Aanhef
Samenvatting
De uitvoerings- en handhavingsstrategie Fryslân 2025-2028 is de gezamenlijke uitvoerings- en handhavingsstrategie van de deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO) en beschrijft de uniforme uitvoering van de basistaken die de FUMO uitvoert. De uitvoerings- en handhavingsstrategie is uitvoeringsgericht beleid. Het beschrijft op welke wijze de gemeenten en provincie uitvoering willen geven aan de meer strategische ambities.
Strategische doelstellingen
Met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, hanteren de deelnemers van de FUMO de volgende gezamenlijke strategische doelstellingen voor de uitvoering van de basistaken :
•Bedrijven opereren veilig, duurzaam en schoon;
•Ondermijnende activiteiten zijn zoveel mogelijk in zicht;
•Een veilige fysieke leefomgeving waarin de risico’s op een aanvaardbaar niveau liggen;
•Luchtkwaliteit in Fryslân (gezondheid) blijft minimaal op het huidige niveau;
•Ernstige verontreinigingen in de bodem worden in eerste instantie voorkomen en anders zoveel als mogelijk beperkt en/of ongedaan gemaakt; we zorgen dat kwaliteit van bodem en water niet verslechtert;
•De mate van hinder van geluid, geur en licht, ligt op een aanvaardbaar niveau;
•Kernen en het platteland blijven vitaal, leefbaar en bereikbaar;
•Stortplaatsen worden goed beheerd, zodat geen nadelige gevolgen voor de omgeving ontstaan;
•Uitstoot van stikstof, fosfaat en overige stoffen die schadelijk zijn voor kwetsbare natuurgebieden neemt af;
•Fryslân wordt klimaatbestendig ingericht en streeft ernaar energieneutraal te worden;
•Fryske economie wordt vergroend en meer circulair gemaakt, met extra aandacht voor hergebruik van grondstoffen.
Bovengenoemde strategische doelstellingen zijn een onderdeel van een sluitende beleidscyclus. Zij zijn in paragraaf 2.1.1 vertaald naar operationele doelstellingen en in bijlage 2 geconcretiseerd in indicatoren en normen. In het jaarverslag van de FUMO wordt jaarlijks verantwoording over de realisatie afgelegd.
Uitgangspunten
De algemene uitgangspunten bij de uitvoering en handhaving van de basistaken zijn:
1Aansluiting bij de strategische doelen van de gemeenten en de provincie.
2Ontwikkelen van outcome-gericht werken.
3Risicogericht werken.
4Impuls voor ketentoezicht.
5Deelnemers en FUMO werken samen vanuit een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.
6Intensieve samenwerking tussen ketenpartners.
7Kwaliteitsborging.
8Datakwaliteit en informatievoorziening.
In paragraaf 2.1 worden deze uitgangspunten nader beschreven.
Randvoorwaarden
De belangrijke randvoorwaarden voor de uitvoering van de basistaken zijn:
1Uitvoering van basistaken vindt plaats binnen de financiële kaders die de deelnemers in de jaarlijkse begroting beschikbaar stellen (zie paragraaf 3.4);
2Uitvoering van basistaken vindt plaats met de beschikbare formatie/bezetting bij de FUMO in het betreffende jaar (zie paragraaf 3.4);
3De jaarlijkse begroting komt tot stand op basis van de financieringssystematiek. Dit sluit niet uit dat er bij de uitvoering van werkzaamheden flexibiliteit mogelijk is om, indien de deelnemers hier (samen met de FUMO) aanleiding voor zien, deze begrote werkzaamheden op een andere wijze invulling te geven (zie paragraaf 3.4);
4Nieuwe of aangepaste wettelijke kaders of nieuw beleid wordt meegenomen met de kadernota van de FUMO zodat er een keer per jaar (bij het opstellen van het uitvoeringsprogramma) een integrale bestuurlijke afweging plaatsvindt. Uitgangspunt is dat bij nieuwe ontwikkelingen ook gekeken wordt waar besparingen (van inzet en middelen) kunnen worden gerealiseerd (zie paragraaf 1.3).
Doorwerking van het beleid
Operationeel beleid is uitgewerkt in enkele deelstrategieën (zie hoofdstuk 4 tot en met 9). Dit betreft: de preventiestrategie, de reguleringsstrategie, de toezichtstrategie, en de handhavingsstrategie (die bestaat uit de sanctiestrategie en de gedoogstrategie). Deze strategieën weergeven de uitwerking op hoofdlijnen van de werkwijze van de werkzaamheden door de FUMO. Jaarlijks vindt een uitwerking van de werkzaamheden in het uitvoeringsprogramma plaats.
2 Gezamenlijke uitgangspunten en doelstellingen
2.2 Aansluiting bij de strategische doelen van de gemeenten en de provincie.
2.2.1 Strategische doelen
Uit de Omgevingsvisies van de deelnemers van de FUMO (peilmoment: januari 2024) zijn gezamenlijke strategische doelen gedestilleerd. Dit zijn de strategische doelstellingen waarover eenduidigheid is geconstateerd. Hierbij is tevens rekening gehouden met congruentie met de uitvoerings- en handhavingsstrategieën van de deelnemers voor de niet-basistaken. Dit leidt tot de volgende gedeelde strategische doelen , geordend naar de categorisering uit artikel 1.3 van de Omgevingswet.
Algemeen:
•Bedrijven opereren veilig, duurzaam en schoon;
•Ondermijnende activiteiten zijn zoveel mogelijk in zicht;
Veiligheid:
•Een veilige fysieke leefomgeving waarin de risico’s op een aanvaardbaar niveau liggen;
Gezondheid:
•Luchtkwaliteit in Fryslân (gezondheid) blijft minimaal op het huidig niveau;
•Ernstige verontreinigingen in de bodem worden in eerste instantie voorkomen en anders zoveel als mogelijk beperkt en/of ongedaan gemaakt; we zorgen dat kwaliteit van bodem en water niet verslechtert;
•De mate van hinder van geluid, geur en licht, ligt op een aanvaardbaar niveau;
Omgevingskwaliteit:
•Kernen en het platteland blijven vitaal, leefbaar en bereikbaar;
•Stortplaatsen worden goed beheerd, zodat geen nadelige gevolgen voor de omgeving ontstaan;
Waarde van de natuur:
•Uitstoot van stikstof, fosfaat en overige stoffen die schadelijk zijn voor kwetsbare natuurgebieden neemt af;
Vervulling van maatschappelijke behoeften:
•Fryslân wordt klimaatbestendig ingericht en streeft ernaar energieneutraal te worden;
•Fryske economie wordt vergroend en meer circulair gemaakt, met extra aandacht voor hergebruik van grondstoffen.
2.2.2 Operationele doelstellingen
In lijn met deze strategische doelen is gekomen tot operationele doelstellingen voor de uitvoering van de basistaken. De uitvoering en handhaving is gericht op: a) de actualiteit van informatieplichten, meldingen, vergunningen van locaties met één of meerdere informatie-, melding- of vergunningplichtige milieubelastende activiteit(en), en b) verbetering van het naleefgedrag bij de uitvoering van milieubelastende activiteiten.
In lijn met de strategische doelen worden in de risicoanalyse wegingsfactoren toegepast (zie hoofdstuk 3). Dit stelt de FUMO in staat om gericht inzet te plegen. Tijdens deze gerichte inzet van werkzaamheden, gaat tijdens de uitvoerings- en handhavingswerkzaamheden aandacht uit naar:
•minimalisatie van schadelijke emissies (in ieder geval ‘zeer zorgwekkende stoffen’) en afname van stoffen die schadelijk zijn voor kwetsbare natuurgebieden naar lucht, water (indirecte lozingen) en bodem;
•het vergroten van inzicht in de meest risicovolle grond- en afvalstromenketens door gerichte inzet van het ketentoezicht;
•het bevorderen van inzicht bij bedrijven in hun bijdrage aan en verantwoordelijkheid voor een klimaatbestendig, circulair en energieneutraal Fryslân;
•weten waar ze actuele informatie kunnen vinden over geldende wet- en regelgeving;
•het melden van ondermijnende activiteiten aan het bevoegd gezag, indien deze tijdens het uitvoeren van werkzaamheden worden gesignaleerd.
Bijlage 2 weergeeft de indicatoren die voor de hierboven genoemde doelstellingen gelden.
Bijlage 1: Toelichting bij figuren hoofdstuk 1
Toelichting bij de gesloten beleidscyclus
In de geest van de Omgevingswet gaat het erom dat de leefomgeving op een integrale manier wordt bestuurd met het oog op duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land en verbetering van het leefmilieu. Dit vraagt samenhang tussen het beleid, de regels en de uitvoering. Deze samenhang wordt verbeeld door een gesloten beleidscyclus.
Figuur 3: Beleidscyclus Omgevingswet
Uit de uitvoering komt informatie (zie de indicatoren in bijlage 2), die de deelnemers gebruiken om de beleidsinstrumenten uit de beleidscyclus, in te vullen of aan te passen.
De gesloten beleidscyclus fungeert naast de Big-8, waarbij de Big-8 de samenhang tussen beleid voor de uitvoering en uitvoering zelf nader duidt.
Toelichting bij de Big-8
Figuur 4: Weergave van de Big-8
De Big-8 bestaat niet alleen uit zeven onderdelen, maar ook uit drie dwarsverbanden die zorgen voor de connectie tussen de twee cycli, oftewel tussen beleid en uitvoering.
•De inhoudelijke lijn (rood) loopt tussen beleid naar uitvoering, handhaving en advisering en maakt duidelijk dat er sprake moet zijn van inhoudelijke congruentie tussen beleid en uitvoering.
•De strategische lijn (groen) loopt tussen strategie en organisatie en maakt duidelijk dat beleidsrealisatie vereist dat wordt gewerkt op basis van de slimste inzet van middelen met de meeste impact op de opgaven en prioriteiten.
•De informatielijn (blauw) loopt tussen monitoring en evaluatie en maakt duidelijk dat de data over de uitvoering en handhaving informatie oplevert die bij de evaluatie van beleid wordt gebruikt.
Per dwarsverband is het noodzakelijk dat deelnemers en FUMO zorgen voor een adequate verbinding.
Toelichting bij domeinen-benadering
Overeenkomstig het rapport ‘Handreiking Outcome gericht werken’ zijn de volgende drie domeinen te onderscheiden.
Domein 1: De wettelijke basis. Deelnemers en de omgevingsdienst geven invulling aan wet- en regelgeving en realiseren daarmee een afdoende niveau van veiligheid, duurzaamheid en gezondheid voor de samenleving. Voor zover er vanuit de wet eisen worden gesteld aan de uitvoering worden deze uitgevoerd. Hierbij valt in ieder geval te denken aan:
•het behandelen van aanvragen van vergunningen binnen de wettelijke behandeltermijnen,
•uitvoering van de actualisatieplicht vergunningen zoals beschreven in de Omgevingswet, artikel 5.38 en het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikelen 8.98 en 8.99,
•de uitvoering van de beginselplicht tot handhaving in de gevallen dat bekend is dat de regelgeving wordt overtreden,
•hetgeen in het Omgevingsbesluit, artikel 13.7 is opgenomen over de verplichte minimumcontrolefrequentie voor IPPC-installaties, de termijn waarbinnen na het vaststellen van een ernstige klacht, ernstig ongewoon voorval of ernstige overtreding niet-routinematig toezicht wordt gehouden en de wijze waarop wordt gerapporteerd over bevindingen over de naleving.
Dit geldt voor de uitvoering van de wettelijke basistaken die de deelnemers van de omgevingsdienst in mandaat hebben ondergebracht. Deelnemers stellen voor de uitvoering van het wettelijk minimum voldoende (financiële) middelen beschikbaar. Kengetallen die bij de berekening hiervan worden gehanteerd staan weergegeven in de producten- en dienstencatalogus. De omgevingsdienst rapporteert hoe uitvoering is gegeven aan de wettelijke verplichtingen bij de taakuitvoering.
Domein 2: Benutten reikwijdte wet- en regelgeving. Ondanks een goede uitvoering van wet- en regelgeving kunnen deelnemers van de omgevingsdienst constateren dat er zich ontwikkelingen in de leefomgeving voordoen die om gerichte inzet van uitvoering en handhaving vragen. Deze zijn onder meer vervat in de doelstellingen voor de uitvoering en handhaving. Deelnemers kunnen de omgevingsdienst verzoeken om naast het wettelijk verplichte minimum hier extra inzet voor te plegen, met als doel een zo groot mogelijk maatschappelijk effect te bereiken. Dit vraagt om programmatische uitvoering, waarvoor deelnemers en de omgevingsdienst in nauw overleg een opdracht formuleren. Bijlage 2 weergeeft welke inzet dit betreft.
Omdat het bereiken van een zo groot mogelijk maatschappelijk effect het doel is van domein 2 is het wenselijk dat er wordt gerapporteerd op outcome. Outcome wil zeggen: welke effecten zijn er bereikt met de gepleegde inzet?
Domein 3: Inzet expertise voor bovenwettelijke taken. Deelnemers kunnen beleidsdoelen formuleren waarvoor (nog) geen wettelijke verplichtingen bestaan. Hiervoor kunnen deelnemers aparte opdrachten verlenen aan de omgevingsdienst, los van de begroting en het uitvoeringsprogramma. In deze gevallen staat de expertise van de omgevingsdienst voorop en heeft het product veelal het karakter van een advies aan het bevoegd gezag. Over taken uit domein 3 handelt de uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de basistaken niet.
Bijlage 2. – Operationele doelstellingen en indicatoren
Doelstelling
Indicator
Norm (bron)
Domein 1: De wettelijke basis
Actualiteit van meldingen/vergunningen van locaties met één of meerdere melding- of vergunningplichtige milieubelastende activiteit(en).
Geactualiseerde vergunningen voor milieubelastende activiteiten.
De actualisaties die in het jaarlijks uitvoeringsprogramma zijn genoemd zijn uitgevoerd.
Tijdigheid van verleende vergunningen en beschikkingen.
Aantal verleende vergunningen en beschikkingen binnen de hiervoor geldende wettelijke termijn.
Streven is: 100% binnen wettelijke termijn.
Uitgevoerde controles
Aantal uitgevoerde controles, ter bijdrage aan het behalen van de minimale controlefrequenties.
Streven is: uitvoering conform het jaarlijks uitvoeringprogramma.
Klachtafhandeling en bereikbaarheid
Terugkoppeling binnen 48 uur bij klachtenafhandeling en vragen van inwoners.
Streven is: 100% binnen reactietermijn.
24uursbereikbaarheid bij calamiteiten
Streven is: 100% bereikbaarheid.
Domein 2: Benutten reikwijdte van wet- en regelgeving
Verbetering van het naleefgedrag bij de uitvoering van milieubelastende activiteiten.
Percentage van de controles bij bedrijven onder het basistakenpakket in de hoogste risicocategorie, waarbij ernstige overtredingen zijn geconstateerd.
Verbetering van het totale naleefgedrag per branche ten opzichte van het voorgaande jaar.
Percentage van de controles bij bedrijven onder het basistakenpakket die overige activiteiten uitvoeren, waarbij ernstige overtredingen zijn geconstateerd.
Verbetering van het totale naleefgedrag per branche ten opzichte van het voorgaande jaar.
Minimalisatie van schadelijke emissies (ZZS) en afname van stoffen die schadelijk zijn voor kwetsbare natuurgebieden naar lucht, water (indirecte lozingen) en bodem.
Weergave van bij welke activiteiten er niet reeds bekende ZZS is aangetroffen, welke en of er verbetermaatregelen worden ingesteld.
Weergave van bevindingen van afgelopen jaar in het jaarverslag.
Bedrijven die activiteiten uitvoeren waar ZZS vrijkomen stellen 1 keer in de 5 jaar een rapport op aan het bevoegd gezag, inclusief vermijdings- en reductieprogramma (VRP).
Weergave van bedrijven die een rapportage hebben ingediend, en de reductie die is behaald. .
Weergave van het aantal vergunningen waarin een strengere norm is opgenomen, en voor welke activiteiten dit geldt.
Weergave van bevindingen van afgelopen jaar in het jaarverslag.
De meest risicovolle ketens zijn in beeld door gerichte analyse van data en de inzet van het ketentoezicht.
Verantwoording over bestaande inzichten als resultaat van de gepleegde inzet.
Schriftelijke onderbouwing in het jaarverslag
Bedrijven hebben inzicht in hun bijdrage aan, en verantwoordelijkheid voor, een klimaatbestendig, circulair en energieneutraal Fryslân.
Weergave van de niet reeds bekende bevindingen bij de uitgevoerde werkzaamheden ter bevordering van energiebesparing, duurzame energie, afvalreductie en circulariteit. Wat is aangetroffen, en welke verbetermaatregelen worden ingesteld?
Weergave van bevindingen van afgelopen jaar in het jaarverslag.
Percentage bedrijven dat voldoet aan de Informatieplicht Wet milieubeheer (IPWM) energiebesparing door het indienen van een melding bij het eLoket van RVO.
Percentage van bedrijven die voor 1-1-2024 een melding voor de informatieplicht hebben ingediend, dat alle besparende maatregelen met een zelfstandig vervangingsmoment heeft toegepast.
80% op 1-1-2028
100% op 1-1-2026
Bedrijven weten waar ze actuele informatie kunnen vinden over geldende wet- en regelgeving.
Verantwoording over wijze waarop informatie over geldende wet- en regelgeving op passende wijze beschikbaar is gesteld aan bedrijven.
Schriftelijke onderbouwing in het jaarverslag.
Klachtafhandeling
Trends in soorten binnenkomende klachten.
Kwalitatieve duiding van trends in binnenkomende klachten in jaarverslag.
Domein 3: Bovenwettelijke inzet van het U&H-expertise
Over taken uit domein 3 handelt de uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de basistaken niet.
Bijlage 3: Wegingen en risicocategorieën in het risicomodel
Variabelen in risicomodel
De volgende risicovariabelen worden in het risicomodel meegenomen:
I. Het effect van de milieubelastende activiteit(en) van de locatie. Dit betreft:
a.Fysiek: de mate waarin de activiteit kan leiden tot risico’s voor de fysieke bebouwing (explosie, brand, instorten).
b.Gezondheid: de mate waarin de activiteit op korte en lange termijn kan leiden tot gezondheidsklachten
c.Kwaliteit van de leefomgeving: de mate waarin de activiteit kan leiden tot overlast in de leefomgeving (geur, geluid, trilling, luchtkwaliteit).
d.Natuur: de mate waarin de activiteit kan leiden tot korte en lange termijn schade aan flora en fauna.
e.Financieel: de mate waarin de activiteit kan leiden tot financiële risico’s voor de overheid
II. De kans op niet naleving van de branche waarin het bedrijf actief is. Om het risico van de branche te bepalen, worden milieuaspecten ten opzichte van elkaar gewogen. Te weten:
a.Externe veiligheid
b.Luchtkwaliteit en geur
c.Bodemkwaliteit
d.Geluid
e.Waterkwaliteit
III. De politiek-bestuurlijke gevoeligheid.
IV. De lengte van de periode dat geen controle heeft plaatsgevonden.
V. Het naleefgedrag van de drijver/eigenaar.
VI. De ernst van begane overtreding(en).
VII. Het type bedrijf (type B, type B-, type C of IPPC).
VIII. Het aantal milieubelastende activiteiten dat op de betreffende locatie wordt uitgevoerd.
Uiteindelijke risico’s worden bepaald op basis van de formule ‘risico = kans x effect’. De kans op niet naleving wordt gebaseerd op informatie die is opgebouwd over het naleefgedrag van de branche (II), het naleefgedrag van de individuele drijver/eigenaar (V), de ernst van begane overtreding(en) (VI), de lengte van de periode dat geen milieucontrole heeft plaatsgevonden (IV), het type bedrijf (VII) en het aantal milieubelastende activiteiten dat op de betreffende locatie wordt uitgevoerd (VIII). Het mogelijk schadelijke effect wordt gebaseerd op de mogelijk schadelijke effecten van een milieubelastende activiteit (I) en de politiek-bestuurlijke gevoeligheid (III).
Weging van risico’s
Weging per milieubelastende activiteit (variabele I.)
Het effect en de kans op niet-naleving per activiteit wordt aan de hand van de in hoofdstuk 3 beschreven risicofactoren door toezichthouders van de FUMO ingeschat.
Daarbij is een schaal gehanteerd van 1 (geen risico) tot 10 (zeer groot risico). Het totaal van de risicofactoren leidt tot een risicoscore, waarbij een indeling is gemaakt in:
-0-10: score 2
-10-20: score 4
-20-30: score 6
-30-40: score 8
-40-50: score 10
Weging per branche (variabele II.)
De bedrijven zijn per groep gerubriceerd naar branches. Dit betreft: 1) bedrijven met een IPPC-installatie, 2) bedrijven met vergunningplichtige milieubelastende activiteiten en 3) bedrijven met informatie- en meldingsplichtige milieubelastende activiteiten. Ieder van de branches is gescoord (van waarde 1 zeer lage kans tot waarde 5 zeer hoge kans) op de volgende milieuaspecten.
Thema
Zwaarte
Externe veiligheid
5van 5
Luchtkwaliteit en geur
3van 5
Bodemkwaliteit
3van 5
Geluid
3van 5
Waterkwaliteit
2van 5
Deze aspecten leiden met een weging van het potentieel nadelige effect tot een risicocategorie per branche. Het totaal van de risicofactoren leidt tot een risicoscore, waarbij een indeling is gemaakt in:
-<100: score 2
-100-150: score 4
-150-200: score 6
-200-250: score 8
->250: score 10
Weging van de periode dat geen controle heeft plaatsgevonden (variabele IV.)
Deelnemers kunnen ertoe besluiten dat andersoortige werkzaamheden dan reguliere controles meer aangewezen zijn om risico’s te verlagen (zie paragraaf 3.3). Deze werkzaamheden geven ook aanleiding om de score op variabele IV aan te passen.
De gecombineerde totaalscore van de beschreven variabelen leidt tot een risicoweging per locatie.
Risico-categorieën en controlefrequenties
Voor de milieubelastende activiteiten bij locaties worden de volgende risicocategorieën aangehouden, met daaraan gekoppeld een controlefrequentie:
Risicocategorie
Percentage
Controlefrequentie
Hoog risico
4% van de locaties
1x per 2 jaar
Matig risico
10van de locaties
1x per 4 jaar
Laag risico
26% van de locaties
1x per 6 jaar
Extra laag risico
60% van de locaties
1x per 10 jaar
Bijlage 4: Risicobenadering activiteiten met bepaalde duur
Activiteiten met bepaalde duur zijn slechts voor bepaalde tijd aan een locatie gebonden. Hieronder vallen in ieder geval activiteiten als asbestsaneringen, bodemsaneringen en ontgrondingen. Door kun tijdelijke karakter is het niet mogelijk om met vaste controlefrequenties in een meerjarenplanning te werken en daarom geldt een andere risicobenadering dan voor activiteiten met onbepaalde duur.
Meldingen
Bodem
Indien de uitvoering plaatsvindt op wettelijk niveau, worden de grootste risico’s gelopen bij werken met sterke twijfels bij de beoordeling van de melding Bal/Bbk (opzettelijk verkeerd melden), IBC- bouwstoffen (niet voor aanvang werkzaamheden ingediend), meldingen achteraf en toepassing immobilisatie. Matige risico’s zijn er bij tijdelijke en kortdurende opslag, partijen met meer dan 5% bodemvreemd materiaal, samengevoegde partijen en meldingen met herkomst buiten Fryslân. Bij het ketentoezicht hebben de ketens van grond- en afvalstromen de hoogste prioriteit
1De meldingen worden ingedeeld in drie risicocategorieën op basis van een beoordeling van de milieutechnische risico’s én het gedrag van de uitvoerder .
2De meldingen worden als volgt gecontroleerd :
a.In de hoge risicocategorie: 90% van de gevallen wordt gecontroleerd,
b.In de matige risicocategorie: 50% van de gevallen wordt gecontroleerd,
c.In de lage risicocategorie in 10% van de gevallen wordt gecontroleerd.
Asbest
Het risico op vezelemissie op het moment dat niet wordt voldaan aan de wet- en regelgeving is dusdanig groot dat in verhouding een groot risico voor mens en milieu bestaat. Een adequaat toezichtniveau is dus heel belangrijk in de saneringsfase. Bij het toezicht tijdens de bouw en sloop hebben ketenpartners (waaronder gemeenten) bijzondere aandacht voor illegale (niet gemelde) saneringen van asbest. Bij het ketentoezicht hebben de ketens van grond- en afvalstromen de hoogste prioriteit. Een van de thema’s binnen de keten afvalstromen is asbest.
1De meldingen worden ingedeeld in drie risicocategorieën op basis van de locatie, het gebruik van, de risicoklasse, de soort saneerder en het toezicht door derden .
2De meldingen worden als volgt gecontroleerd :
a.In de hoge risicocategorie: 90% van de gevallen wordt gecontroleerd,
b.In de matige risicocategorie: 40% van de gevallen wordt gecontroleerd,
c.In de lage risicocategorie: 7,5% van de gevallen wordt gecontroleerd.
Niet-gemelde activiteiten
Risico’s komen niet enkel voort uit gemelde activiteiten. Sterker, de grootste risico’s voor de strategische doelstellingen worden vaak gevonden bij niet-gemelde activiteiten. Onderstaande tabel weergeeft enkele van de grootste risico’s van niet-melden. Bovendien geldt dat wanneer uitsluitend gecontroleerd wordt naar aanleiding van meldingen, dit een nadelig effect zal hebben op de bereidheid te melden.
Constatering
Risico
Niet gemeld (illegale activiteiten)
Ontdoen van verontreinigde grond vaak op terreinen van gemeente. Kosten voor gemeente soms fors. Niet melden is bedreiging voor het ‘stand still’ principe zoals landelijk is vastgesteld, dus verslechtering van kwaliteit van de bodem. Niet melden geeft oneerlijke concurrentie.
Bij asbest is het een bekend fenomeen dat het lucratief is om zich te onttrekken aan toezicht en illegale handelingen te verrichten. Financieel gewin speelt hierin een belangrijke rol. Door ook niet-gemelde (asbest)saneringen op te sporen wordt deze vorm van illegaliteit aangepakt.
Transport op openbare weg (of water) zonder begeleidingsformulier
Illegaal werk uitvoeren, reële kans op niet voldoen aan ‘stand still’ principe.
Immobiliseren grond (geen meldingsplicht op van toepassing)
Bedrijven gaan improviseren (valse concurrentie). Uitlogen schadelijke stoffen in de bodem.
Na ‘niet instemmen melding’ vaak geen toezicht in het veld
Werk is al uitgevoerd of wordt toch uitgevoerd. Geen zicht op afgewezen partijen.
Ter preventie en mitigatie van deze risico’s wordt, na de jaarlijkse risico-bepaling, passende inzet bepaald in het uitvoeringsprogramma. Na verslaglegging over bevindingen in het jaarverslag volgt mogelijk aanpassing van het uitvoeringsprogramma.
Werkwijze risicotoewijzing activiteiten met bepaalde duur
Voor activiteiten met bepaalde duur wordt als volgt gewerkt. Deelnemers en de FUMO:
a.maken een inschatting van de verwachte meldingen voor activiteiten met bepaalde duur in een bepaald jaar,
b.bepalen welke van het totaal aantal verwachte meldingen van activiteiten met bepaalde duur in ieder van de risicocategorieën valt (zoals in voorgaande beschreven onder bodem en asbest),
c.maken een inschatting van de benodigde inzet op het inzichtelijk maken van niet-gemelde activiteiten met bepaalde duur, op basis van de geldende risico’s (zie kopje niet-gemelde activiteiten).
Bovenstaande leidt tot een bepaling van inzet in het betreffende jaar:
–Er wordt in het uitvoeringsprogramma inzet geraamd voor inzet op meldingen,
–Er wordt in het uitvoeringsprogramma inzet geraamd voor inzet op niet-gemelde activiteiten.
Indien gedurende het betreffende uitvoeringsjaar blijkt dat de inschatting van benodigde inzet vooraf niet correspondeert met de werkelijkheid (zoals door onvoorziene ontwikkelingen) kan dit ertoe leiden dat de controlefrequenties voor meldingen met de lagere risico’s worden losgelaten.