Gemeentelijke regelgeving

Nota Grond- en Vastgoedbeleid

Gemeente Zaanstad · geldt sinds 5 augustus 2026

Aanhef

De gemeenteraad van Zaanstad heeft in zijn vergadering van 12 mei 2026 de Nota Grond- en Vastgoedbeleid (inclusief bijlage Toelichtingen nota grond- en vastgoedbeleid en verordening tot wijziging van de Financiële verordening Zaanstad) vastgesteld.

Nota Grond- & vastgoedbeleid

Dit document is de eindversie van de nota grond- en vastgoedbeleid, januari 2026.

Deze nota grond- en vastgoedbeleid is opgesteld door Guido Mertens Advies in opdracht van en in samenwerking met de gemeente Zaanstad. In de nota is gebruik gemaakt van teksten en figuren uit de modelnota grondbeleid van Guido Mertens Advies, versie augustus 2024 (in ontwikkeling).

Voorwoord

Zaanstad staat voor de opgave om te groeien én te verdichten, terwijl we onze gemeente ook toekomstbestendig willen houden. De ruimte is schaars en daarom moeten we zorgvuldig omgaan met wat we hebben. Een belangrijk uitgangspunt is dat bestaand groen behouden blijft en dat we verdichten met oog voor kwaliteit. Dat betekent dat er bij verdichting ook ruimte is voor het creëren van een prettige openbare ruimte. Deze balans is leidend in de opgaven vanuit onze Omgevingsvisie en vormt het fundament van dit beleid.

Om deze opgaven beter te kunnen ondersteunen, actualiseren wij ons grond- en vastgoedbeleid in deze nieuwe Nota Grond- en Vastgoedbeleid. Hiermee voldoen wij niet alleen aan onze verplichting om een actueel grondbeleid vast te stellen, maar brengen wij ook beleidsonderdelen die voorheen versnipperd waren in verschillende nota’s samen in één integraal beleidskader. De nota bundelt alle relevante uitgangspunten, rollen en financiële en procedurele kaders en biedt daarmee een samenhangende basis voor besluitvorming en uitvoering.

De nota beschrijft de verschillende rollen die de gemeente kan innemen binnen gebiedsontwikkelingen. Waar wij eigenaar zijn brengen wij de verschillende opgaven samen. Dat betekent dat wij sturen op een leefbare combinatie van woningbouw, mobiliteit, voorzieningen en economische bedrijvigheid. Waar wij geen eigenaar zijn, vervullen wij een faciliterende rol en zetten wij de beschikbare instrumenten in om de gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken. Zaanstad biedt unieke kansen aan investeerders, initiatiefnemers en ontwikkelaars. Met dit beleid geven wij richting aan hoe wij die energie gaan benutten en waar we dat willen versterken.

Tot slot; de gemeente is niet de enige die bouwt aan onze toekomst. Het realiseren van onze ambities vraagt om samenwerking met inwoners, ondernemers, corporaties, maatschappelijke organisaties en marktpartijen. Dus daarom staan wij ook open voor tijdelijke functies van locaties, zolang dit bijdraagt aan de leefbaarheid en vitaliteit van onze gemeenschap. Zo creëren we ruimte voor initiatieven, versterken we de kwaliteit van de omgeving en bouwen we stap voor stap aan een veerkrachtige, inclusieve en toekomstgerichte gemeente.

Met deze Nota Grond- en Vastgoedbeleid leggen we een stevige en integrale basis om samen verder te bouwen aan Zaanstad.

Stephanie Onclin

Wethouder Grondzaken en Vastgoed

Gemeente Zaanstad

2. Regie met het grond- en vastgoedbeleid

2.1 Vastgoedbeleid

2.1.1 De visie op vastgoed

De afgelopen jaren richtte het beleid zich op het aanhouden van een compacte vastgoedportefeuille om gemeentelijke kerntaken te faciliteren en gebiedsontwikkelingen te ondersteunen. De druk op het voorzieningenniveau neemt echter toe door verschillende oorzaken, zoals de groei van de gemeente, met name door verdichting, en de bijbehorende noodzaak om het voorzieningenniveau uit te breiden. Dit wordt bemoeilijkt door bestaande bebouwing en eigendomsverhoudingen. Veranderingen in wetgeving en beleid vergroten ook de vraag naar vastgoed, bijvoorbeeld door de toegenomen behoefte aan bewegingsonderwijs, wat de druk op gymzalen vergroot. Daarnaast speelt kansengelijkheid een belangrijke rol, wat vraagt om een actievere aanpak in kwetsbare wijken bij het uitbreiden van het voorzieningenniveau. Dit vergroot de vraag naar vastgoed om deze voorzieningen te realiseren.

Een complicatie is dat private partijen steeds vaker moeite hebben om maatschappelijke voorzieningen te exploiteren, vanwege hogere bouwkosten en een tekort aan initiatieven. Hierdoor komt er meer druk op de gemeente om deze voorzieningen beschikbaar te houden, wat soms afwijkt van het beleid om een compacte vastgoedportefeuille aan te houden. Een voorbeeld hiervan is de betrokkenheid bij de realisatie van de Durghorst, waar de gemeente samen met een woningcorporatie zorgt voor een buurtcentrum en cultuurzaal.

De toenemende behoefte aan sturing op de realisatie van voorzieningen onderstreept de link met het grondbeleid. Waar de gemeente zelf grondposities heeft, kan in de gronduitgifte opdracht worden gegeven voor de aanleg van voorzieningen. Omdat de gemeente echter over weinig grond beschikt, moet vaak worden onderhandeld met grondeigenaren en ontwikkelende partijen om de benodigde voorzieningen te realiseren.

Onze nieuwe visie op onze vastgoedportefeuille:

Een belangrijk uitgangspunt is het vaker en effectiever inzetten van vastgoed om bij te dragen aan de zes strategische opgaven. Gezien de beperkte omvang van de huidige, compacte vastgoedportefeuille is een grote uitbreiding door nieuwbouw of aankopen niet aan de orde. De inzet moet daarom efficiënt en doelgericht zijn, terwijl ook gewerkt wordt aan het vergroten van mogelijkheden om vastgoed in te zetten.

2.1.2 Het vastgoedbezit van Zaanstad

De gemeente beschikt over locaties, al dan niet met bestaand vastgoed. Een deel van dit vastgoed wordt gebruikt voor maatschappelijke functies, zoals wijkcentra, culturele panden en sportaccommodaties. Dat is het gemeentelijk vastgoed dat vanwege maatschappelijke doelstellingen wordt aangehouden. Dat vastgoed speelt een belangrijke rol in het voorzieningenniveau.

Een ander deel van het gemeentelijk vastgoed heeft ruimtelijke doelstellingen. Het betreft de objecten die op korte of lange termijn hun functie verliezen en kan worden herbestemd. Door middel van een pandvisie wordt steeds beoordeeld of het vastgoed behouden, getransformeerd of gesloopt moet worden, zowel op locatie- als gebiedsniveau. Bij de verkoop van vastgoed gelden dezelfde werkwijze, criteria en afwegingen als bij de ontwikkeling van gronden zonder opstallen. Tevens kan het zo zijn dat vastgoed juist wordt aangekocht om gebiedsontwikkelingen te ondersteunen.

Onze visie op het vergroten van mogelijkheden om vastgoed in te zetten vraagt om een nadere uitwerking in een aantal stappen:

1Versterken van het inzicht in benodigde voorzieningen, inclusief prioritering. Door op grotere schaal naar maatschappelijke opgaven en mogelijkheden te kijken, ontstaan meer kansen dan bij aansturing op projectniveau.

2Optimaliseren van de huidige vastgoedportefeuille. Dit gebeurt door het actualiseren van het portefeuilleplan om een beter inzicht te krijgen in de staat en kwaliteit van het vastgoed.

3Ontwikkelen van een strategie voor de inzet van vastgoed, gericht op een betere bijdrage aan de strategische opgaven. Deze strategie omvat het faciliteren van gebruik van vastgoed van derden, noodzakelijke verbeteringen aan de bestaande portefeuille, en de benodigde uitbreiding, inclusief investeringsramingen.

4Opstellen van een aankoop- en nieuwbouwplan voor de uitbreiding van de vastgoedportefeuille.

Als we het vastgoedbeleid actiever gaan inzetten om een bijdrage te leveren aan de zes strategische opgaven, dan vraagt dit om een andere manier van adviseren. Naast het beheersmatige wordt adviseren over ontwikkelen belangrijker.

3. De integrale afweging

3.2 Financieel rendement

3.2.1 Financiën en de inzet van vastgoed

Ook bij de inzet van vastgoed is het belangrijk om vooraf een goed beeld krijgen van de financiële impact. Net als bij gebiedsontwikkeling wordt er bij voorkeur breder gekeken dan alleen naar de directe kosten en opbrengsten.

Investeringen in vastgoed

De kaders voor vastgoedinvesteringen zijn vastgelegd in de Financiële Verordening (FV) en de Nota Investeringen van de gemeente Zaanstad. Deze documenten regelen ook de verantwoording en bevoegdhedenverdeling tussen het college en de raad. Kredieten voor investeringen worden zoveel mogelijk via de (programma)begroting en meerjarenraming vastgesteld. De raad maakt een integrale afweging bij de voorjaarsnota en begroting. Het college kan daarnaast aparte investeringsvoorstellen indienen.

Daar waar het meerwaarde biedt, wordt ook bij vastgoedinvesteringen een bredere financiële indicatie gemaakt. De methode verschilt per investering, afhankelijk van de aard ervan.

Een manier om deze bredere financiële beoordeling te maken, is via de Total Cost of Ownership (TCO)-benadering. Dit houdt in dat niet alleen naar de initiële investeringskosten wordt gekeken, maar ook naar de kosten gedurende de gehele levensduur, zoals energie, onderhoud, schoonmaak, financiering en restwaarde. Deze benadering helpt om beter te sturen op de totale kosten van het gebruik van vastgoed. Door slimme keuzes in ontwerp, materiaal en duurzaamheid kunnen de totale kosten lager uitvallen, zelfs als de initiële investering hoger is. De TCO-benadering is vooral nuttig wanneer de gemeente zelf verantwoordelijk is voor de exploitatie, zoals bij gemeentelijke huisvesting. Ook als de gebruikskosten bij de huurder liggen, biedt de TCO inzicht in de totale kosten bij leegstand en mogelijke besparingen door hogere investeringen.

Kostendekkende exploitatie

Het uitgangspunt is dat de gemeentelijke vastgoedportefeuille minimaal kostendekkend wordt geëxploiteerd. Bij investeringen in nieuwbouw, verbouw of aankoop wordt daarom gewerkt met een sluitende en integrale businesscase, waarin de investerings- en exploitatielasten volledig inzichtelijk zijn gemaakt.

Indien uit de businesscase blijkt dat een investering niet kostendekkend kan worden geëxploiteerd, vindt hierover een afzonderlijke bestuurlijke afweging plaats. Een dergelijk tekort maakt geen onderdeel uit van de vastgoedexploitatie, maar betreft een beleidsmatige keuze die door de gemeenteraad wordt gemaakt en, indien aan de orde, via de begroting of bestemmingsreserves wordt gedekt.

Bij de exploitatie en verhuur van gemeentelijk vastgoed geldt als uitgangspunt dat minimaal de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht.

Indien de gemeenteraad heeft vastgesteld dat de exploitatie of verhuur van vastgoed plaatsvindt in het algemeen belang, kan worden afgeweken van de gedragsregels van de Wet Markt en Overheid. De toepassing, reikwijdte en actualiteit van een dergelijk besluit worden per geval bestuurlijk beoordeeld.

Hoewel het streven is naar een kostendekkende vastgoedportefeuille als geheel, kan de praktijk anders uitvallen door bijvoorbeeld leegstand of niet-doorberekenbare exploitatielasten op individuele panden. De businesscase blijft dynamisch en wordt aangepast aan actuele ontwikkelingen.

Het grond- en vastgoedbeleid geeft kaders voor de financiële, juridische en procesmatige inzet van vastgoed. De afweging of en op welke wijze maatschappelijke doelen worden ondersteund, waaronder eventuele subsidieverlening of beleidsmatige compensatie, is een afzonderlijke bestuurlijke en beleidsmatige verantwoordelijkheid. Deze afweging maakt geen onderdeel uit van de vastgoedexploitatie en wordt via de daarvoor geldende besluitvorming en begrotingssystematiek gemaakt.

3.3 Integrale beoordeling

3.3.1 Tijdelijkheid en integrale beoordeling

Bovenstaand is beschreven hoe de integrale beoordeling wordt ingezet om haalbare en betaalbare ontwikkelingen te realiseren, gericht op de definitieve bestemming van een locatie. Wanneer een locatie nog niet wordt ingezet voor een permanente functie of bestemming, kan een tijdelijke invulling echter een waardevolle bijdrage leveren.

Tijdelijke invulling van een locatie of pand kan aanzienlijk bijdragen aan meervoudige waardencreatie. Een tijdelijke exploitatie, bijvoorbeeld met leisure, culturele activiteiten of andere tijdelijke functies, kan zorgen voor levendigheid en placemaking op de locatie. Dit biedt kansen voor personen, organisaties of startende bedrijven, wat bijdraagt aan verschillende sociaal-maatschappelijke opgaven en ambities. Goed gebruik van tijdelijk gemeentelijk vastgoed en grond ondersteunt daarmee de zes strategische opgaven.

Daarnaast kunnen tijdelijke locaties broedplaatsen zijn voor initiatieven, zoals kleinschalige bedrijven, waardoor al tijdens of voor een gebiedsontwikkeling maatschappelijke impact wordt gerealiseerd. Financieel kan dit ook voordeel opleveren, door inkomsten te genereren uit locaties die anders ongebruikt zouden blijven.

Hoewel de integrale beoordeling grotendeels hetzelfde blijft voor tijdelijke invulling, verschuift het accent in de financiële beoordeling. In plaats van een sluitende grondexploitatie of kostprijs van een opstal te beoordelen, ligt de focus op het vergelijken van de meerkosten van de tijdelijke functie met de leegstandsituatie en de opbrengsten die de tijdelijke functie kan genereren. Dit wordt vervolgens afgewogen tegen de maatschappelijke impact van de tijdelijke invulling.

4. De rolkeuze in het grond- en vastgoedbeleid

4.2 Onderscheid in vier rollen.

4.2.1 Initiërend ontwikkelaar

In deze rol beschikt de gemeente over volledig of dominant eigendom, of kan dat verwerven. De ontwikkeling tot aan de bouwrijpe grond en de uitgifte voor verdere ontwikkeling kan volledig door de gemeente worden uitgevoerd, of in nauwe samenwerking met publieke of private partijen. Hierbij worden risico's en zeggenschap gedeeld. Deze rol biedt de meeste mogelijkheden om de gewenste maatschappelijke impact in een gebiedsontwikkeling te realiseren.

Bij aanvullende grondverwerving gelden altijd financiële randvoorwaarden (zie hoofdstuk 5), en het moet inhoudelijk onderbouwd zijn dat de rol van initiërend ontwikkelaar noodzakelijk is. Dit geldt zowel bij zelf uitgevoerde grondontwikkeling en uitgifte als bij samenwerking met derden. Daarnaast wordt elke potentiële aankoop vergeleken met andere locaties om prioriteiten te bepalen.

De initiërende rol wordt overwogen wanneer meer sturing nodig is dan via publiekrechtelijke instrumenten mogelijk is, of wanneer de markt de gewenste ontwikkeling niet oppakt. Hoewel er financieel rendement te behalen valt met gronduitgifte, brengt deze rol ook risico’s met zich mee, zoals de voorinvestering in aankoop en transformatie, die mogelijk niet volledig kan worden terugverdiend. Dit risico wordt beschouwd als een investering in het realiseren van de strategische opgaven. Het risico wordt in kaart gebracht en tijdens het proces gemonitord.

Voor deze rol is kennis en capaciteit gedurende het hele proces van gebiedsontwikkeling noodzakelijk. Samenwerking met private partijen kan worden gezocht, omdat volledige eigendom niet altijd nodig of haalbaar is, de ontwikkeling complex is of grote investeringen en risico’s met zich meebrengt die samen moeten worden gedeeld.

Binnen de initiërende rol zijn er verschillende samenwerkingsvormen mogelijk, zoals publiek-private samenwerking (PPS) of het bouwclaimmodel:

•Bij een PPS werkt de gemeente samen met private partijen via een joint venture of een overeenkomst, of via concessies waarbij de private partij diensten levert volgens gemeentelijke eisen.

•Het bouwclaimmodel houdt in dat een private partij grond verkoopt aan de gemeente, die de grond bouwrijp maakt en terug verkoopt met het productierecht voor de private partij.

Voor de initiërende rol kunnen instrumenten zoals minnelijke grondverwerving, voorkeursrecht, onteigening, kavelruil, bouwclaimmodel of een joint venture worden ingezet. Deze instrumenten worden toegelicht in hoofdstuk 5.

4.2.2 Verleidend facilitator

In de rol van verleidend facilitator heeft de gemeente hooguit strategische eigendomsposities of verwerft deze om de ontwikkeling te vergemakkelijken. Deze rol past bij belangrijke ontwikkelingen waarvan verwacht wordt dat andere partijen de uitvoering kwalitatief goed oppakken, en die bijdragen aan belangrijke maatschappelijke ambities. Een actorenanalyse kan dit bevestigen.

Binnen deze rol kunnen dezelfde instrumenten worden ingezet als bij de rol van initiërend ontwikkelaar om een eigendomspositie te verwerven, maar dit gebeurt sporadisch en enkel om de ontwikkeling door andere partijen te faciliteren.

De gemeente kan als verleidend facilitator op verschillende manieren betrokken zijn:

•Publieke en private partijen verbinden door samenwerking te stimuleren via netwerkbijeenkomsten, procesbegeleiding en ondersteuning vanuit de ambtelijke organisatie, die inzicht en vertrouwen biedt in de gebiedspotentie.

•Het ontwikkelproces ondersteunen door het maken of faciliteren van planvisies (zoals masterplannen, gebiedsvisies) en ontwikkelstrategieën, evenals het verstrekken van vergunningen voor binnenplanse (OPA) of buitenplanse (BOPA) omgevingsplanactiviteiten.

•Investeren in essentiële publieke voorzieningen, zoals het ontwikkelen van kwalitatief goede openbare ruimte ten behoeve van de gebiedsontwikkeling.

Daarnaast wordt het publiekrechtelijke instrumentarium, zoals de Omgevingswet, ingezet om functies, regels en locatiekenmerken in het omgevingsplan op te nemen. Dit kan soms voldoende zijn om de gewenste ontwikkeling te realiseren. Ook wordt het kostenverhaal toegepast (zie hoofdstuk 5), waarbij rekening wordt gehouden met de draagkracht van de ontwikkelende partij.

Het belangrijkste risico voor de gemeente in deze rol is dat de gewenste maatschappelijke impact niet volledig wordt gerealiseerd. De financiële risico’s zijn beperkt, maar kunnen indirect ontstaan als een belangrijke ontwikkeling niet wordt gerealiseerd. Dit kan aanleiding zijn om een andere rol, zoals die van initiërend ontwikkelaar, te overwegen om directer invloed op het resultaat uit te oefenen.

4.2.3 Afwachtende ontwikkelaar

In deze rol is de gemeente mogelijk dominant of volledig eigenaar van een locatie. Omdat de ontwikkeling op deze plek minder belangrijk is, wordt er niet actief gezocht naar mogelijkheden voor snelle gebiedsontwikkeling. Deze rol is passend voor gebieden die al goed scoren op de maatschappelijke ambities, waardoor er weinig noodzaak is voor (her)ontwikkeling.

Wanneer zich echter een kans voordoet voor een gunstige ontwikkeling, wordt deze opgepakt. De instrumenten die bij de rol van initiërend ontwikkelaar horen kunnen worden ingezet, maar alleen als dit leidt tot een goed maatschappelijk en financieel resultaat en er voldoende capaciteit en middelen beschikbaar zijn. Belangrijke ontwikkelingen hebben voorrang. Aanvullende grondverwerving in deze rol is alleen mogelijk als het de financiële haalbaarheid van een ontwikkeling kan onderbouwen.

Vanwege de beperkte capaciteit en middelen kan ook een concessieovereenkomst worden overwogen. Hierbij wordt de grond ingebracht bij een andere partij, die de ontwikkeling vervolgens voor eigen risico uitvoert binnen vooraf vastgestelde kaders.

4.2.4 Passief/toetsende rol

Deze rol komt vooral in beeld in gebieden die al goed scoren op de maatschappelijke ambities. Eigendom speelt hier nauwelijks een rol, omdat de ontwikkeling niet als prioriteit wordt gezien. De focus ligt op het inzetten van publiekrechtelijke mogelijkheden en het toetsen van binnenkomende initiatieven. In tegenstelling tot de ontwikkelende rol, biedt deze positie beperkte sturingsmogelijkheden, waarbij de initiatiefnemer de meeste invulling geeft. De gemeente kadert dit in via de publiekrechtelijke instrumenten genoemd in 4.2.2.

Er is bereidheid om de sturing op de ontwikkeling deels los te laten, mits het initiatief bijdraagt aan de realisatie van de maatschappelijke ambities. Het kostenverhaal wordt bij voorkeur maximaal ingezet via een anterieure overeenkomst.

4.3 Rolkeuze in vastgoedbeleid.

4.3.1 Afwegingskader voor panden met een maatschappelijke doelstelling

Het afwegingskader maakt inzichtelijk hoe de maatschappelijke doelen uit de omgevingsvisie, wijkontwikkelplannen en initiatieven, samen met het nog te ontwikkelen voorzieningenmodel, via vier stappen leiden tot een (voorkeurs)rol in het vastgoedbeleid. Het afwegingskader geldt niet voor vastgoedobjecten met een wettelijke huisvestingstaak, zoals schoolgebouwen. In die gevallen wordt automatisch voorzien in huisvesting via de portefeuille met een maatschappelijke doelstelling.

Figuur 11. Afwegingskader vastgoed met maatschappelijke doelstelling

Stap 1: Positieve integrale afweging van het vastgoedvraagstuk?

Bij de integrale beoordeling wordt afgewogen of de inzet van vastgoed voldoende bijdraagt aan de ambities en financieel haalbaar is binnen de gestelde kaders, die per pand kunnen variëren. Als de maatschappelijke meerwaarde onvoldoende is, of de meerwaarde te beperkt om een negatief financieel rendement te rechtvaardigen, stopt het proces. Eventueel kan nog worden verwezen naar alternatieve opties bij derden. Bij een positieve beoordeling volgt stap 2, mogelijk met optimalisatievoorstellen om de balans tussen maatschappelijke waarde en financieel rendement te verbeteren.

Stap 2: Hoe belangrijk is de behoefte aan vastgoed?

Hoe belangrijk de inzet van vastgoed is wordt meestal bepaald door de omgevingsvisie en sectorale beleidsvisies. Daarnaast moet het voorzieningenmodel of een andere duidelijke bron aantonen dat de vastgoedvoorziening belangrijk is. Als de vastgoedbehoefte niet belangrijk is, speelt de gemeente geen verdere rol. Als de behoefte wel belangrijk is, volgt stap 3.

Stap 3: Zijn er alternatieve oplossingen mogelijk?

Indien de vraag naar vastgoed via andere partijen kan worden opgelost, wordt naar die alternatieven verwezen. De gemeente blijft de casus volgen totdat een oplossing is gerealiseerd en faciliteert de samenwerking met (markt)partijen die geschikt vastgoed hebben. Gebruikers huren rechtstreeks van andere partijen. De gemeente overweegt ook of eigendom voordeliger is, met argumenten zoals:

•Vastgoedeigendom biedt regie en een duurzaam economisch model, met balans tussen inkomsten en uitgaven.

•Het past binnen de vastgoedportefeuille en maatschappelijke behoeften.

•Eigendom kan op lange termijn goedkoper zijn dan huren.

Stap 4: Beoordeling van randvoorwaarden via de kernportefeuille vastgoed

Of de vastgoedvraag kan worden ingevuld met de huidige kernportefeuille van maatschappelijk vastgoed of door uitbreiding daarvan, wordt bepaald door een verdere beoordeling van randvoorwaarden. Hierbij spelen factoren zoals beschikbare kennis en capaciteit, financiële risico’s, weerstandscapaciteit, en investeringsmogelijkheden een rol. Als de randvoorwaarden niet haalbaar zijn, moet naar alternatieven worden gezocht (zoals in stap 3). Als de randvoorwaarden wel passend zijn, wordt de kernportefeuille ingezet om de vastgoedbehoefte te vervullen.

5. Kaders en toepassing in de praktijk

5.2 De uitvoering van grondexploitaties en kostenverhaal

5.2.1 Private grondexploitaties

Bij private grondexploitaties wordt de grondproductie volledig door andere partijen gedaan. Dat komt voor in de grondbeleidrollen van verleidend facilitator en toetsend/passief. In deze situaties behoudt de gemeente via de bestemming van de locatie regie op ruimtelijke ordening, met de bevoegdheid om bestemmingen vast te leggen of te wijzigen. Bij planologische medewerking kan de gemeente zowel kwalitatieve als financiële voorwaarden stellen. Hieronder volgt een overzicht van de instrumenten die ingezet kunnen worden bij faciliterende grondproductie:

•Bestemming van de locatie: In de omgevingsvisie wordt vastgelegd hoe het leefgebied zich moet ontwikkelen en beschermen. Deze keuzes worden uitgewerkt in het omgevingsplan, waarin wordt bepaald welke activiteiten zijn toegestaan (bijvoorbeeld wonen, recreatie of bedrijvigheid) en onder welke voorwaarden. Dit biedt mogelijkheden voor gesprekken met private partijen om tot een gewenste ontwikkeling te komen.

•Voorbereidingsbesluit: Hiermee kan voorbereidingsbescherming worden ingesteld, waarmee activiteiten worden voorkomen die nog wel zijn toegestaan in het huidige omgevingsplan, maar na een wijziging mogelijk niet meer zijn toegestaan.

•Kostenverhaal: Dit kan via een overeenkomst of publiekrechtelijk worden geregeld. Aanvullende voorwaarden over activiteiten, omgevingswaarden en programmatische aanpak kunnen ook privaatrechtelijk worden vastgelegd.

Kostenverhaal

Wanneer de gemeente geen grond uitgeeft, is het verplicht een bijdrage te vragen voor de gemaakte kosten bij de ontwikkeling van een plan. Deze bijdrage dekt onder andere de kosten voor het opstellen van plannen, de aanleg van openbare voorzieningen en de inrichting van de openbare ruimte. Dit wordt kostenverhaal genoemd.

Het afsluiten van een overeenkomst voor het kostenverhaal heeft de voorkeur. Hiervoor wordt het Zaanse model van de Anterieure Overeenkomst gebruikt. De aanpak voor gebiedsoverstijgende kosten is vastgelegd in de nota Gebiedsoverstijgende Kosten Zaanstad (GKZ) en de nota Wijkgebonden Kosten Kogerveldwijk.

Bij grote en complexe projecten wordt eerst een intentieovereenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hierin worden de voorwaarden voor gemeentelijke medewerking vastgelegd, inclusief afspraken over beëindiging van de samenwerking. De initiatiefnemer vergoedt de gemeentelijke inzet in deze fase en er wordt een voorschot gevraagd voor de start van de werkzaamheden en het sluiten van de overeenkomst.

Als er geen overeenkomst voor kostenverhaal mogelijk is, is de publiekrechtelijke route verplicht. Zolang de kostenverhaalbijdrage niet is geregeld, mogen bouwwerkzaamheden niet starten. Wie wil bouwen moet een kostenverhaalsbeschikking aanvragen waarin de bijdrage wordt vastgelegd volgens de kostensoortenlijst (bijlage IV van het Omgevingsbesluit, artikel 8.15).

Er zijn twee methoden voor publiekrechtelijk kostenverhaal:

•Met tijdvak: Het geschatte bedrag van de te verhalen kosten wordt vastgelegd in het omgevingsplan, projectbesluit of de vergunning.

•Zonder tijdvak: Alleen het maximumbedrag van de te verhalen kosten wordt in het omgevingsplan vastgelegd. Exacte berekeningen worden later gemaakt bij de afgifte van de kostenverhaals-beschikkingen.

In de bijlage worden de verschillende methoden van kostenverhaal verder toegelicht.

Investeren bij faciliterende grondproductie

Hoewel de gemeentelijke kosten bij faciliterende grondproductie volledig verhaald moeten worden, is dit niet altijd haalbaar vanwege macro-aftopping in het kostenverhaal. Ook kan er een voorzienbaar tekort zijn, bijvoorbeeld bij de aanleg van maatschappelijke voorzieningen. Het Maatschappelijke Voorzieningenmodel geeft aan welke ruimte voor voorzieningen nodig is bij groei van de stad, wat mogelijk tot een financieel tekort leidt. In zo'n geval kan de gemeente beslissen om bij te dragen, mits het maatschappelijk rendement dit rechtvaardigt. De toets op ongeoorloofde staatssteun is dan van toepassing, en de bijdrage kan uit het Transformatiefonds of andere dekkingsmiddelen komen.

5.3 De uitgifte van gronden en vastgoed

5.3.1 Gronduitgifte

Wanneer de gemeente Zaanstad een actieve rol speelt in grondproductie, volgt de uitgifte van grond. Bij de gronduitgifte worden verschillende keuzes gemaakt, waaronder:

•Uitgifte onder de huidige functie of na een -functiewijziging

•Uitgifte van ruwe bouwgrond (in huidige staat, met of zonder opstal) of bouwrijpe grond

•Uitgifte in erfpacht of verkoop (volle eigendom)

•Selectie van de ontwikkelende partij via één-op-één gunning of een openbare selectieprocedure.

Deze keuzes worden in de bijlage verder toegelicht. Bij de selectieprocedure wordt rekening gehouden met het Didam-arrest van de Hoge Raad, dat strengere eisen stelt aan grond- en vastgoedtransacties door de overheid.

Grondprijzen

Na het doorlopen van de vier stappen in het gronduitgifteproces wordt de grondprijs bepaald die de koper of erfpachter voor de kavels betaalt. De kaders voor het vaststellen van grondprijzen zijn vastgelegd in de Uitvoeringsregels Grondprijzen. Het college stelt deze regels periodiek vast op basis van de methodiek en kaders van het grondprijsbeleid.

Grondprijzen worden zoveel mogelijk marktconform vastgesteld, in lijn met de wettelijke bepalingen rondom staatssteun en de verplichting tot marktconform handelen. Deze regels gelden voor koop- en verkooptransacties, erfpacht, pacht en huur. Voor gronden met een maatschappelijk karakter kan hiervan worden afgeweken. De gemeente maakt daarbij onderscheid tussen maatschappelijke voorzieningen met een niet-commercieel karakter, sociale woningbouw die wordt gerealiseerd binnen het DAEB-domein door toegelaten instellingen, en overige marktgedreven functies. Dit onderscheid is bepalend voor de wijze waarop marktconformiteit, staatssteun en eventuele afwijkingen van de marktwaarde worden beoordeeld.

Ter voorkoming van ongeoorloofde staatssteun hanteert de gemeente marktconforme prijzen bij de verkoop en verhuur van gronden en de vestiging van zakelijke rechten zoals opstal en erfpacht. De marktconformiteit kan in principe op twee manieren worden aangetoond. Door middel van een voldoende openbaar gemaakte en onvoorwaardelijke biedprocedure waarbij meerdere marktpartijen een grondbod mogen uitbrengen of door een (voorafgaande) onafhankelijke taxatie van de marktwaarde. De Europese Commissie gaat ervan uit dat als 1 van deze twee procedures is gevolgd er met de transactie geen staatssteun is gemoeid. Transacties waarbij deze procedures niet zijn gevolgd, onverminderd de de-minimisvrijstelling, moet de gemeente bij de Commissie aanmelden.

Maatschappelijke grondprijs

Bij de verkoop, verhuur of vestiging van zakelijke rechten, zoals opstal en erfpacht, hoeft er geen sprake te zijn van staatssteun als de transactie niet voldoet aan de staatssteuncriteria. In dat geval hoeft er geen rekening gehouden te worden met de staatssteunregels. Dit kan bijvoorbeeld van toepassing zijn bij de verkoop van reststroken groen of grond voor maatschappelijke en culturele voorzieningen, zoals scholen, kerken en zorginstellingen, die alleen binnen de gemeente actief zijn.

Maatschappelijke voorzieningen vervullen een publieke functie en hebben doorgaans geen commerciële doelstelling. Denk hierbij aan scholen, ziekenhuizen of zwembaden. Indien niet aan de criteria van staatssteun wordt voldaan kan een maatschappelijke grondprijs worden gehanteerd. Dit vraagt wel om zorgvuldige afweging, aangezien sommige grondtransacties een potentieel grensoverschrijdend effect kunnen hebben, wat de staatssteunregels weer van toepassing zou maken. Wanneer een maatschappelijke voorziening een commercieel oogmerk heeft, moet per geval worden beoordeeld of een maatschappelijke grondprijs passend is. De Europese lijst van niet-commerciële voorzieningen kan hierbij als leidraad dienen.

Ook als er geen sprake is van staatssteun, moeten de regels van de Wet Markt en Overheid worden gevolgd. Dit betekent dat de grondprijs ten minste kostendekkend moet zijn, tenzij de gemeenteraad besluit dat sprake is van een algemeen belang dat een lagere prijs rechtvaardigt. Dit betekent dat de grondprijs ten minste kostendekkend moet zijn, tenzij de gemeenteraad besluit dat er een algemeen belang wordt gediend dat een lagere prijs rechtvaardigt.

Sociale grondprijzen

De gemeenteraad kan besluiten dat voor sociale woningbouw, gerealiseerd door toegelaten instellingen binnen het DAEB-domein, een sociale grondprijs wordt gehanteerd. Een dergelijke benadering kan bijvoorbeeld vorm krijgen via specifieke regelingen of samenwerkingsmodellen, zoals bij de regeling Betaalbare Koopwoningen Zaanstad (BKZ).. Bij dit model blijft de grond onder een BKZ-starterswoning eigendom van BKZ, en krijgen bewoners een deel van de erfpachtcanon kwijtgescholden. Daarnaast participeert BKZ in de waarde en financiering van de woning.

Volgens de Woningwet is dit toegestaan voor diensten van algemeen economisch belang (DAEB), zoals sociale huisvesting. Deze vorm van steun valt binnen de staatssteunregels, maar wordt gezien als geoorloofde staatssteun, waardoor rapportage aan de Europese Commissie vereist is. De rapportage gaat over het voordeel dat woningcorporaties in het voorgaande jaar hebben ontvangen door de lagere grondprijs, waarbij de transactiedatum leidend is.

De sociale grondprijzen, waaronder de methodiek, het toepassingsbereik en de voorwaarden, zijn vastgelegd in een afzonderlijk besluit van de gemeenteraad op 17 oktober 2024.

5.3.2 Verkoop en verhuur van vastgoed

Om te voorkomen dat een locatie met een vervallen functie onbedoeld wordt verkocht zonder een zorgvuldige beoordeling van het strategische belang voor toekomstige ontwikkelingen, geldt het uitgangspunt dat locaties pas worden verkocht als duidelijk is dat ze niet nodig zijn voor eigen gebruik of toekomstige gebiedsontwikkeling. Dit geldt ook voor locaties in economische focusgebieden zoals bedrijventerreinen en kernwinkelgebieden. In afstemming met economische zaken wordt bepaald of vastgoed behouden, verkocht of getransformeerd kan worden. Dit gebeurt door voor alle eigendommen een pandvisie op te stellen waarin deze belangen worden meegenomen.

Vastgoed wordt dus pas verkocht wanneer er geen belemmeringen zijn en daarbij worden de volgende uitgangspunten die voldoen aan de jurisprudentie(Didamarrest) gehanteerd:

•De gemeente vraagt bij verkoop een marktconforme prijs.

•Meestal vindt verkoop openbaar plaats, via een openbare selectie of veiling. Uitzonderingen zijn vastgelegd in de bijlage van deze nota. Bij openbare verkoop worden de gunningscriteria vooraf duidelijk vastgelegd (hoogste prijs of beste prijs-kwaliteitverhouding).

•Het verkoopproces moet transparant en zorgvuldig verlopen, met goedkeuring van college en/of raad.

•De verkoop moet voldoen aan de geldende planologische vereisten of er moet bereidheid zijn deze aan te passen.

Kostprijsdekkende verhuur

Een deel van het gemeentelijk vastgoed wordt verhuurd, waarbij specifieke regels gelden. De toewijzing moet transparant en op basis van objectieve, toetsbare criteria gebeuren. De huurprijsopbouw moet helder zijn, omdat dit een belangrijke kostenpost is voor de huurders. Voorspelbaarheid van de huurprijs is belangrijk, zodat organisaties hun financiële planning goed kunnen beheren. In het huurcontract worden duidelijke afspraken vastgelegd over het gebruik van het pand, de verdeling van onderhoudskosten en de toekomstige huurprijsontwikkeling.

Volgens de Wet Markt en Overheid en staatssteunregels moeten partijen die economische activiteiten verrichten, ongeacht hun winstoogmerk, een marktconforme huur betalen. Voor maatschappelijke organisaties is een uitzondering mogelijk, waarbij minimaal een kostprijsdekkende huur wordt gevraagd. In een nog op te stellen Algemeen Belang Besluit kunnen activiteiten met groot maatschappelijk belang vrijgesteld worden van de Wet M&O. In de bijlage van deze nota wordt dit nader toegelicht.

De kostprijsdekkende huur omvat:

•Kapitaallasten (rente en afschrijving)

•Overige lasten (zoals OZB, rioolheffing, verzekeringen)

•Onderhoudskosten

•Beheerkosten

De verhuur van gemeentelijk vastgoed vindt plaats binnen de kaders van het grond- en vastgoedbeleid, waaronder het uitgangspunt van minimaal kostendekkende exploitatie. De vraag of en op welke wijze maatschappelijke organisaties worden ondersteund bij het realiseren van hun activiteiten is een afzonderlijke beleidsmatige en bestuurlijke afweging. Deze afweging staat los van de vastgoedexploitatie en maakt geen onderdeel uit van de taak van grondzaken.

Bijlage Toelichtingen nota Grond- en vastgoedbeleid

Dit document is de bijlage die hoort bij de conceptversie 1.7 van de nota grond- en vastgoedbeleid, oktober 2024

Deze toelichting nota grond- en vastgoedbeleid is opgesteld door Guido Mertens Advies in opdracht van en in samenwerking met de gemeente Zaanstad. In de nota is gebruik gemaakt van teksten en figuren uit de modelnota grondbeleid van Guido Mertens Advies, versie augustus 2024 (in ontwikkeling).

Deze bijlage bevat een toelichting en uitwerking van de in de nota Grond- en Vastgoedbeleid vastgestelde beleidskaders. De bijlage vormt geen zelfstandig normerend of besluitvormend kader; waar afzonderlijke besluitvorming door college of gemeenteraad vereist is, is dit in de nota expliciet benoemd.

Toelichtingen hoofdstuk 2 – Regie met het grond- en vastgoedbeleid

Elke gebiedsontwikkeling vraagt om een unieke aanpak en een specifiek grondbeleid. Het proces voor besluitvorming wordt daarom afgestemd op de specifieke situatie van de ontwikkeling. Hierbij ligt de nadruk op de maatschappelijke impact die via ruimtelijke ontwikkeling en grondbeleid gerealiseerd kan worden, met oog voor de financiële consequenties. Echter, maatschappelijke impact heeft altijd prioriteit.

Van opgave naar uitvoering

Er zijn enkele belangrijke stappen die in het proces van gebiedsontwikkeling van belang kunnen zijn. Deze stappen worden ondersteund door het grondbeleid en helpen bij de uitvoering:

1Analyse van de opgave: Eerst wordt onderzocht waarom de ontwikkeling nodig is. Dit omvat vragen over het gebied, de relaties met andere gebieden, gewenste functies en voorzieningen, mogelijke belemmeringen, en technische of financiële uitdagingen. Ook wordt gekeken naar de belangen van eigenaren, gebruikers, overheden en andere stakeholders.

2Ontwikkelstrategie: De ontwikkelstrategie beschrijft hoe de analyse wordt omgezet in concrete plannen. Dit omvat afspraken over samenwerking, rollen van betrokken partijen, en het vertalen van ambities uit beleidsvisies naar specifieke ruimtelijke kaders. Ook wordt het gewenste maatschappelijk rendement vastgelegd, in samenhang met een financieel kader.

3Ruimtelijk Programma van Eisen: Indien nodig, wordt er een Ruimtelijk Programma van Eisen opgesteld. Hierin worden de belangrijkste uitgangspunten en randvoorwaarden voor de ontwikkeling beschreven, zoals functies, een stedenbouwkundig concept en de kwaliteit van de openbare ruimte.

4Samenwerkingsstrategie: De ontwikkelstrategie vormt de basis voor de samenwerkingsstrategie. De gemeente kan samenwerken met woningcorporaties, ontwikkelaars of beleggers, afhankelijk van de beschikbaarheid van de locatie en de betrokken partijen.

Flexibiliteit en maatwerk

Elke locatie en ontwikkeling is uniek. De mate van urgentie en de omstandigheden die een ontwikkeling mogelijk maken, verschillen per project. Dit vraagt om een flexibele benadering waarbij de rol van de gemeente telkens opnieuw wordt bepaald.

Naast de gemeente kunnen bij de ontwikkeling ook een woningcorporatie, een ontwikkelaar/eigenaar (van de locatie), een bouwer en een belegger betrokken zijn. Bij iedere (gebieds)ontwikkeling is daarom sprake van samenwerking. Het komt zelden voor dat een van de partijen alle fases van een ontwikkeling voor eigen rekening en risico uitvoert. De fases in een gebiedsontwikkeling hebben wij beschreven in het Plaberum.

Figuur: Vereenvoudigde weergave fases gebiedsontwikkeling uit het Plaberum

Deze nota biedt het kader voor het aankopen en inzetten van gemeentelijke gronden in gebiedsontwikkelingen. Het college handelt binnen de door de raad vastgestelde kaders om het proces optimaal te begeleiden.

De verschillende afwegingsmomenten

We onderscheiden in grote lijnen vier momenten waar we de integrale afweging van een ontwikkeling en de rolkeuze erbinnen bepalen. Deze zijn in de nota in volgende figuur opgenomen en worden hieronder nader toegelicht. Dit zijn geen verplichte opeenvolgende stappen.

Figuur: De afwegingsmomenten

Opstellen van toekomstvisies/beleidsvisies

Bij het opstellen van toekomst- of beleidsvisies wordt direct een koppeling gemaakt met het grondbeleid. Dit betekent dat in nieuwe visies en plannen een uitvoeringsparagraaf wordt opgenomen, waarin een eerste indicatie wordt gegeven van de benodigde rol om de ambities te realiseren. Hierin wordt globaal aangegeven waar ontwikkelingen kunnen plaatsvinden, welke impact gewenst is, en welke rol de gemeente hierin moet vervullen. Op dit moment is er nog ruimte om een strategische positie in te nemen in een gebied.

Uitwerken van gebiedsvisies

Bij het verder uitwerken van een visie voor een specifieke wijk of gebied worden concretere plannen benoemd. Hierbij wordt de beleidsambitie verder verfijnd en opnieuw beoordeeld welke rol de gemeente speelt en welke instrumenten nodig zijn. Op basis van deze analyse kan de strategie worden aangepast en vervolgstappen worden gezet.

Opstellen van uitgangspunten voor een ontwikkeling

In deze fase richt de gemeente zich op de ontwikkeling van een specifieke locatie. Er wordt beoordeeld of de eerder geplande rol nog passend en haalbaar is, en welke instrumenten kunnen worden ingezet. Daarnaast wordt de samenwerkingsstrategie verder uitgewerkt.

Als een extern initiatief voor de ontwikkeling van een locatie wordt ingediend, wordt samen met de initiatiefnemer beoordeeld of gemeentelijke betrokkenheid wenselijk of noodzakelijk is. Hierbij moet de ontwikkeling in ieder geval voldoen aan de belangrijkste beleidsambities. Gezien de beperkte capaciteit moet bij elk initiatief zorgvuldig worden overwogen wat haalbaar en realistisch is.

Toelichtingen hoofdstuk 3 – De integrale afweging

Maatschappelijk rendement

Het Grond- en Vastgoedbeleid (GrVg-beleid) van Zaanstad richt zich op maatschappelijke thema's die in de Omgevingsvisie zijn benoemd:

Via gebiedsontwikkeling en de inzet van vastgoed wordt gestreefd naar kwaliteitsverbetering binnen deze thema’s, die verder zijn uitgewerkt in de "Zaanse uitdagingen.".

Verstedelijking draait om stedelijke groei met oog voor kwaliteit. Dit omvat niet alleen ruimtelijke aspecten, zoals openbare ruimte en mobiliteit, maar ook bredere doelen, zoals verbetering van gezondheid en veiligheid door bijvoorbeeld het stimuleren van beweging in de buitenruimte.

Duurzaamheid krijgt vorm op verschillende niveaus. Op gebiedsniveau speelt dit thema een rol bij het vinden van ruimte voor energievoorzieningen en klimaatadaptatie. Op pandniveau is duurzaamheid cruciaal in de strijd tegen energie-armoede.

Economie is nauw verbonden met werkgelegenheid en daarmee kansengelijkheid en bestaanszekerheid.

Zaanstad kampt met een tekort aan bedrijventerreinen voor zowel nieuwe als bestaande bedrijven. Dit maakt herontwikkeling en intensivering van bestaande terreinen urgent. Deze ontwikkelingen vereisen veel regie om ongewenste effecten te voorkomen, zoals een tekort aan woningen of voorzieningen.

Kansengelijkheid is essentieel voor het bieden van gelijke kansen aan alle inwoners, op de woningmarkt, in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Kwetsbare wijken vragen daarbij extra aandacht om achterstanden weg te werken.

Gezondheid en veiligheid hangen sterk samen met de andere thema's. Goede lucht- en geluidskwaliteit, uitnodigende openbare ruimte en voldoende gezondheidsvoorzieningen dragen bij aan een gezondere en veiligere leefomgeving. Veiligheid wordt versterkt door leefbaarheid te verbeteren en ondermijning aan te pakken.

Deze integrale benadering zorgt ervoor dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan meerdere maatschappelijke opgaven tegelijk.

Financieel rendement

In de onderstaande figuur zijn de mogelijke geldstromen opgenomen die onderdeel kunnen zijn van de financiële businesscase bij een gebiedsontwikkeling. Dit is in de nota GrVg-beleid beschreven.

De verschillende geldstromen in een gebiedsontwikkeling worden hieronder kort toegelicht:

•Grondexploitatie: Dit instrument biedt financiële sturing bij een gebiedsontwikkeling waarbij de gemeente grondeigenaar is. Het proces omvat de inkoop van grond, het bouwrijp maken en de opbrengsten uit gronduitgifte. Afhankelijk van de ontwikkeling kan dit leiden tot een positief of negatief financieel resultaat.

•Kostenverhaal: Wanneer externe partijen de (grond)ontwikkeling uitvoeren, worden de gemeentelijke kosten voor beoordeling en planologische medewerking op deze partijen verhaald. Dit proces is budgettair neutraal, maar niet altijd zijn alle kosten verhaalbaar. Soms levert de gemeente zelf een financiële bijdrage om maatschappelijke doelen te realiseren.

•Gemeentelijk vastgoed: Als er gemeentelijk vastgoed in de ontwikkeling is betrokken, worden ook de financiële aspecten hiervan meegenomen. Denk aan de boekwaarde, verkoopopbrengst, verbouw- of sloopkosten en de invloed op kapitaal- en exploitatielasten.

•Financiële bijdragen van derden: Er kunnen bijdragen van private partijen of andere overheden zijn in de vorm van subsidies, cofinanciering of bijdragen aan gebieds- of gebouwexploitatie.

•Beheer- en onderhoudskosten: De ontwikkeling kan leiden tot veranderingen in de kosten voor het beheer en onderhoud van de openbare ruimte, die worden vergeleken met de huidige kosten.

•Belastingopbrengsten: De ontwikkeling kan nieuwe belastingopbrengsten genereren, zoals toeristenbelasting of parkeerbelasting, afhankelijk van de realisatie.

•Vervanging infrastructuur: Bij herstructureringen kan de vervanging van bestaande infrastructuur worden gefinancierd vanuit daarvoor beschikbare budgetten.

•Bijdrage uit eigen middelen: De gemeentelijke bijdrage kan komen uit de Algemene Reserve (Grondzaken) of bestemmingsreserves zoals het Transformatiefonds. Dit vereist goedkeuring van de gemeenteraad.

Hoofdstuk 5 van de nota gaat dieper in op de grondexploitatie en het kostenverhaal.

Integrale beoordeling

In de nota Grond- en Vastgoedbeleid worden de mogelijke besluiten na een integrale beoordeling als volgt toegelicht:

•Afwijzen: Wanneer de maatschappelijke impact niet het vereiste rendement oplevert, bijvoorbeeld als het plan strijdig is met het beleid, wordt het afgewezen. Ook als de maatschappelijke meerwaarde te klein is om een negatieve financiële businesscase te rechtvaardigen, volgt een afwijzing. Als er geen mogelijkheden zijn om het plan te herzien, wordt het besluit definitief.

•Herzien: Bij een negatieve integrale beoordeling, maar met mogelijke aanpassingen die wel een positief resultaat kunnen opleveren, wordt het plan herzien en opnieuw beoordeeld.

•Optimaliseren: Als de integrale beoordeling positief is, maar er ruimte is voor verbetering, kan het plan geoptimaliseerd worden. Dit kan door:

o Het verhogen van het maatschappelijk rendement van een belangrijk thema.

o Het verbeteren van het financieel rendement in een plan dat meer maatschappelijk rendement biedt dan oorspronkelijk vereist.

•Uitvoeren: Bij een positieve integrale beoordeling zonder verdere optimalisaties, wordt het plan verder uitgewerkt, de samenwerkingsstrategie bepaald en vervolgens uitgevoerd.

Toelichtingen hoofdstuk 4 – De rolkeuze in het grondbeleid

In hoofdstuk 4 van de nota GrVg-beleid zijn de verschillende rollen in het grondbeleid beschreven.

Wanneer we de vragen over de urgentie van de ontwikkeling en de gewenste invloed beantwoorden ontstaat een matrix van mogelijke combinaties van antwoorden. Deze combinaties kunnen in vier – elkaar gedeeltelijk overlappende – vakken verdeeld worden:

In het grondbeleid van de gemeente Zaanstad worden vier verschillende rollen onderscheiden, elk met een specifieke mate van urgentie en invloed:

1Initiërende ontwikkelaar: Deze rol geldt wanneer de ontwikkeling zeer tot matig belangrijk is en directe invloed door de gemeente gewenst is. De gemeente neemt hier zelf de leiding in de grondontwikkeling of werkt actief samen met andere partijen, met een sterke betrokkenheid in het proces.

2Verleidend facilitator: In deze rol wordt de ontwikkeling uitgevoerd door externe partijen, terwijl de gemeente vooral faciliteert en samenwerkt. De invloed van de gemeente is indirect tot gemengd, afhankelijk van de mate van betrokkenheid. De gemeente heeft geen direct eigendom of leiding in de grondontwikkeling.

3Afwachtende ontwikkelaar: Deze rol wordt gekozen wanneer de ontwikkeling niet tot matig belangrijk is, maar waarbij de gemeente nog steeds directe invloed uitoefent of gemengd betrokken is. De gemeente voert de ontwikkeling alleen uit als er voldoende capaciteit is en als zowel maatschappelijke als financiële resultaten positief zijn.

4Passief/toetsend: Hier is de rol van de gemeente minimaal, met weinig tot geen directe invloed. De gemeente toetst en begeleidt initiatieven die door derden worden aangedragen, zonder zelf actief deel te nemen in de ontwikkeling.

Deze vier rollen geven duidelijk de verschillende benaderingen weer waarmee de gemeente Zaanstad zich aanpast aan het belang en de mate van gewenste invloed in gebiedsontwikkelingen.

De belangrijkste verschillen tussen het oude en het huidige grondbeleid zijn in een bijgevoegde tabel toegelicht.

Uitgangspunten zoals we ze hanteerden:

Uitgangspunten die we nu gaan hanteren:

Grondbeleid wordt niet via een aparte nota vastgelegd maar via de paragraaf grondbeleid in de begroting en via artikelen rondom grondzaken in de financiële verordening.

Er komt een aparte nota grondbeleid waar we alle uitgangspunten opnemen. De paragraaf grondbeleid gebruiken we daarnaast conform voorschriften van het BBV en om kleine wijzigingen aan te kondigen die de nota grondbeleid actueel kunnen houden.

De voorkeur ligt bij het faciliteren van ruimtelijke ontwikkelingen door externe partijen.

Alle mogelijke rollen staan open zonder voorkeur vooraf. De voorkeursrol wordt situationeel bepaald aan de hand van een afwegingskader

We maken onderscheid in de grondproductierollen.

We onderscheiden vier rollen in het grondbeleid die verschillende manieren van regie en deelname met bezit kennen.

Grondexploitaties dragen bij aan de opbouw van een financiële buffer binnen Grondzaken voor de opvang van risico’s, onvoorziene kosten en mogelijkheden tot verevening.

Grondexploitaties, net als het kostenverhaal bij projecten van derden, maken deel uit van de integrale beoordeling van plannen. Hierbij wordt gestreefd naar een optimale balans tussen maatschappelijke en financiële impact. Grondexploitaties kunnen worden vastgesteld met verschillende financiële uitgangspunten. Het is mogelijk om niet-kostendekkende grondexploitaties vast te stellen wanneer deze bijdragen aan een belangrijke maatschappelijke meerwaarde. Dit geldt ook voor eventuele financiële bijdragen aan plannen van derden die zelf niet financieel rendabel zijn. In alle gevallen moet duidelijk worden aangegeven hoe de financiële dekking van deze plannen wordt geregeld.

Nieuwe grondexploitaties zijn minimaal kostendekkend.

Tabel : Belangrijkste wijzigingen in uitgangspunten grondbeleid (was-wordt)

Toelichtingen hoofdstuk 5 – Kaders en toepassing in de praktijk

Instrumenten voor verwerving

De actieve rol in grondontwikkeling hangt samen met het bezit van locaties die ontwikkeld worden. Locaties in eigendom van de gemeente of die worden aangekocht, staan in de gemeentelijke balans onder de categorie "Materiële Vaste Activa". Dit betreft gronden en opstallen die nog niet in een transformatieproces zitten.

De nota beschrijft vier instrumenten voor het verwerven van locaties:

1Minnelijke grondverwerving: Hierbij wordt in overleg met de grondeigenaar onderhandeld over vrijwillige verkoop aan de gemeente. De gemeente neemt als private partij deel aan de markt en onderhandelt over de prijs en voorwaarden. Dit proces kan parallel lopen aan het inzetten van andere instrumenten zoals voorkeursrecht of onteigening.

2Voorkeursrecht: De gemeente kan via de Omgevingswet een voorkeursrecht vestigen op grond, waardoor de eigenaar verplicht is de locatie eerst aan de gemeente aan te bieden bij verkoop. Dit instrument voorkomt speculatie en geeft de gemeente meer controle over de ontwikkeling van strategische locaties.

3Onteigening: Dit zware instrument wordt ingezet als het in het algemeen belang noodzakelijk is om grond in te nemen voor een ontwikkeling. De onteigende eigenaar ontvangt een volledige schadeloosstelling. Dit is alleen toegestaan wanneer andere mogelijkheden uitgeput zijn en er een dringende noodzaak is.

4Kavelruil: Bij kavelruil wisselen minimaal drie partijen vrijwillig onroerend goed, wat kan helpen bij het efficiënter inrichten van een gebied. Dit wordt vastgelegd in een kavelruilovereenkomst en na inschrijving bij de openbare registers vindt de eigendomsoverdracht plaats.

Ontwikkeling en voorbereiding

Grondige voorbereiding is essentieel voor het succesvol ontwikkelen van een locatie. Hierbij worden kosten gemaakt die op een bepaalde manier worden verwerkt, zolang er nog geen grondexploitatie of anterieure overeenkomst is vastgesteld.

Financiële spelregels in Zaanstad

Zaanstad hanteert de volgende spelregels voor financieel beheer:

1Het college biedt de raad bij de kadernota en begroting een geactualiseerd Meerjaren Perspectief Grondzaken (MPG) ter kennisname aan. In het MPG wordt minimaal aandacht geschonken aan:

a.de stand van zaken van de lopende grondexploitaties;

b.de meerjarige gevolgen voor de Algemene Reserve Grondzaken (ARG) en de reserve Gebiedsoverstijgende kosten (GKZ);

c.de stand van zaken van de overige lopende ruimtelijke ontwikkelingsplannen binnen gebiedsontwikkeling;

d.de stand van zaken omtrent de gebiedsontwikkeling projecten in voorbereiding;

e.het verloop van de strategische grondvoorraad.

2Het college stelt de te hanteren parameters voor actualisatie van grondexploitaties vast. De geprognosticeerde inflatieparameters worden op grond van informatie uit marktverkenning vastgesteld.

3De dekking van grondexploitaties is gekoppeld aan de onderscheiden fasen:

i.de voorbereidende fase (zoals nu benoemd in Plaberum initiatiefase, definitiefase en ontwerpfase, zoals opgenomen in artikel 1 lid p Financiële verordening), waarin mogelijkheden worden verkend en op haalbaarheid worden getoetst. Deze fase wordt gedekt uit de algemene middelen. Indien sprake is van een grondexploitatie van derden vindt in deze fase zo snel mogelijk al kostenverhaal plaats voor de voorbereidingskosten die de gemeente maakt;

ii.de uitvoerende fase, waarin bij een gemeentelijke grondexploitatie - na een go-beslissing van het bevoegd gezag - sprake is van een gemeentelijke grondexploitatie of waarin bij een grondexploitatie van derden een anterieure overeenkomst is gesloten tussen de ontwikkelaar en de gemeente. De financiële afwikkeling van de uitvoerende fase loopt over de algemene reserve grondzaken;

iii.de beheersfase waarbij het project na gereedkomen wordt overgedragen aan de beheerafdeling.

4De kosten voor de voorbereidende fase als genoemd in lid 3 onder i. worden waar mogelijk direct gedekt uit het jaarlijkse PRI budget. Lukt dit niet dan mogen deze kosten door het college worden geactiveerd tot een maximum bedrag van cumulatief € 350.000,- per jaar indien:

i.het college van oordeel is dat de kans dat de voorbereidende fase leidt tot een haalbaar project groter is dan 75%, en

ii.er wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden:

i.De kosten passen binnen de wettelijke kostensoortenlijst;

ii.De kosten mogen maximaal 5 jaar geactiveerd blijven staan;

iii.De geactiveerde kosten worden terugverdiend door kostenverhaal of andere inkomsten;

iv.Plannen tot ontwikkeling van de grond waarvoor de voorbereidingskosten worden gemaakt, moeten bestuurlijke instemming hebben, blijkend uit een raadsbesluit;

v.In geval het gaat om een faciliterend project (nog) geen duidelijke initiatiefnemer te duiden is.

Voor het activeren van kosten boven de € 350.000,- per jaar is een besluit van de raad vereist.

5Indien geactiveerde kosten voor de voorbereidende fase moeten worden afgeboekt, komen deze ten laste van de algemene reserve grondzaken.

6Een grondexploitatie wordt vastgesteld door een besluit van de raad, waardoor deze vanaf dat moment in de uitvoerende fase komt. Het college doet daartoe een voorstel aan de raad. Het voorstel bevat minimaal de volgende onderdelen:

i.bestuurlijke vastgestelde programma (referentiekader);

ii.lasten- en batenspecificatie per deelfase en het saldo op eindwaarde;

iii.kansen- en risicoanalyse;

iv.planning per deelfase; gemaakte kosten van voorbereiding;

v.fiscale toets.

vi.alternatieve dekking om de grondexploitatie sluitend te maken, wanneer dit vanuit de grondexploitatie zelf niet mogelijk is.

De raad kan bij de vaststelling van de grondexploitatie aangeven voor welke deelfase(n) tot uitvoering mag worden overgegaan en tot welke omvang de daarmee gemoeide lasten en baten zijn geautoriseerd.

7Een grondexploitatie wordt herzien op basis van een besluit van de raad. Een herzieningsbesluit van een grondexploitatie is nodig in het geval dat:

i.de afwijking op lasten en/of baten op eindwaarde groter is dan € 500.000 van de laatst vastgestelde gemeentelijke grondexploitatie of;

ii.het programma substantieel afwijkt van het laatst bestuurlijk vastgestelde programma (referentiekader);

iii.het saldo op eindwaarde meer dan € 500.000 afwijkt van de laatst vastgestelde grondexploitatie;

iv.de raad het college om een herziening verzoekt;

v.het college een herziening ter besluitvorming aan de raad wil aanbieden.

8Een voorstel tot herziening van de grondexploitatie bevat:

i.de herziene onderdelen a. tot en met c., zoals vermeld in lid 7 van dit artikel, respectievelijk een eenduidige verwijzing naar een eerdere vaststelling ingeval dit onderdeel niet is gewijzigd;

ii.de gerealiseerde lasten en baten tot aan de herziening;

iii.een analyse van de verschillen ten opzichte van de laatst vastgestelde grondexploitatie.

9Indien in een actieve grondexploitatie geen lasten en baten meer worden verwacht:

a.moet verantwoording met een voorstel tot afsluiten van de grondexploitatie uiterlijk binnen 12 maanden door het college aan de raad ter besluitvorming worden voorgelegd;

b.kan de raad besluiten een gemeentelijke grondexploitatie of een deelplan binnen een gemeentelijke grondexploitatie eerder af te sluiten, onder de voorwaarde dat op dit deelplan geen baten meer zijn te verwachten en de nog te verwachten lasten zodanig zijn in te schatten dat daarvoor een voorziening kan worden getroffen

10De in de voorbereidende fase uit het PRI budget gefinancierde kosten van gemeentelijke en particuliere grondexploitaties vloeien terug naar het PRI budget. Het terugvloeien naar het PRI budget kan betekenen dat vervolgens dit naar de egalisatie reserve PRI wordt doorgeboekt. Dit artikel is niet van toepassing bij verlieslatende grondexploitaties, omdat in zo’n geval het zou betekenen dat uiteindelijk een bedrag vanuit de algemene reserve grondzaken zou worden overgeboekt naar de PRI.

Uitvoering van een ontwikkeling

De kosten en opbrengsten die ontstaan vanuit de uitvoering van een gebiedsontwikkeling worden administratief verwerkt via een grondexploitatie. In het BBV is bepaald dat grondexploitaties in de balans van de gemeente worden opgenomen onder de post “Bouwgrond in Exploitatie (BIE)”. Het BBV stelt een richttermijn van 10 jaar voor de maximale duur van grondexploitaties. Hier kan goed gemotiveerd van worden afgeweken, waardoor ook grondexploitaties mogelijk zijn die langer duren dan 10 jaar.

In Zaanstad volgt de financiële verwerking van grondexploitaties specifieke spelregels die de verschillende fasen en besluitvormingsvereisten omvatten:

•Uitvoerende Fase: Een grondexploitatie gaat over in de uitvoerende fase na een go-beslissing van het bevoegd gezag. Vanaf dat moment kan de exploitatie van grond van start, en het college dient hiervoor een voorstel in bij de raad.

•Inhoud van het Raadsvoorstel: Het voorstel aan de raad voor de vaststelling van een grondexploitatie moet minimaal de volgende onderdelen bevatten:

o Het bestuurlijk vastgestelde programma als referentiekader.

o Een specificatie van lasten en baten per deelfase, inclusief het saldo op eindwaarde.

o Een analyse van kansen en risico’s.

o De planning per deelfase en de gemaakte voorbereidingskosten.

o Een fiscale toets.

•Raadsbevoegdheden: Bij de vaststelling kan de raad aangeven welke deelfasen van de grondexploitatie in uitvoering gaan en tot welke bedragen lasten en baten zijn geautoriseerd.

•Herziening van Grondexploitatie: De raad neemt een herzieningsbesluit bij significante wijzigingen. Dit is vereist wanneer:

o Afwijkingen van lasten en/of baten op eindwaarde de €500.000 overschrijden.

o Het programma substantieel afwijkt van het referentiekader.

o Het eindsaldo meer dan €500.000 afwijkt van de vorige vaststelling.

o De raad of het college een herziening verzoekt.

•Inhoud van het Herzieningsvoorstel: Een voorstel tot herziening moet de aangepaste elementen uit het oorspronkelijke besluit bevatten, een overzicht van gerealiseerde lasten en baten tot aan de herziening, en een analyse van de verschillen ten opzichte van de laatste vastgestelde grondexploitatie.

Gronduitgifte

In de nota zijn vier strategische keuzes opgenomen die de gemeente maakt bij gronduitgifte. Hieronder volgt een toelichting op elk van deze keuzes. De volgorde van de keuzes ligt niet vast, maar alle vier komen in ieder geval aan bod tijdens het proces.

Keuze 1: Uitgifte in huidige bestemming of na bestemmingswijziging

Grond kan worden uitgegeven binnen de huidige bestemming, waarbij ontwikkelende partijen zelf het risico dragen om een bestemmingswijziging aan te vragen. Deze aanpak is vooral interessant bij betrokken externe partijen en een faciliterende rol van de gemeente. Alternatief kan de gemeente zelf een bestemmingswijziging doorvoeren op basis van gewenste maatschappelijke doelen en ruimtelijke programmering.

Keuze 2: Uitgifte als ruwe bouwgrond of als bouwrijpe grond.

Bij uitgifte als ruwe bouwgrond draagt de koper de verantwoordelijkheid voor bouw- en woonrijp maken. Uitgifte als bouwrijpe grond is ook mogelijk, waarbij de grondprijs rekening houdt met de investeringen in voorbereidende werkzaamheden. Belangrijk is om bij beide opties rekening te houden met fiscale implicaties. Als de grond bouwrijp is gemaakt, valt deze bijvoorbeeld onder de btw-regeling, terwijl ruwe grond belast wordt met overdrachtsbelasting.

De aanbestedingswetgeving kan relevant zijn wanneer grondverkoop gepaard gaat met de verstrekking van een of meerdere overheidsopdrachten die aan aanbestedingsregels moeten voldoen. Dit kan betrekking hebben op reguliere overheidsopdrachten, waarbij een financiële betaling de tegenprestatie vormt, of op concessieopdrachten, waarbij de tegenprestatie bestaat uit een exploitatierecht. Deze verplichting ontstaat wanneer aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan:

1De gemeente ontvangt van de opdrachtnemer een prestatie waarvoor een betaling of exploitatierecht wordt verleend.

2De prestatie moet een economisch belang vertegenwoordigen voor de gemeente, bijvoorbeeld door eigendomsverwerving van een werk of door mogelijke financiële voor- of nadelen in toekomstig gebruik.

3De gemeente heeft directe of indirecte invloed op de verplichting van de opdrachtnemer om de prestatie uit te voeren.

Keuze 3: Uitgifte in volle juridische eigendom (verkoop) of gebruik (erfpacht).

Bij verkoop van grond in volledige eigendom vervalt de directe gemeentelijke invloed op toekomstig gebruik. Indien behoud van regie belangrijk is, bijvoorbeeld bij maatschappelijke voorzieningen, is erfpacht of het vestigen van een opstalrecht een geschikte optie. Tijdelijke uitgifte via verhuur of bruikleen kan gekozen worden als snel weer over de grond beschikt moet worden, bijvoorbeeld in afwachting van een definitieve bestemming. Eventueel specifieke keuzes over afwijkingen van marktconforme grondprijzen, waaronder sociale grondprijzen, worden niet in deze bijlage uitgewerkt en maken onderdeel uit van afzonderlijke bestuurlijke besluitvorming.

Keuze 4: Selectie van de partij waar grond aan wordt uitgegeven door een-op-een selectie of via openbare selectieprocedure

Het Didam-arrest stelt dat gemeenten bij gronduitgifte gelijke kansen moeten bieden aan geïnteresseerden. De gemeente kan kiezen tussen een één-op-één gunning, onder specifieke voorwaarden zoals gemeenschappelijk bezit of nabijheid, en een openbare selectieprocedure.

1Eén-op-één gunning is toegestaan bij objectieve criteria, zoals integrale ontwikkelingsplannen of nabijheidsvereisten.

2Openbare selectieprocedure biedt transparantie en eerlijke toegang voor geïnteresseerden en kan worden ingericht via loting, hoogste bod, of selectie op prijs en kwaliteit

Eén op één uitgifte

Volgens het Didam-arrest van de Hoge Raad mag een gemeente niet zomaar onroerende zaken aan één partij gunnen zonder openbare selectie. In bepaalde gevallen is een één-op-één gunning wel toegestaan, mits objectieve, toetsbare en redelijke criteria zijn toegepast. Toegestane situaties zijn onder andere:

•Gemengd bezit: Bij integrale ontwikkeling waar zowel gemeentelijk bezit als onroerende zaken van de marktpartij nodig zijn. Dit kan leiden tot samenwerking of uitwisseling van gronden, bijvoorbeeld via een bouwclaim of ruiling.

•Nabijheid: Bij uitbreiding van eigendommen voor bedrijven of particulieren met aangrenzend eigendom. Indien meerdere partijen aangrenzend eigendom hebben, krijgen allen een gelijke kans.

•Specifiek vastgoed: Bepaalde locaties of vastgoed worden specifiek aan een partij aangeboden, bijvoorbeeld aan woningcorporaties voor sociale huurwoningen of zorg- en onderwijsinstellingen. Wanneer meerdere partijen in aanmerking komen, dienen zij gelijke kansen te krijgen.

•Marktinitiatieven: Een uniek marktinitiatief kan leiden tot één-op-één gunning wanneer het project niet in beleidsplannen is opgenomen en bereidheid bestaat het beleid hiervoor aan te passen

Stappenplan bij een-op-een gronduitgifte:

1Collegebesluit waarin de motivatie voor één-op-één-uitgifte en het overslaan van een openbare selectieprocedure wordt vastgelegd

2Publicatie van het voorgenomen besluit tot verkoop, inclusief motivering, op de gemeentelijke website.

3Bieding van een redelijke termijn waarin derden bezwaar kunnen maken of klacht kunnen indienen.

4Bij geen bezwaar of klacht: ondertekening van de overeenkomst.

5Bij bezwaar: het oordeel van de rechter afwachten en hierop anticiperen.

6Bij klacht, zonder beroep: afwachten van oordeel college en handelen volgens dat oordeel.

Openbare selectieprocedure

Indien niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor één-op-één-uitgifte, volgt een openbare selectieprocedure. Dit kan plaatsvinden via:

•Lotingssysteem: Geschikt voor particuliere kavelverkoop.

•Prijsselectie: Toepassing van selectie op basis van het hoogste bod wanneer kwaliteit is gewaarborgd.

•Getrapte selectie: Selectie op prijs en door de gemeente gestelde eisen en doelen, vooral voor projectmatige uitgifte

Stappenplan bij openbare selectieprocedure:

1Collegebesluit tot openbare selectie, met keuze voor type selectieprocedure.

2Specificatie van onroerende zaken, toegestane activiteiten, minimumeisen, verloop van de procedure en selectiecriteria.

3Publicatie van aankondiging voor selectieprocedure met voorwaarden.

4Mededeling aan deelnemers van geselecteerde partij.

5Redelijke termijn voor beroep door andere deelnemers bij civiele rechter (en eventuele klacht).

6Bij geen beroep of klacht: ondertekening van de overeenkomst.

7Bij beroep: oordeel van rechter afwachten en hiernaar handelen.

8Bij klacht zonder beroep: oordeel van college afwachten en opvolgen

Financieel resultaat

De grondexploitatie kan leiden tot zowel winst als verlies. Vanaf de start van een grondexploitatie wordt een prognose gemaakt van het verwachte financiële eindresultaat. De raad keurt het begrotingskader van de grondexploitatie goed door jaarlijkse vaststelling. Bij de bepaling van winst en verlies worden de regels uit het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) gevolgd, met de volgende uitgangspunten:

•Nadelige resultaten: Voor gebiedsontwikkelingen met een verwacht financieel tekort wordt een verliesvoorziening getroffen ter grootte van het verwachte tekort, berekend op basis van de Netto Contante Waarde.

•Positieve resultaten: Bij een verwachte winst wordt de Percentage of Completion (POC)-methode toegepast. Hiermee wordt jaarlijks het tussentijdse winstbedrag berekend, dat ten gunste komt van de Algemene reserve Grondexploitaties.

Financiële spelregels in Zaanstad

In Zaanstad gelden de volgende financiële spelregels:

•Eindafrekening: Bij afsluiting van een gebiedsontwikkeling volgt een eindafrekening van de grondexploitatie. Het uiteindelijke winstsaldo, na vergelijking met eventuele tussentijdse winsten, komt ten gunste van de Algemene Reserve Grondexploitaties.

•Verrekening via ARG: Zowel verliezen als winsten van grondexploitaties en projecten met anterieure overeenkomsten worden verrekend met de Algemene Reserve Grondzaken (ARG). Winstnemingen conform de POC-methode worden ook naar deze reserve overgeboekt. Alleen als de ARG bij de jaarrekening boven 125% van het benodigde weerstandsvermogen komt, wordt het overschot naar de Algemene Reserve (AR) overgeboekt.

•Afwikkeling uitvoeringsfase: De financiële afwikkeling van de uitvoerende fase loopt volledig via de Algemene Reserve Grondzaken.

•Afsluiting zonder baten: Als er in een actieve grondexploitatie geen verdere lasten of baten verwacht worden, legt het college binnen 12 maanden een afsluitingsvoorstel ter besluitvorming voor aan de raad.

•Vroegtijdige afsluiting door de raad: De raad kan besluiten een gemeentelijke grondexploitatie of een deelplan eerder af te sluiten, mits er geen inkomsten meer verwacht worden en toekomstige lasten duidelijk zijn, zodat hiervoor een voorziening getroffen kan worden.

Verhuur van vastgoed

De uitgangspunten voor de verhuur van gemeentelijk vastgoed in Zaanstad zijn als volgt:

•Marktconforme en kostendekkende verhuur: Gemeentelijk vastgoed wordt verhuurd tegen een marktconform tarief, mits dit boven het kostendekkende tarief ligt. Minimaal dient altijd een kostendekkend tarief gehanteerd te worden.

•Staatssteunregels: Bij verhuur onder de marktprijs aan ondernemingen bestaat het risico op staatssteun, aangezien dit een economisch voordeel kan bieden dat met staatsmiddelen wordt bekostigd. Hierbij gelden vijf cumulatieve criteria om vast te stellen of er sprake is van staatssteun, zoals vastgesteld door de Europese Commissie. Wanneer alle criteria van toepassing zijn, moet de gemeente de steunmaatregel bij de Europese Commissie melden, tenzij een vrijstellingsverordening (bijvoorbeeld de de-minimisverordening of de Algemene Groepsvrijstellingsverordening) van toepassing is. Vrijstellingen verminderen de meldingsplicht, maar vereisen nog steeds transparantie en verslaglegging. Verhuur onder de marktprijs aan commerciële partijen leidt vaak tot ongeoorloofde staatssteun. Bij maatschappelijke en culturele organisaties is dit risico kleiner, maar dient een toetsing alsnog plaats te vinden.

•Wet Markt en Overheid: Als er geen sprake is van staatssteun, of wanneer de de-minimisverordening wordt toegepast, is de Wet Markt en Overheid van toepassing. Deze wet stelt vier gedragsregels voor de gemeente bij economische activiteiten, zoals vastgoedverhuur. Een belangrijke regel vereist dat de gemeente ten minste de integrale kosten doorberekent bij commerciële verhuur. Meer dan de integrale kosten berekenen is toegestaan, maar voor activiteiten in het algemeen belang (besloten door de gemeenteraad) kan een uitzondering gelden.

•Subsidiemogelijkheden bij onbetaalbaarheid: Indien toepassing van een kostendekkende of marktconforme huur leidt tot onwenselijke maatschappelijke effecten, kan het college of de gemeenteraad, binnen de daarvoor geldende beleidskaders, besluiten tot een afzonderlijke beleidsmatige tegemoetkoming. Deze afweging maakt geen onderdeel uit van de vastgoedexploitatie en behoort niet tot de taken van grondzaken.

Relatie met vennootschapsbelasting

Voor de eigen grondexploitaties kan vennootschapsbelasting (Vpb) verschuldigd zijn. Daarom wordt bij nieuwe plannen een Vpb-toets uitgevoerd, en de mogelijke belastingdruk op de grondexploitatie wordt inzichtelijk gemaakt bij de besluitvorming. Waar deze nota (inclusief bijlagen) verwijst naar een positief resultaat van een grondexploitatie, wordt daarmee de winst vóór aftrek van eventuele Vpb bedoeld. De uitkomsten worden op dezelfde manier in de P&C-cyclus opgenomen.

Kostenverhaal

Wanneer de gemeente geen grondeigenaar is maar wel kosten maakt voor de ontwikkeling van een plan (zoals planopstelling, aanleg van openbare voorzieningen, of inrichting van openbare ruimte), is het verplicht om deze kosten te verhalen op de initiatiefnemer. De voorkeur gaat uit naar het vastleggen van afspraken over kostenverhaal in een overeenkomst met de initiatiefnemer. Het Zaanse model voor de anterieure overeenkomst biedt hiervoor een leidraad. In de nota Gebiedsoverstijgende Kosten Zaanstad (GKZ) zijn ook afspraken opgenomen over gebiedsoverstijgende kosten. Indien een overeenkomst niet mogelijk is, wordt het publiekrechtelijk kostenverhaal toegepast.

Kostenverhaal via overeenkomst

Bij voorkeur wordt kostenverhaal via een overeenkomst geregeld, waarbij de volgende voordelen gelden:

•Flexibiliteit: Vrijheid om afspraken te maken buiten de strikte regels van profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid.

•Betalingsregeling: Mogelijkheid om kosten gespreid te betalen, bijvoorbeeld per fase in de ontwikkeling.

Deze overeenkomst biedt ook ruimte voor aanvullende voorwaarden, bijvoorbeeld rond programmering en fasering, mits deze redelijk en billijk zijn en binnen de geldende wet- en regelgeving vallen. Bij grote, langdurige projecten kan een intentieovereenkomst voorafgaan aan de anterieure overeenkomst, waarbij de initiatiefnemer de gemaakte kosten vergoedt en de voorwaarden voor medewerking aan het initiatief worden vastgelegd.

Plankosten in anterieure trajecten:

Voor projecten van derden streeft Zaanstad ernaar om gemaakte plankosten te verhalen. Dit proces omvat drie fasen:

•Quickscan-fase: Gebruik van normbedragen op basis van verwachte complexiteit.

•Intentiefase: Inschatting van benodigde inzet per discipline om de haalbaarheid te onderzoeken.

•Anterieure fase: Gebruik van een plankostenmodel met kostenschattingen per discipline, afgestemd op de ministeriële plankostenscan.

Publiekrechtelijk kostenverhaal

Indien een overeenkomst niet mogelijk is, wordt publiekrechtelijk kostenverhaal verplicht toegepast. Zonder betaling van deze bijdrage is bouw niet toegestaan. Onder de Omgevingswet is het exploitatieplan vervangen door regels in het omgevingsplan, waarin het kostenverhaal als volgt wordt gespecificeerd:

•Bepalen welke gebieden kosten dragen.

•Specifiëren van kosten die aan deze gebieden worden toegerekend.

•Vastleggen van kostenverdeling over activiteiten en eindafrekening.

Het omgevingsplan biedt de keuze tussen:

•Integrale gebiedsontwikkeling (kostenverhaal met tijdvak): Raming en vastlegging van kosten.

•Organische gebiedsontwikkeling (kostenverhaal zonder tijdvak): Enkel het maximum aan kosten wordt vastgelegd, gevolgd door nadere berekeningen bij afgifte van de kostenverhaalsbeschikking.

Aanvullend Publiekrechtelijk Kostenverhaal

Bovenop het reguliere kostenverhaal kunnen initiatiefnemers ook bijdragen aan verbeteringen in de fysieke leefomgeving, zoals evenwichtige woningbouw, infrastructuur, en recreatieve voorzieningen. De voorwaarden hiervoor zijn opgenomen in de nota GKZ.

Informatievoorziening

Effectief financieel beheer vereist heldere en naleefbare kaders en spelregels, samen met een adequate planning- en controlcyclus. De financiële kaders zijn grotendeels vastgelegd in het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV), dat als landelijke standaard voor alle gemeenten geldt en betrekking heeft op de gehele integrale financiële businesscase. De gemeente Zaanstad volgt deze regels en geeft hieraan aanvullende invulling in de financiële verordening waar nodig.

Verdeling van Verantwoordelijkheden: Raad en College

De gemeenteraad stelt de kaders vast en houdt toezicht op naleving. Het college voert het dagelijks bestuur en zorgt binnen de gestelde kaders voor de uitvoering van de vastgelegde doelen. Beleidsuitvoering ligt bij het ambtelijk apparaat, dat werkt op basis van bestuurlijk goedgekeurde plannen en exploitatie- of projectdocumenten. De rolverdeling tussen raad en college wordt in onderstaande tabel nader toegelicht.

Gemeenteraad

College van B&W

Grond- en vastgoedbeleid

•Vaststellen nota grond- en vastgoedbeleid.

•Toezicht op de uitvoering ervan.

•Uitvoeren grond- en vastgoedbeleid.

•Verantwoording afleggen via paragraaf grondbeleid in begroting en jaarrekening en in het Meerjarenprogramma grondexploitaties (MPG)

Kostenverhaal

•Vaststellen kaders in separate nota cq uitvoeringsparagraaf Omgevingsvisie m.b.t. kostenverhaal.

•Vaststellen/wijzigen omgevingsplan met regels voor publiekrechtelijk kostenverhaal.

•Waar nodig reageren met wensen en bedenkingen over overeenkomsten.

•Sluiten van intentie-, anterieure en posterieure overeenkomsten en de verdere uitvoering van het kostenverhaal.

Samenwerken

•Waar nodig reageren met wensen en bedenkingen

•Sluiten van samenwerkingsovereenkomsten en het oprichten en eventueel deelnemen in een privaatrechtelijk rechtspersoon

Grondexploitaties

•Vaststellen, actualiseren en afsluiten van grondexploitaties

•Bepalen resultaatbestemming bij winstneming.

•Jaarlijkse kredietverlening voor de uitgaven in de grondexploitaties op basis van de geactualiseerde grondexploitaties.

•Voorbereiden, opstellen en actualiseren van grondexploitaties.

•Rapporteren over grondexploitaties.

Verwerving

•Kredieten ter beschikking stellen

•Voorkeursrecht vestigen

•(Besluit tot) onteigening

•Uitvoeren van verwervingen

•Strategische en proactieve aankopen gronden en vastgoed

Gronduitgifte

•Waar nodig reageren met wensen en bedenkingen

•Verkoop van gronden en gebouwen

•Vaststellen algemene verkoopvoorwaarden

Grondprijzen

•Vaststellen kaders in separate nota

•Vaststellen grondprijzenbrief

Kaderstelling, toezicht en verantwoording

•Vaststellen begroting, jaarrekening en MPG.

•Vaststellen Omgevingsvisie, Omgevingsplannen, gebiedsvisies en sectoraal beleid.

•Opstellen plannen en verantwoording begroting, jaarrekening en MPG

•Opstellen plannen en beleid.

•Toetsen van plannen aan beleid en wetgeving.

Tabel: Schema rolverdeling raad en college

Het college informeert de raad over de uitvoering van het grondbeleid via de Planning & Control-cyclus (P&C-cyclus). Deze informatie wordt verstrekt in de paragraaf grondbeleid in de begroting en jaarrekening. In de jaarrekening worden alle financiële uitgangspunten toegelicht die zijn gehanteerd bij de actualisatie van de grondexploitaties en de bepaling van het resultaat.

Het Meerjaren Perspectief Grondzaken (MPG) en de paragraaf grondbeleid

Tweemaal per jaar wordt een Meerjaren Perspectief Grondzaken (MPG) opgesteld, waarin de grondexploitaties worden geactualiseerd. Dit MPG is onderdeel van de P&C-cyclus en wordt gekoppeld aan de begroting en jaarstukken. Via het MPG legt het college verantwoording af over het gevoerde beleid en biedt actuele informatie over de grondexploitaties, waaronder prognoses van de verwachte resultaten. In de paragraaf grondbeleid in de begroting en jaarstukken wordt een samenvatting van het MPG opgenomen, in lijn met de BBV-voorschriften. Deze paragraaf geeft inzicht in:

•gerealiseerde kosten en opbrengsten van door de raad vastgestelde grondexploitaties, inclusief afwijkingen

•waardering van voorraadposities van gemeentelijke grond, inclusief gedane aankopen

•financiële resultaten van de totale grondexploitaties en de impact op het exploitatieresultaat in de jaarrekening

•mutaties in de reserves en voorzieningen voor grondzaken

•risico’s van grondzaken en de relatie met het weerstandsvermogen in de jaarrekening.

In deze paragraaf worden ook beleidswijzigingen toegelicht die nodig zijn door nieuwe wet- en regelgeving, economische omstandigheden of beleidsaanpassingen. Zo blijft de nota grondbeleid actueel zonder noodzaak voor frequente herziening. Kleine wijzigingen worden via de paragraaf grondbeleid in begroting en jaarrekening toegevoegd aan een addendum van de nota grondbeleid, waarvoor een apart besluit wordt opgenomen bij de vaststelling van deze documenten. Grote beleidswijzigingen worden aan de raad voorgelegd via een volledige herziening van de nota.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.