Gemeentelijke regelgeving

Bodemkwaliteitskaart Zaanstad

Gemeente Zaanstad · geldt sinds 23 juli 2020

Bijlage 1 Toelichting databewerking

1Type onderzoek

De eerste stap bij de selectie van de juiste onderzoeksgegevens, is de selectie van het type onderzoek en de aanleiding van het onderzoek. In de onderstaande tabellen 1 en 2 is aangegeven welke typen en aanleidingen van onderzoek relevant zijn bevonden voor de bodemkwaliteitskaart. In deze tabellen is uitgegaan van de omschrijvingen zoals deze aanwezig zijn in het bodeminformatiesysteem. Het gaat hierom aantallen bodemonderzoeken dus niet het aantal monsters of stoffen per onderzoek.

Tabel 1: Onderzoekstypen

Omschrijving

Aantal onderzoeken in database

Relevant

Verkennend onderzoek NEN 5740

1746

Ja

Verkennend onderzoek NVN 5740

980

Ja

Indicatief onderzoek

423

Ja

Orienterend bodemonderzoek

298

Ja

avr (aanvullend rapport)

157

Ja

Nul situatieonderzoek

73

Ja

brf (briefrapport)

6

Ja

ASB - asbest onderzoek NEN 5707

3

Ja

Historisch onderzoek

2

Ja

Nader onderzoek

320

Nee

Bijzonder inventariserend onderzoek

15

Nee

Partijkeuring grond

10

Nee

Sanerings evaluatie

9

Nee

Sanerings onderzoek

8

Nee

(niet gevuld)

5

Nee

Verkennend onderzoek voor waterbodems (NVN 5720)

4

Nee

Meldingsformulier BUS evaluatieverslag

3

Nee

Bodemsanering bedrijven (BSB)

3

Nee

BOOT

2

Nee

Saneringsplan

2

Nee

Monitoringsrapportage

2

Nee

Bouwstoffenbesluit

1

Nee

Tabel 2: Aanleiding

Omschrijving

Aantal onderzoeken in database

Relevant

Bouwvergunning

1559

Ja

Civieltechnisch

792

Ja

Transactie

392

Ja

(niet gevuld)

237

Ja

bestemmingswijziging, VINEX, locatieontwikkeling

188

Ja

Landsdekkend

166

Ja

Nulsituatie

94

Ja

ISV-programmering

31

Ja

Voorgaand

324

Nee

Vermoeden of melding verontreiniging

152

Nee

Onbekend

101

Nee

BOOT

19

Nee

Calamiteit

17

Nee

2Periode

De onderzoeksgegevens, op basis waarvan de actuele bodemkwaliteit wordt vastgesteld, moeten voldoende recent zijn om te waarborgen dat de gegevens representatief zijn. In de richtlijn bodemkwaliteitskaarten is aangegeven dat gegevens daarom in principe niet ouder mogen zijn dan 5 jaar. Het gebruiken van gegevens ouder dan 5 jaar is toegestaan, mits wordt aangetoond dat deze gegevens vergelijkbaar zijn met de recentere gegevens. In de huidige kaart zijn de gegevens tot 27 jaar terug gebruikt.

3AS3000

Conform het Besluit bodemkwaliteit wordt voor het opstellen van de bodemkwaiteitskaart gebruik gemaakt van de data die de laatste 5 jaar is verzameld. In veel gevalleen leidt dit tot onvoldoende meetpunten om een kaart op te stellen. Om de dataset uit te breiden wordt gebruik gemaakt van oudere data. De gemeente Zaanstad heeft gekozen de data tot 28 jaar terug te gebruiken. Om te bepalen of dit mogelijk is de data van de afgelopen 5 jaar vergeleken met de eerder verworven data van de zone om te bepalen of deze representatief is. In 2007 is het werken onder de bodemrichtlijn geïntroduceerd en worden analyses bij ster gecertificeerde laboratoria uitgevoerd onder het AS3000 accreditatieschema. Er is geen aanleiding geweest op basis van eerder opgestelde bodemkwaliteitskaarten om hier nog een onderscheidt in te maken.

Op basis van de uitgevoerde vergelijking blijkt de eerder verworven data representatief voor de zone en ins overeenkomstig met de dat van de afgelopen 5 jaar

4Bodemlagen

De gemeente Zaanstad heeft er voor gekozen ophooglagen op te nemen in de bodemkwaliteitskaart. Voor het jaar van toepassen is het jaar waarin het werk gerealiseerd is aangehouden. Dit betekent dat de voormalige bovengrond als ondergrond wordt beschouwd en ook als dusdanig is meegenomen in de berekeningzolang deze zich niet dieper bevindt dan 2 m-mv (zie paragraaf 3.4). Metingen van voor het aanbrengen van de ophooglaag worden ook als huidige ondergrond meegerekend. Om de analysemonsters te kunnen toekennen aan de boven- en ondergrond, is uitgegaan van de gemiddelde diepte van de analysemonsters. Hiermee wordt bedoeld dat:

-wanneer de gemiddelde diepte van de bemonsterde laag tussen 0,0 en 0,5 m -mv. valt, dit als bovengrond is beschouwd (bijv. in het geval van een bemonsterde laag uit het traject 0,2-0,7 m -mv.: de gemiddelde diepte is dan 0,45 m -mv.);

-voor de ondergrond geldt dat de gemiddelde diepte van het bemonsterde traject groter moet zijn dan 0,5 m -mv. en kleiner dan of gelijk aan 2,0 m -mv. (bijvoorbeeld in het geval van de laag 0,3-0,8 m -mv.; de gemiddelde diepte is 0,55 m -mv.).

5Rapportagegrenzen en somparameters

Voor de omgang met 'kleiner dan rapportagegrens'-waarden, alsmede de wijze waarop gehalten van individuele parameters moeten worden opgeteld om tot een somparameter te komen, is aangesloten bij recente wet- en regelgeving.

Zo is in de Regeling bodemkwaliteit het volgende aangegeven:

"Bij een resultaat < dan de rapportagegrenzen genoemd in tabel 1 van deze bijlage (zijnde bijlage G), mag de beoordelaar ervan uitgaan dat de kwaliteit van de grond, grondwater, baggerspecie, bodem, bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarden.

Indien de op het analysecertificaat weergegeven < rapportagegrens hoger ligt dan de in tabel 1 vermelde rapportagegrenzen dan dient de desbetreffende < rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen rekenwaarde wordt getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarden. Bij het berekenen van een somwaarde, het rekenkundig gemiddelde en een percentielwaarde worden voor de individuele componenten de gemeten gehalten < rapportagegrens vermenigvuldigd met 0,7. Indien er voor een of meer individuele componenten een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn of geen rapportagegrens in tabel 1 is opgenomen, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens. Indien alle individuele waarden als onderdeel van deze berekende waarde < rapportagegrens uit tabel 1 zijn, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarden."

Het bovenstaande is op de volgende wijze toegepast op de dataset:

-Voor de somparameter PAK 10 VROM en PCB som 7 is niet uitgegaan van het optellen van de gehalten van alle individuele componenten, zoals hierboven is beschreven, maar van het geregistreerde totaalgehalte. Dit omdat in het bodeminformatiesysteem over het algemeen niet de gehalten van de individuele parameters worden ingevuld.

-Bij het genereren van de gemiddelden gehalten en de diverse kentallen zijn voor alle parameters de 'kleiner dan rapportagegrens'-waarden vermenigvuldigd met een factor 0,7. De hierbij verkregen rekenwaarde is vervolgens getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Dit betekent dat geen rekening is gehouden met de 'kleiner dan rapportagegrens'-waarden die voldoen aan de voorgeschreven rapportagegrens.

6Kwalibo

De richtlijn geeft aan dat wanneer de datum van een bodemonderzoek is gelegen na 1 juli 2007, het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een erkende instantie. Dit in verband met eisen die vanuit Kwalibo aan onderzoeksgegevens worden gesteld. Bij het invoeren van onderzoeksgegevens in het bodeminformatiesysteem wordt hier vaak geen rekening mee gehouden. Derhalve is ervoor gekozen om dit niet als voorwaarde mee te nemen bij de databewerking.

Verwacht wordt echter dat dit geen noemenswaardige consequenties heeft. Kwalibo is namelijk van toepassing op alle situaties waarbij het bevoegd gezag een beslissing moet nemen. Aangezien bodemonderzoeken, die bij de gemeente worden ingediend, over het algemeen zullen zijn uitgevoerd in het kader van de aanvraag van een bouw- of milieuvergunning, worden deze onderzoeken gecontroleerd op de eisen vanuit Kwalibo.

De kans wordt dan ook zeer klein geacht dat de bodemonderzoeken, die zijn uitgevoerd na 1 juli 2007, en bij de databewerking zijn geselecteerd om te worden gebruikt voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart, niet door een erkende instantie zijn uitgevoerd.

6Coördinaten

Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart zijn alleen die onderzoeksgegevens gebruikt waarvan in het BIS een rapportcontour is ingetekend. Alleen in dat geval was het namelijk mogelijk om de analyseresultaten van een rapport aan één van de deelgebieden toe te wijzen.

Voor de geografische koppeling, oftewel de toewijzing van een rapport (en daarmee de analysemonsters) aan een deelgebied, is uitgegaan van de centroïde van de rapportcontour. Dit betekent dat voor die gevallen waarbij de rapportcontour gedeeltelijk in deelgebied X en gedeeltelijk in deelgebied Y ligt, alle analyseresultaten aan dat deelgebied zijn toegekend waarin de centroïde van de rapportcontour ligt.

7Extremenanalyse

Ondanks de onder punt 1 beschreven databewerking zaten er nog verhoogde gehalten in de dataset waarvan het vermoeden bestond dat deze niet tot de diffuse bodemkwaliteit behoorden (zogenoemde 'extremen').

Conform de richtlijn dient van deze gehalten te worden bepaald of ze:

1deel uitmaken van de achtergrondgehalten

2afkomstig zijn van een lokale puntbron

3het gevolg zijn van een fout in het onderzoek of een fout bij de invoer van gegevens.

Alleen wanneer kan worden aangetoond dat het extreme gehalte wordt veroorzaakt door een geval van lokale bodemverontreiniging of het gevolg is van een invoer- of meetfout, mag het betreffende gehalte buiten beschouwing worden gelaten bij het bepalen van de diffuse bodemkwaliteit. In andere gevallen moet worden geconcludeerd dat er geen directe oorzaak is aan te wijzen voor de extreme gehalten en moeten de gehalten worden meegenomen in de berekening van de diffuse bodemkwaliteit.

Bijlage 3 Risicotoolbox Bodem

Hieronder zijn de uitkomsten weergegeven van de berekeningen die zijn uitgevoerd met de Risicotoolbox Bodem, module Difuus Lood. De problematiek van diffuse bodemverontreiniging met lood is praktisch niet op te lossen met sanering alleen. De inspanningen kunnen zich daarom richten op de reductie van risico’s. Omdat de karakteristieken van de loodverontreiniging en de woonomgeving onderling sterk kunnen verschillen wordt geadviseerd hiervoor een toegesneden (‘tailor made’) aanpak te formuleren.

Bij de invoer is aangegeven dat er sprake is van specifieke beheersmaatregelen ten aanzien van lood in de bodem. Er zijn twee sporen om de grondingestie voor de verdere berekening te bepalen. Zodra gekozen wordt voor een reductie op basis van maatregelen is het niet meer nodig om te rekenen op basis van bezoekfrequentie. De bezoeksfrequentie wordt derhalve op 0 (nul) gezet.

In het RIVM rapport over diffuus lood wordt een overzicht gegeven van mogelijke maatregelen door bewoners en gemeenten (pagina 39 en verder).

Bij de aanpak van diffuus lood verdient het de aanbeveling om de inspanningen te richten op de plekken waar dit het meeste effect sorteert. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden in:

1) (veelal kleinere) zones met een hoge blootstelling die in aanmerking komen voor sanering: zogenaamde 'hotspots' en,

2) zones waar blootstelling aan lood is, maar waar sanering niet mogelijk of wenselijk is.

Voor zones die in de tweede categorie vallen komen de volgende maatregelen in beeld:

-Zone inrichten zodat direct contact van kinderen met bodemlood zo veel mogelijk wordt voorkomen. Bijvoorbeeld door middel van afdekking (bestrating, (kunst)gras) en afrastering. Let in het bijzonder op scholen en kinderspeelplaatsen;

-Bodemgebruik veranderen: bijvoorbeeld het herbestemmen van een gebied met moestuinen;

-Communicatie over reductie van blootstelling aan lood: vooral van belang wanneer het private terreinen (tuinen, schoolpleinen) betreft.

Tot de maatregelen die burgers zelf kunnen nemen behoren de volgende maatregelen:

-Tegengaan grondingestie door aandacht voor hygiëne (handen wassen voor het eten, inloop van grond tegengaan, regelmatig stofzuigen en/of dweilen);

-Tuin zo inrichten dat direct contact met bodemlood wordt vermeden;

-Geen groententeelt in de volle grond. Wel is groententeelt in bakken met schone grond mogelijk;

-Opbrengen contactlaag van schone grond, evt. na afgraven van bovenlaag. Het is raadzaam eerst te overleggen met de gemeente;

-Afdekmateriaal opbrengen (bestrating of kunstgras), mét een schone zandlaag eronder;

-Zandbak met schoon zand voor jonge kinderen;

-Het aanbrengen van een dichte grasmat op een schone laag aarde.

Kaarten

I. Kaart met zone indeling

II. Ontgravingskaart bovengrond (tot 0,5 m-mv.)

III. Ontgravingskaart ondergrond (>0,5 m-mv.)

IV. Bodemfunctieklassenkaart

V. Generieke toepassingskaart

VI. Toetsingskaart hoogst gemeten gehalten bovengrond

VII. Toetsingskaart hoogst gemeten gehalten ondergrond

VIII. Kaart met ophoog- en leeflagen

I.Kaart met zone indeling

II.Ontgravingskaart bovengrond (tot 0,5 m-mv.)

III.Ontgravingskaart ondergrond (>0,5 m-mv.)

IV.Bodemfunctieklassenkaart

V.Generieke toepassingskaart

VI.Toetsingskaart hoogst gemeten gehalten bovengrond

VII.Toetsingskaart gemiddelde kwaliteit ondergrond

VIII.Kaart met ophoog- en leeflagen

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.