en prioriteitstelling speelt een grote rol binnen de branche aanpak. Wanneer alle bedrijven ingedeeld zijn in branches kunnen (mogelijke) risico’s binnen bepaalde branches duidelijk in kaart worden gebracht. Op basis daarvan kan er een betere prioritering plaatsvinden van de bedrijven en controles. Uit de controles zal blijken welke bedrijven (additionele) grote risico’s met zich mee brengen en/of veelplegers zijn. In de risicobenadering en prioriteitstelling behoeven bedrijven met minder klachten en een goed naleefpatroon minder aandacht. Daarbij versterkt dit het level playing field en rechtsgelijkheid doordat ze op deze manier zo gelijk mogelijk behandeld worden en daarmee dezelfde kansen krijgen. De bedrijven binnen een branche worden zo op een uniforme manier benaderd en beoordeeld.

In onderstaande tabel staan de 20 branches en hun belangrijkste milieu-thema’s

Branches

Inzet op milieuthema's/ extra aandacht voor risico's op:

Automotive

Bodem, externe veiligheid en PGS.

Voedingsindustrie

Geur en geluid. Controle op duurzaamheidsaspecten.

Agrarische sector

Bodem, opslag gevaarlijke stoffen en meldingen.

Bouw & Hout en Stoffen & Interieur

Afval(water), bodem, luchtemissies, gevaarlijke stoffen en veiligheid.

Chemie

Bewerking en opslag kunststof materialen en gevaarlijke stoffen, verpakt gevaarlijke stoffen en stookinstallaties.

Installaties

Opslag gevaarlijke stoffen in gasflessen (PGS-15) en tanks. Dermate divers: per SBI-code een aanpak en prioritering.

Metalektro

Externe veiligheid (opslag van gasflessen en gevaarlijke stoffen).

RBML*

Op basis van klachten en meldingen.

Scheepvaart en Havens

Afval, oppervlaktewater, geluidoverlast, bodem, PGS en veiligheid.

Verf, Drukkerijen, Chemische Wasserijen

Externe veiligheid (opslag van gasflessen en gevaarlijke stoffen). Ook energie, afval en lozingen extra aandacht.

Vuurwerk, explosieve & schietbanen

Opslag gevaarlijke stoffen.

Afval

Groot ingezet op afval, geur en bodem.

Beton

Externe veiligheid (opslag gevaarlijke stoffen) en bodem.

Gebouwen

Duurzaamheid (energiebesparende maatregelen).

Groot- en Detailhandel

Duurzaamheid (energiebesparende maatregelen).

Horeca, Sport en Recreatie

Duurzaamheid (energiebesparende maatregelen).

Zorg

Veel aandacht voor duurzaamheid.

Tankstations

Externe veiligheid (opslag van brandstoffen).

Crossmotoren*

Geluid, stof en bodem. Op basis van klachten en meldingen.

Overig

Duurzaamheid (energiebesparende maatregelen).

*Regelgeving Burgerluchthavens en Militaire Luchthavens: Doel van de meldingen is om de controleren of bedrijven voldoen aan de voor hen geldende voorschriften van het Luchtvaartbesluit. Dat er niet meer vliegbewegingen plaatsvinden dan het besluit toelaat.

*Crossmotoren: Het doel is om alle motorcross evenementen in kaart te hebben en daar waar nodig toezicht te houden. De special is dermate klein dat er geen speciale monitoring nodig is.

Risico-gestuurde aanpak van de branches

Uitgangspunt voor de te plannen controles binnen elke branche is de volgende frequentie:

•RIE-overig en 4: jaarlijks;

•3: 1x per 2 à 3 jaar;

•2: 1x per 5 jaar;

•1: 1x per 10 jaar of alleen op basis van klachten.

Hiervan kan binnen elke branche worden afgeweken (hogere of lagere frequentie) als gevolg van:

1Het zwaarder wegen van een of meer milieuthema’s binnen een branche (zie bovenstaande tabel);

2Naleefgedrag;

3Lokale en landelijke (beleids)ontwikkelingen en prioriteiten (zie ook omgevingsanalyse VTH-strategie).

Voorbeeld hiervan is de branche Gebouwen met de laagste milieurisicoklasse (1: 1x per 10 jaar of alleen op basis van klachten). Hierbij weegt de energiebesparingsopgave zwaar bij een groot aantal bedrijven, zodat bij deze bedrijven de frequentie verhoogd wordt naar 1x per 5 jaar. Een ander voorbeeld is de SBI-code Garages (branche Automotive), standaard 1x per 3 jaar, waarbij op basis van naleefgedrag de frequentie wordt verhoogd naar 1x per jaar( slecht naleefgedrag, vaak relatief jonge bedrijven) of verlaagd naar 1x per 5 jaar (goed naleefgedrag, veelal langer bestaande bedrijven).

Bovenstaande resulteert per branche in een aantal controles per risicogroep (1, 2, 3, 4 en RIE-overig), uitvoeringsniveau (RIE, C, B2, B1 en A) en per opdrachtgever. Alle geplande controles worden integraal uitgevoerd. Controles naar aanleiding van klachten/meldingen (ongewone voorvallen) zijn veelal (mono-) thematisch.

In het jaarlijks op te stellen VTHUP- programma per opdrachtgever zal bovenstaande een plek vinden, dat wil zeggen aantal bedrijven en aantal controles per risiconiveau en/of uitvoeringsniveau en per opdrachtgevers en/of per branche.

Schiphol

Regulering, toezicht en handhaving van bedrijven op Schiphol, vallende onder de parapluvergunning van Schiphol Nederland BV, is een regieproduct dat voor wat betreft toezicht en handhaving afwijkt van de brancheaanpak. Hier wordt systeemtoezicht uitgevoerd, tweedelijns toezicht op de eigen toezichthouders van Schiphol zelf.

Intensieve handhaving

Intensieve handhaving is als regieproduct opgenomen. Daar waar er grotere of complexere handhavingszaken noodzakelijk zijn om naleving af te dwingen is het niet mogelijk om kengetallen toe te passen en lichte en zware zaken uit te middelen. Meestal betreft dit Risico- en Aandachtdossiers. De bevoegdheid om een bedrijf onder verscherpt toezicht te stellen valt binnen mandaat van de OD van VTH-taken. De opdrachtgever wordt hierover wel geïnformeerd. Hierbij is sprake van een aanpak in maatwerk per dossier, dit zijn meestal situaties waarbij de opdrachtgever actief bij de aanpak van de handhavingszaak betrokken wordt. Een overzicht van de overige regieproducten wordt weergegeven aan het eind van deel B.

B.Uniform Uitvoeringsniveau Brzo

Uitgangspunten

Bij bedrijven die onder het Besluit risico´s zware ongevallen 2015 (Brzo) en/of de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) met een hoger risicoprofiel vallen, zijn de milieurisico’s potentieel groter. Per 1 januari 2016 vallen alle Brzo- en RIE4-bedrijven (categorie 4 uit het RIE; kortweg de chemische procesindustrie) onder provinciaal bevoegd gezag. Voor Brzo- en RIE4-bedrijven geldt een zwaarder regime, gebaseerd op landelijke regelgeving en aanpak, hogere kengetallen en met toepassing van een per bedrijf opgesteld ‘basisbeeld’ (Risico en Informatie Gestuurd Werken). Dit zwaardere regime geldt op maat ook voor enkele zwaardere, vooral industriële bedrijven die onder andere hoofdstukken van de RIE vallen (RIE overig).

Basisbeeld analyse

Methodiek

De betrokken industriële inrichtingen zijn dermate uniek dat er gekozen wordt voor een bedrijfsgerichte benadering. Het basisbeeld is een analysemethode die ontwikkeld is om de beschikbare mensen en middelen in de VTH-keten op de kwalitatief juiste plaats in te zetten. Een toezichthoudende instantie kan immers niet altijd overal aanwezig zijn om toezicht te houden. Dit is ook niet noodzakelijk: wanneer er goed zicht is op welke risico’s bij de bedrijven spelen en de omvang hiervan, kan de inzet van het toezicht hierop worden afgestemd. Als handhavende instantie is het zaak zicht te hebben op alle bedrijven en thema’s, zodat de OD NZKG dáár kan staan waar en wanneer het nodig is.

Met het basisbeeld wordt door ervaren analisten inzicht verkregen in de kennis over de inrichtingen en hun naleefgedrag. Door middel van interviews en analyse wordt duidelijk op welke aspecten wel of geen beeld van het toezicht of regulering op de bedrijven bestaat en hoe het (naleef)gedrag op zowel milieuthema’s als houdingsaspecten is. Uiteindelijk kan hiermee op basis van informatie gestuurd worden, in alle gebieden van de Big Eight of het programmatisch vergunning verlenen en handhaven, op de inzet van toezichthouders in het totale bedrijvenpakket. Die sturing kan op bedrijfsniveau, afdelingsniveau en directieniveau plaatsvinden. De beschikbare capaciteit kan risico gestuurd worden verdeeld, waardoor doelmatigheid van de controles toeneemt. Ook kan hiermee aan opdrachtgevers verantwoording worden afgelegd over de gemaakte keuzes. Dit geeft bij politiek gevoelige onderwerpen, zoals momenteel Brzo-bedrijven, de benodigde stevigheid. Ook geeft het een kleinere kans op zwakke bedrijven met een groot veiligheidsrisico waarover weinig bekend is.

Methode veilig kritisch interviewen

Voor het verzamelen van de benodigde informatie wordt door de analist per inrichting een interview afgenomen met de toezichthouder en vergunningverlener van het bedrijf en eventueel een milieuspecialist. Hiermee kan een compleet beeld worden gevormd van de kennis die bij de organisatie aanwezig is over de bedrijven.

Milieuthema’s

De milieuthema’s in het basisbeeld zijn bepaald door het VTH-Uitvoeringsplan. De thema’s zijn onder andere afval, (externe) veiligheid, bodem. Relevante vragen in het interview zijn:

•Is het thema ter zake bij dit bedrijf?

•Is er (voldoende) beeld op dit thema om iets te kunnen zeggen over het naleefgedrag?

•Zo ja, hoe is het naleefgedrag op deze aspecten?

Houdingsaspecten

Houdingsaspecten zijn belangrijk voor de aanpak van een bedrijf. Het gaat hier bijvoorbeeld om bejegening van de toezichthouder, de positie van milieu in de bedrijfsvoering en opvolging van aanschrijvingen. De commissie Mans onderkende al een verschil tussen de welwillende, calculerende en criminele ondernemers. Houdingsaspecten hebben ook in de nieuwe afweging bestuurs- en strafrecht van het OM een positie. Op basis van houdingsaspecten kan gekozen worden voor een bepaalde benadering van een bedrijf en gekeken of hierbij ondersteuning nodig is voor de toezichthouder.

Resultaat analyse

Het resultaat van het basisbeeld is tweeledig. Op bedrijfsniveau is per inrichting te zien of er voldoende kennis van de milieu- of houdingsaspecten is en wat het naleefgedrag van het bedrijf op deze punten is. Hierdoor kan door de toezichthouder een keuze gemaakt worden voor de komende periode op welke aspecten ingezet wordt tijdens controles.

Op themaniveau is te zien op welke thema’s over het gehele bedrijvenpakket te weinig zicht is of slecht nageleefd wordt. Hier wordt bovendien duidelijk of de risico’s bij de bedrijven voldoende door het toezicht kunnen worden gemonitord en kan het management sturen door de toezichtlast te verdelen op de thema’s waar dit het hardst nodig is.

Uitvoering van het resultaat

Nu het basisbeeld een vast onderdeel uitmaakt van de planningscyclus kunnen efficiënte en gefundeerde keuzes worden gemaakt en duidelijk verantwoording worden afgelegd naar opdrachtgevers.

Brzo-inspecties

Voor de uitvoering van de Brzo-inspecties gelden de volgende uitgangspunten. Het plan is gebaseerd op een aanpak op maat:

•Uitvoering volgens de landelijke afspraken en aanpak: deze één- of meerdaagse inspecties worden uitgevoerd door teams waarin ook de betrokken Veiligheidsregio, Inspectie SZW en soms de waterkwaliteitsbeheerder zijn vertegenwoordigd.

•In de uitvoering scherper differentiëren tussen goed en slecht presterende bedrijven: dit wordt bepaald aan de hand van de landelijke Brzo-ranking die jaarlijks wordt opgesteld voor alle Brzo-bedrijven in Nederland. Dit leidt tot een scherpere aanpak van bedrijven die niet goed scoren op naleefgedrag, risico’s van de activiteiten voor de omgeving, veiligheidsprestatie, procesveiligheid en veiligheidscultuur;

•Voor de planning van de Brzo-inspecties wordt gebruik gemaakt van het landelijke Brzo Toezichtmodel (TM) en de landelijke Ranking Brzo-bedrijven. Voor de meeste bedrijven houdt dat een jaarlijkse inspectie in;

•Uitvoeren van toezicht vanuit drie invalshoeken: toezicht op de systemen van bedrijven (zoals veiligheidsbeheerssystemen), fysieke controle (onder andere inspectie van kritische veiligheidsvoorzieningen en controle van juistheid van bedrijfsinformatie) en toezicht op cultuur (houding en gedrag). Naast deze verbreding wordt ook vaak onaangekondigd of buiten werktijden geïnspecteerd.

•Handhaving voor de Wabo baseert de OD NZKG op de Landelijke Handhavingsstrategie Wabo van 4 juni 2014; handhaving over Brzo wordt ingezet aan de hand van de Landelijke Handhavingsstrategie Brzo 1999 van 14 januari 2013. Deze laatste strategie is inmiddels aangepast aan het nu geldende Brzo 2015.

Toezicht Wabo/omgevingsvergunning

Naast Brzo-inspecties worden er Wabo-controles (vooral milieu) bij Brzo-bedrijven en RIE-bedrijven uitgevoerd. Deze controles (fysiek en extern gestuurd toezicht) richten zich op de naleving van de omgevingsvergunning en de diverse aan de Wabo geïntegreerde wetten, zoals de Wet milieubeheer, en worden zoveel mogelijk afgestemd met andere controles uitgevoerd. Het aantal fysieke Wabo-controles per jaar is vastgesteld op basis van het Basisbeeld. Met het resultaat wordt per bedrijf bepaald welke jaarlijkse toezichtlast passend is (combinatie van risico, naleving en gedrag) of dat het bedrijf onvoldoende in beeld is en daar op extra geïnvesteerd moet worden.

Het extern gestuurd toezicht komt voort uit verplichtingen uit de milieuvergunning of direct uit wet- en regelgeving, zoals beoordeling van indiening van rapportages, en uit de opvolging van klachten en incidenten.

Intensieve handhaving en Basisbeeld (RIGW)

Voor de intensieve handhavingszaken is net als bij de reguliere milieu-inrichtingen gekozen om grotere en/of complexere zaken niet in de kengetallen op te nemen, maar aanvullend op regiebasis te contracteren. Meestal betreft dit Risico- en Aandachtdossiers. De bevoegdheid om een bedrijf onder verscherpt toezicht te stellen valt binnen mandaat van de OD van VTH-taken. De opdrachtgever wordt hierover wel geïnformeerd. Aanvullend worden ook nog werkzaamheden in landelijke Brzo-samenwerkingsverbanden opgenomen, zoals BRZO+. Daarnaast behoren de basisbeeldanalyses tot de standaardaanpak en daarmee tot het uniform uitvoeringsniveau, welke eveneens als regieproduct zijn opgenomen.

Outputproducten Milieu & Brzo

De onderstaande output producten met bijbehorende kengetallen zijn voor Milieu & Brzo van toepassing:

Regieproducten Milieu & Brzo

De onderstaande regie producten worden voor Milieu & Brzo gerealiseerd:

IV.Randvoorwaardelijk & Programma-overstijgend

Voor het randvoorwaardelijk en programma-overstijgende pakket zijn de onderstaande producten van toepassing. Een uitwerking van de producten wordt beschreven in de bijgevoegde productbladen.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.