Bijlage 1 Toelichting databewerking
1Type onderzoek
De eerste stap bij de selectie van de juiste onderzoeksgegevens, is de selectie van het type onderzoek en de aanleiding van het onderzoek. In de onderstaande tabellen 1 en 2 is aangegeven welke typen en aanleidingen van onderzoek relevant zijn bevonden voor de bodemkwaliteitskaart. In deze tabellen is uitgegaan van de omschrijvingen zoals deze aanwezig zijn in het bodeminformatiesysteem. Het gaat hierom aantallen bodemonderzoeken dus niet het aantal monsters of stoffen per onderzoek.
Tabel 1: Onderzoekstypen
Omschrijving
Aantal onderzoeken in database
Relevant
Verkennend onderzoek NEN 5740
1746
Ja
Verkennend onderzoek NVN 5740
980
Ja
Indicatief onderzoek
423
Ja
Orienterend bodemonderzoek
298
Ja
avr (aanvullend rapport)
157
Ja
Nul situatieonderzoek
73
Ja
brf (briefrapport)
6
Ja
ASB - asbest onderzoek NEN 5707
3
Ja
Historisch onderzoek
2
Ja
Nader onderzoek
320
Nee
Bijzonder inventariserend onderzoek
15
Nee
Partijkeuring grond
10
Nee
Sanerings evaluatie
9
Nee
Sanerings onderzoek
8
Nee
(niet gevuld)
5
Nee
Verkennend onderzoek voor waterbodems (NVN 5720)
4
Nee
Meldingsformulier BUS evaluatieverslag
3
Nee
Bodemsanering bedrijven (BSB)
3
Nee
BOOT
2
Nee
Saneringsplan
2
Nee
Monitoringsrapportage
2
Nee
Bouwstoffenbesluit
1
Nee
Tabel 2: Aanleiding
Omschrijving
Aantal onderzoeken in database
Relevant
Bouwvergunning
1559
Ja
Civieltechnisch
792
Ja
Transactie
392
Ja
(niet gevuld)
237
Ja
bestemmingswijziging, VINEX, locatieontwikkeling
188
Ja
Landsdekkend
166
Ja
Nulsituatie
94
Ja
ISV-programmering
31
Ja
Voorgaand
324
Nee
Vermoeden of melding verontreiniging
152
Nee
Onbekend
101
Nee
BOOT
19
Nee
Calamiteit
17
Nee
2Periode
De onderzoeksgegevens, op basis waarvan de actuele bodemkwaliteit wordt vastgesteld, moeten voldoende recent zijn om te waarborgen dat de gegevens representatief zijn. In de richtlijn bodemkwaliteitskaarten is aangegeven dat gegevens daarom in principe niet ouder mogen zijn dan 5 jaar. Het gebruiken van gegevens ouder dan 5 jaar is toegestaan, mits wordt aangetoond dat deze gegevens vergelijkbaar zijn met de recentere gegevens. In de huidige kaart zijn de gegevens tot 27 jaar terug gebruikt.
3AS3000
Conform het Besluit bodemkwaliteit wordt voor het opstellen van de bodemkwaiteitskaart gebruik gemaakt van de data die de laatste 5 jaar is verzameld. In veel gevalleen leidt dit tot onvoldoende meetpunten om een kaart op te stellen. Om de dataset uit te breiden wordt gebruik gemaakt van oudere data. De gemeente Zaanstad heeft gekozen de data tot 28 jaar terug te gebruiken. Om te bepalen of dit mogelijk is de data van de afgelopen 5 jaar vergeleken met de eerder verworven data van de zone om te bepalen of deze representatief is. In 2007 is het werken onder de bodemrichtlijn geïntroduceerd en worden analyses bij ster gecertificeerde laboratoria uitgevoerd onder het AS3000 accreditatieschema. Er is geen aanleiding geweest op basis van eerder opgestelde bodemkwaliteitskaarten om hier nog een onderscheidt in te maken.
Op basis van de uitgevoerde vergelijking blijkt de eerder verworven data representatief voor de zone en ins overeenkomstig met de dat van de afgelopen 5 jaar
4Bodemlagen
De gemeente Zaanstad heeft er voor gekozen ophooglagen op te nemen in de bodemkwaliteitskaart. Voor het jaar van toepassen is het jaar waarin het werk gerealiseerd is aangehouden. Dit betekent dat de voormalige bovengrond als ondergrond wordt beschouwd en ook als dusdanig is meegenomen in de berekeningzolang deze zich niet dieper bevindt dan 2 m-mv (zie paragraaf 3.4). Metingen van voor het aanbrengen van de ophooglaag worden ook als huidige ondergrond meegerekend. Om de analysemonsters te kunnen toekennen aan de boven- en ondergrond, is uitgegaan van de gemiddelde diepte van de analysemonsters. Hiermee wordt bedoeld dat:
-wanneer de gemiddelde diepte van de bemonsterde laag tussen 0,0 en 0,5 m -mv. valt, dit als bovengrond is beschouwd (bijv. in het geval van een bemonsterde laag uit het traject 0,2-0,7 m -mv.: de gemiddelde diepte is dan 0,45 m -mv.);
-voor de ondergrond geldt dat de gemiddelde diepte van het bemonsterde traject groter moet zijn dan 0,5 m -mv. en kleiner dan of gelijk aan 2,0 m -mv. (bijvoorbeeld in het geval van de laag 0,3-0,8 m -mv.; de gemiddelde diepte is 0,55 m -mv.).
5Rapportagegrenzen en somparameters
Voor de omgang met 'kleiner dan rapportagegrens'-waarden, alsmede de wijze waarop gehalten van individuele parameters moeten worden opgeteld om tot een somparameter te komen, is aangesloten bij recente wet- en regelgeving.
Zo is in de Regeling bodemkwaliteit het volgende aangegeven:
"Bij een resultaat < dan de rapportagegrenzen genoemd in tabel 1 van deze bijlage (zijnde bijlage G), mag de beoordelaar ervan uitgaan dat de kwaliteit van de grond, grondwater, baggerspecie, bodem, bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarden.
Indien de op het analysecertificaat weergegeven < rapportagegrens hoger ligt dan de in tabel 1 vermelde rapportagegrenzen dan dient de desbetreffende < rapportagegrens te worden vermenigvuldigd met 0,7. De zo verkregen rekenwaarde wordt getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarden. Bij het berekenen van een somwaarde, het rekenkundig gemiddelde en een percentielwaarde worden voor de individuele componenten de gemeten gehalten < rapportagegrens vermenigvuldigd met 0,7. Indien er voor een of meer individuele componenten een of meer gemeten gehalten (zonder < teken) zijn of geen rapportagegrens in tabel 1 is opgenomen, dan dient de berekende waarde te worden getoetst aan de van toepassing zijnde normwaarde. Deze regel geldt ook als gemeten gehalten lager zijn dan de vereiste rapportagegrens. Indien alle individuele waarden als onderdeel van deze berekende waarde < rapportagegrens uit tabel 1 zijn, mag de beoordelaar ervan uit gaan dat de kwaliteit voldoet aan de van toepassing zijnde normwaarden."
Het bovenstaande is op de volgende wijze toegepast op de dataset:
-Voor de somparameter PAK 10 VROM en PCB som 7 is niet uitgegaan van het optellen van de gehalten van alle individuele componenten, zoals hierboven is beschreven, maar van het geregistreerde totaalgehalte. Dit omdat in het bodeminformatiesysteem over het algemeen niet de gehalten van de individuele parameters worden ingevuld.
-Bij het genereren van de gemiddelden gehalten en de diverse kentallen zijn voor alle parameters de 'kleiner dan rapportagegrens'-waarden vermenigvuldigd met een factor 0,7. De hierbij verkregen rekenwaarde is vervolgens getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Dit betekent dat geen rekening is gehouden met de 'kleiner dan rapportagegrens'-waarden die voldoen aan de voorgeschreven rapportagegrens.
6Kwalibo
De richtlijn geeft aan dat wanneer de datum van een bodemonderzoek is gelegen na 1 juli 2007, het onderzoek moet zijn uitgevoerd door een erkende instantie. Dit in verband met eisen die vanuit Kwalibo aan onderzoeksgegevens worden gesteld. Bij het invoeren van onderzoeksgegevens in het bodeminformatiesysteem wordt hier vaak geen rekening mee gehouden. Derhalve is ervoor gekozen om dit niet als voorwaarde mee te nemen bij de databewerking.
Verwacht wordt echter dat dit geen noemenswaardige consequenties heeft. Kwalibo is namelijk van toepassing op alle situaties waarbij het bevoegd gezag een beslissing moet nemen. Aangezien bodemonderzoeken, die bij de gemeente worden ingediend, over het algemeen zullen zijn uitgevoerd in het kader van de aanvraag van een bouw- of milieuvergunning, worden deze onderzoeken gecontroleerd op de eisen vanuit Kwalibo.
De kans wordt dan ook zeer klein geacht dat de bodemonderzoeken, die zijn uitgevoerd na 1 juli 2007, en bij de databewerking zijn geselecteerd om te worden gebruikt voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart, niet door een erkende instantie zijn uitgevoerd.
6Coördinaten
Voor het opstellen van de bodemkwaliteitskaart zijn alleen die onderzoeksgegevens gebruikt waarvan in het BIS een rapportcontour is ingetekend. Alleen in dat geval was het namelijk mogelijk om de analyseresultaten van een rapport aan één van de deelgebieden toe te wijzen.
Voor de geografische koppeling, oftewel de toewijzing van een rapport (en daarmee de analysemonsters) aan een deelgebied, is uitgegaan van de centroïde van de rapportcontour. Dit betekent dat voor die gevallen waarbij de rapportcontour gedeeltelijk in deelgebied X en gedeeltelijk in deelgebied Y ligt, alle analyseresultaten aan dat deelgebied zijn toegekend waarin de centroïde van de rapportcontour ligt.
7Extremenanalyse
Ondanks de onder punt 1 beschreven databewerking zaten er nog verhoogde gehalten in de dataset waarvan het vermoeden bestond dat deze niet tot de diffuse bodemkwaliteit behoorden (zogenoemde 'extremen').
Conform de richtlijn dient van deze gehalten te worden bepaald of ze:
1deel uitmaken van de achtergrondgehalten
2afkomstig zijn van een lokale puntbron
3het gevolg zijn van een fout in het onderzoek of een fout bij de invoer van gegevens.
Alleen wanneer kan worden aangetoond dat het extreme gehalte wordt veroorzaakt door een geval van lokale bodemverontreiniging of het gevolg is van een invoer- of meetfout, mag het betreffende gehalte buiten beschouwing worden gelaten bij het bepalen van de diffuse bodemkwaliteit. In andere gevallen moet worden geconcludeerd dat er geen directe oorzaak is aan te wijzen voor de extreme gehalten en moeten de gehalten worden meegenomen in de berekening van de diffuse bodemkwaliteit.
Bijlage 3 Risicotoolbox Bodem
Hieronder zijn de uitkomsten weergegeven van de berekeningen die zijn uitgevoerd met de Risicotoolbox Bodem, module Difuus Lood. De problematiek van diffuse bodemverontreiniging met lood is praktisch niet op te lossen met sanering alleen. De inspanningen kunnen zich daarom richten op de reductie van risico’s. Omdat de karakteristieken van de loodverontreiniging en de woonomgeving onderling sterk kunnen verschillen wordt geadviseerd hiervoor een toegesneden (‘tailor made’) aanpak te formuleren.
Bij de invoer is aangegeven dat er sprake is van specifieke beheersmaatregelen ten aanzien van lood in de bodem. Er zijn twee sporen om de grondingestie voor de verdere berekening te bepalen. Zodra gekozen wordt voor een reductie op basis van maatregelen is het niet meer nodig om te rekenen op basis van bezoekfrequentie. De bezoeksfrequentie wordt derhalve op 0 (nul) gezet.
In het RIVM rapport over diffuus lood wordt een overzicht gegeven van mogelijke maatregelen door bewoners en gemeenten (pagina 39 en verder).
Bij de aanpak van diffuus lood verdient het de aanbeveling om de inspanningen te richten op de plekken waar dit het meeste effect sorteert. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden in:
1) (veelal kleinere) zones met een hoge blootstelling die in aanmerking komen voor sanering: zogenaamde 'hotspots' en,
2) zones waar blootstelling aan lood is, maar waar sanering niet mogelijk of wenselijk is.
Voor zones die in de tweede categorie vallen komen de volgende maatregelen in beeld:
-Zone inrichten zodat direct contact van kinderen met bodemlood zo veel mogelijk wordt voorkomen. Bijvoorbeeld door middel van afdekking (bestrating, (kunst)gras) en afrastering. Let in het bijzonder op scholen en kinderspeelplaatsen;
-Bodemgebruik veranderen: bijvoorbeeld het herbestemmen van een gebied met moestuinen;
-Communicatie over reductie van blootstelling aan lood: vooral van belang wanneer het private terreinen (tuinen, schoolpleinen) betreft.
Tot de maatregelen die burgers zelf kunnen nemen behoren de volgende maatregelen:
-Tegengaan grondingestie door aandacht voor hygiëne (handen wassen voor het eten, inloop van grond tegengaan, regelmatig stofzuigen en/of dweilen);
-Tuin zo inrichten dat direct contact met bodemlood wordt vermeden;
-Geen groententeelt in de volle grond. Wel is groententeelt in bakken met schone grond mogelijk;
-Opbrengen contactlaag van schone grond, evt. na afgraven van bovenlaag. Het is raadzaam eerst te overleggen met de gemeente;
-Afdekmateriaal opbrengen (bestrating of kunstgras), mét een schone zandlaag eronder;
-Zandbak met schoon zand voor jonge kinderen;
-Het aanbrengen van een dichte grasmat op een schone laag aarde.
Kaarten
I. Kaart met zone indeling
II. Ontgravingskaart bovengrond (tot 0,5 m-mv.)
III. Ontgravingskaart ondergrond (>0,5 m-mv.)
IV. Bodemfunctieklassenkaart
V. Generieke toepassingskaart
VI. Toetsingskaart hoogst gemeten gehalten bovengrond
VII. Toetsingskaart hoogst gemeten gehalten ondergrond
VIII. Kaart met ophoog- en leeflagen
I.Kaart met zone indeling
II.Ontgravingskaart bovengrond (tot 0,5 m-mv.)
III.Ontgravingskaart ondergrond (>0,5 m-mv.)
IV.Bodemfunctieklassenkaart
V.Generieke toepassingskaart
VI.Toetsingskaart hoogst gemeten gehalten bovengrond
VII.Toetsingskaart gemiddelde kwaliteit ondergrond
VIII.Kaart met ophoog- en leeflagen