Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wijdemeren 2026

Gemeente Wijdemeren · geldt sinds 28 maart 2026

Aanhef

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijdemeren;

gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Wijdemeren 2020;

BESLUITEN:

vast te stellen de:

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Wijdemeren 2026

Het college besluit:

1De Beleidsregel maatschappelijke ondersteuning Wijdemeren 2026 met terugwerkende kracht vast te stellen vanaf 1 januari 2026;

2De Beleidsregel maatschappelijke ondersteuning Wijdemeren 2020 in te trekken;

3De nadere regels behorende bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning Wijdemeren2018 in te trekken;

4De bijgaande reactie op advies ASD-2026-1 vast te stellen en naar de Adviesraad Sociaal Domeinte sturen.

Hoofdstuk 2: Algemeen afwegingskader en criteria

2.6. Gebruikelijke Hulp

2.6.1. Intensieve gebruikelijke hulp

Bij gebruikelijke hulp wordt het als algemeen aanvaardbaar gezien om in kortdurende situaties intensieve hulp te verwachten van meerderjarige huisgenoten. Dat houdt in dat alle begeleiding, ook intensieve begeleiding van de inwoner door huisgenoten gebruikelijke hulp is als er sprake is van een kortdurende situatie. In een kortdurende situatie is sprake van uitzicht op een dusdanig herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de inwoner, dat Wmo-ondersteuning daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van drie maanden.

Hoofdstuk 3: Procedure

3.5. Onderzoek

3.5.1. Stappenplan

Wanneer na de melding verdere vraagverheldering of verdieping nodig blijkt te zijn, zal de Wmo consulent eerst een vooronderzoek doen naar de al beschikbare informatie binnen de gemeente. Daarna voert de Wmo consulent samen met cliënt het onderzoek uit, waaronder in beginsel een huisbezoek en gesprek. De consulent maakt hierbij gebruik van het brede gesprek.

In het onderzoek komen de punten genoemd in de artikelen 4, 5 en 6 van de verordening naar voren. Hierbij wordt ook het stappenplan van de Centrale Raad betrokken. Dit stappenplan is in meerdere uitspraken uiteengezet door de Centrale Raad. Daarbij moet het college vaststellen:

1Wat de hulpvraag is;

2Welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving;

3Welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving;

4Daarna worden de eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden;

5Tot slot moet worden onderzocht wat de mogelijkheden zijn van een individuele maatwerkvoorziening en de gevolgen daarvan.

Het onderzoek moet plaatsvinden tegen de achtergrond van de vraag welke maatwerkvoorziening leidt tot het behouden of het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie van de inwoner. Het onderzoek mag zich dus niet beperken tot alleen de door de inwoner gevraagde voorziening als duidelijk is dat er beperkingen zijn. Het onderzoek kan ook niet worden beperkt tot de afgewezen voorziening, maar moet gericht zijn op het vaststellen welke voorziening voor de inwoner wel is aan te merken als een compenserende voorziening.

Het aanvragen van een medisch advies - bij het door de gemeente gecontracteerde bureau voor sociaal medisch advies - kan onderdeel uitmaken van het onderzoek. Dit onderzoek vindt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken plaats. Een passing van een voorziening (bijvoorbeeld een rolstoel), een haalbaarheidstraining of het inmeten of een offerte opmaken door een woningaanpassingsbedrijf kan ook onderdeel uitmaken van het onderzoek.

Tijdens de periode van het onderzoek wordt samen met de inwoner, zijn ondersteuningsbehoefte(n) besproken. Inwoners waarmee zo’n gesprek wordt gevoerd, ontvangen daarna een verslag met daarin de uitkomsten van het onderzoek. Opmerkingen of aanvullingen van de inwoner worden aan het verslag toegevoegd.

3.5.2. Gesprek

Tijdens het gesprek is de situatie van de inwoner het uitgangspunt.

Daarbij is onder meer aandacht voor;

•de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

•de behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger(s) van de cliënt;

•welke eigen bijdrage voor de inwoner van toepassing is;

•de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB te ontvangen.

We gaan uit van iemands mogelijkheden in plaats van belemmeringen. Van belang is welke doelen de inwoner wil bereiken ter vergroting van de zelfredzaamheid, participatie etc.

Dit gesprek kan zowel bij de inwoner thuis als bijvoorbeeld telefonisch plaatsvinden. Huisbezoeken zijn geen vast onderdeel van het onderzoek en hiervan kan ook worden afgezien door de consulent. Zie ECLI:NL:CRVB:2024:1707. De Wmo consulent maakt een afweging of het voor het onderzoek nodig is dat een huisbezoek zal plaatsvinden. In het verslag wordt vermeld of het onderzoek telefonisch heeft plaatsgevonden of dat er een huisbezoek heeft plaatsgevonden.

3.5.3. Persoonlijk plan

De inwoner kan zijn ideeën over zijn behoeften, voorkeuren, maar ook zijn eigen mogelijkheden, mogelijkheden van ondersteuning door het sociale netwerk en aan welke vorm van ondersteuning behoefte is vanuit de gemeente in een persoonlijk plan beschrijven. Dat persoonlijk plan is het uitgangspunt voor en onderdeel van het onderzoek.

Hoofdstuk 4: Hulp bij het Huishouden

4.3. Taakvelden Hulp bij het Huishouden

4.3.1 Definitie schoon en leefbaar huis

Een schoon en leefbaar huis betekent dat het huis niet vervuilt, dat gezondheidsrisico’s worden voorkomen en dat periodiek wordt schoongemaakt om zo een algemeen aanvaardbaar basisniveau van schoon te realiseren. Dit betekent dat de inwoner gebruik moet kunnen maken van een schone woonkamer, ruimtes die als slaapvertrek in gebruik zijn (inclusief schoon beddengoed), de keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap, hierna aangeduid als de noodzakelijke ruimtes. De genoemde ruimtes dienen met enige regelmaat te worden schoongemaakt. Een schoon huis wil niet zeggen dat alle vertrekken wekelijks schoongemaakt moeten worden. Een leefbaar huis staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

Daarnaast gaat het om de ‘binnenkant’ van het huis. Onderhoud van de tuin, schuur, stoep vegen of de ramen aan de buitenkant schoonmaken vallen hier dus niet onder.

4.3.2. Kleding

Het doel van dit resultaat is de beschikking hebben over schoon linnen- en beddengoed en/of over schone kleding. Hier kan gebruik van worden gemaakt wanneer een persoon een belemmering heeft bij het op orde en schoon houden van het linnen- en/of beddengoed en kleding. De verzorging van de was zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied omvat het machinaal wassen, laten drogen en opvouwen van kleding en linnen- en beddengoed. Een voorliggende voorziening hiervoor is bijvoorbeeld een was- en strijkservice, maar ook strijkvrije kleding. Het taakveld strijken kan in de regel worden opgelost in de vorm van strijkvrije kleding en voorzieningen zoals de strijkservice. Strijken wordt daarom zonder medische noodzaak niet geïndiceerd.

4.3.3. Maaltijden

Onder maaltijdverzorging wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd, koffie en thee zetten of een warme maaltijd opwarmen. Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat wanneer nodig 1 keer per dag de (brood)maaltijd wordt klaargezet. Hierbij wordt dus niet maaltijdbereiding bedoeld, wel het opwarmen en aanreiken.

Maaltijdverzorging wordt alleen geïndiceerd wanneer de inwoner aantoonbaar niet in staat is om zelf een maaltijd op te warmen er geen hulp uit het sociale netwerk beschikbaar is.

Voorliggende voorzieningen bij Hulp bij het Huishouden zijn bijvoorbeeld de maaltijdservices Tafeltje-Dek-Je en Apetito. Daarbij dient ook betrokken te worden of de inwoner aanspraak kan maken op ondersteuning vanuit zijn/haar zorgverzekering.

4.3.4. Thuis zorgen voor kinderen

Het zorgen voor kinderen is een taak van ouder en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Elke ouder is zelf verantwoordelijk voor de opvang en (het organiseren van de noodzakelijke) verzorging van zijn of haar kinderen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van een van de ouders de andere ouder deze zorg of het aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt.

Op grond van gebruikelijke zorg hoeft het college niet te compenseren. Het college ondersteunt alleen als ouders door acuut ontstane problemen niet in staat zijn de zorg voor kinderen zelf op te vangen. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een definitieve oplossing. Een indicatie wordt afgegeven om ouder(s) of verzorger(s) de mogelijkheid te bieden in een oplossing te voorzien. Van ouders mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij moet ook betrokken worden of de inwoner aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo. De zorg voor kinderen omvat onder andere het wassen, douchen, aankleden, verschonen van luiers en het voeden van baby's. Maar bijvoorbeeld ook meer tijd voor huishoudelijke taken, afstemmen met andere hulp/informele zorg en afstemming/sociaal contact. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat. Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Zijn er algemene, collectieve of overige voorzieningen aanwezig die tot het gewenste resultaat kunnen leiden? Of kan de inwoner op eigen kracht, of met behulp van de mensen om hem heen zorgen voor de kinderen?

Voor de nadere tijdsaanduiding met betrekking tot de verzorging van kinderen hanteert de gemeente Wijdemeren de volgende tabel met richttijden (Richtlijn Hulp bij het Huishouden 2011 van de MO Zaak):

Verzorging en/of tijdelijke opvang van kinderen

Naar bed brengen / uit bed halen 10 minuten per keer per kind

Wassen en kleden 30 minuten per dag per kind

Eten en/of drinken geven 20 minuten per broodmaaltijd

25minuten per warme maaltijd

Babyvoeding: flesje 20 minuten per keer per kind

Luier verschonen 10 minuten per keer per kind

Naar school / crèche brengen / halen 15 minuten per keer per gezin

Factoren meer hulp

Indien opvang noodzakelijk is Tot 40 uur per week

Bijzonderheden

Maximale duur voor tijdelijke opvang is 3 maanden. Zorgverlof, kinderopvang etc. is voorliggend. In bijzondere situaties is verlenging mogelijk.

4.3.5. Organisatie huishouden

Ondersteuning bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt ingezet wanneer de inwoner niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. Daarnaast is het mogelijk dat de hulp op tijdelijke basis, praktisch vaardigheden in het huishouden aanleert aan de inwoner. Behalve dat er mogelijk huishoudelijke taken moeten worden overgenomen, heeft de hulp, aansturende en regietaken. Daarbij geldt voor de hulp een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij betrokkene. Ook kan ondersteuning voor een kortere periode bestaan uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden.

4.4. Gebruikelijke Hulp bij het huishouden

4.4.1. Gebruikelijke hulp door jonge huisgenoten

De richtlijnen zijn gebaseerd op een onafhankelijk onderzoek dat uitgevoerd is door KPMG Plexus en Bureau HHM. Voor het hanteren van de leeftijdsgrens van 13 jaar is aansluiting gezocht bij Richtlijn Hulp bij het Huishouden 2011 van de MO Zaak.

Er wordt van zowel volwassen als jonge huisgenoten een bijdrage verlangd in het huishouden. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met de ontwikkelingsfase van kinderen.

Voor gezonde jonge huisgenoten geldt:

-Huisgenoten tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden;

-Huisgenoten van 5 tot en met 12 jaar worden naar eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden (zoals: opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen en kleding in de wasmand gooien);

-Huisgenoten van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden. (zoals: opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, een boodschap doen, kleding in de wasmand gooien en hun eigen kamer op orde houden. (rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen).

Hoofdstuk 5: Persoonsgebonden budget (PGB)

5.4. Voorwaarden

5.4.1. Voldoende in staat de PGB-taken uit te voeren

Deze voorwaarde gaat allereerst om de bekwaamheid van de inwoner die het pgb aanvraagt. De inwoner moet duidelijk maken dat hij zelf, of met hulp van een PGB-beheerder of vertegenwoordiger in staat is een pgb te beheren. De inwoner of de PGB-beheerder moet in het geval van een dienstverlenende voorziening bijvoorbeeld in staat zijn om onder andere de volgende taken uit te voeren:

•het kiezen van een zorgverlener die de gevraagde ondersteuning kan bieden;

•het aangaan van een contract met de zorgverlener;

•het aansturen van de zorgverlener; en,

•het bijhouden van een juiste administratie (hieronder valt ook het overleggen van een zorgovereenkomst aan de SVB, voordat de SVB over kan gaan tot betaling aan de zorgverlener).

De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de inwoner en/of met de pgb-beheerder getoetst. Het oordeel van de gemeente is hierin echter leidend. Mocht de gemeente van mening zijn, dat de inwoner niet in staat is om de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren, dan kan de gemeente het pgb weigeren.

Ook de PGB-beheerder moet voldoende in staat zijn om de PGB-taken uit te voeren. De gemeente bekijkt bijvoorbeeld of er sprake is van belangenverstrengeling tussen degene die de zorg op basis van de PGB gaat leveren en de PGB-beheerder. Wanneer hier sprake van is kan de gemeente het PGB weigeren. (Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2024:1557 of CRVB:2019:2803). (Zie ook hoofdstuk 5.5.)

5.4.2. Motivering door de aanvrager door middel van een persoonlijk plan

De tweede voorwaarde houdt in dat de inwoner moet motiveren dat hij de maatwerkvoorziening als PGB geleverd wenst te krijgen. Met de argumentatie moet duidelijk worden dat de aanvrager zich voldoende heeft georiënteerd op de voorziening in natura en de verantwoordelijkheden die bij een pgb horen. Het is niet nodig dat de inwoner motiveert waarom de maatwerkvoorziening in natura niet passend is. Wel moet worden gemotiveerd waarom de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB passend is.

Dit kan gemotiveerd worden door middel van een persoonlijk plan. In het plan kan worden aangegeven hoe de verstrekking van een PGB leidt tot betere, effectievere en doelmatige ondersteuning. Door het opstellen van een persoonlijk plan wordt de inwoner gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren. Het persoonlijk plan kan de inwoner zelf of met behulp van de onafhankelijk cliëntondersteuner opstellen. De gemeente beoordeelt of dit plan voldoet. In het persoonlijk plan geeft de aanvrager aan:

•waar hij de ondersteuning gaat inkopen;

•op welke manier deze ondersteuning bijdraag aan de participatie en zelfredzaamheid;

•hoe de veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid van de ondersteuning is gewaarborgd; en

•hoe de continuïteit van de ondersteuning bij ziekte of andere uitval wordt gegarandeerd.

•Wanneer sprake is van ondersteuning uit het sociaal netwerk motiveert de aanvrager ook waarom de zorgverlener capabel is om de ondersteuning te bieden.

Als er geen persoonlijk plan is ingeleverd dient het gespreksverslag als persoonlijk plan.

Wanneer sprake is van dienstverlening bij de voorziening waarvoor een PGB wordt gevraagd, moet de inwoner een zorgovereenkomst aanleveren bij de SVB. Om de inwoner te ondersteunen, controleert de gemeente of alle stukken aanwezig zijn voordat de inwoner dit naar de SVB opstuurt.

5.4.3. Waarborging kwaliteit van de dienstverlening

De derde voorwaarde houdt in dat de kwaliteit van de ondersteuning die wordt ingekocht, gewaarborgd moet zijn. De inwoner of zijn PGB-beheerder hebben zelf de regie over de voorziening die wordt ingekocht. Daarmee krijgt de inwoner (of de PGB-beheerder) de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan hij deze zo nodig bijsturen.

De kwaliteitseisen die gelden voor de ingekochte ondersteuning in natura kunnen niet 1 op 1 toegepast worden op het PGB. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt mee of diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het PGB wordt verstrekt. De aanvrager kan dit inzichtelijk maken in het persoonlijk plan. Hiermee kan dus vooraf getoetst worden of de doeltreffendheid en cliëntgerichtheid van de ondersteuning geleverd kan worden. De veiligheid van de ondersteuning wordt getoetst door middel van de veiligheidstoets.. Hierbij weegt de vraag mee of de hulpverlener de ondersteuning zal/kan bieden die de inwoner in zijn concrete situatie nodig heeft. Zie ECLI:NL:CRVB:2025:1045.

Wanneer de maatwerkvoorziening in de vorm van een PGB wordt verstrekt, wordt op grond van artikel 10 van de verordening in de beschikking opgenomen welke kwaliteitseisen gelden. Zie ook artikel 19 van de verordening.

Verklaring Omtrent Gedrag (hierna: VOG)

Een aanbieder moet op grond van artikel 3.5 van de wet voor beroepskrachten een VOG over kunnen leggen. Dit geldt ook voor een aanbieder die een solistisch werkende natuurlijke persoon is. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een ZZP-er. Ook bij de inzet van professionele hulpverlening door middel van een PGB moet een VOG kunnen worden overgelegd. Ook bij de inzet van niet-professionele hulpverlening kan een VOG opgevraagd worden. De aanvraag en bekostiging van de VOG is de verantwoordelijkheid van de (professionele) hulpverlener.

5.4.4. Programma van eisen

Bij een maatwerkvoorziening waarbij sprake is van dienstverlening, en de inwoner dit in de vorm van een PGB ontvangt, krijgt de inwoner na indicatie bij de beschikking een Programma van Eisen (hierna: PvE) waar de voorziening aan moet voldoen. De inwoner kan op basis van dit programma van eisen zelf de voorziening aanschaffen. Als de inwoner een andere voorziening wil, kan hij daarvoor kiezen onder de voorwaarde dat de voorziening geen (andere) belemmeringen oproept. De voorziening die de inwoner aanschaft moet wel de beperking op hetzelfde niveau compenseren als in het programma van eisen wordt gesteld en niet slechts een deel van het probleem oplossen.

Hoofdstuk 7: Voorzieningen

7.1 Rolstoelvoorzieningen

7.1.1 PGB Rolstoelvoorziening

In het geval van verstrekking van een rolstoelvoorziening in de vorm van een PGB zijn de kosten van onderhoud, reparatie, service en verzekering meegenomen bij de vaststelling van de omvang van het PGB. De gebruiker zelf dient er daarom voor te zorgen dat de rolstoelvoorziening WA-verzekerd en, wanneer noodzakelijk, anderszins voldoende verzekerd is. Zie ook artikel 11 van de verordening.

7.3. Woonvoorzieningen

7.3.1. Algemeen gebruikelijke woonvoorzieningen

Een aantal woonvoorzieningen zijn algemeen gebruikelijk en vallen daarom onder de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner. Wat onder algemeen gebruikelijk wordt verstaan is uitgelegd in hoofdstuk 2.9. Het gaat om voorzieningen die niet speciaal bedoeld zijn voor iemand met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar zijn op de markt, een passende bijdrage leveren aan zelfredzaamheid of participatie en financieel gedragen kan worden door iemand met een inkomen op minimumniveau.

Voorbeelden van wat als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd zijn:

•Verhoogde toiletpot;

•Eenvoudige wandbeugels (handgrepen);

•Hendelmengkranen en thermostaatkranen;

•Antislipbehandeling badkamervloer;

•Eenvoudige douchestoelen;

•Tweede toilet;

•Centrale verwarming;

•Meterkast met meerdere groepen

•Elektrische aansluiting in berging ten behoeve van opladen scootmobiel, driewielfiets met trapondersteuning of elektrische rolstoel;

•Kleine drempeloplopen tot 3 cm;

•Tweede trapleuning.

Verder mag worden verwacht dat mensen tijdig maatregelen treffen om de woning te kunnen blijven gebruiken. Ook al worden ze ouder of neemt de beperking toe. Bijvoorbeeld door compenserende vervanging van het sanitair of, bij het leggen van nieuwe vloeren, door het verwijderen van drempels. Dit is ook uitgelegd in hoofdstuk 2.11.

Tijdens het onderzoek wordt daarom afgewogen of de aanpassing voorzienbaar was en het tot iemands eigen verantwoordelijkheid gerekend kan worden hierin te voorzien: b.v. een ouder iemand vernieuwt de badkamer en zorgt niet voor een compenserende douche.

Daarnaast is natuurlijk onderdeel van het onderzoek of de gevraagde voorzieningen de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie verminderen. Een algehele renovatie van bijvoorbeeld de badkamer draagt over het algemeen niet bij aan het verminderen van de beperkingen. Het vervangen van een ligbad door een inloopdouche kan hieraan wel bijdragen. Dit kan betekenen dat bijv. alleen het bad en de daaraan grenzende tegels vervangen zullen worden wanneer vanwege beperkingen een inloopdouche moet worden geplaatst. Het deel van de badkamer dat nog wel voldoet zal in dat geval niet worden vervangen. Ook niet wanneer de nieuwe en de oude tegels niet bij elkaar passen of de tegels en de overige apparatuur in de badkamer verouderd is. Tot slot blijft altijd de afweging wat de goedkoopst adequate oplossing is. Dit kan ook verhuizen zijn. Zie artikel 8 lid 8 en 11 lid 6 van de verordening.

7.3.2. Normaal gebruik van de woning

Uit jurisprudentie blijkt dat een woningaanpassing als doel heeft normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan: het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, koken, slapen en lichaamsreiniging). Daarnaast kunnen onder omstandigheden het verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, zoals bijvoorbeeld het doen van de was, en de toegankelijkheid van de woning hier ook onder vallen.

Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden.

7.3.3. Bezoekbaar maken van de woning

Bezoekbaar houdt in dat de inwoner toegang heeft tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en toegang heeft tot het toilet. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken. Wanneer de inwoner in een WLZ-instelling woont kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar gemaakt worden.

Daarnaast kan de woning van inwoners die te maken hebben met co-ouderschap bezoekbaar worden gemaakt, ongeacht waar het kind is ingeschreven. Bij verblijf onder de 18 jaar bij één van de co-ouders, dient er een ouderschapsplan te worden aangeleverd.

7.3.4. Woningsanering

Wanneer sprake is van aantoonbare beperkingen ten gevolge van COPD, astma of allergie (zolang de allergie niet voortvloeit uit de aard van de gebruikte materialen in de woning of de bouwtechnische staat van de woning) waardoor vervanging van vloerbedekking of gordijnen noodzakelijk is kan hiervoor (onder voorwaarden) een financiële tegemoetkoming worden verstrekt.

Toelichting; Het opheffen van allergene factoren of andere problemen die hun oorzaak vinden in de aard van de in de woning gebruikte materialen valt niet onder de werking van de Wmo verordening. Dit ziet immers niet op de zelfredzaamheid of de participatie van de inwoner. Ook wordt geen woonvoorziening verstrekt als de klachten die de inwoner ervaart voortvloeien uit overgevoeligheid voor deze materialen. Een uitzondering hierop is mogelijk als er sprake is van niet voorziene onverwacht optredende meerkosten waarvoor de inwoner niet heeft kunnen reserveren. Een voorbeeld hiervan is dat uit een medisch onderzoek plotseling blijkt dat de inwoner allergisch is voor huisstofmijt waardoor zijn woning gesaneerd moet worden.

Beperkingen die het gevolg zijn van achterstallig onderhoud zoals bijvoorbeeld vocht en tocht komen in principe ook niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De woningeigenaar is verplicht het grotere onderhoud uit te voeren.

7.3.5. Grote woningaanpassingen versus verhuizen

In de Wmo wordt de nadruk voor alle soorten aanvragen gelegd bij het onderzoek naar de persoonskenmerken, zijn sociale omgeving en de mate waarin de aanvrager de noodzaak tot hulp of voorzieningen had kunnen voorzien. Als uiteindelijk een maatwerkvoorziening nodig is (dat kunnen woningaanpassingen zijn) wordt - onveranderd- de goedkoopst adequate voorziening verstrekt. Bij met name grote woningaanpassingen wordt dus nog steeds de afweging gemaakt of dit de goedkoopst adequate oplossing is. Soms kan dit betekenen dat verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is. Zie ook artikel 8 lid 8 en 11 lid 6 van de verordening.

Als geadviseerd wordt om te verhuizen kan eventueel – wanneer nodig- ondersteuning worden geboden bij het vinden van geschikte woonruimte. Deze mogelijkheden tot ondersteuning zijn zeer beperkt omdat de gemeente geen invloed heeft op de woningmarkt, maar kunnen bestaan uit plaatsing op de lijst voor vrijkomende rolstoelwoning of hulp door een cliëntenondersteuner bij het zoeken op WoningNet of Funda.

In hoofdstuk 2.11 is al ingegaan op de voorzienbaarheid en de vermijdbaarheid van de noodzaak tot ondersteuning. Dit is op alle maatwerkvoorzieningen van toepassing. Dus ook bij woningaanpassingen. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer iemand verhuist naar een woning waarvan bij verhuizing duidelijk is dat deze niet geschikt is voor de inwoner of zijn huisgenoten men niet in aanmerking komt voor woningaanpassingen.

Hoofdstuk 9: Begeleiding, Behandeling en kortdurend verblijf

9.5. Omvang Begeleiding groep

9.5.1. Vervoer bij Dagbesteding

Bij een indicatie voor Begeleiding Groep wordt ook onderzocht of de cliënt in staat is om de locatie van de dagbesteding te bereiken. Wanneer een cliënt in staat is met het openbaar vervoer te reizen (eventueel na oefenen onder begeleiding) of met de fiets of een ander vervoermiddel zelfstandig (of onder begeleiding van mantelzorg of vrijwilliger, indien beschikbaar) de dagbesteding kan bereiken dan is dat uiteraard voorliggend. Wanneer dit niet mogelijk is wordt vervoer van en naar de dagbesteding geïndiceerd. We onderscheiden daarbij vervoer ‘basis’ en vervoer ‘rolstoel’. De meeste aanbieders van dagbesteding hebben afspraken met vervoersbedrijven die de cliënt van huis of bij een vast verzamelpunt ophalen en naar de dagbesteding brengen en halen (zie ook 8.2).

9.7. Kortdurend verblijf of respijtzorg

9.7.1. Omvang kortdurend verblijf

De omvang van kortdurend verblijf is max. 72 uur per verblijf en voor 4 keer per jaar in te zetten. Afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de cliënt kan hierop in overleg met de consulent worden afgeweken.

9.8. PGB bij Begeleiding individueel, dagbesteding en kortdurend verblijf

9.8.1. Hoogte PGB-bedrag Begeleiding

Een PGB moet toereikend zijn om de benodigde ondersteuning in te kopen. In uitzonderlijke gevallen kan dan ook beargumenteerd worden afgeweken van de vastgestelde tarieven en percentages tot maximaal 100% van het ZIN-tarief. Deze tarieven worden binnen de regio Gooi en Vechtreek vastgesteld.

Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij begeleiding voor zeldzame aandoeningen of beperkingen. Het gaat om uitzonderlijke gevallen en er moet goed worden beargumenteerd waarom van het gestelde tarief wordt afgeweken. Het tarief kan echter nooit hoger zijn dan het tarief voor zorg in natura. Inwoners kunnen eventueel zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste voorziening duurder is dan het tarief voor zorg in natura.

Bijlage 1: Richttijden per deeltaak

Onderstaande tabel laat zien wat de richttijden en frequenties zijn per deeltaak. De gemeente gebruikt deze richttijden om tot een objectiveerbare indicatie te komen. Op basis van het onderzoek wordt bepaald welke deeltaken vanuit de wet moeten worden gecompenseerd, de frequentie waarin deze moeten worden uitgevoerd en de tijdsinzet per deeltaak. Aan de hand hiervan wordt het budget per vier weken bepaalt.

Zwaar huishoudelijk werk

Deeltaak

Gemiddelde frequentie

Min p/w

Afwijken bij

toelichting

Stofzuigen

Woonkamer inclusief hal/gang, keuken, toilet en 1 slaapkamer.

1xp.w.

20

+ 5 bij elke vaste trap

+ 5 voor elke extra (slaap)kamer die in gebruik is door bewoners

+ 10 hulphond

Slaapkamer of hobbykamer in gebruik door bewoners, logeerkamers worden niet meegerekend.

Sanitair (badkamer / toilet)

Inclusief dweilen

1xp.w.

30

+ 10 bij specifieke aandoeningen (bv. stoma, thuisdialyse, chemo, PG)

Keuken, inclusief dweilen

1xp.w.

15

Bed verschonen

1x2 weken,

10minuten

5

-5 als persoonlijke verzorging bed dit overneemt

+ 5 bij incontinentie + 5 voor elk extra bed wat in gebruik is door bewoners

Ongeacht één of tweepersoonsbed, bepaald op basis van het KMPG onderzoek Utrecht.

Als continentiemateriaal niet toereikend is

Dweilen van overige ruimtes (indien nodig)

10

Ramen wassen (binnen) Inclusief raambekleding

1xper 6 weken, 60 minuten

10

Het wassen van de ramen aan de buitenkant valt niet onder de Huishoudelijke Hulp binnen de Wmo 2015. De inwoner kan hiervoor een glazenwasser inschakelen..

Licht huishoudelijk werk

Deeltaak

Gemiddelde frequentie

Min p/w

Afwijken bij toelichting

Stof afnemen nat en/of droog

1xp.w.

20

+5 bij elke vaste trap

+5 voor elke extra (slaap)kamer die in gebruik is door bewoners

+ 10 hulphond

Slaapkamer of hobbykamer in gebruik door bewoners, logeerkamers worden niet meegerekend.

Opruimen

1xp.w

20

Minderen als leefeenheid dit volledig of gedeeltelijk zelf doet.

Afwassen

10

Minder factor: indicatie maaltijd klaarzetten/opwarmen/ bereiden

Vaatwasser of afwassen kost ongeveer net zoveel tijd.

Bezoek kan eigen vaat afwassen.

Wassen en strijken

Deeltaak

Gemiddelde frequentie

Min p/w

Afwijken bij

toelichting

Sorteren + inladen

1xp.w.

5

+ 5 bij 2 persoons huishouden

Ophangen / in droger doen

1xp.w.

10

+ 5 bij 2 persoons huishouden

Was afhalen/vouwen / opbergen

1xp.w

15

+ 5 bij 2 persoons huishouden

Strijken

1xp.w

15

+ 5 bij 2 persoons huishouden

+15 wanneer er een medische noodzaak is voor strijken onderkleding/ bed- en linnengoed.

Alleen bovenkleding

Ophogen tijd

+ 20 bij elk kind

+ 20 bij ernstige incontinentie

+ 20 bij bedlegerigheid

Normtijd halveren als alleen beddengoed/linnengoed overgenomen wordt

Deze meer/minder factoren gelden over de hele indicatie wasverzorging en niet per deeltaak

Boodschappen

Deeltaak

Gemiddelde frequentie

Min p/w

Afwijken bij

toelichting

Lijstje maken en bestellen

1xp.w.

10

De boodschappendienst is als algemene voorziening beschikbaar voor de meeste inwoners. Indien nodig kan de hulp helpen bij de bestelling.

Boodschappen doen

1xp.w.

20

+10 reistijd naar dichtstbijzijnde winkel > 2km +10 per extra persoon

Boodschappen opruimen

1xp.w

10

Maaltijden

Deeltaak

Gemiddelde frequentie

Min p/w

Afwijken bij

toelichting

Broodmaaltijd

1xper dag

15

Tijd verdubbelen als de inwoner het de lunch niet zelf uit de koelkast kan halen.

Voor dagen dat de maaltijd door mantelzorger/bezoek kan worden verzorgt geen tijd indiceren.

Lunch kan tegelijk met ontbijt worden klaargemaakt en in koelkast worden gezet.

Warme maaltijd opwarmen.

1xper dag

15

Koken

1xper dag

30

10minuten extra bij meer dan 4 gezinsleden

10minuten extra bij gezinnen met kinderen jonger dan 4 jaar.

Het opwarmen van de maaltijd is in de meeste gevallen de goedkoopst passende oplossing.

Algemeen

Deeltaak

Gemiddelde frequentie

Min p/w

Afwijken bij

toelichting

Plannen over te nemen taken, taakverdeling maken bij samen opwerken

1xp.w

10

Ernstige gedragsproblemen of communicatieproblemen als gevolg van beperkingen kunnen aanleiding zijn om extra tijd te indiceren.

Instructie en advies

30

Samen activiteiten uitvoeren, resultaat binnen 6 weken bereiken.

Check houdbaarheid levensmiddelen

1xp.w

10

Indirecte tijd

1xp.w

10

Het standaard toekennen van indirecte tijd is overgenomen uit het KPMG rapport dat in opdracht van de gemeente Utrecht is uitgevoerd. De omvang van de directe tijd is lokaal bepaald. Hierbij is rekening gehouden met het feit dat op onderdelen al extra tijd wordt toegekend (maatwerk).

Overige ruimtes

5

Er wordt maximaal 20 min per periode van vier weken toegekend om vervuiling van de ruimtes die niet frequent worden schoongemaakt te voorkomen.

Kind verzorging

Zie hoofdstuk 4.3.4.

Bijlage 2: Richtlijnen normering begeleiding

RESULTAATGEBIED

LICHT

MATIG

ZWAAR

Persoonlijk en sociaal functioneren

● Aanbrengen van structuur

● Oefenen van taken

● Aansturen gedrag

● Het hebben van zelfvertrouwen en positief zelfbeeld

● Vragen om hulp

● Hebben en onderhouden van een gezond netwerk

● Vermijden van schadelijke contacten.

● Verslaving (controle, houden aan afspraken)

Cliënt heeft een beperkt zelfbeeld

Cliënt is beperkt in staat om zelf structuur aan te brengen en zijn sociaal netwerk te onderhouden. Ondersteuning bij contact met instanties is wenselijk Eventueel aanleren van praktische vaardigheden is wenselijk

Cliënt heeft een beperkt (soms negatief) zelfbeeld

Cliënt is onvoldoende in staat om zelf structuur aan te brengen

Cliënt heeft een beperkt sociaal netwerk en is niet in staat om dit te onderhouden

Ondersteuning/aanleren en deels overnemen van praktische vaardigheden is noodzakelijk

Cliënt heeft geen realistisch zelfbeeld

Cliënt is niet in staat om zelf structuur aan te brengen

Vaste controle momenten en deels overname van taken is noodzakelijk. Cliënt heeft beperkt tot geen sociaal netwerk

Isolement, opname dreigt

Een keer per week

45tot 60 min

Twee tot drie keer per week

60tot 120 min

> drie keer per week 120 tot 300 min

Ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden

● Schoon en leefbaar huis

● Thuis zorgen voor minderjarige kinderen uit het gezin

● Het voeren van regie over het huishouden

● Aanleren van vaardigheden

● Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding

Cliënt heeft aansturing nodig maar is in staat om taken uit te voeren

Cliënt heeft aansturing nodig en problemen om taken uit te voeren

Er is sprake van een (dreigend) ontregeld huishouden Client heeft geen of beperkt inzicht in taken

Blijvende aansturing en of activering is noodzakelijk om functioneren te behouden

Een keer per week 30 tot 45 min per week

Een tot twee keer per week

45tot 60 min per week

Meerder keren per week

60tot 90 min per week

Financiën

● Op orde brengen financiële administratie (o.a. oplossen van schulden)

● Stabilisatie

● Ondersteuning bij inzet/ onderhoud inkomensondersteunende voorzieningen

Client heeft geen schulden. Er zijn lichte problemen m.b.t. onderhouden administratie en financiën Client kan zelf om hulp vragen

Client heeft schulden

Er zijn meerdere problemen (o.a. schuldeisers, huisvesting, misbruik vrienden en familie)

Eventueel toeleiding naar SDV of beschermingsbewind of budgetbeheer wordt overwogen

Client heeft schulden

Er zijn grote problemen (administratieve wanorde, problematische schulden, vrienden en familie)

Zelfredzaamheid (ook op termijn) wordt problematisch

Toeleiding naar stabilisatie en SDV is noodzakelijk

Een keer per week/twee weken

30tot 60 min per week

Een keer per week 60 tot 120 min per week

120tot 180 min per week

Kortdurend 2 tot 3 maanden

RESULTAATGEBIED

LICHT

MATIG

ZWAAR

Ondersteuning bij gezondheid en zelfzorg

● Aansturen van de persoonlijke verzorging

● Nakomen van afspraken

● Hulp bij de dagelijkse lichamelijke verzorging

Client heeft aansturing en eventueel motivatie nodig bij de persoonlijke verzorging

Daarnaast is controle op afspraken nodig

Eventueel toezicht medicatie

Client heeft regelmatig aansturing en toezicht nodig in de zelfzorg Het overnemen van verantwoordelijkheden

Controle op afspraken

Toezicht/controle medicatie

Er is sprake van verwaarlozing Client heeft intensieve ondersteuning is nodig

Veelal dienen activiteiten op het gebied van zelfzorg ook daadwerkelijk overgenomen te worden

Maximaal twee keer per week

30tot 60 min

Drie tot vier keer per week

60tot 120 min

Meerdere keren per week

Dagbesteding

*vervoer bij dagbesteding

● Dagbesteding gericht op:

-structureren van de dag, praktische ondersteuning

-ontwikkelen van vaardigheden t.b.v. persoonlijk functioneren en de zelfredzaamheid

● Arbeidsmatige dagbesteding

-zinvolle dagbesteding gericht op praktische ondersteuning, ontwikkelen van vaardigheden

Client heeft een netwerk (bestaande uit familie, vrienden, buren of door deelname aan algemene voorzieningen), maar dit netwerk is overbelast en heeft onvoldoende mogelijkheden voor compenserende ondersteuning

Client heeft matige tot ernstige beperkingen met betrekking tot het deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag

Cliënt heeft veelal behoefte vaste afspraken en structuur, Cliënt is niet in staat om gedurende een hele week deel te nemen aan dagbesteding

Zie ook bij matig, echter;

Cliënt is in staat om dagelijks deel te nemen aan dagbesteding Dagelijkse structuur voorkomt ontregeling Mogelijke ondersteuning voor opstap naar doorontwikkeling van arbeidsmatige vaardigheden

Maximaal vier dagdelen

Vier tot vijf dagdelen

Meer dan vijf dagdelen

Wonen en huisvesting

Cliënten zijn in staat om zelfstandig een woning te bewonen. Er is sprake van lichte problematiek

m.b.t. onderhoud en verzorging van de woning en/of veiligheid Toezicht op gezette tijden is noodzakelijk

Betreft begeleid wonen

Cliënten zijn niet in staat zelfstandig een woning te bewonen vanwege de eigen beperkingen

Er is sprake van problematiek op meerdere leefgebieden

Er moet toereikend en adequaat toezicht aanwezig zijn

Betreft beschermd wonen

Er is sprake van de aanwezigheid van 24 uurs adequaat en toereikend toezicht

Maximaal één keer per week

30tot 50 min

n.v.t

n.v.t

*Vervoer bij dagbesteding

Er dient tevens een indicatie voor vervoer afgegeven worden als dit noodzakelijk is voor de cliënt om de dagbesteding te kunnen bereiken. Als er sprake is van een indicatie voor dagbesteding gecombineerd met een indicatie voor vervoer, dient de zorgaanbieder dit vervoer voor de cliënt te regelen. Zorgaanbieders krijgen per gerealiseerde aanwezigheidsdag een vergoeding als sprake is van een indicatie met vervoer van en naar de dagbesteding. Afhankelijk van de situatie van de cliënt kan een indicatie afgegeven worden voor ambulant of rolstoel vervoer.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.