Gemeentelijke regelgeving

Nota dierenwelzijn 2019

Gemeente Zaanstad · geldt sinds 23 mei 2020

Bijlage 1. Wetgeving op het gebied van dierenwelzijn

Wet Dieren

Op 1 januari 2013 is de Wet Dieren in werking getreden. De Wet dieren is een kaderwet. Dit betekent dat deze een beperkt aantal regels stelt en daarnaast de mogelijkheid biedt om allerlei deelonderwerpen (bijvoorbeeld regels ten aanzien van houden en doden van dieren) te regelen via Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en ministeriële rege¬lingen. De Wet dieren is de belangrijkste wet met betrekking tot gehouden dieren (onder ander landbouwhuisdieren en gezelschapsdieren) en bundelt alle regels ten aanzien van deze dieren in één wet. De volgende bestaande wetten gaan op in de Wet dieren en zijn of komen fasegewijs (deels) te vervallen:

•Gezondheids- en Welzijnswet voor dieren (Gwwd)

•Diergeneesmiddelenwet

•Wet op de Dierenbescherming (inclusief Waak- en heemhondenbesluit)

•Wet op de uitoefening van de Diergeneeskunde 1990

•Kaderwet Diervoeders

•Landbouwkwaliteitswet

De belangrijkste regels op het gebied van dierenwelzijn zijn opgenomen in drie AMvB’s. Het betreft het Besluit houders van dieren, het Besluit gezelschapsdieren (vervangt het Honden- en kattenbesluit 1999) en het Besluit diergeneeskundigen. In het Besluit houders van dieren zijn algemene regels opgenomen voor het houden van dieren, het doden van dieren en evenementen met dieren. Ook bevat het besluit aanvullende regels over dieren¬mishandeling en specifieke regels voor het houden van bepaalde diersoorten (runderen, varkens, kippen). Met name dit besluit bevat regels die voorheen golden op grond van de Gwwd. In het Besluit diergeneeskundigen zijn onder andere regels opgenomen over licha¬melijke ingrepen die zijn toegestaan. De Wet Dieren bevat enkele noviteiten. Zo is voor het eerst de erkenning van de intrinsieke waarde (eigenwaarde) van het dier expliciet als uitgangspunt vastgelegd in de belang¬rijkste wet voor gehouden dieren (artikel 1.3). Ook het verplicht chippen van honden is geregeld in de Wet dieren.

Positieflijst

Een andere belangrijke vernieuwing is de komst van de zogeheten ‘positieflijst’ voor zoogdieren. Dit is een limitatieve lijst van zoogdieren die als huisdier gehouden mogen worden. Er zal een overgangsregeling komen zodat de mensen die een zoogdier bezitten dat niet op de positieflijst staat het mogen houden tot het overlijdt. Op termijn komen er ook positieflijsten voor vogels, reptielen en amfibieën en vissen. De landelijke Dierenbescherming ziet voordelen in het hanteren van positieflijsten, mits ze voldoende onderscheidend effect hebben.

Vijf vrijheden

In 1965 werd in Europees verband door de Commissie Brambell een uitgangspunt voor een definitie van dierenwelzijn geformuleerd aan de hand van vijf vrijheden. Binnen het verband van de Europese Unie is ter bevordering van het dierenwelzijn besloten om dieren deze vijf, op grondrechten van mensen lijkende, vrijheden toe te kennen:

•vrij zijn van dorst, honger en ondervoeding;

•vrij zijn van fysiek en fysiologisch ongerief;

•vrij zijn van pijn, verwondingen en ziektes;

•vrij zijn van angst en chronische stress;

•vrij zijn om het normale gedrag te kunnen uitoefenen.

De vijf vrijheden van Brambell zijn opgenomen in de Wet Dieren. Een overheid dient op basis van de meest recente wetenschappelijke kennis en maatschappelijke opvattingen een streefniveau voor dierenwelzijn op te stellen. Bij de formulering van het streefniveau moet zowel worden uitgegaan van bevordering van de lichamelijke gezondheid als van het welbevinden van het dier.

Wet Natuurbescherming

Per 1 januari 2017 trad de Wet Natuurbescherming in werking. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Het is daarmee de belangrijkste wet voor de bescherming van in het wild levende dieren en hun leefomgeving. In de Wet Natuurbescherming is de bescherming vooral gericht op soorten die vanuit internationale afspraken beschermd moeten worden door Nederland. Wel is er voor de ‘overige’ soorten een basisbeschermingsregime en geldt voor alle soorten een zorgplicht.

Wet op de Dierproeven

Dierproeven zijn in principe verboden. Om dierproven te mogen uitvoeren heeft een instelling (bijvoorbeeld universiteit of farmaceutisch bedrijf) een instellingsvergunning van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit nodig en de onderzoekers een projectvergunning van de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). Aan welke eisen en voorwaarden de instellingen en onderzoekers nog meer moeten voldoen, staat beschreven in de Wet op de Dierproeven (Wod) en in het Dierproevenbesluit. De Wod bestaat sinds 1977 en is in 1996 gewijzigd. Een grote herziening, volgend uit een nieuwe Europese dierproevenrichtlijn, is in 2014 doorgevoerd. In de Wod is ook vastgelegd voor welke doeleinden dierproeven wel of niet gedaan mogen worden.

Een vergunning wordt verleend voor proeven:

•in het kader van biomedisch onderzoek: voor het bestuderen van ziekten en het ontwikkelen van medicijnen en therapieën;

•die zowel nationaal als internationaal wettelijk verplicht zijn: dit zijn voornamelijk giftigheidtests in het kader van veiligheid van bijvoorbeeld verf- en schoonmaakmid¬delen, stoffen in huishoudelijke producten en chemische stoffen in landbouw en industrie. Ook worden er tests gedaan om te zien of stoffen in bijvoorbeeld genees¬middelen, vaccins en ander medische producten wel werken;

•vanwege wetenschappelijk onderzoek: zo worden er dieren uit het wild gevangen en voor giftigheidtests gebruikt, maar ook worden ze gemerkt en weer teruggezet in hun leefomgeving om hun gedrag of de grootte van hun territorium te bestuderen.

Burgerlijk Wetboek

Gemeenten hebben een wettelijke verplichting met betrekking tot het opvangen van zwervend aangetroffen dieren. In artikel 5.8 lid 3 Burgerlijk Wetboek is vastgelegd dat een gevonden dier, met een vermeende eigenaar, onder de verantwoordelijkheid van de gemeente valt. De gemeente moet deze ‘gevonden zaak’ gedurende 14 dagen voor de eigenaar bewaren. In de periode dat het dier door de gemeente wordt ‘bewaard’ is de gemeente verantwoordelijk voor alle kosten voor verzorging en vervoer. Zaanse Stichting Dierenzorg (ZSD) voert sinds jaren deze wettelijke taak uit voor de gemeente Zaanstad Dierenzorg krijgt hiervoor een (niet-kostendekkende) vergoeding van de gemeente. Artikel 5:8 BW vermeldt het volgende:

1Indien een aan de gemeente in bewaring gegeven zaak aan snel tenietgaan of achteruitgang onderhevig is of wegens de onevenredig hoge kosten of ander nadeel de bewaring daarvan niet langer van de gemeente kan worden gevergd, is de burgemeester bevoegd haar te verkopen.

2Indien de zaak zich niet voor verkoop leent, is de burgemeester bevoegd haar om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te vernietigen.

3Indien een dier wordt gevonden, is de burgemeester na verloop van twee weken, nadat het dier door de gemeente in bewaring is genomen, bevoegd het zo mogelijk tegen betaling van een koopprijs, en anders om niet, aan een derde in eigendom over te dragen. Mocht ook dit laatste zijn uitgesloten, dan is de burgemeester bevoegd het dier te doen afmaken. De termijn van twee weken behoeft niet te worden in acht genomen, indien het dier slechts met onevenredig hoge kosten gedurende dat tijdvak kan worden bewaard, of afmaking om geneeskundige redenen vereist is

4De opbrengst treedt in de plaats van de zaak.

Omdat gemeenten vaak zelf niet over de mogelijkheid beschikken om dieren te huisvesten worden er overeenkomsten gesloten met plaatselijke asielen die vervolgens de opvang van het dier verzorgen.

De gemeente betaalt hiervoor een vergoeding. Deze vergoeding dient minimaal de kosten van huisvesting gedurende de termijn van veertien dagen te omvatten. Echter ook de kosten van medische verzorging van het dier die gedurende deze termijn worden gemaakt komen voor vergoeding in aanmerking, mits deze kosten niet onredelijk hoog zijn. Kosten die door dierenartsen worden gemaakt binnen de veertien-dagen-termijn komen dus in principe voor vergoeding in aanmerking. Hierbij moet wel de opmerking worden gemaakt dat de regeling zoals deze in het Burgerlijk Wetboek is opgenomen, alleen ziet op gedomesticeerde dieren, (ver)wilde(rde) dieren vallen hier niet onder.

Visserijwet

De Visserijwet (tot 1908 Jacht- en visserijwet) is een Nederlandse wet die in de zaken rondom de visserij regelt. De huidige wet dateert van 30 mei 1963. De bepalingen in deze wet hebben betrekking op alle vormen van visserij, van de Noordzeevisserij tot en met de sportvisserij. Doelstellingen van deze wet zijn onder andere het bevorderen van de doelmatigheid van de beroepsvisserij en het voorkomen van overbevissing. Vastgelegd zijn onder andere de eisen waaraan visgerei en vissersschepen moeten voldoen, de vergunningen waarover men dient te beschikken om te mogen vissen en de regels voor het pachten van viswater. De wet houdt rekening met belangen rond natuurbescherming en het welzijn van vissen.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.