Gemeentelijke regelgeving

Nota maaibeleid Zaanstad ‘Naar een natuurvriendelijker en biodivers maaibeheer’

Gemeente Zaanstad · geldt sinds 16 december 2021

Bijlage 1: Uitwerking van de streefbeelden

Gazon

Gazon is een vegetatie die vooral uit grassen bestaat. Doordat de vegetatie vooral uit grassen bestaat en kort gemaaid wordt, is het uitermate geschikt voor betreding. Daarmee heeft deze vegetatie een hoge gebruikswaarde.

Toepassing:

Zo heeft gazon veelal een gebruiksfunctie als sportveld, speelveld, hondenuitrenzone of als ligweide. Daarnaast worden grasvelden toegepast in gebieden met een hoge gebruiksdruk. Ondanks dat bepaalde terreinen geen specifieke functie hebben worden ze intensief gebruikt en is de verontreinigingsgraad hoog. Door de betreding van deze terreinen is het nodig ze intensief te maaien. Ook is het verwijderen van zwerfvuil op dit soort terreinen goed uit te voeren. Ook in stadsparken of in winkelcentra wordt het gras intensief gemaaid om een uitstraling te geven van een verzorgde omgeving.

Het beheer:

De lengte van het gras mag circa 9 cm bedragen (beeldkwaliteit C) alvorens het weer gemaaid wordt. Dat gebeurt jaarlijks tussen de 20 en 25 keer, afhankelijk van de weersomstandigheden. Rondom bomen en obstakels wordt het gras gemaaid als dit hoger is dan 21 cm. (beeldkwaliteit C). Het maaisel blijft achter op het grasveld en zorgt voor een voedselrijke bodem waar de grassen goed op groeien. Door het gras vaak te maaien zal het maaisel snel in de grasmat worden opgenomen. Uitstel van maaien is in dat opzicht ook niet wenselijk omdat het maaisel dan in dikke plakken op de grasmat blijft liggen en het onderliggende gras verstikt.

Waarde biodiversiteit:

De waarde van gazons voor de biodiversiteit is over het algemeen laag. Ze bieden een beetje ruimte voor de bloei van bijvoorbeeld madeliefjes, ereprijs en paardenbloemen.

Ruige berm

Dit vegetatietype ontwikkelt zich op voedselrijke gronden wanneer er weinig wordt gemaaid. De vegetatie wordt grotendeels gedomineerd door grassen en ruige plantensoorten.

Toepassing:

Een ruige berm is goed toepasbaar op het moment dat er geen andere functie aan het terrein wordt gegeven.

Beheer:

Een ruige berm wordt minimaal twee keer per jaar geklepeld. Dit gebeurt in de periode van 15 mei - 30 juni en in september. Verkeershoeken en randen in de ruige-bermvegetaties worden vier keer per jaar gemaaid, Bij het klepelen van de vegetatie wordt deze tot kleine delen versnipperd en materiaal kan daardoor op de locatie blijven liggen. Daarmee verrijkt het de bodem. Het is een zeer goedkope vorm van onderhoud van grasvelden. Keuze voor een ruige berm-vegetatief wordt gemaakt als er geen mogelijkheden worden gezien om de ondergrond te verschralen of op basis van een financiële afweging. Bij het klepelen van ruige berm-vegetaties wordt een maaihoogte van 10-12 cm aangehouden en dit biedt aanwezige fauna enige overlevingskansen.

Waarde biodiversiteit:

Klepelen is voor de biodiversiteit een slechte beheervariant. Doordat het maaisel blijft liggen, wordt de bodem steeds bemest en moet minimaal 2x gemaaid worden om de begroeiing kort genoeg te houden. Met name de grassen en de ruige plantensoorten zoals brandnetel, ridderzuring en riet profiteren hiervan. Er is geen ruimte voor andere soorten om zich in deze vegetatie te vestigen. Mocht dat wel gebeuren dan hebben deze plantensoorten niet de concurrentiekracht om zich blijvend te vestigen. De vegetatie is in het algemeen soortenarm.

Bloemrijke berm

Bloemrijke bermen zijn doorgaans te vinden op schrale niet voedselrijke gronden binnen Zaanstad. Bijvoorbeeld langs de Guisweg en in het gebied langs het Noordzeekanaal. Door de schrale ondergrond groeien grassen en brandnetels minder goed en is er ruimte in de vegetatie voor andere bloeiende planten.

Toepassing:

Dit grasveldtype is zeer soortenrijk en kan als stepping-stone worden gebruikt om de natuur de stad in te brengen. Voorwaarde is wel dat de ondergrond voldoende kan worden verschraald en dat het maaisel jaarlijks wordt afgevoerd. Dit vegetatietype is niet afhankelijk van een hoge grondwaterstand en is bijzonder geschikt langs doorgaande wegen. Voorwaarde is wel dat de betredingsgraad beperkt is.

Beheer:

De bloemrijke berm wordt 1 tot 2 keer per jaar gemaaid en het maaisel wordt afgevoerd. In smalle bermen langs drukke wegen gebeurt dit in één werkgang. Maaien wordt uitgevoerd na 1 oktober.

Waarde biodiversiteit:

Bloemrijke bermen hebben voor de biodiversiteit de meeste waarde . De begroeiing bestaat uit soorten die van nature in de berm thuishoren als gefaseerd wordt gemaaid, biedt en de vegetatie die in de winter blijft staan maximale overlevingskansen voor insecten. Een bloemrijke berm is bij uitstek geschikt om de natuur vanuit het landschap, via de doorgaande wegen, het stedelijk gebied in te brengen.

Vochtig schraal hooiland

Dit soort vegetaties bestaat uit soorten die vroeger algemeen voorkwamen, maar nu steeds meer beperkt zijn tot de natuurgebieden. Daarnaast komen er ook verschillende bijzondere plantensoorten in voor, zoals orchideeën. Het zijn vegetaties van natte niet al te voedselrijke omstandigheden. De grondwaterstand staat ’s winters tot aan of boven het maaiveld en zakt zomers weer enigszins weg.

Toepassing:

Deze vegetaties kunnen alleen voorkomen op plekken waar de mogelijkheid bestaat om de grondwaterstand te reguleren. Of waar de grondwaterstand van nature erg hoog is. De toepasbaarheid van dit soort vegetatietype is zeer beperkt.

Beheer:

Vochtige hooilanden worden jaarlijks één of meerdere keren gemaaid. Het maaisel wordt volledig afgevoerd om de ondergrond schraal te houden. Daarnaast is het maaien nodig om verruiging en struweelvorming tegen te gaan. Om deze terreinen kan het nodig zijn om ondiep te begreppelen om de waterhuishouding te reguleren.

Waarde biodiversiteit:

De natte, kruidenrijke en gevarieerde omstandigheden maken dit soort vegetaties van groot belang voor onder andere insecten als dagvlinders, sprinkhanen en verscheidene vogelsoorten.

Natuurvriendelijke oever

Een natuurvriendelijke oever is een oever waarbij, naast de oever-verdedigende functie, nadrukkelijk ruimte is voor planten en dieren. Een natuurvriendelijke oever is zo ingericht dat de gewenste natuur zich daar goed kan ontwikkelen en handhaven.

Toepassing:

Voor de aanleg van een natuurvriendelijke oever moet voldoende ruimte zijn. Tussen de watergang en de weg moet minimaal een strookbreedte aanwezig zijn van 5 meter. De natuurvriendelijke oever kent een flauwe overgang van land naar water. Het talud is niet steiler dan 1:3. Een natuurvriendelijke oever heeft zon nodig en ligt bij voorkeur aan de zuidzijde van een watergang. Voor een bloemrijke vegetatie mogen er niet te veel bomen staan. Ook zal het onderhoud van de watergang vanuit het water moeten plaatsvinden omdat vermeden moet worden dat de oevervegetatie door zwaar materieel wordt belast. De natuurvriendelijke oever is dus alleen toepasbaar als het onderhoud van de watergang met een vaartuig kan worden uitgevoerd.

Beheer:

De vegetatie op een natuurvriendelijke oever zal één keer per jaar worden gemaaid. Er blijft 25% van de oeverbeplanting gehandhaafd. In dit deel kunnen de dieren beschutting zoeken. Het deel dat blijft staan zal het volgende jaar gemaaid worden. De eerste twee jaar na aanleg is het nodig om jaarlijks houtige gewassen te verwijderen. Na het de eerste twee jaar wordt dit tweejaarlijks uitgevoerd. Eens in de vijf tot acht jaar is het nodig om rietvegetatie uit te krabben. Dat betekent dat blad en bagger, dat zich in de loop van de tijd tussen het riet heeft verzameld, wordt verwijderd.

Waarde biodiversiteit:

De waarde van een ecologische oever is groot. Verschillende planten vestigen zich in de ecologische oever. Het zijn vaak ook de planten die in het landelijk gebied langs de watergangen voorkomen. Daarmee is een ecologische oever bij uitstek geschikt om de natuur vanuit landschap, via de watergangen het stedelijk gebied in te brengen.

Veenmosrietland

Veenmosrietland is een voedselarm moerastype en komt alleen voor in laagveenmoerassen en veenweidegebieden. In veenweidegebieden vormt het veenmosrietland vaak linten langs sloten.

Toepassing:

Deze vegetaties kunnen alleen voorkomen op plekken waar de mogelijkheid bestaat om de grondwaterstand te reguleren. Of waar de grondwaterstand van nature erg hoog is. De vegetatie komt voor op een zuur milieu. De toepasbaarheid van dit soort vegetatietype is zeer beperkt en is in de stedelijke omgeving alleen toepasbaar in de grotere recreatiegebieden.

Beheer:

Als sprake is van een goed ontwikkeld veenmosrietland kán er in de winter gemaaid worden. De winter is in dit kader tussen 1 november en 1 april. Later maaien dan 1 april is vanwege de terugkeer van rietvogels niet mogelijk. Het maaisel wordt afgeruimd of op hopen gezet. Het laten staan van 15- 30% van de vegetatie is wenselijk.

Waarde biodiversiteit:

Binnen Zaanstad betreft het hoogwaardige moerasnatuur op een relatief klein aantal percelen. Veenmosrietland kan voor de grote vuurvlinder de redding zijn, want deze prachtige vlinder is heel zeldzaam in ons land. In nattere terreinen krijgen de noordse woelmuis en de ringslang meer kans op overleven. Verder zijn de percelen relatief rijk aan orchideeën soorten, libellen en zangvogels. Door rietvegetatie te laten staan aan de randen van het perceel ontstaat er leefgebied voor de Snor of Sprinkhaanzanger.

Bloemen- en bollenlinten

Een bloemen- of bollenlint is een aaneenschakeling van initiatieven ter bevordering van de overlevingskansen van de wilde bij. De plantensoorten die toegepast worden zijn daar speciaal op geselecteerd. Ook zijn ze biologisch geteeld zodat geen chemische bestrijdingsmiddelen kunnen worden overgedragen aan de insecten.

Toepassing:

Een bloemenlint wordt vooral toegepast op terreinen die onderhouden worden als gazon en die geen specifieke functie hebben. De soorten die worden toegepast worden geselecteerd op bloei en daarmee past het bloemenlint meer in een gecultiveerd stedelijk landschap. Doordat ze smal zijn kan zwerfafval goed worden verwijderd. Het biedt op deze plekken extra variatie.

Beheer:

Het beheer bestaat uit het jaarlijks (gefaseerd) maaien en afvoeren van de vegetatie. Na het afvoeren van het maaisel wordt het bollenlint als gazon onderhouden. Meestal bestaat een bloemenlint uit een combinatie van vroeg- en laatbloeiende bloemen zodat er vanaf circa april tot en met september steeds iets bloeit. Het is wel noodzakelijk bloemenlinten eens in de 5 tot 7 jaar te rooien, de grond te frezen en opnieuw in te zaaien. Ondanks dat er goed gekeken wordt naar het zaadmengsel dat wordt toegepast, worden de planten gezet in een voor hen niet optimale omgeving. De vernieuwing van de planten loopt door de jaren heen terug. Het is dus periodiek nodig om een nieuw begin te maken met een bloemenlint.

Waarde biodiversiteit:

Het voortbestaan van bijen, vlinders en andere insecten staat door het verdwijnen van leefgebieden onder druk. Een hectare wilde bloemen levert voldoende voedsel voor vele duizenden insecten. Ook vogels en kleine zoogdieren (egels, muizen) profiteren hiervan. Als zodanig is een bloemenlint een welkome aanvulling in de openbare ruimte om de biodiversiteit te versterken.

Riet / ruigte

Gemaaid rietland of ruigte zijn terreinen die grotendeels om de twee jaar in de winter worden gemaaid. Randen met oud riet, kleine ruigten, struweel en soms enkele bomen, zorgen voor broedgelegenheid voor vogels en zijn belangrijk voor andere dieren zoals muizen of kikkers.

Toepassing:

Het zijn de grote oppervlakten die plasdras zijn die geschikt zijn door dit vegetatietype. In een stedelijke omgeving is voor dit vegetatietype alleen de ruimte in de grotere recreatiegebieden en in de randzones tussen stad en landschap.

Beheer:

Als sprake is van een goed ontwikkeld rietland kán er in de winter om het jaar gemaaid worden. De winter valt tussen 1 november en 1 april. Later maaien dan 1 april is vanwege de terugkeer van rietvogels niet mogelijk. Het maaisel wordt afgeruimd of op hopen gezet. Het laten staan van 20-30% van de vegetatie is wenselijk. Bij rietlanden is sprake van langzame verlanding waarna struweelvorming sterk toeneemt. Om dat te voorkomen zal de strooisellaag op deze terreinen periodiek worden verwijderd.

Waarde biodiversiteit:

Gemaaid rietland wordt gedomineerd door riet en kan vrij rijk zijn aan mossen of moerasplanten zoals moerasvaren, moeraswalstro, waterzuring, watermunt, grote watereppe, pluimzegge en echte valeriaan. Bij een goede waterkwaliteit zijn de rietlanden soms soortenrijk met rietorchis. De oevers, rietranden en –stroken vormen een biotoop voor rietvogels als kleine karekiet en insecten.

Hondenuitrenzone

In de stad zijn voorzieningen die een inpassing vragen in het gebied waarin ze liggen. Hieronder wordt beschreven hoe dat in specifieke situaties gebeurd.

Qua onderhoud worden hondenuitrenzones die in gazons liggen, meegenomen in de normale maaicyclus van het omliggende terrein.

Bij uitrenzones die liggen in ruw gras of ruigte ligt dit anders. Hier houden we een ruime baan langs paden vrij opdat er toch goed zicht is op de viervoeter en de hond vrij kan rennen. Voor de winter wordt het grootste deel van de uitrenzone gemaaid zodat in de wintermaanden van oktober tot en met maart vrijwel de gehele oppervlakte bruikbaar is om uit te rennen. Natuurwaarden worden op deze manier minimaal belast.

Begrazingsbeheer

Begrazingsbeheer is niet een specifiek vegetatietype, maar heeft meer te maken met de wijze waarop het gras gemaaid wordt. In dit geval gebeurt dat door schapen of Schotse hooglanders. Het vegetatietype dat begraasd wordt is het ruige berm-vegetatietype.

Wel heeft begrazing een specifiek effect op de vegetatie. De hoeven van de dieren zorgen dat de grasmat wordt gebroken en dit biedt niches waar andere planten zich kunnen vestigen. Door de uitwerpselen van de schapen ontstaan ook variaties in de vegetatie waar verschillende insecten gebruik van maken.

Toepasbaarheid:

Het inzetten van dieren binnen het stedelijk gebied moet uiteraard gebeuren met de nodige veiligheidsmaatregelen. Het inzetten van Schotse hooglanders kan in gebieden waarin de dieren kunnen worden ingesloten.

De dieren die voor het begrazingsbeheer worden ingezet zijn kuddedieren. Dat houdt in dat het noodzakelijk is deze dieren ook in kuddeverband leven. Dat vereist wel dat het begrazingsgebied van voldoende omvang is. Voor begrazing door Schotse hooglanders komen alleen parken en natuurgebieden voor in aanmerking.

Bij schapenbegrazing ligt die wat eenvoudiger. Schapen zijn goed op hun plek te houden met een mobiele afzetting. Daarmee zijn ze inzetbaar in recreatiegebieden, de grotere groenvakken en in de randzone tussen stad en landschap.

Waarde biodiversiteit

Als dieren niet worden bijgevoerd, dan leidt begrazing in principe tot verschraling, omdat het dier een deel van de energie die in de vegetatie zit, omzet in warmte en beweging. Door begrazing ontstaat idealiter afwisseling in bemeste en verschraalde vegetatie. Ook ontstaan kleine open plekken in de grond door de hoeven van de dieren. Deze bieden ruimte voor planten die van open grond houden zoals klaprozen en koolzaad. Belangrijk is dat de schapen niet te lang op één plek blijven, omdat ze de vegetatie dan zo kort eten dat er geen planten meer tot bloei komen.

Bijlage 2: Gefaseerd maaibeheer

Gefaseerd maaibeheer betekent dat een deel van de vegetatie niet gemaaid wordt. Afhankelijk van het terrein en de mogelijkheden bedraagt het ongemaaide deel ongeveer 15%-30% van de oppervlakte. Dit hoeft geen aaneengesloten oppervlakte te zijn. Het mogen ook verschillende snippers verspreid over het terrein zijn. Dit zorgt ervoor dat er ook na een maaibeurt nog voldoende voedsel en schuilgelegenheid te vinden is. Ook bij het maaien in het najaar en winter blijft een deel ongemaaid zodat soorten in de vegetatie kunnen overwinteren. In riet is dit extra belangrijk, omdat vele dieren, waaronder sommige bijensoorten, zich in overjarige rietstengels ontwikkelen. Bij het gefaseerd maaien laten we bij voorkeur de vegetatie staan op een zonnige plek zodat insecten voldoende warmte krijgen. Door in vormen te maaien, maken we het maaibeheer herkenbaar. Dat voorkomt dat bewoners denken dat stukjes vegetatie zijn vergeten. Langs paden en wegen wordt de eerste meter kort gemaaid. Zo’n kort gemaaide rand voorkomt overlast van overhangende planten en geeft een verzorgd beeld. Bermen met aan twee kanten verharding en smaller dan 3 meter, worden niet gefaseerd gemaaid omdat de overblijvende stroken dan zo smal zijn dat ze nauwelijks meer een ecologische waarde hebben.

Op de volgende bladzijde wordt met beelden weergegeven wat gefaseerd maaibeheer inhoudt. Het verbeteren van de zoomvegetatie Bij bossen en bosachtige beplantingen is meestal de grootste variatie in flora en fauna te vinden in de randen. Door deze randen (ofwel de zoom van de vegetatie) te verbreden, bieden we meer ruimte voor planten en dieren om zich te vestigen. Deze werkwijze is goed toepasbaar in de parken. Daar waar nu nog grasvelden intensief gemaaid worden, zullen de stroken die grenzen aan de beplantingsvakken, extensiever gemaaid worden. Hiermee bieden we insecten meer ruimte. De bodem is meestal erg voedselrijk. Dat houdt in dat deze zoomvegetaties vooral zullen bestaan uit de ruigere kruidachtige gewassen zoals brandnetel, fluitenkruid en grassen.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.