Hoofstuk 4: Beleidsregels
Artikel 1 Begripsdefinities
a.Achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het oorspronkelijke hoofdgebouw.
b.Bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
c.Dakkapellen zijn een beperkte doorsnijding van het dakvlak;
d.Erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.
e.Hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;
f.Openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.
g.Rode contour: De contour zoals vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie;
h.Voorerfgebied: erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied.
i.Voorgevelrooilijn: zie voorgevellijn;
j.Voorgevellijn: een lijn, welke zoveel mogelijk aansluit aan de ligging van de oorspronkelijke voorgevels van de hoofdgebouwen.
k.Voorgevel: de voorgevel zoals deze bij de bouw van het betrokken gebouw oorspronkelijk is gerealiseerd. Van een woning op de hoek van twee straten is slechts één gevel de voorgevel.
l.Woning: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de permanente huisvesting van één huishouden.
m.Zijgevellijn: een lijn, welke zoveel mogelijk aansluit aan de ligging van de zijgevel van het hoofdgebouw en aan de achterzijde doorloopt in het verlengde van het hoofdgebouw;
n.Zijgevel: de zijgevel links of rechts, meestal haaks op de voorgevel, zoals deze bij de bouw is gerealiseerd en grenzend aan het zijerf.
o.Zelfstandige woonruimte: een (deel van) een gebouw dat gelet op de aanwezige voorzieningen zoals onder meer een keuken, een douche en een eigen toegang geschikt is en gebruikt kan worden als een woning, zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte.
p.Trendsetter: Een als eerste in een straat of bij een zelfde type woning gerealiseerd bijbehorend bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is verleend. Dit bouwwerk geldt dan als maatgevend voor toekomstige bijbehorende bouwwerken in die straat voor dat type woning.
Artikel 2 Wijze van meten
Uitgegaan wordt van de bepalingen in het geldende bestemmingsplan. Indien een bepaalde wijze van meten niet is geregeld in dit bestemmingsplan, gelden de volgende voorschriften:
a.Peil: de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende, afgewerkte maaiveld, maar niet hoger dan de kruin van de weg in geval het bouwwerk aan een weg gelegen is. In alle andere gevallen, de gemiddelde hoogte van het afgewerkte maaiveld;
b.Breedte van een aangebouwde bijbehorende bebouwing: afmeting van het bouwwerk buitenwerks gemeten evenwijdig aan de voorgevel van het hoofdgebouw;
c.(Horizontale) Diepte van een aangebouwde bijbehorende bebouwing: afmeting van het bouwwerk buitenwerks gemeten haaks op de gevel waaraan wordt gebouwd;
d.Bebouwingspercentage: het deel van het erf uitgedrukt in een percentage, voorerfgebied dan wel achtererfgebied, waarop zich bouwwerken bevinden, dan wel gebouwd mogen worden met uitzondering van een zwembad, whirlpool, jacuzzi of vijver, mits deze niet zijn voorzien van een overkapping;
e.Bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
f.Goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
Artikel 3 Regels voor bouwen van bouwwerken bij een woning binnen de rode contour
Dit artikel is van toepassing op gronden bij een woning binnen de rode contour. Op deze gronden kunnen bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken worden gebouwd. In het bestemmingsplan staan regels voor het bouwen van deze bouwwerken. Wij zijn bereid van deze regels af te wijken als deze bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken voldoen aan de hieronder genoemde voorwaarden. Daarnaast geldt dat het aantal woningen niet mag toenemen.
A. als het gaat om een gebouw of overkapping dat op de grond staat in het achtererfgebied:
1Het perceel is kleiner of gelijk aan 500m2 ;
2Het achtererfgebied blijft voor 50% onbebouwd;
3De hoogte buiten de zone van 3 meter vanaf het oorspronkelijke hoofdgebouw is maximaal 3 meter;
4Binnen deze zone van 3 meter is de hoogte
o maximaal de hoogte van het hoofdgebouw;
o niet hoger dan 4 meter;
o niet hoger dan 30 centimeter boven de hoogte van de begane grondverdieping van het hoofdgebouw.
B. Als het gaat om een gebouw of overkapping dat op de grond staat in het voorerfgebied naast de zijgevellijn:
1Het voorerfgebied dat ligt naast de zijgevellijn blijft voor 50% onbebouwd;
2Het is gelegen binnen een zone van 3 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
3Binnen deze zone van 3 meter is de hoogte:
o maximaal de hoogte van het hoofdgebouw;
o niet hoger dan 4 meter;
o niet hoger dan 30 centimeter boven de hoogte van de begane grondverdieping van het hoofdgebouw.
4Het is geplaatst op minimaal 1 meter van de zijdelingse perceelsgrens;
5Het is geplaatst op minimaal 1,5 meter achter de voorgevellijn;
6Bij een al aanwezige trendsetter die afwijkt van de hier boven genoemde maten en afstanden, kan er van deze regels worden afgeweken. De trendsetter bepaalt in dit geval de maximale maten en afstanden.
C. Als het gaat om een gebouw dat op de grond staat in het voorerfgebied voor de voorgevellijn:
1Vrijstaande bouwwerken zijn niet toegestaan;
2De breedte van het bouwwerk is maximaal ⅔e van de voorgevel tot een maximum van 4 meter;
3De afstand tussen het bijbehorend bouwwerk en de voorste perceelsgrens is minimaal 2 meter;
4De diepte van het bouwwerk is maximaal 1,4 m;
5Bij een reeds aanwezige trendsetter die van de hiervoor genoemde maten en afstanden afwijkt, kan er van deze regels worden afgeweken en geldt de trendsetter als maatgevend. De trendsetter bepaalt in dit geval de maximale maten en afstanden.
D. Als het gaat om een kap op een bouwwerk:
1Bij vrijstaande bouwwerken is het bouwwerk inclusief kap maximaal 6 meter hoog;
2Bij niet vrijstaande bouwwerken is het bouwwerk inclusief kap maximaal 7 meter hoog;
3De goothoogte is maximaal 3 meter;
4Bij een reeds aanwezige trendsetter die van de hiervoor genoemde maten en afstanden afwijkt, kan er van deze regels worden afgeweken en geldt de trendsetter als maatgevend. De trendsetter bepaalt in dit geval de maximale maten en afstanden.
5De lichttoetreding en privacy op buurpercelen mogen gelet op de omgeving niet onevenredig worden aangetast;
6De kap past in de omgeving;
7De kap is niet gedeeltelijk afgeplat.
E. Als het gaat om een dakopbouw:
1De goot- en bouwhoogte wordt maximaal 1,5 meter hoger;
2Bij een reeds aanwezige trendsetter die van de hiervoor genoemde maten afwijkt, kan er van deze regels worden afgeweken en geldt de trendsetter als maatgevend. De trendsetter bepaalt in dit geval de maximale maten en afstanden;
3De lichttoetreding en privacy op buurpercelen mogen gelet op de omgeving niet onevenredig worden aangetast;
4De dakopbouw is ruimtelijk aanvaardbaar.
F. Als het gaat om een dakkapel
1Een dakkapel is op elk dakvlak toegestaan. De plaats op het dak en afmeting van de dakkapel zijn geregeld in het welstandsbeleid.
G. Als het gaat om een luifel:
1De luifel wordt aangebracht boven de voordeur;
2De luifel is maximaal 2 meter breed;
3De luifel is maximaal 1 meter diep;
4De bovenkant van de luifel komt maximaal 0,5 meter boven de voordeur;
5Een uitzondering geldt als er al een bouwwerk als bedoel onder C aanwezig is. In dit geval is de maximale diepte van de luifel gelijk aan de diepte van dat bouwwerk.
H. Als het gaat om een erfafscheiding:
1Een erfafscheiding in het voorerfgebied voor de voorgevellijn is maximaal 1 meter hoog;
2Een erfafscheiding in het voorerfgebied achter de voorgevellijn is maximaal 2 m hoog.
I. Als het gaat om een zwembad, jacuzzi, of vijver:
1Een zwembad of jacuzzi is niet toegestaan in het voorerfgebied;
2Een zwembad, jacuzzi, of vijver is toegestaan in het achtererfgebied als:
a.Deze geen overkapping heeft;
b.Het bouwwerk maximaal 1 meter hoog is.
3Een zwembad, jacuzzi of vijver telt niet mee bij het maximale bebouwingspercentage.
J. Als het gaat om een vlaggenmast of paal:
1een vlaggenmast of paal is maximaal 6 meter hoog;
2per woning mag maximaal 1 paal of vlaggenmast worden geplaatst.
K. Als het gaat om een ondergronds bouwwerk:
1gebouwd mag worden tussen peil en 3,5m onder peil;
2ondergrondse bouw is uitsluitend toegestaan onder de oppervlakte van bovengronds gelegen vergunde of vergunningsvrije gebouwen (bij een verticale projectie), alsmede ter verbinding van gebouwen;
3de afstand tot perceelsgrenzen bedraagt minimaal 3 meter. Uitzondering is als de buren een soortgelijke aangrenzende kelder maken. In dat geval mag tot op de perceelsgrens gebouwd worden;
4een kelder mag niet worden voorzien van een dakraam of lichtkoepel;
5het gebouwde deel van de toegang tot de kelder (trap of hellingbaan) niet op het voorerf mag worden gebouwd;
6het oppervlak van de het ondergrondse deel van de kelder telt niet mee bij het maximaal te bebouwen bebouwingspercentage.
L. Als het gaat om een overig bouwwerk dat verder niet in dit artikel wordt genoemd:
1voor de voorgevellijn is deze maximaal 1 meter hoog;
2achter de voorgevellijn is deze maximaal 2 meter hoog.