Gemeentelijke regelgeving

Sneltoetscriteria

Gemeente Weststellingwerf · geldt sinds 18 december 2024

Aanhef

Veel voorkomende initiatieven

Inleiding

Veel kleine initiatieven zijn vergunningvrij. Er zijn echter ook kleine initiatieven waarvoor door de gemeente wel een omgevingsvergunning wordt gevraagd. Het gaat hierbij om initiatieven die ondanks hun beperkte maat en schaal een behoorlijke ruimtelijke impact hebben. Denk hierbij aan initiatieven die duidelijk zichtbaar zijn vanuit de straat of zich afspelen op een hoek waardoor het initiatief vanuit meerdere richtingen prominent in het beeld is. Door in deze gevallen consequent aandacht te schenken aan het ontwerp blijft de leefomgeving voor iedereen mooi en leefbaar. In het omgevingsplan is onder andere aangegeven voor welke kleine initiatieven een omgevingsvergunning benodigd is.

Veel voorkomende initiatieven

Voor kleine initiatieven die veel voorkomen en waarvoor een omgevingsvergunning nodig is, zijn sneltoetscriteria opgesteld. Hiermee wordt het vergunningentraject vereenvoudigd en versneld. Voor de onderstaande zeven soorten initiatieven zijn sneltoetscriteria opgesteld:

1Bijbehorende bouwwerken:

-aan- en uitbouwenvoorkant;

-aan- en uitbouwenzijkant;

-vrijstaand bijgebouwen zijkant.

2Kozijnen- en gevelwijzigingen;

3Dakkapel;

4Erfafscheiding;

5Technische installaties/opwek duurzame energie.

6Vlaggenmasten bedrijventerrein;

7Erfafscheiding bedrijventerrein.

Sneltoetscriteria

Sneltoetscriteria bestaan uit heldere ontwerpprincipes in woord en beeld. De ontwerpprincipes gaan over de ‘plaatsing’, de ‘vormgeving’, de ‘maatvoering’, en ‘materiaal en kleur’.

De gemeente toetst de veel voorkomende initiatieven ambtelijk op basis van de sneltoetscriteria. Door als initiatiefnemer een plan te baseren op de sneltoetscriteria kan het vergunningentraject soepel worden doorlopen.

Inspirerende tips

Voor de veel voorkomende initiatieven zijn daar waar mogelijk naast de ontwerpprincipes ook inspirerende tips opgenomen. Op basis van deze tips kunnen initiatiefnemers een nog mooier en vooral ook toekomstbestendiger plan opstellen waardoor het ondanks de klimaatverandering met perioden van hitte, droogte en hevige buien toch goed wonen blijft. Ook kan met initiatieven vaak eenvoudig een positieve bijdrage worden geleverd aan het versterken van de natuurwaarden. De inspirerende tips hebben betrekking op:

-Ontwerpidee;

-Materiaal- en kleurgebruik;

-Klimaatadaptatie;

-Biodiversiteit.

De trendsettermethode

Voor initiatieven in wijken en buurten met veel dezelfde huizen kan in plaats van de sneltoetscriteria ook gebruik worden gemaakt van de trendsettermethode. Bij deze methode sluit een initiatiefnemer met het beoogde initiatief aan op een vergelijkbaar, reeds vergund bouwwerk bij de buren of elders in de straat. Dit vergunde bouwwerk waarop met initiatieven wordt aangesloten, wordt de ‘trendsetter’ genoemd.

Voor het gebruik van de trendsettermethode gelden twee voorwaarden. Allereerst is het van belang dat de situatie en het woningtype van het beoogde initiatief en het al vergunde initiatief overeenkomen. En ten tweede is de positieve beoordeling die ten grondslag ligt aan vergunde initiatief niet ouder dan vijf jaar. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan een initiatiefnemer een plan opstellen dat aansluit bij de trendsetter en dit indienen bij de gemeente. Bij de toelichting op het plan vermeldt de initiatiefnemer dat gebruik wordt gemaakt van de trendsettermethode. Medewerkers van de gemeente beoordelen de aanvraag voor de omgevingsvergunning in dat geval op basis van het reeds vergunde bouwwerk in plaats van de sneltoetscriteria. Bij twijfel bij de beoordeling van de aanvraag door de gemeente wordt de adviescommissie voor omgevingskwaliteit om advies gevraagd.

Soepel vergunningentraject

De sneltoetscriteria zijn zo opgezet dat medewerkers van de gemeente aanvragen zelf af kunnen handelen. Een klein initiatief dat voldoet aan de sneltoetscriteria of het ‘standaardplan’ kan rekenen op een positieve beoordeling. Voldoet een ingediend initiatief niet, of is er sprake van een bijzondere situatie of bestaat twijfel aan de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria of het ‘standaardplan’, dan wordt het initiatief voorgelegd aan de adviseurs van de adviescommissie omgevingskwaliteit. Ook in geval van een karakteristiek pand, monument, beschermd stads- of dorpsgezicht en UNESCO werelderfgoed, zal altijd de commissie om advies worden gevraagd.

Afwijken

Het is begrijpelijk dat in sommige gevallen de mogelijkheden die de sneltoetscriteria of een ‘standaardplan’ bieden niet overeenstemmen met een bijzondere situatie en/of de wensen van initiatiefnemers. Als hiervan sprake is dan gaat de gemeente met de adviseurs van de adviescommissie omgevingskwaliteit graag hierover het ontwerpgesprek aan om te verkennen of het beoogde initiatief mogelijk is. Bij deze verkenning worden de context en de vigerende algemene en gebiedsgerichte criteria betrokken.

Bijlage Begrippenlijst

A

Aanbouwen:

Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan een gevel van een gebouw.

Aangekapt:

Met kap bevestigd aan dakvlak.

Achtererfgebied:

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw, zoals bedoeld in het Besluit omgevingsrecht (Bor)

Achterkant:

De achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar toegankelijk gebied

Adviescommissie omgevingskwaliteit:

Gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet. De commissie heeft als taak de raad en het college te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de wet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.

Afdak:

Hellend dak, hangend of op stijlen aangebracht tegen een gebouw of een muur, om als gedeeltelijke beschutting te dienen.

Afstemmen:

In overeenstemming brengen met.

Asymmetrisch dak:

Zadeldak met twee verschillende goothoogtes en/of dakhellingen.

Authentiek:

Overeenstemmend met het oorspronkelijke, origineel, eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.

B

Band:

Horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen, kunststeen of baksteen.

Bebouwing:

Eén of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.

Beschot:

Houten bekleding van een muur, inwendig als een lambrisering, meestal niet tot de volle hoogte.

Bedrijfsbebouwing:

Gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter.

Behouden:

Handhaven, bewaren, in stand houden.

Belendende:

Naastgelegen, (direct) grenzend aan.

Beschermd Stadsgezicht:

Door de Minister aangewezen Beschermd Stadsgezicht op grond van de Monumentenwet.

Bijgebouwen:

Grondgebonden gebouw meestal van één bouwlaag dat los van het hoofdgebouw op het erf of kavel staat; meestal bedoeld als schuur, tuinhuis of garage.

Bijbehorend bouwwerk:

Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk met een dak, zoals bedoeld in het Bor.

Biobased:

Biobased bouwmaterialen zijn bouwmaterialen gemaakt van planten of materiaal van bacteriën, dieren of schimmels, die ecologisch verantwoord geteeld, geoogst, gebruikt en hergebruikt worden. Zie ook hergroeibaar.

Blinde wand:

Gevel of muur zonder raam, deur of andere opening.

Bloemkozijn:

Een bloemkozijn wordt geplaatst op de gevel, waardoor het kozijn buiten de gevel uitsteekt. Dit kozijn breekt daarmee de vlakke muur aan de buitenkant van de woning. Door de extra diepte ontstaat er in de woning meer ruimte voor een bredere vensterbank.

Boeiboord:

Opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.

Boerderij:

Gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis.

Bor:

Besluit omgevingsrecht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Borstwering:

Lage dichte muur tot borsthoogte.

Bouwblok:

Een geheel van geschakelde bebouwing.

Bouwen:

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk.

Bouwlaag:

Horizontale reeks ruimten in een gebouw.

Bouwperceel:

Een aaneengesloten terreinoppervlak, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan.

Bouwwerk:

Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren

Bovenbouw:

Bovenste, uit een oogpunt van gebruik meestal belangrijkste gedeelte van een gebouw, meestal in tegenstelling tot de onderbouw, het dragende gedeelte, fundament.

Brink:

De brink is van oorsprong de boerengebruiksruimte waar het vee werd verzameld om daarmee als kudde naar de gemeenschappelijke weidegronden te gaan. Brinken zijn veelal in de loop der tijd omgevormd tot een dorpsplein, dat vaak nog bestaat uit gras en bomen.

Bungalow:

Meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.

C

Carport:

Afdak om de auto onder te stallen, meestal bij of grenzend aan een woning.

Classicisme:

Stroming in de bouwkunst, bouwstijl.

Conformeren:

Zich voegen naar, gelijkvormig maken, aanpassen aan, afstemmen op.

Context:

Omgeving, situatie, geheel van omringende ruimtelijke kenmerken.

Contour:

Ruimtelijke buitenomtrek bebouwing.

Contrasteren:

Een tegenstelling vormen.

D

Dak :

Overdekking van een gebouw of onderdeel ervan, bestaande uit één of meer hellende vlakken (schilden) of uit een horizontaal vlak.

Dak afdekking:

Vlak of hellend dak van een gebouw, waarop dekking is aangebracht.

Dakhelling:

De hoek van het dakvlak.

Dakkapel:

(Ondergeschikte) toevoeging aan een dakvlak, vooral bedoeld om de lichttoevoer te verbeteren en het bruikbaar woonoppervlak te vergroten.

Daknok:

Hoogste punt van een schuin dak.

Dakopbouw:

Een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok of dakrand van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.

Dakraam:

Raam in een dak.

Daktrim:

Afwerking bovenzijde dakrand ten behoeve van waterkering.

Dakvlak:

Een vlak van het dak/kap.

Dakvoet:

Laagste punt van een schuin dak.

Damwandprofiel:

Metalen beplatingmateriaal met een damwandprofilering.

Detail:

Ontmoeting/aansluiting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.

Detaillering:

Uitwerking, weergave van de verschillende onderdelen c.q. aansluitingen

Diversiteit:

Verscheidenheid, afwisseling, variatie.

E

Ensemble:

Architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel.

Erf:

Al dan niet bebouwd perceel of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of beheersverordening van toepassing is, deze de inrichting niet verbieden.

Voorerfgebied:

Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied

Achtererfgebied:

Erf aan de achterkant en de niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw

Eerste verdieping:

Tweede bouwlaag van de woning of het woongebouw, een souterrain of kelder niet daaronder begrepen

Erker:

Kleine toevoeging van meestal één bouwlaag aan de gevel van een gebouw, op de begane grond meestal uitgevoerd in metselwerk, hout en glas.

F

Flat:

Groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/flatjes genoemd.

G

Galerij:

Gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen.

Gebouw:

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit:

Gemeentelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 17.9 van de Omgevingswet. De commissie heeft als taak de raad en het college te adviseren bij de uitoefening van hun taken en bevoegdheden op grond van de wet met het oog op het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit en al hetgeen daarmee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.

Gepotdekseld:

Horizontaal gedeeltelijk over elkaar vallende gevelbeplating (oorspronkelijk houten planken).

Gevel:

Verticaal scheidingsvlak van een gebouw tussen buiten en binnen.

(Gevel)geleding:

Onderverdeling van de gevel in kleinere vlakken. Verticale, horizontale of figuratieve indeling van de gevel door middel van gevelopeningen, metselwerk, verspringingen of andere gevelkenmerken en -detailleringen.

Gevelmakelaar:

Decoratieve bekroning van een geveltop.

Goot:

Waterafvoer, veelal tussen gevel en dakvlak.

Gootklos:

Zie klossen.

Gootlijn:

Veelal horizontale lijn die een goot of meerdere goten aan de gevel vormen.

Grafiek:

ookwel Gevelgrafiek) Belijning binnen het gevelvlak die wordt gevormd door bijvoorbeeld kozijnen, goot- en daklijsten.

H

Hoekaanbouw:

Grondgebonden toevoeging meestal van één bouwlaag aan de hoek van een gebouw.

Hergroeibaar:

Materialen van biologische oorsprong, waarbij materiaal ingebed in geologische formaties en/of gefossiliseerd materiaal wordt uitgesloten. Natuurlijke materialen mits deze door natuurlijke ecosystemen worden aangevuld of gezuiverd op een menselijke tijdschaal (75-100 jaar). Zie ook biobased.

Hoek- en kilkeper:

snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.

Hoofdgebouw:

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

I

Industriebebouwing:

Bebouwing met een industriële bestemming.

Installatie:

set van beeld- en/of geluidsapparatuur, het aanbrengen van technische toestellen (montage) en/of deze toestellen zelf

K

Kap:

Samenstel van houten, ijzeren of betonnen onderdelen dat de dakbedekking draagt.

Kavel:

Grondstuk, kadastrale eenheid.

Keper:

Snijlijn van twee aansluitende dakvlakken.

Kern:

Veelal kleinschalig stedelijk gebied, ook wel centrum van een dorp of stad.

Klossen:

Uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten.

Kop:

In het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw.

Korrel(grootte):

De Korrelgrootte is de omvang van de kenmerkende deeltjes. Binnenstedenbouw vaak gebruikt om de kenmerkende maat/schaal van bebouwing te duiden.

Kraal:

Gekrulde/ ronde beëindiging van een zinken goot of afdeklijst.

L

Lak:

Afwerklaag van schilderwerk.

Landschappelijke waarde:

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door hetwaarneembare deel van het aardoppervlak, dat wordt bepaald door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van (niet levende en levende) natuur.

Latei:

Draagbalk boven gevelopening.

Lessenaarsdak:

Dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak

Lichtkoepel:

Raamconstructie meestal in een plat dak, in de vorm van een koepel.

Lijst:

Een meestal versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel. Kroonlijst, gootlijst.

Lineair:

Rechtlijnig, langgerekt.

Lint(bebouwing):

Langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg ofwaterverbinding.

Luifel:

afdak buiten tegen de muur van een gebouw aangebracht en verder niet ondersteund, meestal boven een deur, raampartij of gehele pui.

M

Maaiveld:

Bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht, de gemiddelde hoogte van het terrein, grenzend aan de gevels, op het tijdstip van de aanvraag om omgevingsvergunning.

Makelaar:

Een makelaar heeft als bouwelement twee verschillende betekenissen, die ook wel hangstijl of gevelmakelaar heten. In de eerste betekenis is het onderdeel van een houten spantconstructie; in de tweede betekenis is het de beëindiging van het nok ter plaatse van de aansluiting op de gevel.

Mansardekap:

Een dak met aan twee zijden onder een stompe hoek geknikt ofgebroken dakvlak.

Markies:

Opvouwbaar zonnescherm.

Massa:

Zichtbaar volume van bebouwing.

Metselverband:

Het zichtbare patroon van metselwerk.

Middenstijl:

Verticaal deel in het midden van een deur- of raamkozijn.

Monument:

Aangewezen onroerend goed als bedoeld in artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of als bedoeld in de Erfgoedverordening.

Muurdam:

Op de erfgrens aan de gevel gemetselde muur.

N

Natuurlijke waarde:

De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door geologische,geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang.

Negge:

Het vlak c.q. de maat tussen de buitenkant van de gevel en het kozijn.

O

Omgevingsvergunning:

Vergunning als bedoeld in de WABO

Ondergeschikt:

Voert niet de boventoon.

Onderbouw:

Het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de beganegrond van een huis met meerdere verdiepingen.

Ontsluiting:

De toegang tot een gebouw, gebied of een terrein.

Oorspronkelijk:

Origineel, aanvankelijke vorm, authentiek.

Oorspronkelijke gevel:

Gevel behorend tot de oudste gevels van een gebouw, gevel vaneen gebouw in zijn oorspronkelijke staat.

Openbaar (toegankelijk) gebied:

Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b van deWegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer.

Oriëntatie:

De hoofdrichting van een gebouw.

Orthogonaal:

Rechthoekig.

Ornament:

Versiersel.

Overstek:

Bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.

Overkapping:

Bouwwerk, geen gebouw zijnde.

P

Paneel:

Rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting.

Penant:

Gemetselde steunpilaar van het fundament van een gebouw, metselwerk in een gevel langs openingen.

Pilaster:

Weinig uitspringende muurpijler, die dient om een boog of hoofdgestel te dragen.

Plaatmateriaal:

Materiaal van kunststof, staal, hout meestal ten behoeve van gevelbekleding.

Plastiek:

De mate aan dieptewerking door het reliëf in de gevel.

Plint:

Een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw.

Profiel:

omtrek van een gebouw of bouwdeel (bijvoorbeeld kozijn) of een doorsnede daarvan

Profilering:

aangebrachte vorm en maatvoering van profiel

Portiek:

Gemeenschappelijke trappenhuis en/of een terugspringende ruimte voor de straat- of toegangsdeur.

R

Raamdorpel:

Horizontaal stenen element onder de onderdorpel van een houten kozijn, dat ervoor zorgt dat water onder het kozijn buiten het muurvlak wordt afgevoerd.

Raamhout:

Hout waaruit ramen vervaardigd worden of omlijsting waarbinnen het paneel van een deur of beschot wordt ingesloten. Ook wel draaiende of schuivende delen van kozijn/ post.

Referentiekader:

Het geheel van waarden en normen binnen een bepaalde groep waarnaar verwezen kan worden.

Renovatie:

Vernieuwing.

Respecteren:

Met eerbied behandelen, eerbiedigen, waarderen.

Rijenwoningen:

Geschakelde (eengezins)woningen in een rij.

Risaliet:

Gevelvoorsprong, vooruitspringende partij van een bouwlichaam, meestal in het midden of op de hoeken

Ritmiek:

Regelmatige herhaling.

Rollaag:

Een in verband gemetselde laag van op hun kant of kop gemetselde stenen. Horizontale of gebogen rij stenen of betonbalk boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand.

Rooilijn:

Lijn die in het bestemmingsplan of bouwverordening aangeeft waarbinnen gebouwd mag worden.

S

Schilddak:

Dak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde.

Silhouet:

Ruimtelijke buitenomtrek bebouwing.

Situering:

Plaats van het bouwwerk in zijn omgeving.

Speklaag:

Lichte natuurstenen band als afwisseling in baksteenmetselwerk, doorgaans van Brabantse arduin, later ook van zandsteen.

Stijl:

Architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming.

Suskast:

Een ventilatierooster met een verhoogde geluidwering.

T

Tactiel:

Met de tastzin verbonden.

Tent-, punt of pyramidedak:

Dak gevormd door vier driehoekige dakschilden die in één puntbijeenkomen.

Textuur:

De waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).

Tympaan:

Driehoekig of segmentvormige bekroning van een (klassiek) gebouw of van een onderdeel daarvan.

U

Uitbouw:

Aan het gebouw vastzittend bouwwerk dat rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk is.

Uitbreiding:

Aanbouw of uitbouw tegen een hoofdgebouw ter vergroting van deverblijfsruimte.

V

Verdieping:

Bouwlaag.

Voorerfgebied:

Erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied

Voorgevellijn:

Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerktot aan de perceelsgrenzen.

Voorgevelrooilijn:

Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, debeheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening.

Voorkant:

De voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw, de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar het openbaar toegankelijk gebied.

W

Weg:

Weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Windveer:

Plank bevestigd langs de kanten van een met riet of pannen gedekt dak ter afdekking van de voorrand. Worden soms aan de bovenzijde over elkaar gekeept.

Wolfdak/wolfeinden:

Meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop eenafgeknot dakschild heeft (wolfeind).

Woning:

Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding.

Z

Zadeldak:

Een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel.

Zijgevellijn:

Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerktot aan de perceelsgrenzen.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.