Bijlage 1: Delen uit de Notabodembeheer die vallen onder Overgangsrecht
Beleid
Artikel Bal (Omgevingswet)
Toelichting
§ 2.5.2 - Lokale Maximale Waarden kwaliteitsklasse Industrie én toepassen grond ter plaatse van én hergebruik grond uit geasfalteerde gemeentelijke wegen in het buitengebied incl. bermen (bodemlaag 0-2 m-mv)
art. 4.1267 (gegevens en bescheiden) lid c. (een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen grond of baggerspecie)
Asfaltverharde gemeentelijke wegen in het buitengebied inclusief bermen maken geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. In het kader van circulariteit is beleidsmatig vastgesteld dat hier klasse Industrie mag worden toegepast, ondanks dat de kwaliteit van de ontvangende bodem niet is vastgesteld. Dit onderdeel van deze regel valt onder het overgangsrecht. Indien de grond uit deze deelgebieden naar andere deelgebieden wordt getransporteerd, dan is een milieuverklaring vereist en geldt het generieke beleid onder de Omgevingswet.
§ 2.5.3 - Lokale Maximale Waarden kwaliteitsklasse Industrie (bodemlaag 0-2 m-mv)
art. 4.1272 (kwaliteitseisen) & art. 4.1273 (eisen aan maatwerk bij versoepeling kwaliteitseisen)
Onder deze paragraaf worden voor aangewezen gebieden de toepassingsmogelijkheden versoepeld. In afwijking van het generieke beleid hoeft men de kwaliteit van de ontvangende bodem niet te onderzoeken en mag altijd kwaliteit Industrie worden toegepast. Dit betreft een lokale maximale waarden, en valt dit onder het overgangsrecht.
§ 2.5.4 - Lokale Maximale Waarden kwaliteitsklasse Wonen; (bodemlaag 0-2 m-mv)
art. 4.1272 (kwaliteitseisen) & art. 4.1273 (eisen aan maatwerk bij versoepeling kwaliteitseisen)
Onder deze paragraaf worden voor aangewezen gebieden in de gemeente Aalten de toepassingsmogelijkheden versoepeld. In afwijking van het generieke beleid hoeft men de kwaliteit van de ontvangende bodem niet te onderzoeken en mag altijd kwaliteit Wonen worden toegepast. Dit betreft een lokale maximale waarden, en valt dit onder het overgangsrecht.
§ 2.5.5 - Lokale Maximale Waarden hergebruik van nature arseen houdende grond (bodemlaag 0-2 m-mv)
art. 4.1272 (kwaliteitseisen) + art. 4.1273 (eisen aan maatwerk bij versoepeling kwaliteitseisen)
Onder deze paragraaf worden lokale maximale waarden voor arseen vastgesteld als gevolg van natuurlijk verhoogd voorkomen in de Achterhoek. Indien bij bodemonderzoek waarden tot 430 mg/kg ds aan arseen worden gemeten mag de grond op basis hiervan vrij worden toegepast, met uitzondering van moestuinen/volkstuinen.
Beleid
Artikel Bal (Omgevingswet)
Toelichting
§ 2.5.6 - Lokale Maximale Waarden Noorderhaven-Spoorzone (bodemlaag 0-2 m-mv; gemeente Zutphen)
art. 4.1272 (kwaliteitseisen)
De toepassingseis voor dit deelgebied (Noorderhaven+Spoorzone) is strenger voor grond van buiten het plangebied (AW2000), dan grond vanuit het betreffende plangebied zelf (Wonen). De gemeente is bewust dat er binnen dit deelgebied een heterogene kwaliteit is en staat desondanks Wonen overal toe. Het betreffen voorwaardelijke lokale maximale waarden en dus valt het onder overgangsrecht.
§ 2.5.7 - Lokale Maximale Waarden noordelijk industrieterrein De Mars (bodemlaag 0-2 m-mv; gemeente Zutphen)
art. 4.1242 (verwijderen als saneringsaanpak) + art. 4.1272 (kwaliteitseisen)
Toekomstige functie is leidend bij saneringsmaatregelen en bijbehorende toepassingsmogelijkheden. Toepassingsmogelijkheden zijn in deze lokale maximale waarden en dus valt het onder overgangsrecht.
§ 2.5.9 - Lokale Maximale Waarden toepassen grond op onverharde kinderspeel-plaatsen en moes/volks-tuin(complex)en (bodemlaag 0-2 m-mv)
art. 4.1272 (kwaliteitseisen)
De strengere norm (AW2000) voor toepassing van grond in onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en betreft een lokale maximale waarden en valt onder het overgangsrecht.
§ 2.5.11 - Toepassen van PFAS-houdende grond bij de toepassingseis kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’.
Art. 4.1272 (kwaliteitseisen)
Eventueel vastgesteld gebiedsspecifiek beleid voor PFAS wordt via het overgangsrecht onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. PFAS beleid is vooralsnog gebiedsspecifiek, omdat het hier een niet-genormeerde stof betreft. Zodra PFAS is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit 2021 betreft het generiek beleid. De toepassingseisen voor grond bestemd in gebieden die zijn aangemerkt als AW2000 en Industrie volgen de landelijke normen. Daarmee vallen deze eisen onder generiek beleid zodra PFAS is opgenomen in de Regeling Bodemkwaliteiten.
§ 2.6 - Toepassen grond met bodemvreemd materiaal (steenachtige materialen, onbewerkt hout, plastic, piepschuim etc.)
art 4.1271 (bodemvreemd materiaal)
Gebiedsspecifiek beleid met betrekking tot bodemvreemd materiaal valt onder het overgangsrecht. In de Achterhoek wil men in de toe te passen grond maximaal 10% onbewerkt hout en steenachtige materialen aanwezig hebben en slechts sporadisch (maximaal 0,1 volumeprocent) aan lichte materialen zoals plastics en piepschuim.
Let op, het ‘civiel-technisch zeven’ niet beschouwen als tussentijdse bewerking betreft maatwerk. Het uitgezeefde bodemmateriaal dient te worden getransporteerd naar een erkend verwerker.
Beleid
Artikel Bal (Omgevingswet)
Toelichting
§ 2.7 - Toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal
art. 4.1267 (gegevens en bescheiden) + art 4.1271 (bodemvreemd materiaal)
Aanvullende eisen aan onderzoek bij zintuigelijke waarneming asbestverdachtheid met aanscherping maximale concentratie asbest (van 100 naar 50 mg/kg ds). En bij kinderspeelplaatsen 0 (NUL) mg/kg ds betreffen lokale maximale waarden en valt onder overgangsrecht. Het advies richting burgers en bedrijven voor de aanvullende onderzoekseis is op zichzelf geen onderdeel van het overgangsrecht en betreft een beleidsregel.
§ 2.16 - Totaaloverzicht gemeentelijk beleid
art. 4.1272 (kwaliteitseisen)
De toepassingseisen zoals vernoemd in tabel 2.5 van de nota bodembeheer vallen deels onder generiek beleid en deels betreffen het lokale maximale waarden. Deze laatste vallen onder het overgangsrecht. Indien de toepassingseis gelijk is aan de strengste klasse op basis van functie of ontgravingsklasse, dan betreft het generiek beleid (dubbele toets).
Notitie: Ambtelijke wijziging Nota bodembeheer, gemeente Lochem1
art. 4.1272 (kwaliteitseisen) & art. 4.1273 (eisen aan maatwerk bij versoepeling kwaliteitseisen)
Voor de industriegebieden Stijgoord en Diekink in de gemeente Lochem gelden afwijkende toepassingseisen. In afwijking op het generieke beleid mag op deze locaties grond met de kwaliteit Wonen worden toegepast, ondanks dat de ontgravingskwaliteit AW2000 betreft. Dit betreft een lokale maximale waarde, en valt daardoor onder het overgangsrecht.
Bijlage 2: Samenvatting beleidsregels
4.1.1Uitbreiding van het bodembeheergebied en acceptatie bodemkwaliteits-kaarten bij toepassen van grond
De volgende bodemkwaliteitskaarten worden door de gemeenten geaccepteerd als bewijsmiddel bij het toepassen van schone grond:
•Bodemkwaliteitskaart regio Twente.
•Bodemkwaliteitskaart regio Arnhem.
•Bodemkwaliteitskaart gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe en Voorst.
4.1.2Lokale Maximale Waarden kwaliteitsklasse Industrie (alleen als gevolg van bestrijdingsmiddelen) in én toepassen grond uit de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ in hetzelfde gebied (bodemlaag 0-2 m-mv)
De Lokale Maximale Waarde in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ is voor de bodemlaag 0-2 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ (alleen als gevolg van bestrijdingsmiddelen).
Vrijkomende grond uit de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ moet altijd indicatief worden onderzocht volgens een passende strategie uit de NEN 5740.
Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond in de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’ worden toegepast.
De initiatiefnemer van het grondverzet moet met een historisch onderzoek aantonen dat de ontgravings-én toepassingslocatie onderdeel uitmaken van de bodemkwaliteitszone ‘Gebieden met diffuus verhoogde gehalten bestrijdingsmiddelen’.
4.1.3Lokale Maximale Waarden betere bovenafdichting oude stortplaatsen (uitgezonderd stortplaatsen met gevoelig bodemgebruik)
De Lokale Maximale Waarde voor een betere bovenafdichting van oude stortplaatsen is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Onder voorwaarde dat daarboven een minimaal 0,5 meter dikke afdeklaag wordt aangebracht. De kwaliteit van de afdeklaag moet voldoen aan de gemeentelijke toepassingseis van het gebied waarin de stortplaats ligt.
4.1.4Toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal
Toe te passen grond mag maximaal 50mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen-asbest en maximaal 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels bevatten. Uitzondering op deze regel is dat in de toe te passen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en zintuiglijk en analytisch geenasbest mag bevatten.
4.1.5Toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld
De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond niet-verdachte locaties uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte. Voorwaarden hierbij zijn:
•De locatie is niet verdacht voor bodemverontreiniging.
•De grond is afkomstig van een ongeroerde bodemlaag.
•De grond is zintuiglijk niet verontreinigd.
De grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld is niet verdacht voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen.
4.1.6Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden
Bij tijdelijke uitname bij aanleg, vervang- en reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen én bij graafwerkzaamheden voor graafwerkzaamheden op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties, hoeft de grond niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en op of nabij dezelfde herkomstlocatie worden teruggeplaatst.
4.1.7Gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij bodemverontreinigende activiteiten
Als er geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd, wordt het eindonderzoek getoetst aan de bodemkwaliteitskaart.
4.1.8Toepassen grond uit een oude categorie-1 werk
Grond uit een oude categorie-1 werk (volgens het voormalige Bouwstoffenbesluit) die elders nuttig wordt toegepast moet altijd worden gekeurd. Op basis van de keuringsresultaten worden de hergebruiksmogelijkheden van de grond bepaald.
4.1.9Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet
De gemeenten stellen dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht moet worden besteed aan het (eventueel) voor komen van plaagsoorten (flora).
Als een plaagsoort (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de betreffende gemeente.
Als een plaagsoort (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen.
4.1.10De geldigheidsduur van een eventueel uitgevoerd onderzoek en gebruik van de ontgravings-en toepassingskaart bij een al onderzochte locatie
De gemeenten beschouwen de onderzoeksresultaten als een momentopname en zijn daarom niet ‘onbeperkt houdbaar’. Bij een al uitgevoerd onderzoek moet de initiatiefnemer aan de Omgevingsdienst Achterhoek (namens de gemeenten) aannemelijk maken dat de onderzoeksgegevens hun actualiteitswaarde hebben behouden. Hierbij moet ten minste in ogenschouw zijn genomen:
•of de gehanteerde strategie van monstername of analysemethodes voldoende inzicht geven in de algemene bodemkwaliteit;
•of de onderzoekslocatie na uitvoering van het laatste volledige onderzoek niet intensiever is gebruikt en geen grondverzet of herinrichting heeft ondergaan;
•qua gebruik of inrichting de onderzoekslocatie nog hetzelfde is;
•in hoeverre er tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten zijn uitgevoerd die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden;
•dat de relatie tussen de partijkeuring en de tijdelijk opgeslagen grond kan worden aangetoond als deze tussentijds is verplaatst.
4.1.11 Gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart als al een onderzoek is uitgevoerd
Uitgevoerde partijkeuring en gebruik ontgravingskaart
De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving al een partijkeuring (BRL 1000 – protocol 1001) of een gelijkwaardig onderzoek van de NEN 574014 is uitgevoerd. Als het onderzoek voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel.
Uitgevoerd onderzoek en gebruik toepassingskaart
Uit een al uitgevoerd onderzoek kan blijken dat de kwaliteit van de ontvangende bodem slechter of juist beter is dan de toepassingseis van de bodemkwaliteitszone waarin de locatie is gelegen. In die situatie geldt de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten, ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis.
Uitgevoerd verkennend onderzoek en gebruik ontgravingskaart
De gemeenten vinden het niet redelijk dat, na het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek, een aanvullende partijkeuring moet plaatsvinden. Als het bodemonderzoek nog representatief is voor de meest recente (terrein)situatie én het maximaal vastgestelde (gestandaardiseerde) gehalten van de stoffen voldoen aan kwaliteitsklasse van de betreffende bodemkwaliteitszone (zie de kaartbijlagen N3), er geen aanvullende partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd. De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt.
4.1.12Andere projecten met grootschalig grondverzet
In een grondstomenplan voor grootschalig grondverzet wordt minimaal opgenomen:
•Aan- en/of inleiding.
•Wettelijk kader en onderbouwing dat aan artikel 4.1269 Bal (nuttige/functionele en ruimtelijk gewenste toepassing) wordt voldaan.
•Een technische onderbouwing waarmee wordt aangetoond dat wordt voldaan aan artikel 4.1274 Bal; de “technische” aspecten van het grootschalige grondverzet (opbouw van de toepassing / eventuele deklaag / herkenbaarheid / kwaliteit grond / etc.).
•Uitvoeringsaspecten (betrokkenen / periode / meldingsregime / kwaliteitsverklaringen / registratie / oplevering / beheerder).
•Beheer / nazorg (in stand houden van toepassing en eventuele leeflaag / eventueel risico dat het grootschalig grondverzet niet wordt afgerond en wie dan verantwoordelijk is / eventueel een monitoringsprogramma).
•Het plan kan voorzien worden met enkele bijlagen (bijvoorbeeld de ligging / opbouw van de toepassing / verwachte ontgravingskwaliteit -boven- en ondergrond- in het ontgravingsgebied).
4.1.13Melden tijdelijke opslag voorafgaand een de definitieve toepassing
Als bekend is waar de grond, die tijdelijk is opgeslagen, wordt toegepast, hoeft voorafgaand aan de tijdelijke opslag alleen de melding voor de toepassing van deze grond te worden gedaan. Bij de melding moet wel de locatie en duur van de tijdelijke opslag worden vermeld.
De kwaliteit van de grond die tijdelijk wordt opgeslagen moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse dan wel de vastgestelde Lokale Maximale Waarden ter plaatse.