Gemeentelijke regelgeving

Bodemenergieplan Nieuw Middelland

Gemeente Woerden · geldt sinds 31 oktober 2025

Aanhef

Besluit

1Besluithet Bodemenergieplan Nieuw Middelland vast te stellen.

2Besluit de grenzen van het interferentiegebied Nieuw Middelland te wijzigen en vast te stellen dat de bufferzone rond Nieuw Middelland, zoals opgenomen in het Bodemenergieplan Nieuw Middelland, wordt toegevoegd aan het gebied waarvoor de Verordening interferentiegebieden Bodemenergiesystemen gemeente Woerden 2019 geldt.

3 Algemene toelichting

3.1 Principe bodemenergie

3.1.1 Open en gesloten systemen

Open systemen, ook wel warmte-/koudeopslag (WKO) genoemd, bestaan uit bronnen die grondwater onttrekken en infiltreren. Energie in de vorm van warmte en koude wordt opgeslagen in een ondergrondse watervoerende laag. Deze energie wordt vervolgens onttrokken om te verwarmen (in combinatie met warmtepompen) of te koelen. In de zomer wordt gekoeld met winterkoude en in de winter wordt verwarmd met zomerwarmte. Open systemen worden meestal toegepast op dieptes tussen de 20 tot 250 meter beneden maaiveld. Een open systeem is met name rendabel bij grotere ontwikkelingen vanaf circa 50 woningen, kantoren en andere utiliteitsgebouwen.

Gesloten systemen, ook wel bodemwarmtewisselaars genoemd, bestaan uit flexibele kunststof lussen in de bodem waarmee warmte en koude aan de bodem wordt onttrokken door middel van geleiding. Er wordt geen grondwater onttrokken. Gesloten systemen worden over het algemeen gerealiseerd tot een diepte van circa 200 meter beneden maaiveld. Een systeem kan al interessant zijn voor één woning. Daarnaast worden gesloten systemen ook toegepast bij kleine utiliteitsbouw (scholen, kleine kantoren), maar in toenemende mate ook bij grotere ontwikkelingen, zoals kantoorgebouwen en appartementen complexen.

3.1.2 Indeling open systemen

De categorie van open systemen kan nader onderscheiden worden naar concepten met één of meer bronnen en met wél of géén opslag van de warmte of koude.

Doublet en monobron

Open systemen zijn onderverdeeld in doubletten en monobronnen. Bij een doubletsysteem worden twee bronnen horizontaal ten opzichte van elkaar geplaatst, zodat de warme en koude bellen zich naast elkaar vormen. Een monobron bestaat uit slechts één bron, waarbij twee filters op ongelijke diepte in de bodem gepositioneerd worden. Hierbij vormen de warme en koude bel zich onder elkaar.

Opslagsystemen en recirculatiesystemen

Bij een opslagsysteem wordt de warmte en koude opgeslagen bij de bronnen. Eén bron is de zogenoemde warme bron, de andere bron de koude bron. Deze bronnen onttrekken en infiltreren afwisselend, afhankelijk van het seizoen. Een recirculatiesysteem is een alternatief systeem dat bestaat uit een onttrekkings- en een infiltratiebron. Er is geen sprake van opslag. Er wordt namelijk continu grondwater onttrokken uit de ene bron en geïnfiltreerd in de andere bron. Met het onttrokken grondwater, met een temperatuur gelijk aan de natuurlijke grondwatertemperatuur, wordt in de zomer gekoeld en in de winter verwarmd.

In Figuur 3.2 zijn de hierboven beschreven concepten schematisch weergegeven.

Open: doublet (opslag)

Open: monobron (opslag)

Open: doublet (recirculatie)

Gesloten: bodemwarmtewisselaars

Figuur 3.2 | Schematische weergave verschillende varianten van bodemenergie.

3.2 Bodemeigenschappen

3.2.1 Bodemopbouw

De bodemopbouw in de directe omgeving van Nieuw-Middelland is beschreven op basis van de volgende gegevens:

•Grondwaterkaart van Nederland;

•Regionaal Geohydrologisch Informatie Systeem (REGIS);

•boorbeschrijvingen uit het archief van TNO Bouw en Ondergrond via DINOLoket;

•boorbeschrijvingen van gerealiseerde open bodemenergiesystemen van gemeentehuis Woerden, de Houttuin, Hoochwoert en Zuwe Zorgcentrum.

Op basis van deze gegevens is de bodemopbouw geschematiseerd in een aantal watervoerende pakketten en scheidende lagen. Tabel 3.1 geeft de globale bodemopbouw in het projectgebied weer. Lokaal kan de bodemopbouw variëren. De lokale bodemopbouw dient bij de vergunningaanvraag voor elk individueel systeem nader te worden beschouwd.

Tabel 3.1 | Schematisatie van de bodem

diepte [m-mv]*

lithologie

geohydrologie

0- 5

klei, veen en grof zand

deklaag

5– 45

matig tot zeer grof zand

1ewatervoerende pakket

45– 65

klei, leem en matig tot zeer grof zand

1escheidende laag

65– 150

matig tot zeer grof zand met enkele lokale kleilagen vanaf 100 m-mv

2ewatervoerende pakket

150– 160

klei

2escheidende laag

160- 230

fijn tot grof zand met schelpenresten afgewisseld met leem- en kleilagen

3ewatervoerende pakket

> 230

klei

hydrologische basis

* het maaiveld bevindt zich tussen circa -1,0 en 0,3 m NAP

3.2.2 Bodemgeschiktheid open bodemenergiesystemen

Eerste watervoerende pakket

Het eerste watervoerende pakket bestaat uit matig tot zeer grof zand. Dit pakket is op basis van de verwachte bodemopbouw geschikt voor een open bodemenergiesysteem. De einddiepte van het eerste watervoerende pakket ligt in Nieuw-Middelland op circa 45 m-mv. Vanwege de ondiepe ligging van het eerste watervoerende pakket is er een risico op bodemsplijting. Op basis van de beschikbare data wordt een broncapaciteit tussen circa 60 en 80 m3/uur verwacht.

Tweede watervoerende pakket

Het tweede watervoerende pakket bestaat uit matig grof tot zeer grof zand. In de provincie Utrecht is er een restrictie op de aanleg van open bodemenergiesystemen in het tweede en derde watervoerende pakket, wanneer hier een strategische grondwatervoorraad aanwezig is. Nieuw-Middelland bevindt zich niet binnen een gebied met een strategische grondwatervoorraad (Figuur 3.3), waardoor de realisatie van een open bodemenergiesysteem is toegestaan in het tweede en derde watervoerende pakket.

In Nieuw-Middelland is het zoet-brak grensvlak en het brak-zout grensvlak aanwezig in het tweede watervoerende pakket (Figuur 3.3). Het zoet-brak grensvlak bevindt zich op circa 115 m-mv op basis van metingen van het bodemenergiesystemen van gemeentehuis Woerden en de Houttuin. Juridisch gezien mag geen verzilting van zoet grondwater plaats vinden. Door de aanwezigheid van deze waterkwaliteitsovergang is alleen het bovenste deel van het tweede watervoerende pakket geschikt voor de realisatie van open bodemenergiesystemen om verzilting van het zoete water te voorkomen.

In Bijlage 2 zijn de modelresultaten weergegeven van de verschuiving van het zoet-brak grensvlak, wanneer in alle zoekgebieden bodemenergiesystemen gerealiseerd zijn met een waterverplaatsing van 75.000 m3/seizoen en een filterstelling van 80 tot 90 m-mv. Deze berekening is gebaseerd op een worst-case scenario, omdat in het model uitgangspunt is dat er geen kleilaag aanwezig is in het gebied. Bij de Houttuin is echter wel een kleilaag waargenomen op circa 100 m-mv. De verschuiving van het zoet-brak grensvlak naar circa 95 m-mv is hierdoor niet realistisch (Bijlage 2). Bij de overige bodemenergiesystemen met een maximale gemiddelde waterverplaatsing van 75.000 m3/seizoen verschuift het zoet-brak grensvlak na 20 jaar naar circa 102 m-mv. In overleg met de Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht (RUD) is geconcludeerd dat deze beïnvloeding aanvaardbaar is, gezien de worst-case benadering in het model.

Op basis van de verwachte bodemopbouw en het deel van het tweede watervoerende pakket waar filter gesteld kan worden wordt een maximale broncapaciteit van circa 40 – 60 m3/uur verwacht.

Derde watervoerende pakket

Het derde watervoerende pakket bestaat uit fijn tot grof zand met schelpenresten en meerdere kleilagen. Vanwege de verschillende kleilagen zijn er weinig geschikte zandlagen waarin bronfilters geplaatst kunnen worden, de maximaal haalbare broncapaciteit in het derde watervoerende pakket is daarom beperkt. De beperkte broncapaciteit en de diepte zorgen ervoor dat het derde watervoerende pakket minder geschikt is voor de toepassing van een open bodemenergiesysteem.

Figuur 3.3 | Diepte van het zoet/brak grensvlak en de aanwezige strategische grondwatervoorraden in gemeente Woerden, Nieuw-Middelland is gelegen binnen het rode kader, bron: REGIS en WKO-tool.

3.2.3 Bodemgeschiktheid gesloten bodemenergiesystemen

Een gesloten systeem kan, in tegenstelling tot een open systeem, in een slecht doorlatende laag worden aangelegd. De doorlatendheid is van ondergeschikt belang, aangezien er ook warmte uitwisseling in een klei- of leemlaag kan plaatsvinden. Een ander aspect dat een rol speelt is grondwaterstroming. Voor een gesloten systeem is de snelheid en de richting van de grondwaterstroming van belang. Bij gesloten systemen kan een hoge grondwaterstroming een positieve invloed hebben op het thermisch functioneren. Bij onttrekking van warmte aan de bodem door een gesloten systeem koelt de bodem af. De grondwaterstroming levert bij een goede positionering een netto warmtewinst doordat het afgekoelde grondwater afstroomt en water met de natuurlijke grondwatertemperatuur wordt aangevoerd.

De diepte van de grondwaterstand op de locatie is ook van belang bij de toepassing van gesloten bodemenergiesystemen. Een diepe grondwaterstand is ongunstig, omdat onverzadigd zand de warmte minder goed geleid.

Voor gesloten systemen geldt dat deze wel gebruik kunnen maken van alle watervoerende pakketten en aanwezige scheidende lagen. De gesloten bodemenergiesystemen kunnen tot aan de onderzijde van het derde watervoerende pakket (gemiddeld circa 230 m-mv) gerealiseerd worden. Op deze diepte begint de hydrologische basis. Aandachtspunt hierbij vormt het goed afdichten van de boorgaten (conform de geldende normen uit de BRL) in verband met problematiek ten aanzien van grondwaterverontreinigingen.

3.2.4 Overige geohydrologische eigenschappen

De overige geohydrologische eigenschappen die belangrijk zijn voor de toepassing van een open bodemenergiesysteem zijn weergegeven in Tabel 3.2.

Tabel 3.2 | Geohydrologische eigenschappen voor een open bodemenergiesysteem in het eerste en tweede watervoerende pakket

parameter

toelichting

grondwaterstand

!

1

-1,3 m NAP (-0,96 – -1,87 m NAP) (bron: peilbuis B31G2258)

stijghoogte 1e watervoerende pakket

✔

-1,7 m NAP (-1,51 – -1,82 m NAP; bron: B31G0145)

stijghoogte 2e watervoerende pakket

-2,7 m NAP (REGIS)

stromingssnelheid- en richting 1e watervoerende pakket

✔

5- 10 m/jaar in noordwestelijke richting

stromingssnelheid- en richting 2e watervoerende pakket

✔

5m/jaar in oostzuidoostelijke richting

gas

✔

geen afwijkende gasdruk verwacht

deeltjes

✔

geen verhoogd risico op bronverstopping door deeltjes

redox

!

2

mogelijk een redoxovergang aanwezig

temperatuur 1e watervoerende pakket

✔

11°C (5 – 45 m-mv)

temperatuur 2e watervoerende pakket

✔

11,5 – 12,5 °C (65 – 150 m-mv)

zoet/brak/zout grensvlak

!

3

zoet-brak grensvlak: circa 115 m-mv

brak-zout grensvlak: circa 150 m-mv

bodemsplijting

!

4

risico op bodemsplijting

✔ geschikt, geen belemmering of aandachtspunt

! aandachtspunt of risico

X hoog risico of belemmering

1Grondwaterstand

Als gevolg van de realisatie van een open bodemenergiesysteem in het ondiepe eerste watervoerende pakket kunnen grondwaterstandsveranderingen optreden. Dit kan een risico vormen voor de waterhuishouding binnen Nieuw-Middelland. In het bodemenergieplan is hiermee rekening gehouden door per zoekgebied tot twee gelijksoortige bronnen te clusteren en warme en koude bronnen kruislings in het gebied te plaatsen.

2Redox

Een redoxgrens is een overgang van waterkwaliteiten die bij menging redoxreacties kunnen veroorzaken. Dit kan bijvoorbeeld een overgang van (sub)oxisch (zuurstof- en nitraatrijk, ijzerloos) grondwater naar gereduceerd (ijzerrijk en zuurstof- en nitraatloos) grondwater zijn, waarbij bij menging ijzer(hydr)oxiden worden gevormd. Deze ijzer(hydr)oxiden, beter bekend als roest, zetten zich af in de bronnen, het verbindend leidingwerk en de warmtewisselaars. De neerslag van ijzer(hydr)oxiden in het grondwatersysteem leidt tot verstopping van de bronnen, wat grote nadelige gevolgen heeft voor de werking van het bodemenergiesysteem. Deze problematiek is vaak moeilijk beheersbaar.

Om redoxreacties te voorkomen worden bodemenergiesystemen zo ontworpen dat uit de bronfilters grondwater van eenzelfde kwaliteit wordt verpompt. Dit betekent dat de bronfilters bij voorkeur in een watervoerend pakket zonder redoxgrens of op voldoende afstand van de redoxgrens worden geplaatst. Daarnaast kan de aanwezigheid van een scheidende laag het aantrekken van ondieper of dieper grondwater verhinderen en daarmee menging van verschillende waterkwaliteiten verhinderen.

Binnen Nieuw-Middelland is mogelijk een redoxovergang aanwezig in het eerste watervoerende pakket. De deklaag is een scheidende laag, waar water moeilijker doorheen kan stromen. In het projectgebied heeft de deklaag een beperkte dikte waardoor mogelijk zuurstofrijk water diep het eerste watervoerende pakket kan binnendringen. Daar waar wel een voldoende dikke deklaag aanwezig is, wordt het zoete regenwater gereduceerd waardoor het niet dieper het pakket kan doordringen.

Om het risico op bronverstopping als gevolg van redoxreacties te minimaliseren wordt geadviseerd om bij het ontbreken van de deklaag de diepte van de redoxovergang vast te stellen en de bronfilters van het toekomstig open bodemenergiesysteem op voldoende afstand van de mogelijke redoxgrens te plaatsen. Wanneer een duidelijke deklaag aanwezig is of wanneer onvoldoende filterlengte geplaatst kan worden, kan worden overwogen om het bronfilter ondieper te plaatsen.

3Zoet/brak/zout grensvlak

Op basis van waterkwaliteitsmetingen van boringen van Gemeentehuis Woerden en de Houttuin bevindt de zoet-brak overgang zich op circa 115 m-mv binnen Nieuw-Middelland. Op basis van beperkte grondwaterdata ligt het brak-zout grensvlak op een diepte van circa 150 m-mv. De overgang van zoet naar zout grondwater is dus aanwezig in het tweede watervoerende pakket (Tabel 3.1).

Verzilting van zoet grondwater moet voorkomen worden. Vanwege de diepteligging vormt het zoet/brak/zout grensvlak geen belemmering voor de toepassing van een open bodemenergiesysteem in het eerste watervoerende pakket. Bij het gebruik van het tweede watervoerende pakket is het belangrijk om rekening te houden met de aanwezigheid van het zoet-brak grensvlak en inzicht te krijgen in de waterkwaliteit van toekomstige projectlocaties voor meer duidelijkheid over het risico op verzilting van zoet grondwater. De beleidsregels en de plankaart voor het tweede watervoerende pakket zijn zo geformuleerd dat de realisatie van open bodemenergiesystemen binnen het bodemenergieplan geen invloed heeft op het zoet-brak grensvlak. Daarbij geldt als uitgangspunt dat dit grensvlak zich in Nieuw-Middelland op een diepte van 115 m-mv bevindt. Doordat bij gesloten bodemenergiesystemen geen grondwater verpompt wordt, vormt het zoet/brak/zout grensvlak bij deze systemen geen belemmering.

4Bodemsplijting

Bij infiltratie van grondwater via een bron is sprake van een verhoging van de stijghoogte en een toename van de druk in de bron. Als deze druktoename te groot wordt, dan kan dat resulteren in scheurvorming in de bodem. Deze scheur(en) zet(ten) zich vervolgens door naar het maaiveld, waarna het infiltratiewater langs de stijgbuis of ergens anders in de buurt van de bron, uit de bodem kan stromen en de bron door uitspoeling van bodemmateriaal onherstelbare schade oploopt. Het voorkomen van bodemsplijting is een belangrijk onderdeel van het ontwerp van een open bodemenergiesysteem. Het systeem wordt daarbij zodanig ontworpen dat de druktoename in de bronnen ruim onder de kritische waarde van de injectiedruk blijft. De kritische waarde van de injectiedruk is diepte afhankelijk: hoe groter de diepte, hoe hoger de gronddruk en hoe groter de weerstand tegen scheurvorming.

Binnen Nieuw-Middelland zijn open bodemenergiesystemen voorzien in het eerste watervoerende pakket waarbij bronfilters gesteld kunnen worden vanaf circa 20 m-mv. Bij de inpassing van deze systemen is het noodzakelijk om rekening te houden met het risico op bodemsplijting door gelijksoortige bronnen zo min mogelijk te clusteren. Hier is rekening mee gehouden met het indelen van de zoekgebieden in het bodemenergieplan door deze kruislings te plaatsen. Op welke diepte de filters gesteld kunnen worden moet bij het ontwerp van elk individueel bodemenergiesysteem bekeken worden.

3.4 Wettelijke kaders

3.4.1 Open bodemenergiesystemen

Het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem is een milieubelastende activiteit in het kader van de Omgevingswet. Op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is hiervoor een omgevingsvergunning vereist (artikel 3.19). Het Bal is een uitvoeringsbesluit onder de Omgevingswet. Op grond van het Bal gelden een aantal algemene regels (artikel

4.1148 t/m artikel 4.1157a). Dit betekent dat deze regels op rijksniveau niet als voorschriften aan

de omgevingsvergunning hoeven te worden verbonden. Vergunningen worden aangevraagd in het kader van de Omgevingswet met ondersteunend nieuw digitaal stelsel (DSO – Digitaal Stelsel Omgevingswet). Als bijlage bij de vergunningaanvraag dienen de effecten van het open bodemenergiesysteem in een effectenstudie te worden gekwantificeerd. De belangrijkste aspecten bij een vergunningaanvraag in het kader van de Omgevingswet zijn samengevat in Tabel 3.5.

Tabel 3.5 | Belangrijkste aspecten vergunning open bodemenergiesystemen

aspect

toelichting

bevoegd gezag

provincie Utrecht

vergunningplicht

alle open bodemenergiesystemen

doorlooptijd

reguliere procedure: 8 weken tot publicatie definitieve beschikking

uniforme openbare voorbereidingsprocedure: 6 maanden tot publicatie definitieve beschikking

leges/publicatiekosten

De provincie rekent geen leges voor aanvragen van open bodemenergiesystemen

juridische voorwaarden

•de infiltratietemperatuur in de bronnen mag niet hoger zijn dan 25°C.

•het veroorzaken van een (beperkt) koudeoverschot in de bodem is toegestaan. Het veroorzaken van een warmteoverschot in de bodem is niet toegestaan, tenzij hiervoor toestemming is verleend door de provincie.

•de productiviteit bedraagt per seizoen gemiddeld ten minste 0,00465 MWh/m³ geretourneerd grondwater (dit betekent dat het temperatuurverschil tussen het onttrokken en geïnfiltreerde water minimaal 4°C is).

•verzilting van zoet grondwater is niet toegestaan.

•het in werking hebben van een open bodemenergiesysteem leidt niet tot zodanige interferentie met een eerder vergund of gemeld open of gesloten bodemenergiesysteem dat het doelmatig functioneren van één van de desbetreffende bodemenergiesystemen kan worden geschaad.

•andere belangen binnen het invloedsgebied van het open bodemenergiesysteem mogen niet nadelig worden beïnvloed (zoals andere grondwatergebruikers, verontreinigingen, natuur, landbouw, archeologie, bebouwing en infrastructuur).

•open bodemenergiesystemen zijn niet toegestaan in waterwingebieden en niet of beperkt in grondwaterbeschermingsgebieden en boringvrije zones.

Nadat de provincie (Gedeputeerde Staten) besluit geeft genomen om het onderhavige bodemenergieplan te betrekken bij de beoordeling van vergunningsaanvragen voor open bodemenergiesystemen zal de provincie nieuwe vergunningaanvragen voor open bodemenergiesystemen, naast de op grond van het Bal algemeen geldende rijksregels, toetsen aan de beleidsregels, gebaseerd op gebruiksregels zoals opgenomen in het bodemenergieplan.

Procedure

Voor het aanvragen van een vergunning voor een open bodemenergiesysteem geldt in principe de reguliere procedure van de Algemene wet bestuursrecht. Voor deze procedure geldt een beslistermijn van 8 weken. In aantal uitzonderingsgevallen zal de provincie op de aanvraag moeten beslissen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht).

Deze uitzonderingsgevallen betreffen:

•als een milieueffectrapportage nodig is

•in aangewezen gevallen (artikel 10.24 Omgevingsbesluit)

•op verzoek of met instemming van de aanvrager (de provincie mag niet zelf beslissen om uniforme openbare voorbereidingsprocedure van toepassing te verklaren)

Voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geldt een beslistermijn van 6 maanden. Binnen deze procedure wordt, afwijkend van de reguliere procedure, eerst een ontwerpbesluit ter inzage gelegd, voordat het definitieve besluit tot stand komt.

3.4.2 Gesloten bodemenergiesystemen

De aanleg van gesloten bodemenergiesystemen wordt in het kader van de Omgevingswet gereguleerd op grond van het Bal (artikel 4.1135 t/m artikel 4.1147a). Voor het aanleggen van een gesloten bodemenergiesysteem geldt op grond van het Bal een meldingsplicht. De gemeente (het college van burgemeester en wethouders) is op grond van het Bal (artikel 2.3) het bevoegd gezag in het kader van deze meldingsplicht.

De ten aanzien van gesloten bodemenergiesystemen geldende regels op grond van het Bal zijn niet uitputtend bedoeld. Dit betekent dat de gemeente in het omgevingsplan zogeheten (gebiedsgerichte) maatwerkregels kan opnemen of (voor individuele gevallen) maatwerkvoorschriften mag opleggen aan een initiatiefnemer, die afwijken van de algemeen geldende rijksregels dan wel deze regels aanvullen. Een maatwerkregel kan bijvoorbeeld inhouden dat – in afwijking van de in het Bal algemeen geregelde meldingsplicht (artikel 4.1136) – voor een in het omgevingsplan aangewezen gebied een omgevingsvergunning is vereist voor gesloten bodemenergiesystemen.

Bij ontvangst van een melding of vergunningaanvraag voor een gesloten bodemenergiesysteem beoordeelt de gemeente of het voorgenomen systeem voldoet aan de algemene regels op rijksniveau (Bal) of aan de maatwerkregels die door de gemeente zijn opgenomen in het omgevingsplan.

De belangrijkste aspecten voor de melding en vergunningverlening voor gesloten bodemenergiesystemen zijn samengevat in Tabel 3.6 en daaronder nader toegelicht.

Tabel 3.6 | Belangrijkste aspecten melding en vergunning gesloten bodemenergiesystemen

aspect

toelichting

bevoegd gezag

Gemeente Woerden

melding

alle gesloten bodemenergiesystemen

vergunningplicht

op basis van maatwerkregel in het omgevingsplan

doorlooptijd

melding: 4 weken voor start werkzaamheden

vergunning: 8 weken beslistermijn

belangrijkste algemene regels

•de temperatuur van de circulatievloeistof mag niet hoger zijn dan 30 °C en niet lager zijn dan -3 °C, de gemeente heeft de mogelijkheid om een hogere temperatuur toe te staan;

•bij vermoedelijke lekkage: onmiddellijk buiten werking stellen en circulatievloeistof verwijderen (tenzij de circulatievloeistof uit alleen water bestaat);

•gesloten bodemenergiesystemen mogen geen ontoelaatbare negatieve invloed hebben op vergunde of gemelde bodemenergiesystemen of andere belanghebbenden in de omgeving;

•een koudeoverschot is in principe toegestaan en een warmteoverschot verboden, de gemeente heeft de mogelijkheid om het koudeoverschot te beperken.

Overgangsrecht: vergunningplicht Bruidsschat omgevingsplan

Hiervoor is uiteengezet dat gemeenten onder de Omgevingswet ten aanzien van gesloten systemen – in afwijking van de algemeen geldende meldingsplicht – mogen bepalen waar en in welke gevallen een vergunningplicht van toepassing is. De gemeente moet deze vergunningplicht zelf regelen in omgevingsplan. Echter, in het kader van de zogeheten Bruidsschat van de Omgevingswet geldt voor een overgangsperiode tot 2032 een vergunningplicht, die overeenkomt met het oude recht. De Bruidsschat betreft het tijdelijk deel van het omgevingsplan, dat vanaf 1 januari 2024 in werking is getreden. Op grond van artikel 22.260 Bruidsschat geldt voor gesloten systemen in de volgende gevallen een vergunningplicht:

•de aanleg of het gebruik van een gesloten bodemenergiesysteem binnen een door de gemeente aangewezen interferentiegebied

•de aanleg of het gebruik van een gesloten bodemenergiesysteem met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.

In de tussentijd, d.w.z. tot het einde van de overgangsperiode tot 2032, mag een gemeente er voor kiezen de hiervoor genoemde vergunningplicht in de Bruidsschat te laten vervallen, aan te passen of uit te breiden.

Overgangsrecht: gemeentelijke verordening aanwijzing interferentiegebieden

Het projectgebied Nieuw-Middelland is al aangewezen als interferentiegebied en dus geldt in het kader van het overgangsrecht Omgevingswet (met bijzondere verwijzing naar het hierboven vermelde artikel 22.260 Bruidsschat) – voor alle gesloten bodemenergiesystemen als overgangsperiode tot 2032 een vergunningsplicht. Een door de gemeente vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024) vastgestelde gemeentelijke verordening voor aanwijzing interferentiegebieden blijft – in het kader van het overgangsrecht Omgevingswet -afzonderlijk bestaan buiten het omgevingsplan tot het einde van de overgangsperiode. Dit betekent dat uiterlijk 2031 een reeds aangewezen interferentiegebied en de daarvoor geldende regels door de gemeente in het omgevingsplan moeten worden opgenomen. Als de aanwijzing van nieuwe interferentiegebieden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft plaatsgevonden, dan zal de gemeente deze gebieden en daarvoor geldende regels direct in het omgevingsplan moeten vastleggen.

De gemeente kan de gebruiksregels van dit bodemenergieplan vaststellen en verankeren als beleidsregels in de gemeentelijke verordening. De provincie zal vergunningaanvragen voor open bodemenergiesystem in aanvulling op de regels uit de Omgevingswet toetsen op basis van de vastgestelde beleidsregels. Daarnaast kan de gemeente de vergunningaanvragen voor gesloten bodemenergiesystemen beoordelen aan de hand van de gebruiksregels van dit bodemenergieplan.

3.4.3 Lozingen

Er zijn verschillende momenten waarop lozingen, en daarmee de wettelijke kaders voor lozingsactiviteiten, aan de orde zijn.

Boren van de bronnen/lussen (boorspoelwater)

Voor de aanleg van de bronnen van open bodemenergiesystemen en de lussen van gesloten bodemenergiesystemen moet worden geboord. Tijdens het boren komt spoelwater vrij (boorspoelwater). De hoeveelheid water die hierbij vrijkomt is beperkt, maar bevat vaak boorspoeling (bentoniet en polymeren) en vrijgekomen grond (zand, klei).

Ontwikkelen van open bronnen (ontwikkelwater)

Direct na het boren worden de bronnen van een open bodemenergiesysteem eenmalig schoon gepompt (ontwikkelen). Het doel hiervan is om resten van het geboorde materiaal uit de bronnen te verwijderen (zand en slibdeeltjes), zodat deze niet voor verstoppingen kunnen zorgen. Tijdens het ontwikkelen komt grondwater vrij met een debiet tot maximaal 130% van het ontwerpdebiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Om de lozingshoeveelheid en het lozingsdebiet te verlagen kan gebruik worden gemaakt van filtertechnieken om vaste bestanddelen te verwijderen, waarbij het water grotendeels weer geïnfiltreerd wordt in de bodem. Het blijft echter noodzakelijk dat een gedeelte van het vrijkomende grondwater geloosd kan worden, om onder andere de filterunits terug te spoelen. Door de ze manier van ontwikkelen kan het lozingsdebiet beperkt worden.

Onderhoud van open bronnen (spuiwater)

In verband met preventief onderhoud van de bronnen worden deze een aantal keer per jaar gespoeld. Bij deze actie wordt uit de bronnen enige tijd grondwater onttrokken met het maximale debiet. Dit grondwater moet geloosd worden. Middels een onderhoudsfilter in de technische ruimte kan ervoor gezorgd worden dat er geen grondwater geloosd hoeft te worden. Bij een onderhoudsfilter wordt het vuil afgevangen met een zogenaamd kaarsenfilter met zeer kleine poriën. Het grondwater wordt uit de bronfilters opgepompt en wordt via het onderhoudsfilter in de bypass van het leidingcircuit in een andere bron geïnjecteerd.

Regulering van lozingen en voorkeursroutes

De voorkeursvolgorde voor lozingsroutes zal als voorschrift aan de omgevingsvergunning worden verbonden. In het Bal is op dit punt t.a.v. open bodemenergiesystemen geen algemeen geldend voorschrift opgenomen.

De lozingen van het water voor het ontwikkelen van bronnen voor een open bodemenergiesysteem geeft de grootste lozingsvolumes. Volgens de voorkeursvolgorde voor lozingen heeft het terugbrengen van het grondwater in de bodem de voorkeur. Dit is echter een kostbare en inefficiënte methode, omdat aanvullende voorzieningen voor filtering en infiltratie aangelegd moeten worden en het ontwikkeldebiet verlaagd moet worden om te kunnen infiltreren. Hierdoor kost het meer tijd om de bronnen te ontwikkelen en is de kans groter dat niet alle restverstoppingen verwijderd worden. Daarnaast is het nog steeds nodig om een kleine waterhoeveelheid te lozen. Het lozen van het ontwikkelwater op het oppervlaktewater heeft daarom de voorkeur. Mocht dit niet mogelijk zijn, moet het grondwater geloosd worden op een vuilwaterriool of gemengd rioolstelsel. Aanbevolen wordt om in een vroeg stadium in overleg te treden met het bevoegd gezag om de mogelijkheden voor lozen te bespreken. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning van het open bodemenergiesysteem dient aangegeven te worden op welke wijze geloosd wordt.

Voor open bodemenergiesystemen geldt op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een omgevingsvergunningplicht voor het lozen van afvalwater op het oppervlaktewater. Het bevoegd gezag van het lozen op oppervlaktewater is het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (=waterschap). Het beleid en informatie over het indienen van een vergunning of doen van een melding staat beschreven op de website van het waterschap.

Lozen op het riool is onderdeel van de milieubelastende activiteit van het open bodemenergiesysteem. De Provincie is bevoegd gezag en vraagt waar nodig de gemeente om advies ten aanzien van de vergunning.

Ten aanzien van gesloten bodemenergiesystemen is er in het Bal een algemeen geldend voorschrift opgenomen voor lozingsroutes als het gaat om te lozen spoelwater. Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater moet het te lozen spoelwater afkomstig van het aanleggen van een gesloten bodemenergiesysteem worden geloosd in een vuilwaterriool of op de bodem. Wel kan de gemeente (als bevoegd gezag) d.m.v. het stellen van een zogeheten maatwerkvoorschrift afwijken van dit algemeen geldend voorschrift en een andere lozingsroute toestaan.

Bijlage 3 – Energetische uitgangspunten

Tabel 1 | Kentallen gebouwfuncties op basis van BENG (nieuwbouw) bepaald aan de hand van vloeroppervlakte (GO of BVO). De kentallen over vermogens en voor utiliteit komen van IF Technology

gebouwfunctie

warmtevraag ruimteverwarming

tapwater vraag

warmtevermogen

koudevraag

koelvermogen

[kWh/m²/jaar]

[kWh/m²/jaar]

[W/m²]

[kWh/m²/jaar]

[W/m²]

gestapeld

33

28

35

12

15

grondgebonden

37

22

35

12

15

utiliteit

38

0

40

45

65

Tabel 2 | Energetische uitgangspunten: dT, COP en SPF

warmtelevering

koeling

dTontwerp

6,0 °C

8,0 °C

dTgemiddeld

5,0 °C

5,0 °C

COP/SPF ruimteverwarming-/koeling

5,0

5,0

COP/SPF tapwater

3,0

-

Tabel 3 | Verdeling jaarlijkse energievraag en vermogens

passief

(direct uit bronnen)

actief

(via warmtepomp)

verwarmingsvermogen

-

100%

warmtevraag

-

100%

koelvermogen

100%

-

koudevraag

100%

-

Bijlage 4 - Notitie mogelijkheden WKO+

WKO+ is een innovatieve ontwikkeling van Bioclear Earth in samenwerking met Brabant water, T&K Service, de gemeenten Den Bosch, Apeldoorn en Tilburg, de provincie Noord-Brabant, Hydreco, IF Technology, Universiteit Wageningen en Rijkswaterstaat. Dit concept combineert de voordelen van een Warmte-Koude Opslag (WKO) systeem, dat gebruikt wordt voor duurzaam verwarmen en koelen, met het verbeteren van de grondwaterkwaliteit. In WKO+ worden dechlorerende bacteriën aan de waterstroom in een WKO toegevoegd (Figuur 1). Deze bacteriën breken schadelijke chloorkoolwaterstoffen af en zorgen zodoende dat er niet alleen duurzame verwarming en koeling wordt geleverd, maar ook afbraak van (VOCl) verontreiniging optreedt.

WKO+ kan worden gezien als een aangepaste vorm van het zogenaamde TCE-concept. Bij het TCE concept wordt met chloorkoolwaterstoffen verontreinigd grondwater opgepompt en, na toevoegen van een koolstofbron en dechlorerende bacteriën, weer teruggebracht in de ondergrond zodat daar afbraak van de verontreiniging optreedt. Binnen het onderzoeksproject “Meer met Bodemenergie” is door Bioclear Earth, in samenwerking met Universiteit Wageningen en andere betrokken partijen, het WKO+ concept ontwikkeld wat voortbouwt op de positieve ervaringen met het TCE-concept. Een belangrijk verschil met het TCE concept is dat bij WKO+ geen koolstofbron wordt toegevoegd (alleen dechlorerende bacteriën) om het risico op verstopping van de bronnen van het open bodemenergiesysteem te minimaliseren.

Om het principe van WKO+ uit te testen in de praktijk zijn in Den Bosch, Apeldoorn en Utrecht kleinschalige pilots uitgevoerd, waarbij alleen dechlorerende bacteriën zijn toegevoegd aan verontreinigd grondwater (situaties zonder WKO). Daarnaast is in Denemarken een pilot project uitgevoerd waarbij dechlorerende bacteriën zijn toegevoegd aan het grondwater bij een WKO-recirculatiesysteem. In afwijking op het WKO+ concept is bij het project in Denemarken naast de toevoeging van dechlorerende bacteriën ook een koolstofbron aan het grondwater toegevoegd. Deze toevoeging van koolstofbron was nodig om de levensduur van de dechlorerende bacteriën in het oorspronkelijk aerobe grondwater (ongunstige condities voor de dechlorerende bacteriën) te verlengen. De eerste resultaten van de pilots tonen aan dat de bacteriën zorgen voor een verhoogde afbraak van de VOCl verontreiniging.

Aandachtspunten WKO+

•Afhankelijk van de levensduur van de bacteriën, eventuele toevoeging van hulpstoffen en de voortgang van de sanering moeten de bacteriën elke 2-4 jaar opnieuw worden geïnfiltreerd.

•Het injecteren van bacteriën in een WKO systeem wordt door WKO initiatiefnemers vooralsnog als extra risico gezien. Daardoor is de neiging om de WKO en de voorzieningen voor het doseren van bacteriën gescheiden te houden en hebben recirculatiesystemen (met dosering op enkele meters van de infiltratiebron) vooralsnog de voorkeur. Deze mitigerende maatregelen zorgen echter voor verhoogde kosten voor infrastructuur ten opzichte van een situatie waarin de toevoegingen rechtstreeks in de WKO bronnen worden gedaan en verhinderen de toepassing van de meest voorkomende toepassingsvorm van WKO waarbij in het zomerseizoen grondwater wordt verpompt van de koude bron naar de warme bron en in het winterseizoen van de warme bron naar de koude bron.

•Uit de tot op heden uitgevoerde onderzoeken volgt, dat WKO+ economisch alleen haalbaar is wanneer de verontreiniging zich op de ontwikkelingslocatie bevindt waarvoor de WKO bedoeld is, zodat de bijbehorende WKO volledig in de verontreinigde pluim kan worden geplaatst en het aanleggen van ondergrondse, geïsoleerde leidingen naar de verontreinigingslocatie (wat in stedelijke gebied complex en kostbaar is) niet nodig is.

•WKO+ kan in het begin leiden tot een verplaatsing van de verontreiniging, wat vergunningtechnisch niet is toegestaan. Dit betekent dat WKO+ alleen kan worden toegepast in gebieden met gebiedsgericht grondwaterbeheer.

De toepassing van WKO in combinatie met het toevoegen van bacteriën is nog in ontwikkeling. De beste kans op succes biedt een WKO-systeem met recirculatie, waarbij beide bronnen binnen het verontreinigde gebied worden geplaatst.

Figuur 1 | Schematische weergave van de toepassing van WKO+; bron: https://bioclearearth.nl/technieken/wko-duurzaam-koelen-en-verwarmen-met-een-bonus.

Het gebiedsgerichte grondwaterbeheer in Woerden speelt een belangrijke rol in de haalbaarheid van WKO+. Bij de Houttuin locatie in Nieuw-Middelland (Figuur 2) is onderzocht of WKO+ toepasbaar is. Het gebiedsgerichte grondwaterbeheer in Woerden, waarbij enige verspreiding van verontreiniging binnen zone A1 is toegestaan, is een belangrijke voorwaarde voor WKO+. Echter, bij de Houttuin locatie was het niet mogelijk om de WKO volledig binnen de verontreinigde pluim te plaatsen en bleek de onbalans in energievraag en de daaraan gekoppelde verschillen in de verpompte volumes per seizoen ongunstig voor de toepassing van WKO+. Door deze factoren is de toepassing van WKO+ op deze locatie niet haalbaar gebleken. Binnen Nieuw-Middelland is er potentie voor het toepassen van WKO+. Het is noodzakelijk om per project de haalbaarheid WKO+ vast te stellen.

Figuur 2 | Houttuin locatie

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.