Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad
Stelt, gelet op artikel 13.5 lid 2 van het Omgevingsbesluit, de volgende regeling vast:
Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2024-2027 ODNZKG
Bijlage 1 Achtergrondinformatie omgevingsdiensten Noord-Holland
De Noord-Hollandse gemeenten zijn ieder deelnemer in één van de vier Noord-Hollandse omgevingsdiensten. In hun eigen regio (zie figuur 5a en figuur 5b) voeren de omgevingsdiensten gemeentelijke taken uit. De provincie Noord-Holland is als enige bestuursorgaan deelnemer in alle vier de omgevingsdiensten. Het werkgebied voor veel van deze taken is
provincie-breed, en dus regio-overstijgend. De omgevingsdiensten hebben hierdoor een overlap van werkgebied, hetgeen vraagt om onderlinge afstemming en samenwerking. OD NZKG is BRZO-dienst, en voert BRZO- taken uit voor de provincies Noord-Holland, Flevoland en Utrecht (onder de Omgevingswet spreken we over Seveso-taken).
De deelnemers van de Noord-Hollandse omgevingsdiensten hebben gezamenlijk gedeelde beleidsopgaven gedefinieerd. Deze gezamenlijke beleidsopgaven komen voort uit een analyse van bovenregionaal beleid en de belangrijke opgaven voor het gebied Noord-Holland.
Om de passende inzet te plegen, is het nodig dat de gezamenlijke opgave(n) van omgevingsdiensten in samenhang worden bekeken met de regionale beleidsopgaven per omgevingsdienst. Daartoe dient de eigen gebiedsanalyse per omgevingsdienst. Ieder van de vier omgevingsdiensten bepaalt uiteindelijk in haar individuele U&H-strategie welke inzet passend is op elk van de gezamenlijke beleidsopgaven.
Gezamenlijke U&H-strategie Noord-Holland
De vier Noord-Hollandse Omgevingsdiensten (OD NZKG, OFGV, ODIJ, OD NHN) zijn een proces gestart om te komen tot een Gezamenlijke U&H-strategie. Doel is om te komen tot een meer level-playing field voor inwoners, bedrijven en overheden. Ook zit er veel overlap in de taken van de verschillende omgevingsdiensten, met name op het gebied van milieu (basistaken). Dit heeft geleid tot een gelijkluidende en gezamenlijk opgestelde U&H-strategie van de Noord-Hollandse omgevingsdiensten, zowel inhoudelijk als methodisch. Elke dienst vertaalt deze dan weer naar een eigen U&H-strategie. Deze U&H-strategie 2024-2027 van de OD NZKG is opgesteld binnen deze nieuwe Noord-Hollandse kaders. Deze gezamenlijke aanpak dient naast verbeteren van level-playing field ook als goede basis voor de toekomstige samenwerking en past goed in de ontwikkelingen rondom versterking VTH-stelsel. De basis voor deze gezamenlijke aanpak ligt in het door het Algemeen Bestuur in december 2022 vastgestelde Algemene kader ‘Naar een gezamenlijke VTH&A-strategie Noord-Holland’.
Bijlage 2 Bestuurlijk referentiekader
Inleiding
Het bestuurlijk referentiekader is door het Algemeen bestuur van de OD NZKG vastgesteld op 21 december 2018. Het was opgenomen in hoofdstuk 3 van het Regionaal Uniform Toezicht- en Handhavingsbeleid 2019-2022 OD NZKG.
Het bestuurlijk referentiekader was het vertrekpunt van de evaluatie/ actualisatie en waar nodig bijstelling. Bij de voorbereiding van dit VTH- beleid is destijds een analyse gemaakt van de strategische documenten en werkwijzen die de deelnemende bestuursorganen en de OD NZKG gebruiken bij de uitvoering van VTH-taken. Daar is een bestuurlijk referentiekader uit afgeleid voor de sturing op de regionale uitvoering. De OD NZKG blijft werken langs de vijf elementen van het bestuurlijk referentiekader.
Bestuurlijk referentiekader
De Uitvoerings- en Handhavingsstrategie geeft richting aan de praktijk, met prioriteiten, methoden en werkwijzen. Dat gebeurt met concrete keuzes en handvatten voor de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving. Hiermee wordt de strategie praktisch uitvoerbaar. Tegelijkertijd voorziet deze strategie in vijf gezamenlijke bestuurlijke uitgangspunten voor de inrichting en organisatie van het stelsel van VTH in de vier regio’s van de provincie Noord-Holland. De vijf uitgangspunten vormen tezamen een referentiekader voor de verantwoordelijkheid van elk bevoegd gezag in de vier regio’s voor A) de adequate organisatie van bevoegdheden en taken, en B) de inhoudelijke onderbouwing van keuzes en prioriteiten. Deze is in de lijn met het vastgestelde bestuurlijke referentiekader van de OD NZKG uit 2018.
1Opgavegericht en beleidssensitief sturen met maatwerk
Beleid moet doordacht samenhangen met de realisatie in de uitvoerings- praktijk. Andersom geldt hetzelfde. Om deze wederkerigheid tussen beleid en uitvoering te creëren en te borgen, is maatwerk nodig bij de aanpak van situaties die niet “standaard” kunnen worden opgelost door toepassing van vooraf geschreven regels. Dat speelt ook bij de grote maatschappelijke opgaven (zoals de energietransitie, klimaatadaptatie, water en bodem) omdat daarbij veelal sprake is van complexiteit en samenloop van veel feiten en belangen binnen dezelfde tijd en ruimte. Dat soort omstandigheden versterkt de behoefte aan maatwerk. Deze gezamenlijke uitvoerings- en handhavingsstrategie voorziet erin dat VTH-taken opgavegericht en beleidssensitief worden georganiseerd en uitgevoerd met oog voor de belangen in de omgeving.
2Preventief handelen
Voorkomen is beter dan genezen. Dat betekent dat primair wordt ingezet op preventie, met als doel de spontane naleving van wet- en regelgeving door burgers, bedrijven en instellingen te vergroten. De inzet van VTH is bij voorkeur gericht op het waarmaken van eigen verantwoordelijkheid, maar waar nodig is sprake van interventie en correctie met een intensiteit die proportioneel en effectief is.
3Informatiegestuurd werken
De uitvoering van het beleid voor de fysieke leefomgeving is informatie- intensief. Er is voortdurend sprake is van het vergaren, uitwisselen en toetsen van (bovenregionale) data over de fysieke situatie, de belangen die daarmee gemoeid zijn en de technische, financiële en wettelijke kaders, ook met oog voor onzekerheden en nieuwe ontwikkelingen. De omgevingsdiensten voorzien in kennis, kunde en informatie over de fysieke leefomgeving en zij levert vanuit die positie een belangrijke bijdrage aan de correcte toepassing van het omgevingsrecht. Daardoor kan goed onderbouwd worden beoordeeld welke activiteiten en ontwikkelingen mogelijk zijn binnen de relevante juridische, technische en financiële bandbreedtes. De omgevingsdiensten streven ernaar om op basis van haar expertise en databeheer een verbindende partner te zijn.
4In gelijke situaties gelijkwaardig optreden
De besturen van de omgevingsdiensten zijn eraan gehouden om gelijke situaties zoveel mogelijk gelijk te behandelen, maar ook om oog te hebben voor de bijzonderheden van situaties. Dat lijkt een tegenstrijdige opgave, maar deze eenheid en verscheidenheid is goed te organiseren door onder- scheid te maken tussen standaardsituaties, complexe gevallen en unieke opgaven. Tussen deze drie types kan de strategie verschillen terwijl binnen ieder type een uniforme aanpak wordt gevolgd. Het onderscheidend criterium is de dynamiek in de omstandigheden, die relevant is om een geval te onderscheiden van andere gevallen. Het gevolg van de toepassing van typologieën van situaties is dat vergelijkbare situaties zoveel mogelijk op gelijke wijze worden afgehandeld: willekeur en rechtsongelijkheid wordt voorkomen en het proces is voorspelbaar. Tegelijkertijd wordt voldaan aan het vereiste van evenredige belangenafweging in de context van individuele gevallen. Er worden drie typen onderscheiden:
Type 1: Standaardsituaties
Dit type kenmerkt zich door een vooraf programmeerbaar verloop van de beleidscyclus voor een grotere groep van gelijksoortige gevallen. De omgevingsdiensten werken voor de standaardsituaties zoveel mogelijk langs standaardwerkprocessen en procedures. Het is mogelijk om te sturen op het doelbereik, bijvoorbeeld door te werken met controlefrequenties en algemene regels zonder (veel) variatie. De verwachting is dat de werking van de big-8 cyclus voor dit type situaties opgaat voor het grootste deel van de werkvoorraad.
Type 2: Complexe gevallen
Dit type kenmerkt zich door een grilliger verloop van de uitvoering van de beleidscyclus in termen van doelbereik, benodigde inzet van kennis, capaciteiten informatie en invloed van de betrokken stakeholders. De aanpak moet per situatie bekeken worden. De verwachting is dat de werking van de big-8 cyclus voor dit type situaties opgaat voor een smaldeel van de werkvoorraad.
Type 3: Unieke opgaven
Dit type kenmerkt zich door veel maatwerk en intensieve afstemming ten aanzien van de doelen en in te zetten middelen. De verwachting is dat de werking van de big-8 cyclus voor dit type situaties opgaat voor uitzonderlijke gevallen binnen de werkvoorraad.
5Samenwerken door afstemming van beleid, taken en bevoegdheden De competenties zijn in het omgevingsrecht en -beleid verdeeld over meerdere bestuursorganen en uitvoeringsorganisaties: het vereist samen- werking om tot een samenhangende, informatie gestuurde benadering van beleidsopgaven te komen. Maar samenwerking is ook noodzakelijk vanwege het streven naar een effectieve aanpak van situaties, het bevorderen van een gelijk speelveld en om de dienstverlening efficiënt in te richten.
Bijlage 3 Wettelijk kader
Inleiding
Het wettelijk kader kent een grote wijziging, per 1 januari 2024, treedt de Omgevingswet inwerking.
De Eerste Kamer stemde dinsdag 14 maart in met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Er zijn vier moties aangenomen, de inhoud daarvan raakt ook de OD NZKG. Met name de motie-Kluit c.s. verzoekt de regering om voor 1 juli 2023 een integraal, financieel beeld te maken voor gemeenten, provincies en omgevingsdiensten, en de Kamer voor de zomer te informeren over hoe deze kosten komende jaren gedekt worden. Met het koninklijk besluit wordt het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgesteld op 1 januari 2024.
De Omgevingswet bundelt straks de werking van 26 wetten voor de leefomgeving in één nieuwe wet. Tegelijkertijd worden 60 Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB) omgezet naar vier nieuwe AMvB’s en gaan 75 ministeriële regelingen over in één Omgevingsregeling. Het is een majeure operatie die veel energie en creativiteit vraagt in de komende periode.
De Omgevingsdienst OD NZKG heeft zich de afgelopen jaren voorbereid.
Dit betekent dat de OD NZKG vanaf 1 januari 2024 gaat werken vanuit de kaders van de Omgevingswet. In de loop tijd van deze strategie krijgt de overgang van het ene naar het andere wettelijk kader vorm. Voor het geheel invoeren van de Omgevingswet is een transitie periode tot eind 2031 afgesproken.
Omgevingswet: (bron website iplo; https://iplo.nl/):
De Omgevingswet is de wet die alles regelt voor de ruimte waarin we wonen en werken: de leefomgeving. Deze nieuwe wet bundelt en vereenvoudigt
de regels voor alles wat u buiten ziet, hoort en ruikt. De wet geldt voor alle Nederlandse inwoners, organisaties en bedrijven. De Omgevingswet treedt op 1 januari 2024 in werking. Om ervoor te zorgen dat onze leefomgeving een gezonde, veilige en prettig leefbare plek is, hebben we in Nederland veel regels gemaakt. Zowel voor inwoners als bedrijven. Die regels gaan onder andere over hoe we omgaan met natuur, milieu, bouwen en wonen. De Omgevingswet bundelt deze regels.
De 6 kerninstrumenten van de Omgevingswet
De Omgevingswet heeft 6 kerninstrumenten voor het gebruiken en beschermen van de leefomgeving. Met deze instrumenten kan de overheid beleid schrijven en uitvoeren. Daarnaast kunnen overheden met deze instrumenten regels stellen aan activiteiten en de uitvoering van projecten. De 6 kerninstrumenten zijn: de omgevingsvisie, het programma, decentrale regels, algemene rijksregels, omgevingsvergunning en het projectbesluit.
Omgevingsvisie
De omgevingsvisie is een samenhangend, strategisch plan over de leef- omgeving. Dit plan richt zich op de hele fysieke leefomgeving. En houdt rekening met alle ontwikkelingen in een gebied. Het Rijk, de provincie en de gemeente stellen elk 1 omgevingsvisie vast voor hun hele grondgebied. Meer informatie kunt u vinden op de pagina’s Omgevingsvisie gemeente
Omgevingsvisie provincie en Nationale omgevingsvisie (zie iplo-site)
Programma
Het programma bevat maatregelen om de leefomgeving te beschermen, te beheren, te gebruiken en te ontwikkelen. Het doel van een programma kan ook zijn om aan omgevingswaarden te voldoen. Het programma richt zich op een onderwerp, een bepaalde bedrijfssector of een gebied. Verschillende overheden kunnen ook samen een programma opstellen. Voor sommige onderwerpen verplicht de Omgevingswet de overheid een programma op te stellen. Meer informatie kunt u vinden op de pagina Programma (zie iplo-site)
Decentrale regels
Decentrale overheden hebben 1 regeling voor de fysieke leefomgeving voor hun hele grondgebied. Dit zijn het gemeentelijk omgevingsplan, de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Hierin staan verschillende soorten regels. Bijvoorbeeld decentrale regels voor activiteiten van burgers en bedrijven. En kaders om vergunningen te toetsen. Ook worden er gebieden in aangewezen die een bepaalde functie hebben.
Kijk voor uitgebreide informatie over decentrale regels op de pagina’s Hoofdlijnen omgevingsplan,
Hoofdlijnen omgevingsverordening en Hoofdlijnen waterschapsverordening. Gemeenten krijgen tot eind 2031 de tijd om het tijdelijke deel van het omgevingsplan en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan.
Algemene rijksregels
In de algemene rijksregels staan in de eerste plaats de regels die nodig zijn voor de werking van het stelsel van de Omgevingswet. Deze regels vormen de grondslag voor de instrumenten, en de taken en bevoegdheden van overheden.
De regels bevatten ook de normen voor de kwaliteit van de leefomgeving die het Rijk stelt in omgevingswaarden. Verder gaat het om procedurele regels die gelden voor de instrumenten van de wet. Deze regels staan in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit.
Daarnaast staan in de algemene rijksregels de regels van het Rijk die van invloed zijn op het beleid van decentrale overheden. Bijvoorbeeld de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevatten rijksregels voor activiteiten in de leefomgeving. Hierdoor hoeven burgers en bedrijven niet steeds toestemming te vragen aan de overheid. Nadeel van algemene regels is dat ze soms niet goed passen bij een specifieke situatie. Daarom kennen het Bal en het Bbl mogelijkheden om onder voorwaarden van de algemene regels af te wijken. Meer informatie vindt u op de pagina’s Inhoud van de Omgevingswet Omgevingsbesluit,
Besluit kwaliteit leefomgeving, Besluit activiteiten leefomgeving, Besluit bouwwerken leefomgeving en de Omgevingsregeling (zie iplo-site)
Omgevingsvergunning
Veel initiatieven van burgers en bedrijven hebben gevolgen voor de leef- omgeving. Voor de meeste daarvan gelden algemene regels. Soms is een vergunning nodig. Bijvoorbeeld voor het verbouwen van een rijksmonument. De overheid toetst vooraf of dat mag. De toetsing is zo eenvoudig mogelijk en houdt rekening met algemene regels. Zo wordt voorkomen dat regels elkaar tegenspreken of in de weg zitten. Initiatiefnemers kunnen via
1aanvraag bij 1 loket snel duidelijkheid krijgen of een vergunning nodig is. Op de pagina Omgevingsvergunning vindt u meer informatie (zie iplo-site).
Projectbesluit
Het projectbesluit is een uniforme procedure voor besluitvorming over complexe projecten van het Rijk, een provincie of een waterschap.
Bijvoorbeeld de aanleg van een weg, windmolenpark of natuurgebied.
Een projectbesluit regelt in dezelfde procedure de afwijking van het omgevingsplan. Het projectbesluit kan ook gelden als een omgevingsvergunning. Meer informatie staat op de pagina Projectbesluit (zie iplo-site)
In tabel 1 staat welke kerninstrumenten een overheidslaag (gemeente, provincie, Rijk, waterschap) kan toepassen.
Invoeringswet Omgevingswet
De invoeringswet heeft twee doelen. Ten eerste het aanvullen van de Omgevingswet op zaken die bij het opstellen daarvan nog niet ingevuld konden worden of wijzigingen die bij nader inzien nodig zijn om tot een beter stelsel te komen. Ten tweede het regelen van een evenwichtige overgang van de nu geldende wetgeving naar het nieuwe stelsel van de Omgevingswet.
Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb)
De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb), ook wel kortweg Wet kwaliteitsborging genoemd, verplaatst de toetsing aan de bouwtechnische eisen van een bouwwerk van de gemeente naar een onafhankelijke partij, de zogenoemde kwaliteitsborger. Dit geldt niet direct voor alle bouwwerken, maar gaat in fases. De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen heeft als doel de bouwkwaliteit te verbeteren. De toets vooraf op de bouwplannen wordt vervangen door de toets in de praktijk. Dit gebeurt op de bouwplaats zelf, tijdens het bouwproces. Deze toets in de praktijk wordt (in eerste instantie voor bouwwerken in gevolgklasse 1) door onafhankelijke kwaliteitsborgers uitgevoerd. Daarnaast wordt de aansprakelijkheid van de bouwer vergroot voor bouwfouten. De Wkb geldt op 1 januari 2024 en eerst alleen voor nieuw te bouwen bouwwerken in de laagste risicoklasse (gevolgklasse 1). Dit zijn bijvoorbeeld eengezinswoningen en kleinere bedrijfspanden. Uiterlijk 3 jaar na de inwerkingtreding van de Wkb zal een evaluatie plaatsvinden.
Evaluatie:
Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie volgen daarna (al dan niet gelijktijdig) de bouwwerken in hogere risicoklassen. Dit zijn bijvoorbeeld bibliotheken en onderwijsgebouwen (gevolgklasse 2) en voetbalstadions en ziekenhuizen (gevolgklasse 3). Hierdoor kunnen bouwbedrijven en gemeenten stap voor stap ervaring opdoen met het nieuwe toezicht in de bouw.
Aanvullingswet geluid
Het aanvullingsspoor geluid zorgt voor inpassing van de regelgeving over het beheersen van geluid in de Omgevingswet. De regels voor het beoordelen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen veranderen. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels uit bijvoorbeeld de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder.
Aanvullingswet bodem
Het aanvullingsspoor bodem voegt het thema bodem en ondergrond toe aan de Omgevingswet. De instrumenten van de Omgevingswet zijn daarmee toepasbaar op het thema bodem en ondergrond.
De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Een aantal EU-richt- lijnen vormt het kader voor de wijzigingen en aanvullingen van het stelsel Omgevingswet, bijvoorbeeld de Kaderrichtlijn Water en de Grondwater- richtlijn.
Aanvullingswet natuur
Het aanvullingsspoor natuur voegt regels over natuurbescherming toe aan de Omgevingswet.
Bijlage 4 Programma’s op nationaal en regionaal niveau
Bijlage 4a: Programma’s op nationaal niveau,
met beleidsopgaven voor de fysieke leefomgeving
Onderstaande lijst geeft de programma’s op nationaal niveau weer, waarmee de prioriteiten van de Nationale Omgevingsvisie (Novi) nadere specificering krijgen. Deze lijst beoogt niet uitputtend te zijn. Naast programma’s worden enkele belangrijke akkoorden schuingedrukt weergegeven.
Bijlage 4c Gemeentelijk kader
-Gemeentelijk VTH-beleid/U&H-beleid
-Omgevingsvisies
-Omgevingsplannen
-Lokale verordeningen oa. Fysieke leefomgeving
-Specifiek beleid op gebied van milieu, bodem en bouw, zoals VTH-beleid en/of beleid gericht op bijvoorbeeld milieuthema’s als Lucht, Geur en/of Geluid.
Bijlage 5 Opgavegerichte probleem- en risicoanalyse Milieu
Opgavegerichte probleem- en risicoanalyse Milieu
Dit betreft een gezamenlijk opgestelde tekst door de 4 Noord-Hollandse Omgevingsdiensten en moet ook in die context gezien worden. Het is dus niet alleen een beschrijving probleem- en risicoanalyse van de OD NZKG. Deze is wel toegepast door de OD NZKG en onderdeel geworden van de hoofdtekst.
Gezamenlijke methodiek Noord-Hollandse omgevingsdiensten
Om te bepalen hoe werkzaamheden in de uitvoering worden geprioriteerd, maken de Noord-Hollandse omgevingsdiensten gebruik van eenzelfde prioriteringsmethodiek. Hierbij wordt niet alleen gekeken naar de omvang van het risico van activiteiten, maar ook naar de mate van impact van die activiteiten op de (boven-) regionale beleidsopgaven.
De Noord-Hollandse omgevingsdiensten passen vijf stappen toe om tot prioritering van hun werkzaamheden te komen:
Stap 1: Opgave-analyse: gegeven doelen en ambities
Stap 2: Koppelen van opgaven aan bevoegdheid
Stap 3: Bepaling van verantwoordelijkheid: risico’s en impact
Stap 4: Bepaling van bestuurlijke prioriteit: bepalen van focus
Stap 5: Inzet VTH(A)-instrumentarium
Stap 1: Opgave-analyse
In de opgave-analyse analyseren de omgevingsdiensten welke beleids- opgaven spelen in hun eigen werkgebied, en definiëren deze. De gezamenlijke beleidsopgaven uit de Noord-Hollandse U&H-strategie krijgen een plek in het totaal van beleidsopgaven per omgevingsdienst.
Hoe deze beleidsopgaven spelen op regionaal niveau vraagt om nadere uitwerking. Per beleidsopgave concretiseren de omgevingsdiensten of bestaande doelen en ambities gelden op regionaal niveau. Hoe worden de beleidsopgaven in het regionale beleid gespecificeerd in doelen en ambities? Deze specificering van regionale beleidsopgaven nemen de
Noord-Hollandse omgevingsdiensten op in hun individuele U&H-strategie. Deze opgave-analyse staat in paragraaf 3 en 4 van deze gezamenlijke strategie.
Stap 2: Koppeling van beleidsopgaven aan bevoegdheid
Om specifieker te definiëren hoe de beleidsopgaven in het werkgebied van de omgevingsdienst zich verhouden tot de werkzaamheden van de omgevingsdienst, richten de omgevingsdiensten de blik op de eigen bevoegdheden. De omgevingsdiensten zijn bevoegd tot het uitvoeren van taken op het gebied van regulering (vergunningverlening), toezicht en handhaving. Hiernaast geven de omgevingsdiensten ook in toenemende mate advies aan hun deelnemers over het opstellen van omgevingsbeleid op het (mede) beoordelen van een situatie. De omgevingsdiensten dragen hierbij zorg voor een inzicht in het eigen locatiebestand in relatie tot de gedefinieerde beleidsopgaven.
De omgevingsdiensten bepalen per beleidsopgave welke (combinatie van) VTH(A)-instrumenten hiervoor het meest aangewezen zijn. Sommige beleidsopgaven vragen om primaire inzet op toezicht en handhaving, waar een andere beleidsopgave primair vragen om inzet op regulering of adviesverlening.
Ter bepaling van de gezamenlijke beleidsopgaven nemen de vier Noord- Hollandse omgevingsdiensten artikel 1.3 van de Omgevingswet als uitgangspunt. Daarin staat de maatschappelijke doelstelling van de wet, zoals eerder beschreven in paragraaf 3. Aansluitend op dit wettelijke uitgangspunt worden de beleidsopgaven bepaald voor de vier regio’s van Noord-Holland.
Artikel 1.3 Omgevingswet noemt drie belangen, die in het oog moeten worden gehouden bij de uitvoering van alle taken en bevoegdheden uit deze wet (zie ook artikel 2.1 lid 1 Omgevingswet):
-duurzame ontwikkeling,
-bewoonbaarheid van het land, en
-bescherming en verbetering van het leefmilieu.
Met het oog op de behartiging van deze drie fundamentele belangen geeft artikel 1.3 een opgave aan ieder bestuursorgaan, namelijk het in onderlinge samenhang betrachten van beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving. Dat moet gebeuren met inachtneming van in ieder geval: ‘veiligheid’, ‘gezondheid’, ‘omgevingskwaliteit’, ook vanwege ‘de intrinsieke waarde van de natuur’, en ‘vervulling van maatschappelijke behoeften’. Deze elementen moeten steeds in onderlinge samenhang worden bezien, om de genoemde oogmerken te behalen.
De thema’s die Omgevingswet, artikel 1.3, noemt onder a, gelden als waarborgen voor kwaliteit en worden beschouwd als beleidsopgaven. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten definiëren deze beleidsopgaven als volgt:
1Veiligheid: Onder ‘veiligheid’ wordt verstaan: de omgeving-gerelateerde risico’s die mensen in hun fysieke leefomgeving lopen, zoals het omgaan met en/of opslaan van gevaarlijke stoffen, en constructieve- en brandveiligheid. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten streven naar het beperken van omgeving-gerelateerde risico’s.
2Gezondheid: Onder ‘gezondheid’ wordt verstaan: het fysieke en psychisch welbevinden van de mens. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten streven naar een fysieke leefomgeving waar schade aan de fysieke en psychische gezondheid van de mens wordt beperkt.
3Omgevingskwaliteit: Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan: de belevings-, gebruiks- en toekomstwaarde van de fysieke leefomgeving. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten streven naar het beperken en/of voorkomen van hinder, overlast en ergernissen, zoals geluidsoverlast.
4Natuur: Onder ‘natuur’ wordt verstaan: oog voor ‘de intrinsieke waarde van de natuur’ en de biodiversiteit. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten streven naar het beperken en/of voorkomen van schade of nadelige effecten op de natuur, zoals het lozen van schadelijke stoffen en bodemverontreinigingen.
Omgevingswet, artikel 1.3, noemt onder b, het thema ‘vervulling van maatschappelijke behoeften’. Wat deze maatschappelijke behoeften zijn vraagt nadere invulling, waarvoor de omgevingsdiensten zich baseren op bestaand beleid. Hiervoor dient bovenstaande opgave-analyse. Eerder zijn in het ‘Investeringsvoorstel voor de nationale digitale tweeling infrastructuur’ van het Geoinformatie-beraad (GI-beraad), de nationale beleidsopgaven gecategoriseerd, naar vijf hoofdopgaven. Deze hoofdopgaven zijn niet alleen op nationaal niveau herkenbaar, maar ook op provinciaal niveau. Één belangrijke opgave die wel duidelijk uit de bovenstaande beleidsanalyse volgt mist daarin, namelijk: circulaire economie. Deze opgave wordt toegevoegd aan de vijf hoofdopgaven, waarmee zes hoofdopgaven worden geformuleerd. De opgaven zoals genoemd in de Provinciale Omgevingsvisie van Noord-Holland en de provinciale programma’s, sluiten aan bij deze hoofdopgaven.
Zo krijgt het thema ‘vervulling van maatschappelijke behoeften’, als volgt vorm:
5Vervulling van maatschappelijke behoeften: Onder ‘vervulling van maatschappelijke behoeften’ wordt verstaan: specifieke opgaven die vanuit politiek en bestuur als belangrijk worden beschouwd, en als zodanig in beleid zijn benoemd. De Noord-Hollandse omgevingsdiensten streven naar het leveren van een adequate bijdrage aan de volgende maatschappelijke opgaven:
a.Energietransitie: zowel inzet op besparing van energie en water, alsook inzet op hernieuwbare energie, onder meer door de regionale energiestrategieën.
b.Landbouwtransitie: inzet om op duurzame wijze landbouw te bedrijven.
c.Woningbouwopgave: inzet op uitbreiding van de woningvoorraad op duurzame wijze.
d.Klimaatadaptatie: inzet op de klimaatopgave, in navolging van onder meer de Klimaatwet, het Klimaatplan 2021-2030 en de Provinciale omgevingsvisie.
e.Vervanging van infrastructuur: in stand houden en verbeteren van verkeer en vervoer.
f.Circulaire economie: zowel afvalpreventie, alsook inzet op een duurzame economie, waarbij ruimte wordt geboden aan ontwikkeling van een circulaire economie.
Zoals duidelijk wordt uit tabel 1, gelden de oogmerken ‘duurzame ontwikkeling’, ‘bewoonbaarheid van het land’ en ‘bescherming en verbetering van het leefmilieu’ voor ieder van de beleidsopgaven.
Beleidsopgaven worden in onderlinge samenhang beschouwd en nagestreefd, teneinde zorg te dragen voor deze oogmerken.
Stap 3: Bepaling van verantwoordelijkheid: risico- en impactanalyse
In stap 3 wordt geduid welke taken de omgevingsdienst uitvoert en hoe deze zich verhouden tot de beleidsopgaven. De omgevingsdiensten onderscheiden hiervoor hun taken op thema-niveau, zoals taken op het gebied van bodem, lucht, geluid, water, natuur, etc.
Dit stelt de omgevingsdiensten in staat om te bepalen welke thema’s invloed hebben op de beleidsopgaven. Ten aanzien van de maatschappelijke behoeften (grijs), wordt weergegeven welke ambities op regionaal niveau worden gesteld. Dit leidt tot een matrix waarin de invloed op ieder van de thema’s wordt gescoord (zie tabel 2).
Na de koppeling van beleidsopgaven aan thema’s definieert ieder van de omgevingsdiensten, de significatie van ieder thema voor de beleidsopgaven. Nu wordt de mate van invloed nader geduid. Dit gebeurt door een risico- en impactanalyse.
A. Risicoanalyse: Binnen de thema’s wordt bepaald hoe groot het risico is dat hiervan uitgaat. Risico is gedefinieerd als: risico = kans x effect. Kans betekent in dit verband: kans dat een overtreding voorkomt, gezien het eerdere naleefgedrag van en/of inschatting van de toezichthouder. Effect betekent in dit verband: het nadelig effect dat een overtreding heeft op de beleidsopgaven.
Inzicht in het eigen locatiebestand maakt het mogelijk om de juiste doelgroepen (of later, indien mogelijk, activiteiten) te onderscheiden en per doelgroep de risico’s te duiden. De omgevingsdiensten zullen zich onder de Omgevingswet baseren op activiteiten in de leefomgeving (milieubelastende activiteiten). Om activiteiten als uitgangpunt voor analyse te kunnen nemen is echter een locatiebestand nodig dat in bruikbare vorm is omgezet naar activiteiten. Dit vraagt voor de meeste omgevingsdiensten nog tijd. Tot die tijd kan in de risicoanalyse worden gerekend met branches.
B. Impactanalyse: Vervolgens wordt impact op elk van de beleidsopgaven verdisconteerd in de resultaten uit tabel 4. Hiervan wordt een voorbeeld gegeven in tabel 5. In stap 4, bij de bepaling van bestuurlijke prioriteiten, wordt hier eventueel voor gecompenseerd.
Zo ontstaat een eerste prioritering van doelgroepen waar inzet op dient plaats te vinden om zorg te dragen voor de beleidsopgaven. Waar nu geprioriteerd op doelgroepniveau wordt kan dit op termijn – als het locatiebestand in voldoende mate de activiteiten in beeld heeft – op activiteitenniveau in plaats van op doelgroepniveau.
Stap 4: Bepaling van bestuurlijke prioriteit: bepalen van focus
In stap 4 wordt op basis van de analyse uit stap 3 een prioritering van inzet opgesteld. In beginsel wordt prioriteit gegeven aan thema’s en activiteiten die het grootste risico vormen, afgewogen tegen de impact kan worden gemaakt. Deze initiële prioritering, die voorkomt uit stap 3, is informatiegestuurd en daarmee uitlegbaar.
Toch kunnen er vanuit de deelnemers bestuurlijke redenen zijn om thema’s en activiteiten met een lager risico toch meer prioriteit te geven dan een thema of activiteit met hoger risico. Bijvoorbeeld omdat met een bepaalde activiteit een specifieke beleidsopgave effectiever of efficiënter wordt behaald. Bij deze afweging wordt het bestuurlijk referentiekader toegepast. Hierdoor ontstaat een prioritering van inzet, op het niveau van thema’s en activiteiten.
Stap 5: Inzet VTH(A)-instrumentarium
Bepaling hoe het VTH-instrumentarium wordt ingezet door de omgevings- dienst is het sluitstuk van de prioritering. De duiding van inzet van regulering, toezicht en handhaving en adviesverlening, vindt plaats in het jaarlijks uitvoeringsprogramma.
Hierbij wordt de best passende (combinatie van) inzet bepaald. Dat wil zeggen dat aan de prioritering uit stap 4 wordt gekoppeld welke inzet van VTH(A)-instrumenten daadwerkelijk wordt beoogd bij elk van de doelgroepen, in relatie tot de opgaven. Deze wordt voor zover mogelijk gekwantificeerd.
In stap 5 worden ook speerpunten onderscheiden voor de uitvoerings- praktijk. Voor de uitvoeringspraktijk is hierdoor duidelijk naar welke aspecten bij regulering, toezicht en handhaving en advisering in ieder geval aandacht dient te gaan, in relatie tot de opgaven.
Bijlage 6 Methodieken bodem en bouw
Hieronder vindt u de bestaande prioriteringsmethodiek voor bodem en de geactualiseerde methode voor bouw, met specifieke aandacht voor activiteiten die niet aan bedrijven zijn gerelateerd. De prioriteringsmethodiek voor bodem betreft de aanpak vóór de inwerkingtreding van de Omgevings- wet. Gezien de talrijke ontwikkelingen op het gebied van bodem, zoals decentralisatie, nieuwe basisverplichtingen onder de Omgevingswet, en de integratie van bodembeheer in omgevingsplannen, is de OD NZKG van plan om de methodiek bij te werken en in lijn te brengen met de brede, opgavegerichte en risico gestuurde benadering van prioritering. Dit zal met name van toepassing zijn op activiteiten die niet direct verband houden met bedrijfsactiviteiten, aangezien bodem- en bouw gerelateerde zaken
al onderdeel zijn van de reeds ontwikkelde prioritering op het gebied van milieu. Voor bouw gerelateerde taken hebben we onze methodiek geactualiseerd in overeenstemming met de Omgevingswet en hebben we deze gekoppeld aan het beleidskader van de betrokken overheidsinstanties die deze taken hebben ingebracht. Dit proces vindt plaats in nauwe samen- werking met de betrokken partijen die hun taken hebben ingebracht. De Omgevingswet dient hierbij als het vertrekpunt en de leidraad.
1Bodem
1.1 Uitgangspunten
Hoofddoel van de Wet bodembescherming (Wbb) en het Besluit bodem- kwaliteit (Bbk) was het beschermen van de leefomgeving voor wat betreft de bodem. Specifieke handelingen in en op de bodem en de opslag en toepassing van grond en bouwstoffen kunnen van invloed zijn op de bodemkwaliteit. Doel van de uitvoering van de taken is zorgdragen voor verbetering van het naleefgedrag binnen dit taakveld.
Het uitgangspunt van de bodem kerntaken is dat de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit en het gebruik van de bodem ligt bij de gebruiker, waaronder ook de in de bodem uitvoerende of op de bodem toepassende partij wordt verstaan, evenals de eigenaar. Dit kan een burger of bedrijf zijn, maar is in veel gevallen ook een overheid. De OD NZKG voert in opdracht van gemeenten en provincie diverse wettelijke kerntaken uit op het gebied van bodem. Dit betreft in hoofdlijnen de volgende primaire basistaken:
-Wet bodembescherming (Wbb): vergunning- en toezicht (VT)-taken met betrekking tot (oude) bodemsaneringen en handelingen in of met verontreinigde bodem;
-Besluit bodemkwaliteit (Bbk): vergunning- en toezicht (VT)-taken met betrekking tot het toepassen en opslaan van grond, baggerspecie en bouwstoffen, die de bodemkwaliteit kunnen beïnvloeden;
-Wet milieubeheer (Wm): vergunning- en toezicht (VT)-taken met betrekking tot de bodemkwaliteit gerelateerd aan een inrichting (o.a. nieuwe gevallen bodemsanering);
-Besluit lozen buiten inrichtingen (Blbi): toezichttaken met betrekking tot (verontreinigde) lozingen buiten inrichtingen, bijvoorbeeld in combinatie met bodemsaneringsmaatregelen.
Het betreft hier voornamelijk taken die een gevolg zijn van bij het bevoegde gezag gedane meldingen. De OD NZKG handelt zaken voor de bevoegde gezagen af zoals regulering (registratie, beoordeling, beschikking), toezicht (administratieve- en veldcontrole) en handhaving.
Als gevolg van een tekortkoming of gebrek kunnen overtredingen van genoemde regelgeving aan de orde zijn. Als gevolg hiervan kan bestuurlijke en/of strafrechtelijke handhaving (H-taken) aan de orde zijn, en eventueel hierop volgend bezwaar en beroep. Deze taken zijn formeel geen onderdeel van het landelijk gedefinieerde basistakenpakket, maar aan de oorspronkelijke kerntaken te relateren taken (onderdeel van het randvoorwaardelijk pakket). Doel van het bodemtoezicht is het toezien op bescherming van de leefomgeving voor wat betreft bodem, meer specifiek ten aanzien van bodemverontreiniging. Concreet betekent dit dat moet worden toegezien of de uitvoering van bodemwerkzaamheden plaatsvindt binnen de kaders van wet- en regelgeving voor bodembescherming, waaronder de standaardvereisten aan Bus-saneringen of conform de door het bevoegd gezag opgestelde beschikking op een saneringsplan, dan wel de aanwijsbeschikking bij nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. Een deel van de werkzaamheden vindt juist niet plaats op basis van aanvragen of meldingen. Periodieke of gerichte projectmatige surveillances worden ingezet om juist werken te onderzoeken die niet vooraf aan het bevoegd gezag zijn gemeld. Daarmee is er ook geen koppeling aan een product mogelijk. Surveillance is een aanvullende taak welke op regiebasis plaatsvindt.
Voor bodem is ook van belang dat stromen van grond of specifieke bouwstoffen (Besluit bodemkwaliteit) of bouwafvalstoffen (bijvoorbeeld asbest) worden gevolgd in de productieketen of tussen geografische gebieden. Dit vindt vaak plaats in de vorm van projecten en analyses Informatie Gestuurde Handhaving. Deze werkzaamheden vinden op regiebasis plaats.
Voor het bodemwerkveld is een goede informatiepositie van essentieel belang omdat handelingen op vooraf onbekende locaties plaatsvinden dan wel dat verontreinigd materiaal getransporteerd wordt naar een vooraf onbekende bestemming. Risico en Informatie Gestuurd Werken op basis van analyses van beschikbare (externe) databronnen is daarom binnen
het Bodemwerkveld een constant product om een goed naleefgedrag te bevorderen. Dit maakt deel uit van het randvoorwaardelijk pakket. Daarnaast voert de OD NZKG diverse overige bodem-gerelateerde taken uit, die niet tot de kerntaken of het randvoorwaardelijk pakket behoren. Dit kan gaan over specifieke ondersteunende taken aparte afspraken worden gemaakt, zoals:
-Zaakgebonden advies (o.a. bodemtoets bij bouwaanvragen);
-Uitvoeren van (historisch) onderzoek bij gemeentelijke opdrachten;
-Verstrekken van beschikbare bodeminformatie aan derden (o.a. makelaarsinfo);
-Activiteiten in het kader van de bodemkwaliteitskaart (ontwikkeling, beheer en onderhoud);
-Advies uitvoeringsbeleid;
-Specifieke thematische bodemprojecten (keteninspecties; steekproef- bemonstering).
1.2 Risico-analyse bodem
Het beginpunt van de categorisering van de output producten bodem zijn de soorten werkzaamheden waaraan de wettelijke bodemtaken gerelateerd zijn. Hierbij is gebruik gemaakt van verwachte milieugevolgen die bij dergelijke werkzaamheden zouden kunnen optreden. Dit heeft geleid tot een indeling van Categorie A (aanzienlijk) t/m E (gering), in afnemende volgorde.
Aan de categorieën zijn de volgende soorten werkzaamheden toegekend:
In de praktijk blijkt een aanzienlijk andere aanpak en inspanning tussen bodemsaneringen (Wbb/Wm) en bodemtoepassingen/lozingen (Bbk/ Blbi). Dientengevolge is een onderscheid in uitvoeringsniveaus oftewel subcategoriseren gerechtvaardigd (voor Wbb/Wm en voor Bbk/Blbi).
Onze functionele bodemwerkzaamheden onderscheiden zich in regulering (voornamelijk registreren, beoordelen, beschikken) en toezicht (administratief en in het veld). Voor deze verschillende handelingen is per (sub)categorie aangegeven welk niveau van inspanning noodzakelijk is om aan een adequaat niveau te kunnen voldoen. Deels wordt dit bepaald door de wettelijke taak, bijvoorbeeld de verplichting tot registratie of beschikking, deels wordt dit gewogen naar de milieugevolgen.
De volgende onderscheidende uitvoeringsniveaus zijn gebruikt:
4= volledig en alle aspecten behandelen;
3= kritische/representatieve aspecten behandelen;
2= risico gestuurd op de uitgangspunten behandelen;
1= risico gestuurd handelen op basis van plausibiliteit;
0= niet of vrijwel niet behandelen.
Voor het veldtoezicht is dit nader vertaald naar een indicatief bezoekpercentage:
4= 100-90% van de gevallen worden bezocht;
3= 90-60% van de gevallen worden bezocht;
2= 60-40% van de gevallen worden bezocht;
1= 40-10% van de gevallen worden bezocht;
0= 10-0% van de gevallen worden bezocht.
Per subcategorie is voor de verschillende handelingen een inschatting gemaakt van het benodigde uitvoeringsniveau uitgedrukt in uren. Voor iedere subcategorie leidt dit hiermee tot een profiel van adequaat niveau oftewel een globale beschrijving wat minimaal gedaan moet worden om tot een adequaat inzetniveau te komen.
Het totaal van de in te zetten ‘gemiddelde’ uren en het aantal gevallen per opdrachtgever bepaalt uiteindelijk de benodigde inzet (gewogen kengetal) per categorie voor de vergunnings- en toezichtstaken samen.
Het aantal gevallen per jaar binnen het gebied van de opdrachtgever betreft een inschatting op basis van eerdere ervaringen en onderbouwde verwachtingen. Gezamenlijk leidt dit met de randvoorwaardelijke inzet (= factor maal de kerninzet) tot het totaal aantal uren adequate inzet. Worden de specifieke (thematische) opdrachten op het gebied van bodem toegevoegd, dan
leidt dit tot het geraamde totaal aantal in te zetten uren op het gebied van bodemprojecten (fte’s). De feitelijke inzet wordt uiteindelijk bepaald door het feitelijke aanbod aan projecten op ieder moment en het dan geldende uitvoeringsprogramma en de daarin gestelde prioriteiten en beleidsvoorkeuren.
1.3 Risicomatrix bodemtoezicht
De uitvoering bij het bodemtoezicht wordt geprioriteerd volgens de onder- staande risicomatrix. In deze tabel is een onderscheid gemaakt op vier niveaus. De taken die in de hoogste prioriteit (vier) vallen worden te allen tijde uitgevoerd. De taken op prioriteitsniveau drie altijd, tenzij er op dat moment geen capaciteit beschikbaar is. Taken op prioriteitsniveau twee en één worden binnen projecten dan wel als er meermalen overtredingen op een specifiek onderdeel worden geconstateerd uitgevoerd.
Tabel 1: risicomatrix bodemtoezicht
2Bouw
2.1 Doelen
De doelstellingen voor de uitvoering Bouw vallen uiteen in technische en overige doelstellingen.
De technische doelstellingen zijn het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het waarborgen van duurzaamheid, toegankelijkheid en bruikbaarheid bij het bouwen en gebruiken van bouwwerken. De overige doelstellingen zijn gerelateerd aan de ruimtelijke regels en aan de regels over de omgevingskwaliteit, waarop het nalevingstoezicht betrekking heeft, zoals:
-het beschermen van de leefbaarheid;
-het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden;
-het zorgen voor een goede visuele kwaliteit van bouwwerken;
-het behoud van cultureel erfgoed;
-de natuurbescherming;
-het tegengaan van klimaatverandering en
-de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Bij de uitvoering gaat de OD NZKG uit van een uniform uitvoeringsniveau zoals hieronder is weergegeven, tenzij opdrachtgevende bestuursorganen besloten hebben tot afwijkend uitvoeringsniveau voor deze plustaak. In de besluitvorming daarover houden de opdrachtgevende bestuursorganen rekening met het belang van de doelmatige en doeltreffende uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak door de OD NZKG.
Vergunningverleners, constructeurs en toezichthouders spelen in het nalevingstoezicht een rol in de uitvoerende zin, dat wil zeggen toetsend, inspecterend en handhavend.
2.2 Verguningverlening, toezicht en handhaving (Vth)
De OD NZKG voert afhankelijk van de opdrachtgever combinaties van de volgende VTH-taken omgevingsrecht/bouw uit:
-VTH-taken omgevingsrecht/bouw voor bepaalde gebieden en projecten;
-VTH-taken omgevingsrecht/bouw voor bedrijven/utiliteitsbouw
-(o.a. Type C en provinciale bedrijven (1));
-VTH-taken omgevingsrecht/bouw en openstellingsvergunning tunnels en ondergrondse spoorwegen (metro);
-(V)TH-taken in verband met brandveiligheid in de gebruiksfase voor de utiliteitsbouw (toezicht brandveilig gebruik;
-Adviestaken op uitvoering VTH.
De OD NZKG voert de basistaken VTH voor bouw- en sloopactiviteiten uit waarbij de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland het bevoegd gezag zijn. Dan gaat het om bouwprojecten van provinciaal belang of complexe bedrijven. Daarnaast voert de OD NZKG deze taken uit bij bedrijven in de provincies Flevoland en Utrecht die onder de regelgeving over het voorkomen van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen vallen.
Algemeen doel van vergunningverlening is het bevorderen dat de vergunde werkzaamheden plaatsvinden binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving en voor toezicht en handhaving dat de uitvoering van werkzaamheden en het gebruik van de betrokken panden plaatsvinden binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving en – voor zover van toepassing – de afgegeven vergunning.
Prioritering in vergunningverlening: vraaggestuurd en risicogericht
De prioritering van vergunningverlening is primair vraag-gestuurd, dat betekent reageren op en behandelen van vergunningaanvragen die door initiatiefnemers worden ingediend. In deze benadering worden alle aanvragen behandeld zonder vooraf vastgestelde prioriteiten, waarbij de volgorde van behandeling wordt bepaald door de binnenkomst van de aanvragen en de specifieke eisen van elk project. Tegelijkertijd wordt er een risicogerichte aanpak gehanteerd, waarbij projecten met een hoger risico voor de leefomgeving of de naleving van regelgeving meer aandacht en middelen krijgen via Bouwtoezicht op Maat (BOM, zie par 6.5.). Hierbij moet worden aangetekend dat ook onder de Omgevingswet bij de toetsing aan de bouwregelgeving meestal een zogenoemd limitatief- imperatief stelsel geldt. Als een aanvraag voldoet aan de regels, moet de omgevingsvergunning worden verleend; als dat niet zo is, moet de
gevraagde vergunning worden geweigerd. Het bevoegd gezag heeft daarbij weinig ruimte om een belangenafweging te maken.
Overtredingen
Indien overtredingen worden geconstateerd wordt bestuursrechtelijk opgetreden met passende waarschuwingen of sancties als stillegging van de bouwwerkzaamheden of het opleggen van een last onder dwangsom. Resultaat van het bouwtoezicht moet zijn dat het uiteindelijk gerealiseerde bouwwerk aan de regels voldoet. In een enkel geval is dat niet mogelijk en is er sprake van onomkeerbare schade. In dat geval kan strafrechtelijk worden
opgetreden (bijvoorbeeld bij overtredingen met asbest). In de uitvoering sluit de OD NZKG aan bij de landelijke handhavingstrategie (LHS of LHSO.onder de Omgevingswet).
2.3 Ontwikkelingsagenda in verband met de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen en Omgevingswet
De ‘knip’ in het VTH-stelsel bouw
Met de Omgevingswet wordt VTH bouwen in een technisch en ruimtelijk deel gescheiden. Dat levert twee activiteiten op waarop bestuurlijk toezicht wordt gehouden: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Dit noemen we ‘de knip’.
Wet kwaliteitsborging voor het bouwen
De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) wordt naar verwachting tegelijk met de Omgevingswet ingevoerd, te beginnen met bouwwerken in gevolgklasse 1. Hierbij verandert de vergunningplicht in een meldingsplicht. Het Wkb-stelsel zal uiteindelijk het gehele technische toezicht op de kwaliteit van bouwwerken omvatten, met uitzondering van vergunningvrije bouwwerken. De Wkb verschuift de verantwoordelijkheid voor bouw- technische toetsing en toezicht naar private kwaliteitsborgers. Dit betekent dat de nadruk minder op de voorafgaande toets van bouwplannen ligt en de rol van de vergunningverlener vervalt. De nadruk komt te liggen op uitgebreide toetsing tijdens de bouw en bij oplevering door de kwaliteits- borger.
De Wkb brengt geen veranderingen in toezichts- en handhavings- bevoegdheden. De OD NZKG blijft op grond van verleende mandaten verantwoordelijk voor het bestuurlijk toezicht op naleving van de technische bouwregelgeving en bestuursrechtelijke handhaving bij overtredingen.
Handelingskader Wkb
De OD NZKG heeft in samenspraak met de gemeentelijke opdrachtgevers van de bouwtaken een voorlopig uitvoeringskader opgesteld dat de uitvoering van het toezicht op naleving onder de Wkb beschrijft. Dit kader is gebaseerd op het door de VNG ontwikkelde referentieproces melding Wkb en geeft specifieke invulling aan beleidsruimte bij bestuurlijk toezicht en handhaving. Na de inwerkingtreding van de Wkb zal dit kader voortdurend worden aangepast op basis van praktijkervaringen. De verwachting is dat na een jaar voldoende ervaring is opgedaan om het aangepaste Handelingskader formeel vast te stellen.
Meer bouwtechnisch vergunningvrij bouwen
Onder de Wkb neemt het aantal technisch vergunningvrije bouwwerken, oftewel ‘gevolgklasse 0’, toe. Deze worden niet vooraf getoetst door het bevoegd gezag of de kwaliteitsborger. Het bevoegd gezag blijft echter verantwoordelijk voor het repressieve toezicht op deze bouwwerken. Dit betekent dat in meer gevallen repressief moet worden opgetreden om strijdigheid met de bouwtechnische regels ongedaan te maken. Er blijkt overigens in veel gevallen wel een vergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouw vereist. De precieze invloed op de aard en omvang van de werkzaamheden van de OD NZKG is nog onbekend. Naar verwachting zal een jaar na de inwerkingtreding van de Wkb de impact duidelijker zijn, waarna het uitvoeringsbeleid kan worden bijgesteld.
Bouwtoezicht op maat
In het huidige uitvoeringskader Bouwtoezicht Op Maat (BOM) zijn
-indicatief – de toetsing- en inspectieniveaus voor naleving van de bouw- regels vastgelegd. Dit kader dient te worden geëvalueerd en te worden aangepast tegen de achtergrond van de op handen zijnde stelselwijzigingen (Wkb/Omgevingswet). Het kader is in de afgelopen jaren heel waardevol gebleken in het voldoen aan het uitgangspunt van de Wet VTH om het uitvoeringsbeleid te baseren op een risicoanalyse van mogelijke gevolgen die zich kunnen voordoen als de regels niet worden nageleefd. De 1 op 1 doorvertaling van de risico-categorieën naar financieringssystematiek is echter minder succesvol gebleken dan was voorzien. In de praktijk is gebleken dat ook andere factoren dan de in het geding zijnde risico’s voor de fysieke leefomgeving invloed hebben op de benodigde inzet op gebied van VTH. In afwachting van de herziening van dit uitvoeringskader op grond van een evaluatie en in verband met de op handelen zijnde stelselwijzigingen, blijft het ongewijzigd van kracht zoals beschreven in paragraaf 2.5.
Inzet van capaciteit, kennis en ervaring op het gebied van het technisch bouwtoezicht
De gemeenten in het werkgebied van de OD NZKG werken net als gemeenten elders in het land met criteria die aangeven welke personele kwaliteit ten minste in de eigen organisatie aanwezig moet zijn om de VTH-taken goed uit te voeren. Deze ‘criteria voor kritische massa’ dienen in verband met de komende stelselwijzigingen te worden aangepast. Omdat de gemeenten een rol houden bij het bestuurlijke toezicht en de handhaving van de technische bouwregels, moeten gemeenten ook onder de Wkb bij de uitvoering een beroep kunnen doen op capaciteit, kennis en ervaring. De OD NZKG kan een rol vervullen in het beschikbaar houden van voldoende kritische massa om de op de Wkb aanvullende wettelijke toezichts- en handhavingstaken uit te voeren. Die rol is alleen mogelijk als gemeenten
gezamenlijk zorgen voor voldoende financiering van de uitvoeringscapaciteit van de OD NZKG.
2.4 Amsterdamse VTH-strategie
Op het moment van schrijven worden de Amsterdams VTH-strategie geactualiseerd.
Uitvoering strategieën gemeente Amsterdam
Afgesproken is dat het Amsterdamse VTH-beleid/U&H-strategie geldt voor U&H-taken in de fysieke leefomgeving die in de grootstedelijke gebieden aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied zijn gemandateerd en voor de plustaken die de Omgevingsdienst namens Amsterdam uitvoert.
Hiervoor geldt dat de Omgevingsdienst in overleg met Amsterdam voor de uitvoering van deze taken uitvoeringsaccenten kan aanbrengen. Bijvoorbeeld in het belang van de regionale uniformiteit of vanuit bedrijfsmatige over- wegingen. Deze accenten passen binnen de kaders van Amsterdamse beleid en worden vastgelegd in de jaarlijkse uitvoeringsovereenkomsten tussen Amsterdam en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. In afspraken bij de jaarlijkse uitvoeringsovereenkomsten wordt rekening gehouden met bedrijfsmatige overwegingen van de OD NZKG.
ODNZK neemt de specifieke strategieën voor bouwen van gemeente Amsterdam in beginsel over wat betreft de plustaken. Deze algemene strategieën zijn veel in lijn met landelijk beleid, in specifieke uitwerkingen zoals hoogte van dwangsommen volgen in beginsel de opdrachtgevers.
ODNZK neemt specifieke strategieën in beginsel over wat betreft de plustaken:
-Strategie externe kwaliteitsborging (Wkb), met accenten samenhangend met de aard van de bouwwerken (veel nieuwbouw ipv verbouw, samenloop met milieuaspecten etc)
-Strategie woningkwaliteit
-Strategie toepassen uitgebreide procedure
-Participatiestrategie
-Strategie handhavingsverzoeken en –meldingen (aangepast aan de specifieke opgaven OD NZKG bijv. toezicht veiligheid metrosysteem)
-Strategie intrekken ongebruikte vergunningen
-Strategie 24h verantwoordelijkheid, roulatie en functiescheiding
-Preventie en communicatiestrategie (wellicht met accenten)
-Strategie samenwerking ketenpartners en afhandeling signalen (contramal van lokaal beleid)
2.5 Bouwtoezicht Op Maat
Bouwtoezicht Op Maat (BOM) is het systeem dat wordt gebruikt binnen de OD NZKG voor omgevingsvergunningen bouw en bouwtoezicht. Het systeem is gebaseerd op landelijke toetsingskaders en verdeelt bouwwerken in verschillende categorieën. Het uitgangspunt van BOM is dat de verantwoordelijkheid bij de eigenaar ligt en het bevoegd gezag beoordeelt of deze verantwoordelijkheid voldoende wordt genomen. BOM heeft als doel onaanvaardbare risico’s af te vangen op het gebied van ruimtelijke inpassing, esthetische inpassing, technische bouwkwaliteit en omgevingsaspecten.
Werkniveau’s
De BOM-systematiek hanteert vier werkniveaus voor bouwtoezicht op basis van een risicoanalyse:
-Integraal (4): Beoordeling van alle onderdelen op detailniveau, met gebruik van project specifieke en detailtekeningen.
-Representatief (3): Beoordeling op hoofdlijnen en kenmerkende details, met gebruik van algemene project specifieke tekeningen en detailtekeningen van kritische detailleringen.
-Beperkt (2): Beoordeling op hoofdlijnen, met gebruik van algemene project specifieke tekeningen. Detailtekeningen worden alleen geraadpleegd bij twijfel.
-Marginaal (1): Visuele controle zonder het raadplegen van tekeningen of het gebruik van hulpmiddelen.
De toezichthouders werken volgens het principe van opbouwen van vertrouwen en beoordelen op basis van deskundigheid. Afhankelijk van het vertrouwen dat uit de beoordeling voortkomt, kan het werkniveau in een concreet geval worden aangepast. Voor verbouwsituaties zijn vaak minder onderdelen aan de orde dan voor nieuwbouw omdat de nadruk ligt op het beoordelen van de gevolgen van de verbouwingsingreep en niet op die delen waarop de ingreep geen invloed heeft.
Typologie van bouwwerken
De werkniveau’s zijn gekoppeld aan zogenaamde BOM-categorieën voor nieuwbouw en verbouw, waarbij categorieën bouwwerken zijn gedefinieerd als volgt:
-A1 (bouwkosten < €100.000, niet constructief): Vlaggenmasten, hekwerken, gevelwijzigingen, installaties, interne niet-constructieve verbouwingen, en reclame zonder constructie.
-A2 (bouwkosten < €100.000, constructief): Constructieve verbouwingen, dakopbouw, funderingsherstel, meerpalen, steigers, porto-cabins, en reclame met constructie (zoals op het dak of reclameborden).
-B1 (woongebouw): Woongebouwen en woontorens.
-B2 (andere woonfunctie): Vrijstaande en eengezinswoningen.
-B3 (lichte industriefunctie): Loodsen, hallen, tanks(installaties), opslag- ruimtes, opvangbassins, pompkamers, en schakelhallen.
-B4 (overige industriefunctie): Bedrijfs(verzamel)gebouwen, ateliers, broedplaatsen, autoshowrooms of -werkplaatsen, tankstations, en (zelfstandige) parkeergarages.
-B5 (bijeenkomst-, cel-, onderwijs-, gezondheid- (bed-gebonden), logiesfunctie): Theaters, stations, restaurants, gevangenissen, scholen, universiteiten, ziekenhuizen, vakantiewoningen en hotels.
-B6 (kantoor-, winkel-, sport-, gezondheidsfunctie (niet bed-gebonden)): Kantoren, winkels, gezondheidscentra, artsenpraktijken, sporthallen en stadions.
-B7 (bouwwerk geen gebouw zijnde): Kades, geluidsschermen, dam- wanden, bruggen, laadplatforms, hoogspanningsstations, en funderingen.
-B8 (bijzondere categorie): grote vaak infrastructurele projecten.
Daarnaast zijn er BRIKS en overige beoordelingen (RO-, inrit-, kap-, sloop- en brandveilig gebruik en sloop). De Bouwtoezicht op maat (BOM) systematiek dient als basis voor het vaststellen van de uitvoeringsniveaus op basis van een risicoanalyse. Het uitvoeringsniveau is in 2016 bepaald (zie tabel 1).
In de afgelopen jaren zorgden de krapte op de arbeidsmarkt en de corona- pandemie voor grote uitdagingen om het vastgestelde uitvoeringsniveau te handhaven. In dialoog met de opdrachtgevers wordt het uitvoeringsniveau steeds aangepast aan de omstandigheden van het moment. De aanstaande stelselwijzigingen door de invoering van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging maken een herziening van het beleid over het uitvoeringsniveau sowieso noodzakelijk.
Uitzonderingen BOM systematiek
Werkzaamheden rondom tunnels en ondergronds lokaalspoor (metro) en toezicht hierop vallen niet onder de BOM-systematiek. Dat geldt ook voor het toezicht op brandveilig gebruik van panden, In de laatste categorie wordt gewerkt met een kengetallen per controle, waarbij de prioritering van de opdrachtgever de controlefrequentie bepaalt.
2.6 Tunnelveiligheid
De OD NZKG voert taken uit met betrekking tot de veiligheid van verkeerstunnels, zoals vastgelegd in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels (Warvw). Deze taken worden uitgevoerd in nauw overleg met de tunnelbeheerder(organisatie en de veiligheidsbeambte De OD NZKG is verantwoordelijk voor het behandelen en verlenen van omgevings- vergunningen en openstellingsvergunningen voor nieuwe tunnels en bij tunnelrenovaties, het houden van toezicht tijdens de bouw en renovatie van tunnels, en het uitvoeren van systeemtoezicht en inspecties van tunnelveiligheid elke zes jaar. Bij elke tunnel zijn er een tunnelbeheerder (de wegbeheerder) en een veiligheidsbeambte (aangesteld door de tunnelbeheerder) betrokken. Voor elke nieuwe wegtunnel moet een tunnelveiligheidsplan worden opgesteld Ten behoeve van de omgevingsvergunning dient een bouwplan te worden opgesteld. Het openstellen van een tunnel zonder openstellingsvergunning en het gebruik van een tunnel in afwijking van het veiligheidsbeheerplan is verboden.
De volgende wegtunnels vallen onder het toezicht van de OD NZKG:
IJ-tunnel, Coentunnel, Zeeburgertunnel, Piet Heintunnel, Michiel de Ruijtertunnel, Spaarndammertunnel, Gaasperdammertunnel, Buitenvelderttunnel, Abdijtunnel, Kaagbaantunnel en Waterwolftunnel.
2.7 Toezicht op ondergronds lokaalspoor (metro)
In de Beheervisie 2023 van de Vervoerregio Amsterdam zijn (in lijn met de bouwregelgeving) uitgangspunten vastgelegd voor toezicht op bouwkundige brandveiligheid als integraal onderdeel van de veiligheid van het gehele metro vervoerssysteem. ILT is aangewezen als toezichthouder op naleving van Wet lokaal spoor en gerelateerde regelgeving bij beheerders en vervoerders. De Vervoerregio Amsterdam heeft een overeenkomst met ILT voor het uitvoeren van wettelijke taken, waaronder het opstellen van een vierjarenplan en jaarplan. Toezicht en handhaving van bouwregelgeving zijn opgedragen aan OD NZKG, die bij de toepassing van de bouwvoorschriften zoveel mogelijk uitgaat van de integrale veiligheidsfilosofie uit de Beheervisie 2023. Het toezicht door OD NZKG is gebaseerd op wettelijke bevoegdheden uit de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit omvat onder andere toezicht op naleving van meldingsvoorwaarden, de mogelijkheid om voorwaarden te wijzigen bij veranderingen in inzichten of omstandigheden, het aanschrijven voor noodzakelijke bouwkundige maatwerkvoorzieningen bij gebreken of veranderingen in gebruik, toezien op naleving van de bouw- vergunningplicht en bij vergunningvrije bouwwerkzaamheden, en toezicht op naleving van rechtstreeks werkende regels.
2.8 Adviestaken bouw OD NZKG
De OD NZKG vervult diverse adviestaken op het gebied van constructie en andere aspecten van de bouwregelgeving, waarbij de adviezen worden gebaseerd op de toepasselijke bouwregelgeving en het beleid van de opdrachtgevers. Constructeurs van de OD NZKG beoordelen constructieve gegevens zowel op hoofdlijnen als op uitgewerkte tekeningen en berekeningen, rekening houdend met de geldende regelgeving en het beleid van de betrokken partijen.
Bij technische regelgeving is de lokale beleidsruimte overigens beperkt, aangezien het voornamelijk gaat om regels van het Rijk. De OD NZKG adviseert ook bij evenementen, incidenten, handhavingszaken etc., met inachtneming van de relevante bouwregelgeving en het lokale beleid van de opdrachtgevers, voor zover mogelijk. Daarnaast ondersteunt de OD NZKG gemeenten, provincies en andere overheidsorganisaties bij het opstellen en toepassen van bouwbeleid en landelijke regelgeving, zodat deze op de juiste wijze wordengeïmplementeerd en nageleefd, met respect voor de beperkte beleidsruimte op lokaal niveau bij technische regelgeving.
Bijlage 6 Begrippenlijst
Basistakenpakket:
Het basistakenpakket is het minimale pakket aan taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving dat door gemeenten en provincies ondergebracht moet worden bij omgevingsdiensten. Het basistakenpakket is per 1 januari 2024 geborgd in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit. In samenwerking met gemeenten, provincies en omgevingsdiensten is een nieuw basistakenpakket vastgesteld. Dit pakket heeft een plaats gekregen in artikel 13.12 en bijlage VI van het Omgevingsbesluit.
Bevoegd gezag:
Het bestuursorgaan dat bevoegd is voor toezicht en handhaving, meldingen ontvangt en vergunningaanvragen behandelt. Het bevoegd gezag kan ook maatwerkbesluiten nemen of vergunningen (ambtshalve) wijzigen of intrekken. Voor VTH-taken gaat het meestal om het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of om het college van gedeputeerde staten.
Big 8-cyclus:
Systematiek afkomstig uit de wet VTH. De verschillende stappen in de cyclus (die in de vorm van een acht worden weergegeven) vormen samen het VTH-beleid en het uitvoeringsprogramma. Ook geven de stappen richting aan de systematiek van doorwerking en evaluatie.
Bruidsschat:
Onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten en waterschappen. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat deze regels automatisch in het omgevingsplan of de waterschap verordening komen. Dit heet ook wel de ‘bruidsschat’.
Deelnemers:
De in de omgevingsdiensten deelnemende partijen: gemeenten en de provincie.
IBP VTH:
Het Interbestuurlijk Programma Versterking VTH (IBP VTH) is een samenwerkings- programma dat gericht is op de versterking van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) op het gebied van milieu, bouw en ruimtelijke ordening. Dit programma brengt verschillende bestuurslagen, zoals gemeenten, provincies en het Rijk, samen om gezamenlijke doelen en afspraken te formuleren en uit te voeren om de kwaliteit en effectiviteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving in Nederland te verbeteren. Het IBP VTH heeft als doel om te zorgen voor een betere naleving van wet- en regelgeving en het waarborgen van een veilige en gezonde leefomgeving. Het programma richt zich op het ontwikkelen van beleid, het delen van kennis en ervaring, en het bevorderen van samenwerking tussen verschillende overheidsinstanties en stakeholders op het gebied van VTH.
IPPC-bedrijven:
Grote industriële bedrijven met een IPPC-installatie die valt onder de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU).
Klimaatopgave:
De klimaatopgave verwijst naar de uitdagingen en problemen die voortkomen uit de klimaatverandering, zoals de opwarming van de aarde en de gevolgen ervan. Het omvat maatregelen en acties die moeten worden genomen om de oorzaken van klimaatverandering aan te pakken, zoals het verminderen van broeikasgasemissies en het bevorderen van duurzame praktijken. De aanpak van de opgaven Circulaire economie (verminderen van afval
en het efficiënt gebruik van grondstoffen), Klimaatadaptatie (aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering die al plaatsvinden of onvermijdelijk zullen optreden) en Energietransitie (overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar duurzame en hernieuwbare energiebronnen) dragen allen bij aan de aanpak van klimaatverandering.
Kwaliteitscriteria VTH:
Er gelden kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Artikel 13 van het Omgevingsbesluit legt de kwaliteitscriteria vast voor vergunningen en toezicht met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit artikel stelt eisen aan de inhoud van vergunningen en het toezicht daarop, met als doel het waarborgen van de kwaliteit en bescherming van het milieu. Voor de overige VTH-taken geldt er een zorgplicht. De invulling hiervan is vrij.
Level playing field: Een ‘level playing field’ in de context van uitvoerings- en handhavingstaken;
van Omgevingsdiensten verwijst naar een situatie waarin er een eerlijke en gelijke speelruimte is gecreëerd voor alle betrokken partijen, waaronder overheden, bewoners en bedrijven. Dit betekent dat alle partijen gelijke kansen en gelijke behandeling krijgen bij het aanvragen, beoordelen en uitvoeren van vergunningen en bij het naleven van wet- en regelgeving met betrekking tot
de fysieke leefomgeving. Het concept van een ‘level playing field’ is van groot belang om te zorgen voor rechtvaardigheid, transparantie en consistentie in het besluitvormingsproces met betrekking tot VTH-taken
Maatwerktraject:
Een maatwerktraject voor een bedrijf is een op maat gemaakt proces of programma dat specifiek is ontworpen om de individuele behoeften en situatie van een
bedrijf aan te pakken in overeenstemming met milieu-, bodem- en bouwvoorschriften. Dit traject omvat aangepaste vergunningverlening, toezicht, handhaving, advies en andere relevante activiteiten om ervoor te zorgen dat het bedrijf voldoet aan geldende regels en voorschriften,
terwijl tegelijkertijd rekening wordt gehouden met de unieke omstandigheden en uitdagingen van dat specifieke bedrijf. De focus ligt op een individuele aanpak die in lijn is met breder beleid en regelgeving, waarbij een evenwicht wordt gezocht tussen economische belangen en het behoud van een duurzame, veilige en gezonde leefomgeving.
Minimaliserende normen:
Minimaliserende normen verwijzen naar specifieke wettelijke voorschriften of regels die zijn opgesteld met als doel het minimaliseren van bepaalde negatieve effecten, risico’s of invloeden op de fysieke leefomgeving, volksgezondheid, of andere relevante aspecten. Deze normen stellen limieten of criteria vast die moeten worden nageleefd om de impact van activiteiten of situaties te beperken of te minimaliseren.
Naleefgedrag:
De mate waarin de wettelijke regels door bedrijven worden nageleefd.
Omgevingsloket:
Een online voorziening waarmee een aanvraag opgesteld kan worden voor een omgevingsvergunning, watervergunning en/of melding. Ook kan men een vergunningencheck doen om te zien of een vergunning of een melding nodig is.
Plustaken:
Extra taken die (buiten het verplichte basistakenpakket) aan de Omgevingsdienst zijn opgedragen.
RIE4-bedrijf:
RIE4 staat voor Risico-Inventarisatie en -Evaluatie 4. Het betreft een bedrijf waarin een installatie staat als bedoeld in bijlage I, categorie 4 (chemische industrie) van de Richtlijn industriële emissies.
Samenlevingsgericht werken:
Samenlevingsgericht werken door omgevingsdiensten verwijst naar een benadering waarbij deze diensten actief betrokken zijn bij en samenwerken met de bredere samenleving, waaronder burgers, bedrijven, lokale gemeenschappen en andere belanghebbenden, bij het vormgeven en uitvoeren van activiteiten met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Het houdt in dat omgevingsdiensten niet alleen top- down reguleren en handhaven, maar ook luisteren naar en rekening houden met de behoeften, inzichten en zorgen van de samenleving.
Seveso-bedrijf:
Milieubelastende activiteit die is aangewezen in paragraaf 3.3.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij een Seveso-bedrijf gaat het om een bedrijf met gevaarlijke stoffen boven de drempelwaarde uit bijlage I, deel 1 of deel 2 van de Sevesorichtlijn. De bedrijven worden ingedeeld in hogedrempelinrichtingen (grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen) en lagedrempelinrichtingen (kleinere hoeveelheden). Tot 1 januari 2024 vielen deze bedrijven onder de regels van het Besluit risico’s zware ongevallen. Dit besluit is per 1 januari 2024 ingetrokken.
Seveso-bedrijven moeten risicoanalyses uitvoeren, veiligheidsmaatregelen treffen en noodplannen opstellen om de veiligheid van mens en milieu te waarborgen. Het doel is om de risico’s van zware ongevallen te beheersen en de bescherming van de omgeving en de bevolking te waarborgen.
Voorzorgbeginsel:
Dit betreft het beleidsprincipe waarbij omgevingsdiensten preventieve maatregelen en beslissingen nemen met betrekking tot de fysieke leefomgeving, zelfs
als er wetenschappelijke onzekerheid bestaat over mogelijke risico’s voor milieu, gezondheid of veiligheid. Dit betekent dat de OD NZKG maatregelen neemt om potentiële schade te voorkomen in situaties waarin er aanwijzingen zijn voor schadelijke effecten, zelfs als er geen definitief bewijs is. Het principe streeft ernaar om de belangen van bescherming van de leefomgeving en volksgezondheid voorop te stellen, met aandacht voor het verminderen van risico’s en het nemen van voorzorgsmaatregelen in onzekere situaties.