Gemeentelijke regelgeving

Toetsingskader windenergie Reijerscop

Gemeente Woerden · geldt sinds 24 juni 2025

Aanhef

Definitieve versie na verwerking amendementen raadsvergadering 22 mei 2025

4. Kaders voor initiatiefnemers

a. Consortium

i. Procedure indiening

Lokale initiatiefnemers binnen de gemeentegrenzen van Woerden en aangrenzende gemeenten krijgen de gelegenheid om een consortium te vormen voor de ontwikkeling van een windpark. Zie hoofdstuk 4b voor de afbakening van wat de gemeente onder lokaal verstaat.

Het kan gebeuren dat, op een door het bevoegd gezag nader te bepalen moment, geen consortium is gevormd dat meer dan 50% lokaal eigendom aannemelijk kan maken. Dan kan het college zich genoodzaakt zien om een maatschappelijke tender te organiseren. Met deze maatschappelijke tender wordt het schaars recht om een maximum aan stroom op te wekken toegekend aan de partij met een grondpositie en een projectplan dat, in vergelijking met overige inschrijvingen, het beste scoort tijdens de maatschappelijke tenderprocedure. Daarbij speelt het percentage lokaal eigendom nog een grote rol. De randvoorwaarden en uitgangspunten uit het Toetsingskader worden in dat geval verwerkt tot een selectieleidraad. Waarin een set aan selectiecriteria is opgenomen met bijbehorende wegingsfactoren.

ii. Intentieovereenkomst

De vorming van een consortium vormt het sluitstuk van een gebiedsproces om te komen tot een samenwerking van grondeigenaren, energiecoöperatie(s) en overige partijen om binnen de betrokken gronden een opstelling met windturbines te onderzoeken en te ontwerpen. De samenwerking van partijen in het consortium wordt vastgelegd in een onderlinge overeenkomst. Zodra de samenwerking is bekrachtigd sluit de gemeente een intentieovereenkomst met het consortium. Dat biedt het consortium het vertrouwen dat zij verder kunnen investeren in de voorbereiding van besluitvorming over een windproject. En het biedt de gemeente de garantie dat inspanningen vanaf dat moment daadwerkelijk leiden tot invulling van de resterende opgave: de opgave voor lokale opwek van duurzame energie in windzoekgebied Reijerscop.

Randvoorwaarden:

Uiterlijk op een door het bevoegd gezag te bepalen moment toont een consortium van partijen bij de gemeente aan dat onderlinge samenwerking is vastgelegd. Vervolgens wordt een intentieovereenkomst getekend tussen het consortium en de gemeente. Dit betreft een document met tenminste de volgende onderdelen:

•Betrokken partijen;

•Grondposities;

•Rolverdeling: De specifieke rollen en verantwoordelijkheden van zowel de gemeente als de initiatiefnemer worden beschreven. De gemeente biedt ondersteuning in het vergunningentraject en beleidsonderzoek. Terwijl de initiatiefnemer zorgt voor technische en de financiële haalbaarheidsstudies;

•Tijdspad: Hier worden de belangrijke stappen in de procedure en de tijdlijn geschetst. Bijvoorbeeld: wanneer bepaalde milieuonderzoeken gereed zijn of wanneer besluitvorming plaatsvindt;

•Kosten en financiering: Een beschrijving van de kosten die gepaard gaan met de voorbereiding en over wie die kosten verdeeld worden. Dit betreft onder andere het participatieproces van de initiatiefnemers;

•Vergunningentraject: Afspraken over de samenwerking bij het verkrijgen van toestemming voor de ruimtelijke ontwikkeling van windturbines.

5. Kaders voor geluid en slagschaduw

a. Beperking hinder door geluid

i. Lden-norm

Voor toetsing van geluid van windturbines ter plaatse (van geluidgevoelige gebouwen) wordt aangesloten bij de systematiek van de Omgevingswet en de landelijke windturbinebepalingen die de staatssecretaris in voorbereiding heeft. De standaardwaarde, zoals opgenomen in het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving, bedraagt 45 dB Lden dat staat voor het jaargemiddelde geluidniveau gedurende de dag, avond en nachtperioden (den = day-evening-night). De standaardwaarde voor de nachtperiode bedraagt 39 dB Lnight. Als gemeente mogen wij hier geen scherpere normen voor opstellen dan wat landelijk wordt vastgesteld. Deze waarden komen overeen met wat de gemeenteraad in 2021 heeft vastgesteld voor geluid.

ii. Tonaal laagfrequent geluid

Normaal functionerende moderne windturbines produceren een geluid dat omschreven kan worden als breedbandige ruis, die in sterkte varieert in het ritme van de draaiende rotorbladen. Het geluid kan daarom ook wel worden omschreven als amplitudegemoduleerde ruis. Voor dit geluid zijn conventionele dB(A) normen toereikend.

Deze normen zijn niet toereikend op het moment dat sprake is van zogenaamde tonaliteit. Uit recente onderzoeken blijkt dat sommige windturbines, bij verkeerde fabricage of installatie, naast ruis ook een andersoortig geluid produceren, namelijk (brom)tonen. Het zijn deze laagfrequente tonen (20 Hertz (Hz) tot en met 150 Hz) die kunnen leiden tot ernstige hinder in de omgeving van windturbines. Geluid met een tonaal karakter wordt als hinderlijker ervaren dan geluid op hetzelfde volume met een ruisachtig karakter.

Tonaal geluid van windturbines is niet toegestaan. Hiermee is in de normering van geluid van windturbines tot op heden geen rekening gehouden. Indien tonaal geluid wordt aangetoond moeten maatregelen worden getroffen om het tonaal geluid te beëindigen. Een veel toegepaste maatregel is het hanteren van een toeslag op het jaargemiddelde geluidniveau. Waardoor de windturbines geluidmitigatie moeten toepassen, totdat de tonaliteit is weggenomen.

Voor fabrikanten en ontwikkelaars vormt deze extra heffing voor tonale windturbinegeluiden een belangrijke stimulans om, via een goed ontwerp en zorgvuldige uitvoering, tonale geluiden te voorkomen. Het is ook een aanmoediging voor fabrikanten en ontwikkelaars om onderling duidelijke afspraken te maken over verantwoordelijkheden. Mocht er na de realisatie van een windturbine onverhoopt toch tonaal geluid optreden, spelen de financiële gevolgen van de toeslag een belangrijke rol bij het motiveren van technische oplossingen om het tonale geluid te verminderen. Het gebruik van geluidverminderende maatregelen (zogenaamde mitigerende modi) heeft namelijk ook invloed op de opbrengst van een windpark.

De staatssecretaris heeft in het ontwerpbesluit windturbines leefomgeving een toeslag van 5 dB voor tonaal geluid opgenomen, met in de bijbehorende ministeriële regeling een meet- en rekenmethodiek en normgrens voor tonaal laagfrequent geluid. Mocht zo een norm alsnog niet in de definitieve regelgeving worden opgenomen dan zal de gemeente, als bevoegd gezag, zelfstandig een norm voor tonaal geluid met toeslag van 5 dB stellen en motiveren in de omgevingsvergunning.

Randvoorwaarden:

De ontwerp rijksnormen voor geluidshinder (45 dBLden en 39 dBLnight) en tonaal geluid (5 dB toeslag) worden aangehouden. Mocht de norm voor tonaal geluid uiteindelijk niet worden overgenomen als definitieve norm, dan zal de gemeente deze norm alsnog als eis opnemen in de omgevingsvergunning.

iii. Maximaal momentaan geluid

Het vaststellen van een extra handhavingsnorm voor het maximale momentane geluidsniveau, in de vorm van LAeq norm, is mogelijk onder de Omgevingswet. Dit is bijvoorbeeld voorgeschreven bij windpark Rijnenburg in Utrecht. Deze norm kan worden gehanteerd naast de overige wettelijke handhavingsmogelijkheden. Het gaat om een norm voor een korte tijdsperiode waar altijd aan moet worden voldaan, ongeacht windsnelheid of weersomstandigheden. Een LAeq,t norm is gebaseerd op geluidwaarden die op grond van de kenmerken van de windturbine en het windaanbod op locatie worden verwacht. Het biedt geen (extra) milieubescherming, zolang de eigenschappen van de windturbine overeenkomen met de gegevens van de fabrikant. Een dergelijke norm komt tegemoet aan wensen van betrokkenen dat, naast een jaargemiddelde norm, een norm wordt gesteld voor een korte periode. Welke onder geen enkele omstandigheid mag worden overschreden. Het heet daarom een handhavingsnorm.

Normgrens en afstand waarop aan de norm moet worden voldaan, worden door het bevoegd gezag gesteld op basis van het akoestisch onderzoek dat, als onderdeel van het projectMER, door de initiatiefnemer wordt ingediend bij de omgevingsvergunningsaanvraag. Dit kan gezien worden als een vorm van nulmeting.

Als een windturbine eigenschappen vertoont die vergunninghouder, bevoegd gezag en omgeving niet mochten verwachten, op basis van de gegevens van de fabrikant, dan kunnen geluidniveaus in de praktijk afwijken van de vooraf berekende geluidwaarden. Die waarden zijn namelijk gebaseerd op gegevens van de fabrikant. Om te garanderen dat de windturbines overeenkomen met de gegevens van de fabrikant wordt in de vergunning voorgeschreven dat de vergunninghouder, binnen enkele maanden na de overdracht van de windturbines, een bronsterktemeting laat uitvoeren. Bij voorkeur wordt deze met dezelfde meet- en rekensystematiek uitgevoerd als de systematiek die is toegepast bij certificering van de windturbine.

Randvoorwaarden:

•De initiatiefnemer levert akoestisch onderzoek aan op basis waarvan het bevoegd gezag een handhavingsnorm en meetmethodiek bepaalt voor maximaal momentaan geluid, die worden opgenomen in de omgevingsvergunning;

•In de omgevingsvergunning wordt voorgeschreven dat de vergunninghouder, binnen 6 maanden na overdracht van de windturbines, een bronsterktemeting laat uitvoeren conform de meet- en rekenmethode waarmee de windturbines zijn gecertificeerd.

6. Kaders voor landschap, ecologie en recreatie

a. Landschappelijke inpassing

i. Posities, hoogte en afstand tot woningen

Het zoekgebied biedt mogelijkheden voor verschillende opstellingen van verschillende grootten. Hierover is een workshop geweest met landschapsexperts en belanghebbende organisaties, in het kader van het gebiedsproces. Om landschappelijke hinder zo klein mogelijk te maken en de gewenste koppeling met windpark Rijnenburg en Reijerscop te benadrukken, worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

Uitgangspunten:

•Windturbines in Reijerscop zijn van hetzelfde type en hebben een gelijke tiphoogte, binnen een bandbreedte van 215 tot 270 meter. Voor een goede landschappelijke inpassing voegt de hoogte van het windpark in Reijerscop Woerden zich daarmee naar dat van windpark Rijnenburg en Reijerscop in de gemeente Utrecht, als dat eerder onherroepelijk vergund is en de windturbines daarvoor aanbesteed zijn;

•De initiatiefnemer toont aan dat de voorgestelde opstelling zo ver mogelijk is geplaatst van omliggende woningen, met inachtneming van andere factoren die impact hebben op de plaatsing van windturbines, zoals veiligheid, ecologie en landschap. Met de volgende berekeningswijze kunnen mogelijke opstellingsvarianten geoptimaliseerd worden, uitgaande van een minimale gemiddelde afstand van 750 meter tot woningen en rekening houdend met alle woninggevels die niet meer dan 800 meter van een windturbine staat:

○ Streef ernaar dat de som van de afstand van elke woning tot elke windturbine, gedeeld door: het aantal woningen binnen de 800 meter keer het aantal windturbines, gemaximaliseerd wordt.

De afstemming van windpark Reijerscop in Woerden op windpark Rijnenburg-Reijerscop is een schriftelijk verzoek van de provincie als bevoegd gezag. Het is echter niet als harde eis geformuleerd, om ruimte te bieden voor afstemming tussen initiatiefnemers en omwonenden tijdens het volgend participatieproces. De gemeente formuleert het dan ook als uitgangspunt.

Er is door het Rijk als nieuwe norm voor windturbines een afstandsnorm voorgesteld tussen woningen en windturbines van twee keer de tiphoogte. In dit geval betekent dat een afstand van ongeveer 500 meter. Dat komt overeen met de vuistregel die gemeente Woerden al had bepaald in het Afwegingskader grootschalige duurzame energie 2021. Die is aangehouden voor het bepalen van de grenzen van de technische ruimte. Met bovenstaande begrenzing zullen de windturbines tussen de 500 en ruim 800 meter afstand van woningen worden geplaatst, met voor de meest dichtstbijzijnde woningen een gemiddelde afstand van minimaal 750 meter. Hiervan kan op verzoek van afgeweken worden als dit in het participatieproces zo wordt afgesproken. Om deze reden is dit ook als uitgangspunt opgenomen.

ii. Ontwerpprincipes opstelling windturbines

De rij van windturbines wordt zo mogelijk gekoppeld aan autonome lijnen in het landschap. Het is van belang rekening te houden met de verschillende niveaus waarop windturbines impact hebben. Dit wordt in de ruimtelijke onderbouwing toegelicht.

Uitgangspunten:

•De windturbines staan in een lijn, die geknikt kan zijn;

•De windturbines in Reijerscop vormen met de westelijke windturbine van Rijnenburg-Reijerscop samen één geknikte lijn;

•De opstelling van het windpark sluit zo veel mogelijk aan bij bestaande landschappelijke structuren. Hierbij is het van belang om rekening te houden met de verschillende niveaus waarop windturbines impact hebben:

○ Ten eerste de inpassing bij de verschillende grote lijnen in het landschap: snelweg, cope-structuur en weteringen gerelateerd aan de Oude Rijn;

○ Op een lager schaalniveau de inpassing van de toevoerwegen en bijbehorende voorzieningen in het nabije landschap.

•Voor het archeologisch onderzoek wordt aangesloten bij het parapluplan Woerden 2.

•Bij of voor de ruimtelijke procedure wordt de landschapsontwikkeling in Reijerscop nader geconcretiseerd, in samenspraak met omwonenden en belanghebbende organisaties.

Omdat deze ontwerpprincipes vanuit de provincie als bevoegd gezag niet als harde eis zijn geformuleerd, worden deze als uitgangspunt opgenomen in dit Toetsingskader.

iii. Obstakelverlichting

Windturbines met een tiphoogte van 150 meter of meer moeten op grond van internationale luchtvaartregels worden voorzien van obstakelverlichting. Flitsende verlichting wordt bij nieuwe windparken niet meer toegepast, omdat vast brandende verlichting zorgt voor minder hinder. In Nederland is het sinds korte tijd ook toegestaan om vast brandende verlichting te vervangen door verlichting op basis van naderingsdetectie voor vliegtuigen. Daarmee kan de verlichting gemiddeld bijna 95% van de tijd uit blijven, waarmee lichthinder wordt voorkomen. Bij naderingsdetectie schakelt de rode verlichting 's nachts alleen in als een vliegtuig of ander luchtvaartuig zich in de detectiezone van de windturbine bevindt.

De keuze hoe flitsende verlichting te vervangen dient altijd voorgelegd te worden aan de Inspectie Leefomgeving en Transport. Om deze reden kan de specifieke techniek van naderingsdetectie niet als harde eis worden gesteld in het Toetsingskader. Het aanvragen ervan bij de inspectie wel.

Randvoorwaarde:

De initiatiefnemer dient te zorgen voor zoveel mogelijk uitschakelen van obstakelverlichting, door middel van naderingsdetectie. Daardoor kan verlichting op de windturbines grotendeels uit blijven.

iv. Combinatie met andere thema’s

In het projectplan van de initiatiefnemers moet een combinatie worden gemaakt met minimaal één ander thema. Zoals recreatie, natuurontwikkeling, waterbeheer, bodemdaling en landschapsversterking (met landbouw is er vanzelfsprekend een combinatie). Hierbij wordt rekening gehouden met de voorstellen gedaan door de inwoners tijdens het gebiedsproces.

Uitgangspunt:

De initiatiefnemer geeft in het projectplan aan hoe meerwaarde kan worden gecreëerd op minstens één van de volgende thema’s:

•Recreatie;

•Natuurontwikkeling;

•Waterbeheer;

•Bodemdaling;

•Landschapsversterking.

Ook dit is geformuleerd als uitgangspunt, omdat het aan de initiatiefnemer wordt gelaten om, mede via hun participatieproces, te komen tot een optimale combinatie met andere thema’s.

7. Kaders voor participatie

b. Financiële participatie

i. Omgevingsfonds

Het consortium stelt een omgevingsfonds in waar de initiatiefnemers jaarlijks een afdracht doen van minimaal 0,4€/megawattuur (MWh), zoals genoemd in de Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land. De afdracht wordt definitief bepaald als de productie over een heel kalenderjaar is vastgesteld. De hoogte van de afdracht is nader te bepalen in het participatieproces met de omwonenden. Binnen de kring van omwonenden, tot maximaal 2,5 km inclusief heel Harmelen (zie figuur 3). De initiatiefnemer moet omschrijven welke doelen met het omgevingsfonds, in overleg met de omgeving, worden ondersteund. Daarbij wordt aangetoond hoe het bestuur van het fonds wordt vormgegeven en de beslissing voor het jaarlijks steunen van doelen tot stand komt. De besteding van het omgevingsfonds wordt na een jaar na energielevering in handen gegeven van een stichting, opgericht vanuit de lokale omgeving.

Hiermee geeft de gemeente invulling aan het amendement van 26 januari 2023 bij het raadsvoorstel ‘Gebiedskeuze voor grootschalige wind- en zonne-energie’, om de gehele Woerdense samenleving in brede zin profijt te laten hebben van grootschalige energieopwekking met zon of wind in de gemeente. Een aantal mogelijke bestedingsdoelen worden in de begrippenlijst van dit Toetsingskader genoemd. De criteria voor toewijzing van deze gelden worden later uitgewerkt.

Uitgangspunt:

Initiatiefnemers beschrijven in het participatieplan op hoofdlijnen hoeveel budget ze beschikbaar stellen voor het omgevingsfonds en op welk moment dit budget beschikbaar komt. Ook wordt een voorstel gedaan voor de organisatievorm voor de besluitvorming over inzet van het omgevingsfonds.

Landelijk zijn er geen harde eisen gesteld aan het totaal van financiële bijdragen aan de omgeving. Dit is sterk afhankelijk van de lokale situatie en de grootte van het windpark. Om die reden is dit als uitgangspunt geformuleerd.

ii. Omwonendenregeling en sociale grondvergoeding

De initiatiefnemer is verplicht een omwonendenregeling op te zetten voor de directe buren (de omwonenden volgens figuur 2) van de windturbines. De inhoud van de regeling en de hoogte van de tegemoetkoming aan omwonenden wordt besproken in het participatieproces en vastgelegd in zogenoemde omgevingsafspraken.

Aan grondeigenaren binnen de technische ruimte van het zoekgebied, die geen grond inbrengen voor windturbines, opstelplaatsen, aanvoerwegen en bijgebouwen, wordt alsnog een redelijk deel van de totale grondvergoeding toegekend. Deze vergoeding is gekoppeld aan het grondeigendom en staat los van het aandeel in het eigendom van het project. Het principe van sociale grondvergoeding moet door de partijen van het consortium worden erkend en vastgelegd in de omgevingsafspraken. Het toepassen van dit principe wordt eerder al vastgelegd in de intentieovereenkomst. De hoogte van de vergoeding moet uiteindelijk door alle eigenaren van het project gezamenlijk worden bepaald en uiterlijk bij het verkrijgen van financiering worden vastgelegd.

Uitgangspunten:

•De initiatiefnemer doet in het projectplan een voorstel voor een omwonendenregeling en hoe deze regeling in te vullen met gelden voor de directe buren van de windturbines;

•De initiatiefnemer doet in het projectplan een voorstel voor een sociale grondvergoeding voor grondeigenaren en pachters in de technische ruimte.

Landelijk zijn er geen harde eisen gesteld aan het totaal van financiële bijdragen aan de omgeving. Dit is sterk afhankelijk van de lokale situatie en de grootte van het windpark. Om die reden is dit als uitgangspunt geformuleerd.

c. Procesparticipatie

i. Participatieplan

Het definitieve participatieplan wordt in de anterieure overeenkomst opgenomen.

De initiatiefnemer is verplicht om een participatieproces te doorlopen met de directe buren van het zoekgebied (zie de begrenzing daarvan volgens de Startnotitie Gebiedsproces windenergie Reijerscop 2023-2024). Hierbij worden minimaal twee bewonersbijeenkomsten verwacht, waarbij ook een klankbordgroep van directe buren en grondeigenaren mogelijk wordt gemaakt. Om zo tot omgevingsafspraken te komen. Met overige belanghebbende inwoners en MKB-bedrijven binnen tien keer de tiphoogte van beoogde windturbines kan er een minder intensief contact zijn, bijvoorbeeld alleen digitaal. In overeenstemming met de begrenzing van de belanghebbenden in het gebiedsproces valt onder deze tweede schil de gehele woonkern van Harmelen.

In het participatieproces wordt verwacht dat de initiatiefnemers de opvattingen en argumentatie uit de omgeving ophalen over relevante onderwerpen. Bijvoorbeeld het aantal windturbines, de optimalisatie van de turbineposities of de regels voor het omgevingsfonds, de omwonendenregeling en eventueel overige vormen van financiële participatie.

Overeenstemming onder de omwonenden kan niet worden verwacht, maar een beargumenteerde conclusie van de initiatiefnemers over de gemaakte keuzes naar aanleiding van de opvattingen en argumentatie wel. De gemeente vraagt het participatieproces af te sluiten met een schriftelijke uitkomst van het participatieproces met de omgeving vanuit de initiatiefnemers. Dit is inclusief omgevingsafspraken die met input van een klankbordgroep van directe buren tot stand zijn gekomen over in ieder geval bovenstaande onderwerpen. Het bevoegd gezag zal bij de vergunningsaanvraag beoordelen of de geleverde participatie-inspanning voldoende is geweest.

Daarbij is de beleidsregel over participatievereisten als volgt van toepassing voor windturbines:

Randvoorwaarden:

De aanvrager stelt een participatieplan op. In het participatieplan wordt in ieder geval ingegaan op de volgende punten:

•Welke personen/instanties/belanghebbenden zijn betrokken bij het participatieproces? Indien het participatieproces uit meerdere stappen/fases heeft bestaan, moet dit per stap/fase worden aangegeven;

•Op welke wijze is het participatieproces uitgevoerd? Welke processtappen zijn daarbij genomen? En voor welke vorm(en) van participatie heeft de aanvrager gekozen?

•Wat is de opbrengst van het participatieproces geweest? Welke opmerkingen, aanvullingen en verbeteringen zijn kenbaar gemaakt? De aanvrager dient zo veel mogelijk belangen en argumenten voor en tegen in beeld te brengen. Hierbij dient de initiatiefnemer aan te geven in welke mate er onder bovengenoemde betrokkenen al dan niet steun of draagvlak voor de plannen is.

•De aanvrager geeft aan welke afspraken er zijn gemaakt met de omwonenden en welke opmerkingen er zijn gemaakt die niet geleid hebben tot aanpassingen.

Bijlage 2 Begrippenlijst

Anterieure overeenkomst: Een privaatrechtelijke overeenkomst die wordt gesloten tussen een initiatiefnemer van het windenergieproject en de gemeente, voordat het omgevingsplan gewijzigd wordt of een omgevingsvergunning voor de activiteit BOPA wordt verleend. In deze overeenkomst worden onder meer afspraken gemaakt over plankosten en planschaderisico's.

Belanghebbende: Diegene die in de omgeving van een (potentieel) windproject woont en/of organisaties die in de omgeving van een (potentieel) windproject een ander rechtstreeks aantoonbaar belang hebben.

BOPA-procedure: Burgers, bedrijven en overheden kunnen toestemming vragen om activiteiten in de fysieke leefomgeving uit te voeren door een omgevingsvergunning aan te vragen. Als de activiteit in strijd is met het omgevingsplan, is er sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Voor een omgevingsvergunning voor een BOPA voor windenergie geldt meestal de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure. Daarbij wordt een eerst ontwerpbesluit ter visie gelegd voordat een definitief besluit wordt genomen.

Energiecoöperatie: Een collectief van burgers, bedrijven en/of overheden dat gezamenlijk investeert in en profiteert van duurzame energieprojecten, zoals windparken. Leden van een energiecoöperatie hebben zeggenschap over de besluitvorming binnen het project indien de energiecoöperatie een aandeel heeft in het windpark.

Energiegemeenschap: Een samenwerking waarin meerdere belanghebbenden, zoals burgers, bedrijven en lokale overheden, samenwerken aan het opwekken, verdelen en lokaal gebruiken van duurzame energie. Dit kan op lokaal, regionaal of nationaal niveau plaatsvinden. Een energiecoöperatie is hier een voorbeeld van.

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties: Het principe dat bij besluitvorming over nieuwe ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een leidend principe bij de uitoefening van taken door overheden die zijn gericht op de fysieke leefomgeving.

Financiële participatie: Investeren in en/of voordeel ervaren van de opbrengsten van een initiatief of project.

Gebiedsproces: Het participatieve proces wat heeft plaatsgevonden voorheen aan dit toetsingskader waarbij alle betrokkenen (zoals omwonenden, gemeenten, ontwikkelaars, en andere belanghebbenden) betrokken werden. Tijdens dit gebiedsproces zijn aandachtspunten vanuit de omgeving opgehaald waarvan enkele worden meegenomen in het Toetsingskader.

Gevoelige objecten: Objecten die extra bescherming vereisen in het kader van windenergieprojecten. Betreft woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen.

Initiatiefnemer: Een partij (of consortium) die het initiatief heeft genomen – al dan niet op uitnodiging van het bevoegd gezag – om een windproject te ontwikkelen. De gemeente Woerden heeft de voorkeur voor een consortium waarbij lokale grondeigenaren, inwoners en omwonenden en bedrijven samenwerken.

Intentieovereenkomst: een document waarin de intentie tot samenwerking tussen het consortium en de gemeente wordt vastgelegd. Bestaat tenminste uit de volgende onderdelen:

•Betrokken gronden;

•Betrokken partijen;

•Rolverdeling initiatiefnemers en gemeente;

•Tijdspad;

•Kosten en financiering;

•Vergunningentraject.

Klankbordgroep: Een groep van belanghebbenden en vertegenwoordigers uit de omgeving die regelmatig bijeenkomt om advies te geven over een windenergieproject. Deze groep wordt vaak ingesteld om zorgen en ideeën vanuit de gemeenschap mee te nemen in de planvorming.

Lokaal eigendom: Het principe dat (een deel van) het windpark eigendom is van lokale bewoners of een organisatie die de omgeving vertegenwoordigt. Dit kan bijdragen aan lokale betrokkenheid, draagvlak, zeggenschap en economische voordelen voor de gemeenschap. In de tekst wordt dit begrip verder uitgewerkt.

M.e.r.-beoordeling: De beoordeling van een aanmelding van initiatiefnemers over hun voorgenomen turbine-opstelling door de gemeente, of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn.

Motiveringsplicht: een juridische verplichting voor de initiatiefnemers, waarmee zij de inspanningen die zij verrichten om het lokaal eigendom te maximaliseren onderbouwen en verantwoorden. De motiveringsplicht wordt nader uitgewerkt in een Verordening Lokaal Eigendom.

Omgevingsfonds: Een fonds dat wordt opgezet door de initiatiefnemer om de leefomgeving rondom een windenergieproject te verbeteren of te versterken. Dit fonds kan bijvoorbeeld worden ingezet voor lokale projecten zoals natuurherstel, sociale voorzieningen, of educatieve initiatieven. De Gedragscode Acceptatie & Participatie Windenergie op Land van NedZero noemt een richtbedrag van € 0,40 tot 0,50 per megawattuur (MWh).

Omgevingsafspraken: Een overzicht van afspraken die de initiatiefnemer van een windenergieproject heeft gemaakt met input van de lokale gemeenschap. Dit zijn afspraken over zaken die de omgeving aangaan zoals compensatie, participatie, en monitoring van het project. Gemaakte afspraken over financiële participatie worden vastgelegd in het participatieverslag, als sluitstuk van het gebiedsproces tussen initiatiefnemers en omwonenden. Indien nodig worden afspraken over bijvoorbeeld financiële participatie aanvullend vastgelegd in een anterieure overeenkomst tussen vergunningsaanvragers en het bevoegd gezag.

Omgevingsplan: Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Per gemeente is er één omgevingsplan.

Omwonende: Diegene die in zijn woon- en leefomgeving een gevolg ondervindt van de komst van het windpark. Wie als omwonenden worden aangemerkt is maatwerk per project. Een specifieke groep is de direct omwonenden, zij die geluid en/of slagschaduw kunnen ervaren.

Omwonendenregeling: Een omwonendenregeling bij windprojecten betreft meestal een geldbedrag dat wordt uitgekeerd aan directe omwonenden, vaak gestaffeld naar verschillende afstanden rondom het windpark. In sommige gevallen is sprake van een lokaal stroomaanbod aan omwonenden.

Participatie: Het betrekken van en op basis van gelijkwaardigheid in overleg gaan met belanghebbenden over de locatiekeuze, ontwikkeling, bouw en exploitatie van een windproject.

Participatieplan: Het plan waarin voor de verschillende projectfasen (locatiekeuze, ontwikkeling, bouw en exploitatie) wordt vastgelegd wie op welke wijze belanghebbend is en op welke wijze deze verschillende partijen worden betrokken bij het project. Dit plan is bedoeld om transparantie en inspraak te waarborgen.

Plangebied: Afgebakend gebied binnen de polder Reijerscop waarin de doelstelling voor windenergie moet worden behaald.

Projectplan: Een document waarin de planning, organisatie, financiering, en uitvoering van een initiatief wordt beschreven.

Project-m.e.r.: Het onderzoek van de initiatiefnemer om de milieueffecten van verschillende opstellingen binnen de technische ruimte te kunnen beoordelen.

ProjectMER: De rapportage die uit een project-m.e.r. komt.

Randvoorwaarden: De basisvoorwaarden waar een projectplan aan moet voldoen, zoals technische eisen, milieueisen, en juridische kaders.

Samenwerkingsovereenkomst: Een overeenkomst tussen de verschillende partijen die samen het consortium opmaken.

Sociale grondvergoeding: Een vergoeding die wordt verstrekt aan grondeigenaren binnen het zoekgebied of plangebied voor windenergie in verband met de bouw en het gebruik van windturbines en bijbehorende voorzieningen zoals kraanplaatsen en onderhoudswegen. Deze verdeling is bedoeld om de vergoeding niet alleen te goede te laten komen aan de eigenaren van de gronden waar de turbines op worden geprojecteerd maar aan alle grondeigenaren in het gebied waarbinnen opstellingen met windturbines zijn onderzocht.

Technische ruimte: Het vlak binnen het zoekgebied waar windturbines kunnen worden geplaatst.

Uitgangspunten: De voorwaarden waar een initiatiefnemer naar moet streven in het projectplan.

Vergunningsaanvraag: De vergunningsaanvraag is het proces waarbij een initiatiefnemer officieel toestemming vraagt aan de bevoegde overheid om een windpark te mogen bouwen en exploiteren. Dit verzoek wordt ingediend via een formele aanvraag voor een omgevingsvergunning, waarin alle relevante informatie over het project wordt opgenomen.

Vergunningverlening: Vergunningverlening is het proces waarbij de gemeente toestemming verleent voor de bouw, exploitatie en het beheer van een windpark of andere ruimtelijke ontwikkelingen. De voorschriften waaronder activiteiten mogen worden uitgevoerd worden vastgelegd in een omgevingsvergunning.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.