Aanhef
Het college besluit:
•In te stemmen met het beleidskader zonne- en windenergie 2023 – 2027 en dit ter vaststelling aan te bieden aan de raad.
•De oude beleidsnotitie voor zonneparken en kleine windmolens in te trekken.
hoofdstuk
1. Inleiding
Samenvatting
Dit beleidskader is een vervolg op het Beleidskader zonneparken en kleine windmolens uit 2019. Bij het maken van dit beleid zijn de uitgangspunten uit de evaluatie, het coalitieakkoord en regionale afspraken meegenomen. Daarnaast is een brede groep belanghebbenden betrokken en is het concept op de website van de gemeente gepubliceerd zodat inwoners konden reageren. In dit beleid is rekening gehouden met contextuele ontwikkelingen zoals netcapaciteit en ander beleid op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau.
Het beleidskader loopt tot en met 2027. In 2026 wordt gestart met de evaluatie zodat tijdig een aangepast beleidskader kan worden vastgesteld. Gedurende de looptijd monitoren we de voortgang en contextuele ontwikkelingen. Daar wordt de gemeenteraad jaarlijks over geïnformeerd. Indien de monitoring daar aanleiding toe geeft, passen we het beleidskader aan.
1.3. Context
1.3.1. Evaluatie
De in 2021 uitgevoerde beleidsevaluatie blikt terug op het effect van het in 2019 vastgestelde beleidskader, en kijkt vooruit naar de toekomst van hernieuwbare energie in Westerwolde.
2Zie Beleidsevaluatie zonneparken en kleine windmolens Westerwolde, mei 2022.
Het aangepaste beleidskader bouwt voort op de belangrijkste conclusies uit de evaluatie.
De gemeente Westerwolde was één van de eerste gemeenten in Nederland met een uitgewerkt beleidskader voor zonneparken en kleine windmolens. Daarmee waren we vooruitstrevend. Dit heeft ertoe geleid dat we grote stappen hebben kunnen zetten. We liggen op koers om onze ambitie voor de opwek van duurzame energie in het landschap te bereiken.
Uit de evaluatie kwam naar voren dat deze rol als koploper ook nadelen met zich mee heeft gebracht. Als pionier maak je nou eenmaal ook fouten. Daar is in de beleidsperiode al op ingespeeld door bij te sturen met aanvullend beleid, zoals de landschappelijke verdiepingsslag en het duurzaamheidsfonds. Op sommige punten is nog steeds ruimte voor verbetering, zoals het betrekken van aan- en omwonenden en het stimuleren van ‘zon op dak’ en kleine windmolens. In dit beleidskader is aandacht aan deze aspecten besteed.
1.3.2. Landelijk beleid
Dit beleidskader is te plaatsen in de maatschappelijke context van de energietransitie in Nederland. Nederland heeft, met vele andere landen, het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. In dit akkoord zijn reductiedoelen van broeikasgassen vastgelegd ten opzichte van 1990. Onlangs zijn de doelen van de Europese Unie voor 2030 verder aangescherpt van 40% naar 55% reductie van de uitstoot van broeikasgassen. Nederland ambieert een koploper te zijn en wil tenminste 55% reductie realiseren in 2030, maar richt zich in beleid zelfs op 60% reductie.
Een belangrijk deel van de uitstoot van broeikasgassen is het gevolg van de opwek van energie (denk aan gas- en kolencentrales). Om over te stappen van deze vervuilende vorm voor de opwek van energie naar een duurzame vorm is in het Nederlandse klimaatakkoord van 2019 afgesproken om in Nederland 35 TWh aan duurzame energie op land op te wekken. Hiervoor is Nederland opgedeeld in 30 energieregio’s, die allemaal een Regionale Energie Strategie (RES) hebben opgeleverd. Hierin doen ze een bod op hun aandeel op te wekken duurzame energie van de totale opgave van de 35 TWh. Westerwolde is onderdeel van de RES Groningen.
Naast deze context is er landelijk beleid op het gebied van zonne-energie. Zo is in het klimaatakkoord opgenomen dat er moet worden gestreefd naar 50% lokaal eigendom bij hernieuwbare energieprojecten. Ook heeft minister Jetten in mei 2022 een kamerbrief gestuurd over de rol van zonne-energie in de energietransitie.
3Zie Kamerbrief over rol zonne-energie in energietransitie
In deze brief worden speerpunten en randvoorwaarden voor aanvullend beleid geformuleerd. De voor dit beleidskader belangrijkste punten hierin zijn:
•Het stimuleren van de plaatsing van zonnepanelen op grote daken waarvan de dakconstructie niet geschikt is. Bijvoorbeeld door het (deels) vergoeden van kleine aanpassingen om het dak geschikt maken. Momenteel (begin 2023) is een dergelijke regeling er nog niet, maar deze kan wel verwacht worden.
•Het uitgangspunt voor zonneparken in het landschap moet een multifunctioneel ruimtegebruik zijn, zodat zorgvuldig wordt omgegaan met de schaarse ruimte. Er wordt aangegeven dat multifunctioneel ruimtegebruik kan worden gerealiseerd door het kiezen van een slimme locatie (met een bestaande functie, bijvoorbeeld een vuilnisbelt of binnenwater) of door een nieuwe functie toe te voegen (denk aan recreatie of landbouw).
1.3.3. Provinciaal beleid
De provincie Groningen heeft ook beleid voor zonneparken en windmolens. Voor windmolens geldt dat deze niet zijn toegestaan met uitzondering van drie concentratiegebieden.
4Zie provinciale verordening artikel 2.41.1 en 2.41.2: Geconsolideerde Omgevingsverordening, november 2022
Deze gebieden liggen niet binnen de gemeente Westerwolde. Uitzondering vormen kleine windmolens met een ashoogte tot 15 meter. Die zijn toegestaan binnen stedelijk gebied en in het buitengebied binnen bouwpercelen. Daarbij is er een pilotregeling waarbij kleine molens in een zone van 25 meter buiten een agrarisch bouwperceel ook toegestaan zijn. In natuur- en NNN-gebieden is het vanuit provinciaal beleid niet toegestaan dergelijke kleine windmolens te plaatsen.
Het provinciale beleid voor zonneparken maakt onderdeel uit van de omgevingsvisie die de provincie uitwerkt. Deze omgevingsvisie wordt naar verwachting in 2024 vastgesteld maar vooruitlopend daarop wordt waarschijnlijk in de tweede helft van 2023 al aangepast zonnebeleid vastgesteld. Met een provinciale zonne-energievisie is de provincie van plan duidelijker te sturen op waar zonneparken wel en niet mogen komen. Een belangrijk doel van deze visie is om ervoor te zorgen dat zonneparken gerealiseerd worden op plekken waar duidelijke ruimtelijke aanleidingen zijn.
5Zie Koersdocument Omgevingsvisie provincie Groningen.
Kleinschalige, lokale zonneparken, aansluitend aan bebouwd gebied, blijven mogelijk onder het ‘ja, mits’-principe vallen. Voor grootschalige zonneparken zal een ‘nee, tenzij’-principe gaan gelden waarbij de provincie duidelijk locaties aanwijst waar grootschalige zonneparken wel of niet mogelijk zijn. De provincie gaat daarbij sturen op locaties die kansen bieden voor meervoudig ruimtegebruik, waar efficiënt gebruik kan worden gemaakt van de beschikbare netcapaciteit en waar zonneparken goed in het landschap ingepast kunnen worden. Dit is in lijn met de ontwikkelingen die eraan komen in landelijk beleid. Op locaties waar de provincie geen toekomst ziet voor zonne-energie wordt de ontwikkeling van grootschalige zonneparken beperkt. Dit kan bijvoorbeeld gelden voor bepaalde karakteristieke landschappen, natuurgebieden en hoogwaardige voedselproductiegebieden.
6Zoals aangegeven wordt het nieuwe zonbeleid van de provincie pas in de tweede helft van 2023 verwacht. De hier genoemde richtingen lopen hierop vooruit en zijn nog onder voorbehoud van vaststelling. Tot het nieuwe beleid is vastgesteld geldt het huidige zonbeleid van de provincie.
1.3.4. Gemeentelijk beleid
Het beleid voor zonne- en windenergie past binnen verschillende andere beleidsstukken van onze gemeente. Het volgende beleid is relevant voor het zonne- en windbeleid (tevens schematisch weergegeven in figuur 1):
•Duurzaamheidsvisie. De duurzaamheidsvisie bevat de ambitie van de gemeente Westerwolde op het gebied van duurzaamheid. Dit betreft onder andere de ambitie om in 2035 energieneutraal te zijn.
•De Transitievisie Warmte (TVW). Hierin is uitgewerkt welke maatregelen de gemeente neemt om de transitie naar een duurzame manier van verwarmen te maken. In 2022 is dit beleid vastgesteld. Daarin is vastgelegd dat de gemeente tot 2030 primair inzet op isoleren en het verkennen van mogelijkheden voor duurzaam verwarmen en dat na 2030 daadwerkelijk gebiedsgericht de overstap naar duurzame warmte wordt gemaakt.
•Plan van aanpak energiearmoede. Voor 2023 en 2024 is een plan van aanpak energiearmoede opgesteld. Dit plan van aanpak bevat langs vier sporen maatregelen die voornamelijk gericht zijn om de doelgroep die te maken heeft met energiearmoede te helpen met energiebesparende maatregelen.
•Strategisch vastgoedplan. Momenteel wordt het strategisch vastgoedplan opgesteld, dat naar verwachting medio dit jaar wordt voorgelegd aan de gemeenteraad. Het strategisch vastgoedplan geeft handvatten voor het maken van strategische keuzes omtrent het gemeentelijk vastgoed, waarbij rekening gehouden wordt met de verduurzamingsopgave.
•Omgevingsvisie en omgevingsplan. In de omgevingsvisie worden keuzes ten aanzien van de ruimtelijke inrichting gemaakt. Deze keuzes worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (januari 2024) juridisch verankerd in het omgevingsplan. Tot die tijd zijn de ruimtelijke keuzes opgenomen in de bestemmingsplannen. In het zonne- en windbeleid wordt er ten aanzien van de ruimtelijke keuzes over zonneparken en windmolens gedetailleerder uitgewerkt wat wel en niet kan.
•Participatiegids omgevingsbeleid. De nieuwe Omgevingswet bevat regels ten aanzien van participatie bij ruimtelijke projecten. Ten behoeve hiervan worden uitgangspunten voor participatie bij ruimtelijke projecten vastgelegd in het participatiebeleid van de gemeente Westerwolde. Naar verwachting zal dit participatiebeleid in de eerste helft van 2023 worden vastgesteld. Het zonne- en windbeleid bevat een gedetailleerdere uitwerking van de uitgangspunten voor participatie bij zonne- en windprojecten.
Figuur 1. Verhouding van beleidskader zonne- en windenergie tot andere beleidsstukken van de gemeente Westerwolde.
1.3.5. Grenstractaat
Volgens artikel 5 uit het grenstractaat mag er niet gebouwd worden binnen 376,7 meter van de grens met Duitsland.
7Zie: wetten.nl - Regeling - Grenstractaat tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Hannover - BWBV0006072
Dit betekent dat ook windmolens en zonneparken niet mogen worden gebouwd binnen deze zone langs de grens. In overleg met de Duitse Landkreisen kunnen afspraken gemaakt worden over “Common Development Zones”. Dit zijn plekken waar zowel aan de Duitse als aan de Nederlandse grens zonneparken mogen worden ontwikkeld. Voor één van de zonneparken die al vergund is binnen Westerwolde betekent dit dat deze door kan gaan. Voor zonneparken in het algemeen is er geen uitzonderingspositie afgesproken. Zonder toestemming vanuit de Duitse Landkreise over een Common Development Zone is er dus geen ontwikkelingen mogelijk binnen deze zone. De afspraken over de Common Development Zones dienen nog wel op bestuurlijk niveau te worden vastgesteld.
1.3.6. Beschikbaarheid netcapaciteit
In de energietransitie is het realiseren van zonnepanelen en windmolens om duurzame energie op te wekken niet de enige uitdaging. Ook dient het elektriciteitsnet geschikt te worden gemaakt om de opgewekte energie te transporteren. In Westerwolde zijn regionale netbeheerder Enexis en landelijke netbeheerder TenneT hiervoor verantwoordelijk.
Vanuit de netbeheerders is aangegeven dat de grens voor de realisatie van nieuwe grootverbruikaansluitingen momenteel bereikt is (zie figuur 2). Het is wel nog mogelijk om opwekcapaciteit te realiseren die binnen een kleinverbruikaansluiting past (maximaal 3 x 80 ampère). Dit leidt ertoe dat er geen nieuwe offertes voor teruglevering worden afgegeven, tenzij er door het wegvallen van al geplande projecten of door maatregelen rond congestiemanagement alsnog ruimte ontstaat. Deze situatie zal naar verwachting blijven bestaan totdat TenneT een nieuw onderstation bij Musselkanaal heeft gerealiseerd. In het investeringsplan van TenneT staat de ingebruikname van dit onderstation in 2027 gepland.
8Zie Investeringsplan Net op land 2022-2031, p.62.
Figuur 2. Capaciteitskaart van netbeheerder voor teruglevering van opgewekte energie. Oranje wil zeggen dat sprake is van structurele congestie die is gemeld bij de ACM waardoor het in behandeling nemen van nieuwe aanvragen niet mogelijk is.
9Zie Beperkte capaciteit op het elektriciteitsnet voor terugleveren | Enexis Netbeheer voor actuele capaciteitskaart.
De belemmering in de realisatie van grootverbruikaansluitingen is een groot knelpunt voor de realisatie van meer zonne- en windenergie. Dit lijkt tijdig te worden opgelost om de doelstellingen voor Westerwolde in het kader van de RES niet in gevaar te laten komen (vanaf 2027 is het realiseren van nieuwe aansluitingen weer mogelijk) maar levert in de tussentijd wel een grote uitdaging op. We willen als gemeente verschillende maatregelen nemen om hierop in te spelen:
•Het actief benaderen van ondernemers om mee te denken of (een groot deel van) het dak wel benut kan worden binnen kleinverbruikaansluiting, eventueel na uitbreiding van die kleinverbruikaansluiting tot 3 x 80 ampère.
Met een aansluiting van 3 x 80 ampère, waar een deel van de bedrijven naar verwachting over beschikt, is het namelijk nog steeds mogelijk om ongeveer 120 zonnepanelen aan te sluiten. Voor een deel van de daken zal dit voldoende zijn om (een groot deel van) het dakoppervlak te benutten.
•Coördineren van realisatie van zonnedaken waarvoor grootverbruikaansluiting nodig is. Door gebiedsgericht te inventariseren welke daken geschikt zijn om zonnepanelen op te plaatsen, kan worden geborgd dat een zo groot mogelijk deel van deze daken ook spoedig na het beschikbaar komen van aanvullende netcapaciteit kan worden aangesloten (zie paragraaf 3.4 voor meer details).
•Rond bedrijventerreinen (met name het bedrijventerrein Zuid-Groningen gezien activiteittype) de uitwisseling van data over verbruik en opwek van elektriciteit faciliteren zodat, in overleg met de netbeheerder, kan worden gekeken of aanvullende capaciteit mogelijk is. Eventueel in combinatie met een virtueel lokaal energiesysteem (VLES).
•In het kader van nieuwe projecten in een vroegtijdig stadium de afstemming met de netbeheerder zoeken om te kijken wat wel mogelijk is.
2. Opgave
2.3. Invulling resterende opgave en zonneladder voor Westerwolde
2.3.1. Trede 1: zon op dak (stimuleren)
Zonnepanelen op daken hebben prioriteit. Het heeft de voorkeur om een zo groot mogelijk deel van de resterende opgave in te vullen met zonnepanelen op daken. Daarbij tellen daken van woningen (vermogen van minder dan 15 kWp ofwel ongeveer 40 zonnepanelen) niet mee voor het bereiken van de doelstelling van de RES. Dat wil niet zeggen dat we zon op kleine daken niet stimuleren. In paragraaf 3.3 hebben we hiervoor maatregelen uitgewerkt.
Voor de invulling van de opgave kijken we dus uitsluitend naar installaties op daken groter dan 15kWp. In het kader van de RES is onderzocht wat het maximale vermogen is dat met zonnepanelen op grote daken zou kunnen worden ingevuld.
14Zie Achtergronddocument Elektriciteit van RES 1.0 Groningen.
Dit betreft 78,5 mWp. Omgerekend in verwachte opwek aan duurzame energie per jaar is dat ongeveer 240 TJ. Hier is niet aannemelijk dat het zal lukken alle grote daken daadwerkelijk te benutten voor 2030. Bijvoorbeeld omdat niet alle daken technisch geschikt zijn voor zonnepanelen, niet alle eigenaren interesse hebben om zonnepanelen te plaatsen, en mogelijk niet het volledige dakoppervlak wordt benut. We nemen aan dat dit voor 50% van het dakoppervlak zou lukken mits dit actief wordt gestimuleerd. Daarmee zou dus 120 TJ aan opgewekte hernieuwbare energie kunnen worden gerealiseerd. Indien de projecten die op dit moment onzeker zijn niet doorgaan, is er nog een restopgave van 300 TJ.
In paragraaf 3.4 is beschreven welke maatregelen we nemen om zonnepanelen op dit type daken te stimuleren. Deze inzet is onafhankelijk van de realisatie van de projecten die nu in procedure zijn.
2.3.2. Trede 2: kleine zonneparken bij dorpskernen (kaders stellen)
Kleinschalige zonneparken die direct grenzen aan dorpskernen vormen de tweede trede. We willen de realisatie van dit soort zonneparken met het beleidskader faciliteren. Dit betekent dat we kaders uitwerken waarbinnen de realisatie van dit soort zonneparken mogelijk is. Dit betreffen de voorwaarden in paragraaf 4.3, 4.4, 4.5, 4.6 en 4.7.
Als uitgangspunt voor deze kleinschalige zonneparken hanteren we het principe van schaal bij schaal. Dat betekent dat de omvang van het zonnepark afhangt van de omvang van een dorpskern. Als richtlijn geldt dat de omvang daarom proportioneel is aan het aantal inwoners van de betreffende kern en de opgewekte energie bedoeld is voor het verbruik van de betreffende dorpskern. Als vuistregel hanteren we dat per 1.000 inwoners 2 hectare aan oppervlakte voor zonnepanelen proportioneel is met een maximumomvang van 10 hectare bruto oppervlakte. Bruto betekent inclusief de benodigde ruimte voor landschappelijke inpassing en meervoudig ruimtegebruik.
15Uitgaande van een gemiddeld verbruik per persoon van 1.500 kWh per jaar.
De plaatsing van kleinschalige zonneparken grenzend aan dorpskernen is niet toegestaan voor zover de betreffende locatie zich in NNN-gebied bevindt of de direct hieraan grenzende gebieden (zie figuur 6 in paragraaf 4.2).
We gaan ervan uit dat tot 2030 aan ongeveer 20 hectare van dit soort kleinschalige dorpszonneparken worden gerealiseerd. We verwachten daarmee tussen de 75 en 100 TJ aan duurzame energie op te wekken. Het faciliteren van dit soort kleinschalige zonneparken is onafhankelijk van de realisatie van projecten die nu in procedure zijn. Wel zal het ook voor deze projecten een uitdaging zijn om een netaansluiting te realiseren voordat er meer capaciteit is gerealiseerd met een extra onderstation (zie paragraaf 1.3.6).
Figuur 4. Visualisatie van een zonnepark van respectievelijk 1, 10 en 100 hectare.
2.3.3. Trede 3: kleine zonneparken in buitengebied (kaders stellen)
Alleen als de doelstelling met projecten die in procedure zijn nog niet in zicht is, dan bieden we de mogelijkheid om kleine zonneparken in het buitengebied te realiseren. Momenteel (begin 2023) zijn er voldoende projecten in procedure en worden er dus geen nieuwe projecten in procedure genomen.
Indien de eerder genoemde onzekere projecten niet doorgaan is er maximaal nog een opgave van 200 TJ die met kleine zonneparken in trede 3 dient te worden ingevuld. Het oppervlakte aan zonnepanelen in deze zonneparken mag maximaal 10 hectare bruto oppervlakte zijn, dus inclusief de ruimte voor landschappelijke inpassing en meervoudig ruimtegebruik. Zie figuur 4 voor een visualisatie van zonneparken van verschillende omvang.
16Zie Grondgebonden Zonneparken – Verkenning naar de afwegingskaders rond locatiekeuze en ruimtelijk inpassing in Nederland.
Indien de zonneparken die momenteel in procedure zijn maar waarvan realisatie nog onzeker is niet door gaan dan is er nog ruimte voor 5 tot 8 zonneparken van 10 hectare. Ook hiervoor geldt dat dit wel afhankelijk is van het beschikbaar komen van extra capaciteit op het elektriciteitsnet (zie paragraaf 1.3.6).
Dit soort kleine zonneparken staan we uitsluitend toe in grootschalig open landschap en op kwalitatief minder hoogwaardige landbouwgronden. In paragraaf 4.2 is uitgewerkt welke locaties dit zijn.
Voor de plaatsing van deze zonneparken gelden eveneens de voorwaarden die in paragraaf 4.3 tot en met 4.7 zijn uitgewerkt.
2.3.4. Trede 4: in de rest van Westerwolde verbod op zonneparken
Voor grotere zonneparken groter dan 10 hectare bruto en voor alle andere gebieden geldt dat zonneparken in het landschap niet zijn toegestaan.
We verwachten op deze wijze voldoende mogelijkheden te bieden om de RES-opgave in te vullen. Zoals eerder beschreven starten we in 2026 met de evaluatie van het beleid. Mocht de doelstelling dan nog niet in zicht zijn kunnen er op dat moment nog aanpassingen worden doorgevoerd om de opgave voor 2030 alsnog te behalen.
3. Zon op dak
3.3. Woningen (kleine daken)
3.3.1. Nieuwbouw
Momenteel moeten alle nieuwe vergunningsaanvragen voor woning- en utiliteitsbouw en voor alle renovaties voldoen aan de BENG-normering (Bijna EnergieNeutrale Gebouwen). Naar verwachting leidt dit ertoe dat veel nieuwbouw over zonnepanelen zal beschikken. De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om dit via maatwerkregels ook als aanvullende eis voor de omgevingsvergunning op te nemen. Indien dit nodig blijkt, en de Omgevingswet in werking is getreden, maken we van deze mogelijkheid gebruik om te borgen dat alle nieuwbouw over zonnepanelen beschikken.
3.3.2. Particuliere woning (koop en huur)
Particuliere woningeigenaren (al dan niet in een VvE verenigd) beschikken over een belangrijk deel van het dakoppervlak in Westerwolde. Zij zijn dus een belangrijke doelgroep om te bereiken dat een zo groot mogelijk deel van het dakoppervlak benut wordt voor zonnepanelen. Belangrijke belemmeringen die worden genoemd in het kader van zonnepanelen op eigen dak realiseren zijn 1) dat het proces om een leverancier te zoeken, belastingvoordelen te realiseren, et cetera complex is en veel tijd kost; en 2) dat de investering in zonnepanelen niet gedragen kan worden.
20Zie Beleidsevaluatie zonneparken en kleine windmolens Westerwolde, mei 2022.
Om dit te doorbreken nemen we de volgende maatregelen:
•We gaan de informatie met betrekking tot verduurzaming centraal ontsluiten (online en offline) en inwoners actief informeren over de mogelijkheden (bijvoorbeeld via post). Vanuit dit punt worden verschillende acties, zoals stimuleren zonnepanelen, energiebesparing en duurzaamheidsfonds gecoördineerd.
•We gaan actiever inzetten op onafhankelijke energiecoaches die persoonlijk advies kunnen geven en kunnen helpen met het daadwerkelijk realiseren van oplossingen. Deze energiecoaches zetten we niet alleen in voor zonnepanelen maar spelen ook een rol in het stimuleren van energiebesparende maatregelen middels bijvoorbeeld isolatie. De energiecoaches zijn verbonden zijn aan het lokale energieloket. Hierbij wordt ook actief doorverwezen naar landelijke maatregelen zoals de mogelijkheid om tegen gunstige voorwaarden een lening aan te gaan voor de plaatsing van zonnepanelen bij het nationaal warmtefonds.
•We laten een scan uitvoeren naar schaduwwerking van openbaar groen op daken. Afhankelijk van de uitkomsten van deze scan bepalen we of vervolgactie wordt ondernomen om schaduwwerking van openbaar groen op daken te voorkomen.
Voor woningen die door particulieren verhuurd worden zetten we de voorgaande instrumenten eveneens in. Complexiteit daarbij is dat het belang om daadwerkelijk maatregelen te nemen vaak versnipperd is. De huurder heeft belang bij het plaatsen van zonnepanelen voor de energierekening op de korte termijn maar profiteert niet van de waardestijging door geplaatste zonnepanelen op de lange termijn. Landelijk wordt onderzocht hoe hier een oplossing voor kan worden gerealiseerd.
21Zie Kamerbrief over rol zonne-energie in energietransitie.
Dit volgen we en hier sluiten we bij aan zodra een oplossing beschikbaar is.
3.3.3. Huur (woningbouwcorporaties)
In Westerwolde zijn woningbouwcorporaties Acantus en Woonzorg Nederland actief. Jaarlijks worden prestatieafspraken gemaakt met Acantus en Bewoners Organisatie Westerwolde (BOW). In de prestatieafspraken voor 2023 zijn onder meer afspraken gemaakt over het verduurzamen van sociale huurwoningen met energielabels E, F en G. Er zijn nog geen expliciete afspraken over zonnepanelen gemaakt. Met Woonzorg Nederland lopen nog meerjarige prestatieafspraken. Ook daarin komt de verduurzaming van de woningvoorraad in algemene zin terug maar wordt niet expliciet gesproken over zonnepanelen.
Omdat we als gemeente ook het dakoppervlak van sociale huurwoningen graag benutten voor de opwek van duurzame energie kijken we of dit een plek kan krijgen in de jaarlijkse en meerjarige prestatieafspraken van 2024 en verder.
3.4. Bedrijven en schuren (grote daken)
3.4.1. Actief meedenken wat wel mogelijk is
Zoals in paragraaf 1.3.6. aangegeven is het momenteel niet mogelijk om nieuwe grootverbruikaansluitingen te realiseren voor de netbeheerder. Het aansluiten van zonnepanelen binnen een kleinverbruikaansluiting is wel mogelijk. Deze kleinverbruikaansluiting kan maximaal 3 x 80 ampère zijn. Daarmee is het nog steeds mogelijk om ongeveer 120 zonnepanelen aan te sluiten. Voor een deel van de grote daken zal dat voldoende zijn. Een deel van de eigenaren van deze daken beschikt mogelijk al over een aansluiting van 3 x 80 ampère en een deel van de aansluitingen kan door de netbeheerder worden uitgebreid tot 3 x 80 ampère. Als gemeente gaan we dakeigenaren actief benaderen en ondersteunen om te onderzoeken wat mogelijk is binnen een, eventueel uitgebreide, kleinverbruikaansluiting.
3.4.2. Coördinatie ten behoeve van efficiënte aansluiting
Om te borgen dat een zo groot mogelijk deel van de grote daken ook daadwerkelijk aangesloten kan worden is het belangrijk om in een vroegtijdig stadium te inventariseren welke daken daadwerkelijk geschikt zijn en welke eigenaren daadwerkelijk zonnepanelen op hun dak willen realiseren. We gaan daarom een actieve rol spelen in de coördinatie van zonnepanelen op grote daken. Dit doen we in twee fasen:
•2023 – 2024: inventariseren welke daken geschikt zijn en welke dakeigenaren zonnepanelen willen plaatsen. Dit doen we door een subsidie te verstrekken voor het uitvoeren van onderzoek naar de technische geschiktheid van daken.
•2026 en verder: gebiedsgericht stimuleren van aanvragen van een (grotere) aansluiting bij netbeheerder zodat deze beter per gebied kan inschatten welke capaciteit benodigd is. Dit doen we door deze aanvragen per gebied te coördineren. Bijvoorbeeld door in de eerste helft van 2026 te focussen op alle grote daken rond Wedde, de tweede helft van 2026 op alle grote daken rond Ter Apel, enzovoort. In het kader van Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (PMIEK) is de provincie verantwoordelijk om regionale middellange termijn visie op te stellen voor het regionale energienet.
22Zie Kamerbrief over hoofdlijnen Programma Energiehoofdstructuur.
Daarom zoeken we de samenwerking met de netbeheerder en de provincie om tot een voor Westerwolde gebiedsgerichte aanpak te kunnen komen.
3.4.3. Stimuleren om zo groot mogelijk oppervlakte te benutten
Het is voor eigenaren van grote daken momenteel veelal niet aantrekkelijk om meer zonnepanelen te realiseren dan voor het eigen verbruik noodzakelijk is. Veelal wordt een deel van grote daken daardoor niet benut. Om dit in de toekomst te voorkomen doen we het volgende:
•Eigenaren van grote daken die geïnteresseerd zijn om zonnepanelen te plaatsen in contact brengen met inwoners, energiecoöperaties of andere bedrijven die op zoek zijn naar een beschikbaar dak voor zonnepanelen, omdat het eigen dak niet geschikt is voor zonnepanelen. Vervolgens faciliteren we als gemeente in de totstandkoming van afspraken tussen dakeigenaar en inwoner/energiecoöperatie.
•Onderzoeken of we als gemeente kunnen investeren in zonnepanelen op het onbenutte dakoppervlak van niet-gemeentelijke eigendommen. Dit onderzoek maakt onderdeel uit van de verkenning naar de mogelijkheid om een gemeentelijk energiebedrijf voor de opwek van duurzame energie op te richten (zie paragraaf 4.1).
3.4.4. Informatievoorziening via centraal punt
Om eigenaren van bedrijfsgebouwen en/of (agrarische) schuren bewust te maken van de mogelijkheden om zonnepanelen op het dak te plaatsen gaan we hen actief informeren. Hiervoor wordt een centraal punt (online en offline) gebruikt. We zullen dakeigenaren op deze manier in ieder geval informeren over de hiervoor genoemde mogelijkheden, maar ook wijze op landelijke en provinciale regelingen om de realisatie van zonnepanelen te stimuleren. Denk bijvoorbeeld aan het Fonds Nieuwe Doen
23Zie Ondernemer/Bedrijf - Fonds Nieuwe Doen Groningen.
en de pilot SamenZONderAsbest
24Zie SamenZONderAsbest - Provincie Groningen.
van de provincie Groningen.
3.4.5. Nieuwbouw bedrijfsruimte
We willen voorkomen dat nieuwe bedrijfshallen ongeschikt zijn om zonnepanelen op te plaatsen. We onderzoeken daarom de mogelijkheid om in de vergunningsvoorschriften op te nemen dat dakconstructie geschikt dient te zijn om zonnepanelen op het dak te realiseren.
4. Zon op land
4.2. Waar wel en waar niet
4.2.1. Industriële veenkoloniën
Aan de grens met Duitsland liggen de industriële Veengebieden, een heideontginningslandschap met jonge ontginningsdorpen. In het gebied ligt het vestingdorp Bourtange. Voor de Industriële veenkoloniën geldt dat in een straal rond Bourtange zonneparken niet toegestaan zijn. Dit heeft te maken met cultuurhistorische waarden en behoud van open landschap rond de vesting. Daarbuiten zijn kleine zonneparken toegestaan tot 10 hectare bruto (zie figuur 8). Aandachtspunt hierbij is wel dat bouwwerken, waaronder zonneparken, niet zijn toegestaan in een strook van 376,7 meter van de grens met Duitsland (zie paragraaf 1.3.5).
4.2.2. Westelijke zandgebied
In het westen van Westerwolde is een grootschalig jong gebied met zandgronden te vinden. Verder naar het zuiden toe gaat dit gebied over in de randveenontginningen en de Drentse monden (Veenkoloniën). In het westelijke zandgebied zijn zonneparken niet toegestaan in de lintbebouwing. Daarbuiten geldt dat kleine zonneparken tot 10 hectare zijn toegestaan (zie figuur 9).
Figuur 8. Mogelijkheden voor kleine zonneparken in industriële veenkoloniën.
Figuur 9. Mogelijkheden voor kleine zonneparken in westelijke zandgronden.
Momenteel wordt ook gewerkt aan een aanscherping van de omgevingsvisie van Westerwolde en nader onderzoek naar de cultuurhistorische waarden van het landschap. Dit zou effect kunnen hebben op de gebieden waar zonneparken wel en niet gewenst zijn. Indien in het kader van de omgevingsvisie andere keuzes worden gemaakt over de inpassing van zonneparken in het landschap zal de omgevingsvisie leidend zijn.
4.3. Landschappelijke inpassing en ecologische waarde
4.3.1. Landschappelijke inpassing: verdiepingsslag
In 2020 is in samenwerking met de provincie Groningen de landschappelijke verdiepingsslag opgesteld als aanvulling op het voorgaande beleidskader. Uit de beleidsevaluatie is gebleken dat de uitgangspunten uit deze landschappelijke verdiepingsslag nog steeds actueel zijn en voldoen. Daarom nemen we deze, voor zover qua gebieden nog van toepassing, over in dit beleidskader. Over het algemeen gelden de volgende basiscriteria bij het inpassen van een zonnepark:
•Passend in de schaal van het landschap en aansluitend op landschappelijke kenmerken van het gebied. Op landschapsniveau wordt gestreefd een zonnepark zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de ruimtelijke hoofdstructuur. Daarnaast moet er per locatie gekeken worden welke maat en schaal past bij de omgeving. Bij een klein dorp bijvoorbeeld past geen heel groot zonnepark terwijl dit bij een industrieterrein beter passend is.
•Passende afstand tot woningen en linten. Een zonnepark dient op een passende afstand te liggen van woningen en linten. Maar wat is precies een passende afstand? De meest geschikte locaties voor zonneparken in landelijk gebied worden gezien als locaties met kenmerken van verstedelijking, en plekken waar vraag en aanbod in balans zijn. Bijvoorbeeld aan de rand van een kern. Echter is het ook belangrijk dat bewoners geen hinder ondervinden aan een zonnepark nabij hun woningen. Daarom hanteren we een richtlijn van 50 meter afstand tot bebouwing en linten. Daarmee ontstaat ruimte om maatregelen te treffen om zichtlijnen op het zonnepark te beperken en een groene rand te creeren.
•Afstand tot andere zonneparken. Ongewenste clustering van zonneparken willen we voorkomen. We nemen hiervoor als stelregel een minimale afstand van 500 meter tussen zonneparken. Per project wordt gekeken of deze afstand passend is in de situatie. In sommige gevallen kan clustering wenselijk zijn. Hierbij is clustering mogelijk tot de maximale omvang van 10 hectare bruto van één park (zie paragraaf 4.2).
Zoals in paragraaf 4.2. beschreven, onderscheiden we twee gebieden waar kleine zonneparken tot 10 hectare in het buitengebied mogelijk zijn. Voor deze landschappen zijn aanvullende criteria voor inpassing opgesteld, op basis van de kernkwaliteiten. Een overzicht is te vinden in de onderstaande tabel 1.
Tabel 1. Overzicht van de twee grootschalige landschapstypen en de bijbehorende aanvullende landschappelijke criteria.
Industriële veengronden
Westelijke zandgronden
•Rekening houden met grenstractaat
•Geen zonneparken nabij Bourtange
•Open zone aan de weg
•Zonneparken starten in lijn achter agrarisch bijgebouwen om grote ruimte van het landschap te kunnen ervaren
•Zonneparken beperken in hoogte (max 1.80 meter), en geen hoge beplanting in de randen
•Aan wegen zonder bebouwing en tussengebieden, linten vrijhouden
•Verdichting van randen mogelijk door diversiteit gebied
•Inpassingsrand gewenst, bijvoorbeeld: bomenwal, struweel, landbouwkundige beplanting, bosbeplanting
•Meerwaarde creëren voor gebied (natuurontwikkeling, natuur inclusieve landbouw, waterberging of de ontwikkeling van een bedrijventerrein)
Meer specifiek dienen op objectniveau een aantal uitgangspunten met betrekking tot de inpassing te worden gehanteerd:
•Zorgen voor een eenduidige kleurstelling met in ieder geval donkere kleuren.
•Zorgen voor een passende ordening van zonnepanelen en trafohuisjes. In elk geval door verspringing in het landschap te voorkomen en restruimtes binnen het zonnepark te laten vallen (zie figuur 10).
Figuur 10. Een zuid-opstelling is niet altijd passend bij de kavelstructuur van een zonnepark. Een passende ligging van de zonnepanelen kan inefficiënte restruimte voorkomen en zorgen voor een ruimtelijk logische buitengrens. Wanneer er toch wordt gekozen voor een opstelling die niet optimaal past binnen de kavelstructuur kunnen restruimtes het beste aan de binnenkant van het park worden opgelost zodat er geen gerafelde buitengrens ontstaat.
27Zie Handreiking locatiekeuze en ontwerp zonneparken van de Provincie Groningen.
4.3.2. Ecologische waarde
Zonneparken kunnen ook een kans bieden om de ecologische waarde van het landschap te versterken. Gezien de uitdagingen op het gebied van biodiversiteit willen we stimuleren dat deze kans zoveel mogelijk wordt benut. Op initiatief van de branchevereniging Holland Solar is de ‘Gedragscode Zon op Land’ opgesteld.
28Zie Gedragscode zon op land.
Deze gedragscode is ondertekend door negen partijen, waaronder verschillende natuurorganisaties en de vereniging van omwonenden van energieprojecten. De gedragscode gaat uit van drie centrale principes, waaronder het ontwikkelen van zonneparken met oog voor de natuur en meerwaarde voor de omgeving.
We sluiten zoveel mogelijk aan bij de uitgangspunten die in de gedragscode zijn opgenomen. Op enkele punten scherpen we deze aan. Op het gebied van ecologische waarde gelden daarmee minimaal de volgende uitgangspunten:
•In de gedragscode van Holland Solar is een ondergrens van 25% onbedekt oppervlak van het gebied opgenomen. Wij volgen dit maar expliciteren hierbij dat we hiermee bedoelen dat de ruimte tussen rijen zonnepanelen een onbedekte ruimte moet hebben van 25% van de lengte van een paneel (zie figuur 11). Het is dus niet de bedoeling dat het onbedekte oppervlak alleen aan de rand van het zonnepark gelegen is terwijl de panelen zelf dicht op elkaar staan. Onbedekt oppervlak met een andere functie voor het zonnepark, zoals voetpaden, tellen eveneens niet mee in het percentage. Ook bij een oost-westopstelling dient tussen elke rij minimaal 25% ruimte te worden behouden zodat wordt voorkomen dat ‘dakjes’ ontstaan. Deze maatregel heeft tot doel om de kwaliteit van de bodem zoveel mogelijk te behouden, door voldoende zonlicht en water toe te laten. Wanneer landschappelijke inpassing het toelaat is een verticale opstelling ook mogelijk gezien de beoogde voordelen voor de biodiversiteit en bodemkwaliteit.
Figuur 11. Minimale afstand 25% van grootte zonnepaneel tussen rijen panelen.
•Naast de voorgenoemde maatregel geldt dat de locaties waar kleine zonneparken tot 10 hectare mogelijk zijn (zie paragraaf 4.2) tevens belangrijke gebieden zijn voor akkervogels. We hanteren daarom als aanvullende eis dat minimaal 10% van het planoppervlakte optimaal wordt ingericht en beheert voor akkervogels. Indien mogelijk kan dit worden gecombineerd met de 25% ruimte tussen rijen panelen.
•Bij voorkeur kiezen voor een natuurlijke afscheiding, zoals een sloot, haag, of houtwal van inheemse soorten. Zorg in het geval van een hekwerk voor een verbinding met het achterland. Bijvoorbeeld door openingen aan te brengen die de migratie van dieren mogelijk maakt in de vorm van dassentunnels en kleinwildtunnels. Dit is met name relevant wanneer een zonnepark wordt geplaatst in een gebied met hoge natuurwaarden of een corridorfunctie.
•Standaard dienen er specifieke natuurelementen aan het gebied toe te worden gevoegd (bijvoorbeeld poelen, bijenhotel, nestplaatsen).
•Om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming dient te worden onderzocht of een zonnepark effect heeft op bijzondere dier- en plantensoorten. In hoeverre dit het geval is, zal per specifieke locatie verschillen.
•In het vegetatiebeheer wordt gestuurd op inheemse, kruidenrijke vegetaties. In de gedragscode van Hollands Solar is opgenomen dat er zo weinig frequent als mogelijk moet worden gemaaid. Weinig maaien kan voordelen hebben voor biodiversiteit, maar niet op alle soorten grond. Uit onderzoek is gebleken dat op voormalige landbouwgrond de bemeste bodem een grote belemmering is voor een hoge biodiversiteit van planten.
29Zie het onderzoek Verkenning van bodem en vegetatie in 25 zonneparken in Nederland: Eerste overzicht van de ligging van zonneparken in Nederland en stand van de kennis over het effect van zonneparken op de bodemkwaliteit van Wageningen University & Research.
Slechts enkele planten zijn in staat om in zulke condities te groeien. Voor voormalige landbouwgrond is het juist van belang dat de voedselrijkdom afneemt. Dit kan door in de eerste jaren minimaal twee keer per jaar te maaien en af te voeren.
•Om een zonnepark goed te kunnen beheren is monitoring van de natuurwaarden van het gebied voorafgaand, tijdens de exploitatie, en na de opruiming wenslijk. Voor zonneparken van meer dan 5 hectaren stellen we monitoring daarom verplicht. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het organiseren van de uitvoering van een nulmeting en opvolgende metingen voor monitoring, met een kennisinstelling of ecologisch bureau (bij voorkeur aangesloten bij Netwerk Groene Bureaus). Voor het monitoren van natuurwaarden in zonneparken dient het Meetprotocol biodiversiteit zonneparken te worden gevolgd.
30Meetprotocol biodiversiteit zonnevelden
De initiatiefnemer stelt een aanleg- en beheerplan op waarin wordt beschreven hoe voorgaande punten worden geborgd. Het beheerplan dient te zien op de volledige looptijd van de vergunning van 30 jaar. In het proces van vergunningsverlening wordt dit plan beoordeeld door de gemeente (zie het stappenplan in bijlage II). Voor de beoordeling maken we gebruik van ecologische expertise, of door deze zelf in de organisatie te betrekken of door bijvoorbeeld advies te vragen aan natuurorganisaties als NMF Groningen of IVN.
Het huidige beleid sluit aan wat er tot dusver bekend is op het gebied van biodiversiteit bij zonneparken.
31Zie bijvoorbeeld Literatuurstudie naar mogelijkheden voor een ecologische inrichting van zonneparken.
Er wordt echter nog volop onderzoek gedaan naar biodiversiteit in zonneparken. Op dit moment wordt er door verscheidene partijen gewerkt aan de ontwikkeling van het EcoCertified Solar Label.
32Zie Het EcoCertified Solar Label.
Een eerste versie zal waarschijnlijk worden gepresenteerd in 2023. Indien een dergelijk label beschikbaar komt wordt de eis opgenomen dat de plannen voor een zonnepark voldoen aan de eisen voor het verkrijgen van het EcoCertified Solar Label.
4.5. Betrokkenheid aan- en omwonenden
4.5.1. Onderscheid tussen aan- en omwonenden
In navolging van de aanbevelingen uit de evaluatie maken we onderscheid tussen aan- en omwonenden, omdat we vinden dat iemand die direct vanuit de woning de gevolgen van een project ervaart op een andere manier betrokken dient te worden dan een bredere groep betrokkenen.
Figuur 12. Schematische weergave aan- en omwonenden zonnepark
Met aanwonenden bedoelen we mensen die direct zicht op en/of overlast hebben van het zonnepark. De precieze afstand is afhankelijk van de omvang van een zonnepark. Voor zonneparken tot 5 hectare geldt de grens van 500 meter en voor grotere zonneparken de grens van 1.000 meter. Aanwonenden kunnen ook inwoner zijn van een andere gemeente wanneer een project dicht bij de gemeentegrens ligt. Afhankelijk van de uitkomst van de discussie over het grenstractaat zou het kunnen dat ook inwoners uit Duitsland dienen te worden betrokken.
Met omwonenden bedoelen we mensen die buiten deze zone wonen in een zone van 3 tot 5 kilometer van het zonnepark. Ook deze afstand wordt vastgesteld vanaf de rand van het zonnepark en is afhankelijk van de omvang van een project en de situatie op een specifieke locatie. Voor zonneparken tot 5 hectare geldt de grens van 3 kilometer en voor grotere zonneparken de grens van 5 kilometer. Mensen binnen deze zone wonen nabij het project, maar ervaren minder hinder dan aanwonenden.
4.5.2. Betrokkenheid aan- en omwonenden
In de beleidsevaluatie is één van de bevindingen dat de gemeente duidelijker moet voorschrijven hoe het betrekken van aan- en omwonenden eruit zou moeten zien en dat zij in een vroeg stadium betrokken moeten worden. Direct nadat we verkennend gesprek met de initiatiefnemer hebben gevoerd over de kans rijkheid van een locatie vragen we de initiatiefnemer daarom in gesprek te gaan met om- en aanwonenden. We vragen de initiatiefnemer op basis van die gesprekken een omgevingsovereenkomst met in elk geval de aanwonenden te sluiten. Als dit niet lukt dient de initiatiefnemer te beargumenteren waarom dit niet is gelukt en dient een participatieplan in te worden gediend. In de omgevingsovereenkomst of het participatieplan wordt minimaal ingegaan op de wijze waarop de omgeving in het vervolg van het project wordt betrokken, welke nadeelcompensatiemogelijkheden er zijn en hoe lokaal eigendom zal worden ingericht (zie paragraaf 4.6).
Als gemeente vinden we het belangrijk dat om- en aanwonenden zich gehoord voelen. Niet iedereen hoeft het eens te zijn maar een omgevingsovereenkomst of participatieplan dient wel een goed beeld van de meningen te geven. We passen daarom de methode van wederhoor toe waarbij we als gemeente beoordelen of ingediende documentatie overeenkomt met beeld uit de bijeenkomsten. We zijn daarom als toehoorder aanwezig en nemen indien nodig contact op met aan- en omwonenden.
Nadat omgevingsovereenkomst of participatieverslag zijn geaccordeerd kan gestart worden met de planuitwerking zelf. In die fase worden keuzes gemaakt over landschappelijke inpassing en ecologische waarde. Daar dient de omgeving opnieuw bij betrokken te worden. Bij de uiteindelijke vergunningsaanvraag dient een participatieverslag te worden gevoegd waarin wordt beschreven op welke wijze is omgegaan met de inbreng vanuit de verschillende bijeenkomsten. Ook in deze fase passen we wederhoor toe voordat daadwerkelijk tot vergunningverlening wordt overgegaan.
In bijlage II zijn de stappen in het proces in detail beschreven.
4.6. Lokaal eigendom
4.6.1. Uitgangspunt: minimaal 50% lokaal eigendom eis
Lokaal eigendom is een begrip dat ruimte laat voor interpretatie. Daarom is het belangrijk om duidelijk te maken hoe wij hier als gemeente invulling aan willen geven. Als startpunt gebruiken we de definitie uit de RES: “Lokaal eigendom bij duurzame energieprojecten is het risicodragend (mede-) ontwikkelen en - exploiteren van die energieprojecten door lokale partijen, met het oogmerk de opbrengsten ervan ook weer lokaal in te zetten voor CO2-reductie, lastenverlichting en leefbaarheid”.
Deze definitie vullen we verder aan door vast te stellen wie wij als lokale partijen beschouwen. Met lokale partijen bedoelen we:
•Ten eerste inwoners van de gemeente, bij voorkeur verenigd in een energiecoöperatie waar lidmaatschap in ieder geval open staat voor alle aan- en omwonenden.
•Ten tweede behoren bedrijven, stichtingen en verenigingen in de omgeving tot lokale partijen die mogen participeren maar enkel door lidmaatschap van een lokale energiecoöperatie.
•Ten derde wordt de mogelijkheid onderzocht om als gemeente eigenaar te zijn wanneer het niet lukt om aan 50% lokaal eigendom de komen met de hiervoor genoemde lokale partijen (zie paragraaf 4.1.).
We achten het van belang dat de initiatiefnemer in een vroegtijdig stadium al het gesprek aan gaat met de lokale energiecoöperatie(s) en de omgeving over de mogelijkheid om mede-eigenaar te worden.
Daarom dient de initiatiefnemer direct na een eerste verkennend gesprek in overleg te treden met lokale energiecoöperaties en de omgeving over de mogelijkheden van lokaal eigendom. De afspraken over lokaal eigendom dienen te zijn vastgelegd voordat de daadwerkelijk inpassing van het zonnepark vorm krijgt. In bijlage II is in detail uitgewerkt hoe het gesprek over lokaal eigendom in de totale procedure past.
Om te borgen dat het lokaal eigendom ook over een redelijk deel van de gemeenschap wordt gedeeld hanteren we een eis over het minimaal aantal deelnemers. Hiervoor hanteren we de volgende regel: van lokaal eigendom is sprake wanneer 10% van de adressen binnen een straal van 5 kilometer van een project deelneemt, met een maximaal geëiste deelnemers van 100 adressen. Dit laatste voorkomt dat een onredelijk hoog aantal adressen wordt geëist indien een dorpskern binnen de straal van 5 kilometer valt. Deze voorwaarden aan de vorm van lokaal eigendom leggen we vast in de anterieure overeenkomst die we als gemeente sluiten met de initiatiefnemer.
Om te borgen dat energiecoöperaties volgens het coöperatieve gedachtegoed opereren dienen energiecoöperaties aan een aantal minimale voorwaarden te voldoen om lokaal eigendom in te kunnen vullen. Deze voorwaarden betreffen:
•Er dient vrije toe- en uittreding mogelijk te zijn;
•De winsten komen ten goede aan de lokale gemeenschap;
•Er is een democratisch besluitvormingsproces voor leden ingericht;
•Er wordt rekening mee gehouden dat ook inwoners met beperkte middelen lid kunnen worden.
We gaan als gemeente met het samenwerkingsverband ‘Platform Energietransitie Westerwolde’ (PEW) in gesprek over de mogelijkheid om deze voorwaarden te borgen door het samenwerkingsverband te formaliseren. Bijvoorbeeld door van PEW een overkoepelende coöperatie te maken met een gedragscode voor deelnemende energiecoöperaties. Zolang dit nog niet via PEW kan worden geregeld worden deze voorwaarden op een alternatieve wijze vastleggen. Bijvoorbeeld door de voorwaarden op te nemen in de anterieure overeenkomst die we als gemeente sluiten met de initiatiefnemer.
4.6.2. Duurzaamheids- en gebiedsfondsen
Er is reeds een aantal zonneparken gerealiseerd waarvoor lokaal eigendom middels een energiecoöperatie niet tot stand is gekomen. Om als lokale gemeenschap van de winsten van deze projecten te kunnen profiteren zijn duurzaamheids- en gebiedsfondsen ingericht. Uit de evaluatie van het oude beleidskader blijkt dat men er voorstander van is deze fondsen voort te zetten.
35Zie Beleidsevaluatie zonneparken en kleine windmolens Westerwolde, mei 2022.
De bestaande structuur van deze fondsen willen we doorzetten om ook in de toekomst te borgen dat de gemeenschap profiteert van de winsten van zonneparken. Dit doen we op de volgende wijze:
•Indien lokaal eigendom tot stand is gekomen hoeft een zonnepark uitsluitend een jaarlijkse afdracht aan het duurzaamheidsfonds te doen. Het duurzaamheidsfonds komt ten goede aan bredere projecten op het gebied van duurzaamheid in de gemeente. Het is in dit geval niet nodig om een afdracht aan het gebiedsfonds te doen omdat via het lokaal eigendom een deel van de winst al direct terugvloeit naar de directe omgeving. De bijdrage wordt betaald vanuit de rechtsvorm van het zonnepark en wordt dus naar verhouding van eigendom gedragen door de eigenaren van het zonnepark.
•Indien de energiecoöperatie(s) een verklaring hebben afgegeven dat het niet mogelijk is om lokaal eigendom te realiseren dan dient het zonnepark zowel een bijdrage te doen aan het duurzaamheidsfonds als aan een gebiedsfonds voor dat park.
In de praktijk betekent dit dat de bijdragen aan de duurzaamheids- en gebiedsfondsen twee keer zo hoog is als lokaal eigendom niet tot stand is gekomen.
In de leidraad maatschappelijk rendement van eind 2019, opgesteld als uitwerking van het voorgaande beleidskader, is vastgesteld hoeveel er moet worden afgedragen en hoe de inkomsten uit de fondsen worden besteed. De bedragen in deze leidraad herijken we op basis van de meest recente inzichten in de businesscase van zonneparken.
5. Wind
5.1. Voorwaarden
5.1.1. Voorwaarden provincie Groningen
De provincie Groningen staat kleine windmolens met een ashoogte tot 15 meter toe binnen agrarische en niet-agrarische bouwpercelen met uitzondering van NNN-gebied en overige natuurgebieden. Daarnaast is er een pilotregeling vanuit de provincie om windmolens toe te staan binnen een zone van 25 meter rond een agrarisch bouwperceel of in een park- of lijnopstelling t.b.v. een lokaal initiatief. De pilotregeling is gemaximeerd tot drie pilotprojecten per landschapstype: dijkenlandschap, wierdenlandschap, esdorpenlandschap, parkachtig esdorpenlandschap, veenkoloniaal landschap, heide-ontginningslandschap en wegdorpenlandschap. Het maximumaantal pilotprojecten in de landschapstypen dijkenlandschap en wegdorpenlandschap (dat ook in de gemeente Westerwolde voorkomt) is reeds bereikt. Deze pilotregeling wordt in 2024 mogelijk verbreed.
Als gemeenten voegen we hier enkele voorwaarden aan toe op het gebied van locatie en inpassing.
5.1.2. Waar wel en waar niet
De plaatsing van kleine windmolens is toegestaan in het buitengebied en aan de randen van woongebieden/ dorpskernen. In NNN-gebied en in woongebieden zelf is de plaatsing van kleine windmolens uitgesloten.
5.1.3. Inpassing
Qua inpassing gelden een aantal voorwaarden:
•Achter de hoofdbebouwing. Dit omdat het bouwwerk anders op een dominante wijze het beeld gaat bepalen. Voorkeur verdient plaatsing achter op het erf of op ruime afstand van de achtergevelrooilijn van de hoofdbebouwing. Een afstand tot woningen van ten minste vier keer de ashoogte is een verplichte afstand uit de Wet milieubeheer.
•Passend bij de erfstructuur. De geplaatste windmolen dient de bestaande bebouwing- en erfstructuur te ondersteunen. Te denken valt hierbij aan plaatsing in de lijn met de bestaande bebouwing, in het hart van bestaande bebouwing of op hoekpunten van kavels.
•Onopvallende kleurstelling. Geadviseerd wordt zoveel mogelijk gebruik te maken van natuureigen en donkere kleurtonen. Felle kleurstelling dienen te worden voorkomen.
5.1.4. Ecologische impact
De provincie Groningen heeft een pilot onderzoek laten uitvoeren naar de impact van kleine windmolens op vleermuizen en vogels.
38Eindrapportage ‘Pilot project effecten kleine windturbines op vogels en vleermuizen’.
Het verkennende onderzoek is uitgevoerd naar windmolens nabij boeren erven. Uit het onderzoek komt naar voren dat er enkele vogelsoorten zijn die verhoogd risico lopen om aanvaringsslachtoffer te worden. Of dit ook daadwerkelijk effect heeft op de populatie grootte hangt af van de soort. Ook vleermuizen kunnen binnen de risicozone van kleine windmolens komen en daarmee mogelijk aanvaringsslachtoffer worden. Wanneer er in de hele provincie op grote schaal kleine windmolens worden geplaatst zullen deze effecten groter zijn. Door het verkennende karakter van het onderzoek kan er echter niet te veel gewicht worden toegekend aan de conclusies.
Gezien de geringe aantallen kleine windmolens in Westerwolde zien we de ontwikkeling van kleine molens voorlopig niet als zorgelijk. Wel is het van belang dat de ecologische impact van kleine windmolens wordt gemonitord. Hiervoor sluiten we aan bij breder onderzoek dat de provincie Groningen in dit kader zal uitvoeren.
5.1.5. Geluid
Als een windmolen draait produceert hij zowel energie als geluid. Er zijn afspraken gemaakt over hoeveel geluid van een windmolen hoorbaar mag zijn op geluidsgevoelige objecten, zoals woningen.
In de praktijk bepalen deze geluidsnormen vooral op welke afstand een windmolen tot woningen moeten staan. Het is afhankelijk van het type molen hoeveel geluid deze produceert, en dus wat de afstand moet zijn. Het uitvoeren van geluidsonderzoek is wettelijk verplicht voor de plaatsing van molens met een rotor diameter groter of gelijk aan 2 meter.
39Uitleg Geluid in 't kort - Windturbines.
Kleine windmolens dienen aan deze normen te voldoen.
6. Overige maatregelen en andere technieken
6.2. Opslag en transport
6.2.1. Batterijen
Batterijen vormen potentieel een oplossing in gebieden waar transportschaarste dreigt en kunnen helpen om vraag en aanbod in balans te brengen. Met een batterij kan opgewekte energie worden opgeslagen om op een later moment beschikbaar te stellen wanneer er meer vraag en/of minder aanbod van duurzame energie is. Zo vindt er een gelijkmatigere levering plaats en is er minder sprake van piekbelasting. Het gebruik van batterijen voor opslag van duurzaam opgewekte energie wordt steeds realistischer omdat de prijzen van batterijen dalen en de energieprijzen stijgen. Toch worden batterijen bij zonneparken niet rendabel voor 2030 zonder aanvullend (landelijk)beleid.
41Zie het rapport Omslagpunt grootschalige batterijopslag.
Ondanks dat aanvullend beleid nodig is, moedigen we het aan dat initiatiefnemers gebruik maken van batterijen om vraag en aanbod beter in balans te brengen. We staan daarom welwillend tegenover initiatieven die gebruik wensen te maken van batterijen. We volgen voor de plaatsing van batterijcapaciteit de voorwaarden voor de plaatsing van bouwwerken conform het bestemmingsplan. Er is enkel een tijdelijke uitzondering mogelijk voor de duur van de tijdelijke omgevingsvergunning van het zonnepark.
We willen hiermee voorkomen dat er in het zicht zeecontainers met batterijen worden geplaatst, maar zorgen dat er wordt gezocht naar oplossingen die uit het zicht onttrokken zijn. Denk bijvoorbeeld aan batterijcapaciteit onder de zonnepanelen of onder het maaiveld. Daarnaast moet een initiatiefnemer de veiligheidsrichtlijn voor energieopslag systemen in acht nemen (momenteel nog een concept).
42Veiligheidsrichtlijn Lithium-houdende energiedragers: Energie Opslag Systemen – EOS.
Deze richtlijn zal eisen bevatten met betrekking tot constructie, plaatsing en onderhoud.
6.2.2. Waterstof
Naast batterijen is waterstof een techniek die sterk in de belangstelling staat. Noord-Nederland is door de Europese Unie als eerste erkende Hydrogen Valley van Europa aangewezen.
43Het HEAVENN project
Dit betekent dat de regio subsidie ontvangt voor de ontwikkeling van een volledig functionerende groene waterstofketen.
Waterstof is geen bron van energie maar kan worden ingezet als middel om energie op te slaan en te transporten. We maken onderscheid in grijze, blauwe en groene waterstof. Grijze waterstof wordt gemaakt met fossiele brandstoffen en is niet duurzaam door de CO2 die vrijkomt bij productie. Bij blauwe waterstof wordt deze uitstoot afgevangen en in de grond gestopt. Groene waterstof wordt met behulp van bijvoorbeeld wind- of zonne-energie gemaakt. De opgewekte elektriciteit wordt door elektrolyse omgezet in waterstof. Bij dit proces gaat energie verloren maar er komt geen CO2 vrij.
Waterstof wordt momenteel voornamelijk gebruikt in industrie. In potentie kan het in de toekomst worden gebruikt voor transportmiddelen (denk aan vliegtuigen, zeeschepen, binnenvaart) en het verwarmen van gebouwen. Maar op dit moment is de productie van waterstof veelal nog te duur om dit op grote schaal mogelijk te maken. Waterstof is geschikter voor sommige toepassingen dan voor andere. Om dit te prioriteren is de waterstofladder opgesteld.
44Zie de Waterstofladder.
Als gemeente staan we welwillend tegenover initiatieven die gebruik willen maken van waterstof. Dit heeft als bijkomend voordeel dat het elektriciteitsnet hiermee kan worden ontlast en het een bijdrage kan leveren om de problemen op het gebied van netcongestie op te lossen. De beoordeling van dit soort initiatieven vindt plaats met bestaande beleidsregels aangaande bouwwerken in het landschap. Dit betekent ook voor waterstof zoeken naar oplossingen waarbij de omzetting veelal onder of op kleine schaal naast zonnepanelen zelf plaatsvindt en niet in grote industriële installaties naast een zonnepark.
Bijlage I. Overzicht lopende projecten
In onderstaand overzicht staan termen als MegaWattpiek (MWp) en Terajoule (Tj). MWp staat voor het geraamd vermogen van een zonnepark. Tj staat voor de verwachte opwek van energie. De opgave van Westerwolde tot 2030 bedraagt de duurzame opwek van 1.620 Terajoule. Omgerekend naar MegaWattpiek gaat het om ca. 550 MegaWattpiek.
Naam park
Status
mWp (geraamd vermogen)
TJ (verwachte opwek)
Plangebied in ha
Raming gebiedsfonds
Opmerking
Vloeiveldweg Harpel 1
(Powerfield)
Vergund Gereed
109
334
120
1.120.000
Contract vastgesteld vóór totstandkoming leidraad. 20 ha van het plangebied wordt gebruikt voor teelt blauwe bessen.
Zuidplas Sellingerbeetse
Vergund Gereed
41,1
126
25
3.000.000
-
Ter Apelkanaal (AVEBE)
Vergund in aanleg
15
46
10
0
Geen bijdrage, zonnepark is voor eigen gebruik AVEBE
Veenweg 23
Ter Apel
(Haarhuis en LCE)
Vergund, ingebruikname in 2022
20
61
32
1.200.000
Er loopt een vergunningstraject om een aanpassing te maken, Zie het pijplijnproject Veenweg 23.
Tweekarspelenweg Blijham (Tomorrow Energy)
Vergund, ingebruikname in 2023
18,5
57
30
1.080.000
-
Vloeiveldweg Harpel 2 (Powerfield)
Vergund, ingebruikname in 2026
76
233
76
7.200.000
-
Veendijk -Bellingwolde (Werkman en Solarfields)
Vergund, ingebruikname onbekend
66
202
57
5.580.000
Grenstractaat
Veenweg 23 Ter Apel toevoeging Noordzijde (Haarhuis/LCE)
Pijplijnproject ingebruikname in 2023
30
92
28
-
Dit is een aanpassing aan het vergunde project Veenweg 23.
AG Wildervanckweg Ter Apel (Rientjes en Ekwadraat)
Pijplijnproject, ligt stil
45
138
50
-
Project ligt stil vanwege ontwikkeling visie N366 en bedrijventerrein Zuid-Groningen
Hamsterweg Bellingwolde, Hamster Zunne
Pijplijnproject, ligt stil
110
337
64
-
Proces ligt voorlopig stil.
Schaalbergerweg Ter Apelkanaal tussen Schaalbergerweg en Avebe (Solarfields)
Beëindigd
Beëindigd vanwege een tekort aan draagvlak in de omgeving. Tevens zou dit zonnepark toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein in de weg kunnen zitten.
A.G. Wildervanckweg tussen A.G. Wildervanckweg en 2e Valthermond (Solarfields)
Beëindigd
De locatie van dit zonnepark lag op het beoogde tracé voor de Nedersaksenlijn.
Bijlage II: Stappenplan participatieproces
Het participatieproces kent een aantal stappen die verdeeld zijn over drie verschillende fasen van het project:
–Verkenningsfase, waarin wordt verkend of een idee überhaupt haalbaar is binnen beleidsuitgangspunten en aansluitmogelijkheden.
–Voorbereidingsfase, waarin voorbereidingen voor te volgen proces en afbakening worden getroffen.
–Planvormingsfase, waarin de uitwerking van het project zelf vorm krijgt en keuzes worden gemaakt over bijvoorbeeld landschappelijke inpassing.
–Ontwikkelfase, de fase voorafgaand aan de realisatie, waar de laatste knopen worden doorgehakt en het definitieve ontwerp wordt gepresenteerd aan betrokkenen
De stappen in het proces zijn gebaseerd op de maatwerkmethode en aangevuld met de inzichten uit de evaluatie van de maatwerkmethode en de beleidsevaluatie. In de tabel hierna zijn de stappen beschreven.
Tabel 2. Stappenplan initiatiefnemer participatieproces
Verkenningsfase
Stap 0
Verkennend gesprek projectidee met gemeente en netbeheerder. Helemaal aan de start van project zal een verkennend gesprek met gemeente worden gevoerd waarin onder meer wordt gekeken of het idee kansrijk is op betreffende locatie. Ook worden de voorwaarden gedeeld en wordt de netbeheerder betrokken om heldere verwachtingen te scheppen over aansluitbaarheid van een eventueel project.
Uitkomst: Uitsluitsel of projectidee wel of niet kansrijk is en binnen beleidskader past.
Voorbereidingsfase
Stap 1a
Betrekken lokale energiecoöperatie. In een zo vroeg mogelijk stadium gaat de initiatiefnemer het gesprek aan met de lokale energiecoöperatie(s). Doel van het gesprek met de energiecoöperatie is om afspraken te maken over lokaal eigendom.
Uitkomst: verslag van gesprek met lokale energiecoöperatie(s) en door energiecoöperatie ondertekende afspraken over lokaal eigendom. Indien energiecoöperatie(s) niet wenst/wensen deel te nemen geeft/geven zij een verklaring af. Deze afspraken en/of verklaring worden meegenomen in stap 2.
Stap 1b
Betrekken aanwonenden. Aanwonenden van het project worden persoonlijk aangeschreven en uitgenodigd voor een aanwonendenbijeenkomst. Doel van de bijeenkomst is om te bespreken op welke manier aanwonende wil worden betrokken en op welke manier lokaal eigendom en eventuele compensatie zal worden vormgegeven. De gemeente is als toehoorder aanwezig op deze bijeenkomst. Indien gewenst kunnen aanwonenden vragen om een persoonlijk gesprek (keukentafelgesprek) met de initiatiefnemer.
Uitkomst: contactmomentverslag van de aanwonendenbijeenkomst met overzicht van benaderde en aanwezige aanwonenden. De uitkomsten worden meegenomen in stap 2.
Stap 1c
Omwonenden worden uitgenodigd middels digitale en niet-digitale media voor een eerste van drie bijeenkomsten waarin toelichting wordt gegeven op het zonnepark het te volgen proces en de mogelijkheden voor lokaal eigendom.
Uitkomst: contactmomentverslag van de omwonendenbijeenkomst met overzicht van aanwezige omwonenden en wijze van verspreiding uitnodiging. De uitkomsten worden meegenomen in stap 2.
Stap 2
Opstellen participatieplan en/of omgevingsovereenkomst. Met de aanwonenden en de lokale energiecoöperatie wordt gestreefd naar een omgevingsovereenkomst waarin afspraken worden vastgelegd over het te volgen proces, de mogelijkheden voor lokaal eigendom en eventuele compensatie. Indien het niet lukt om tot een overeenkomst te komen wordt minimaal een participatieplan gemaakt waarin standpunten uiteen zijn gezet en initiatiefnemer aangeeft hoe proces, lokaal eigendom en eventuele compensatie vorm zullen krijgen.
Uitkomst: participatieplan en/of omgevingsovereenkomst waarin is aangegeven hoe verschillende partijen tegen ontwikkeling aankijken en hoe proces, lokaal eigendom en eventuele compensatie worden vormgegeven. Deze documenten zijn voor betrokkenen openbaar raadpleegbaar.
Stap 3
De gemeente voert wederhoor bij energiecoöperatie(s) uit en controleert of participatieplan en/of omgevingsovereenkomst in lijn zijn met beeld uit bijeenkomsten en het wederhoor. Indien dit het geval is mag de initiatiefnemer door naar de planvormingsfase.
Uitkomst: wel of niet akkoord opstarten planvormingsfase gemeente
Planvormingsfase
Stap 4
Oprichting rechtsvorm zonnepark waarin lokaal eigendom formeel wordt vastgelegd
Uitkomst: opgerichte rechtsvorm voor het zonnepark waarin lokaal eigendom is geregeld.
Stap 5
Sluiten anterieure overeenkomst tussen gemeente en rechtsvorm zonnepark. Afspraken over voorwaarden aan lokaal eigendom, afdracht aan duurzaamheidsfonds en eventueel gebiedsfonds en dergelijke liggen hierin vast.
Uitkomst: anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer.
Stap 6a
Aanwonenden worden wederom persoonlijk uitgenodigd voor een aanwonendenbijeenkomst waarin inbreng kan worden gegeven over te maken keuzes m.b.t. precieze locatie, landschappelijke inpassing, meervoudig ruimtegebruik, en lokaal eigendom. Daarnaast krijgen aanwonenden de mogelijkheid om schriftelijk of separaat in een persoonlijk gesprek (keukentafelgesprek) inbreng kenbaar te maken.
Uitkomst: contactmomenten verslag met overzicht van inbreng vanuit aanwonenden en wijze waarop de initiatiefnemer deze inbreng heeft verwerkt in definitieve keuzes met betrekking tot locatie, landschappelijke inpassing, meervoudig ruimtegebruik, en lokaal eigendom
Stap 6b
Omwonenden worden wederom via digitale en niet-digitale media uitgenodigd voor een tweede bijeenkomst waar het mogelijk is om inbreng te geven over precieze locatie, landschappelijke inpassing, meervoudig ruimtegebruik en lokaal eigendom. Dit valt samen met de huidige provinciale maatwerkmethode.
Uitkomst: contactmomenten verslag met overzicht van inbreng vanuit omwonenden en wijze waarop de initiatiefnemer deze inbreng heeft verwerkt in definitieve keuzes met betrekking tot locatie, landschappelijke inpassing, meervoudig ruimtegebruik, en lokaal eigendom
Stap 7
Indienen participatieverslag, ecologisch aanleg- en beheerplan, landschappelijke onderbouwing en plan meervoudig ruimtegebruik door initiatiefnemer ten behoeve van beoordeling van de concepten door de gemeente.
Stap 8
Beoordeling door gemeente inclusief wederhoor met betrekking tot participatieverslag, ecologische beoordeling ecologisch aanleg- en beheerplan, beoordeling landschappelijke onderbouwing door landschapsarchitect en beoordeling plan meervoudig ruimtegebruik. In de wederhoor gaat de gemeente na of de beelden uit het participatieverslag overeenkomen met de beelden van aanwonenden.
Uitkomst: Beoordeling van verschillende onderdelen aanvraag.
Stap 9
Start aanvraag omgevingsvergunning op basis van voorafgaande stappen. Er wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen en voor het afwijken van het bestemmingsplan aangevraagd.
Uitkomst:
Aanvraag omgevingsvergunning tijdelijke afwijking bestemmingsplan (30 jaar)
Ruimtelijke onderbouwing met o.a.:
•Situatietekening plan en landschappelijke inpassing
•Profielen die het beoogde beeld laten zien
•Landschappelijke onderbouwing
•Milieu- omgevingsaspecten inclusief ecologisch aanleg- en beheerplan
•Uitleg toepassing meervoudig ruimte gebruik
•Participatieverslag op basis van stap 1 en 6
•Overeenkomst lokaal eigendom of indien van toepassing verklaring energiecoöperatie wanneer lokaal eigendom niet tot stand komt
•Aanwijzingsbesluit provincie
Aanvraag omgevingsvergunning bouwen:
Inrichtingsplan o.a. bestaande uit:
•Gemaatvoerde plankaart/situatietekening 1:1000
•Gemaatvoerde profielen
•Gemaatvoerde tekeningen van bouwwerken (panelen, onderconstructie, stations, hekwerk, etc.)
Uitkomst: aanvragen omgevingsvergunning
Stap 10a
Besluit tot verklaring van geen bedenking voorleggen aan gemeenteraad. Op basis van de documentatie uit de vergunningsaanvraag en de beoordeling wordt de gemeenteraad gevraagd om een verklaring van geen bedenking.
Uitkomst: verklaring van geen bedenking.
Stap 10b
Verstrekken vergunning door gemeente.
Uitkomst: verstrekte omgevingsvergunning.
Ontwikkelfase
Stap 11
Actief informeren van aanwonenden over definitieve inrichtingskeuzes (terugkoppeling keuzes naar aanleiding inbreng uit stap 6a) en planning van de uitvoering van werkzaamheden. Informeren via bijeenkomst en digitale en fysieke brieven/nieuwsbrieven.
Uitkomst: bijeenkomst en brieven/nieuwsbrieven
Stap 12
Omwonenden worden uitgenodigd voor een derde bijeenkomst waarin het definitief ontwerp wordt gepresenteerd met een toelichting op wat is gedaan met de inbreng (stap 6b). Ook wordt toegelicht hoe de realisatiefase eruit zal zien.
Uitkomst: contactmomentverslag
In de toekomstige Participatiegids staat meer uitleg over hoe gespreks- en contactmomenten eruit moeten zien.
46We bedoelen hiermee de participatiegids die onder het Omgevingsbeleid zal worden vastgesteld. Naar verwachting wordt dit beleid in de eerste helft van 2023 aan de gemeenteraad ter vaststelling voorgelegd.
Wanneer de gemeente van mening is dat de initiatiefnemer zich onvoldoende heeft ingespannen in dit proces (voorgeschreven stappen niet of niet naar tevredenheid doorlopen) wordt de vergunningsaanvraag afgewezen.
Bijlage III: Verwerking opbrengst openbare consultatie
Tussen 17 februari en 17 maart is het conceptbeleidskader verspreid via verschillende kanalen zodat inwoners, bedrijven en andere betrokkenen konden reageren. In de tabel hierna zijn de binnengekomen opmerkingen opgenomen en is aangegeven op welke wijze hiermee is omgegaan.
Afzender
Opmerking
Wijze van verwerking
Inwoner Vriescheloo
Als uitzonderingen van dit beleid worden specifiek de monumentale en de onder het beschermd dorpsgezicht vallende panden genoemd (3.2).
Echter, de woningen die in de schaduw van het "openbare groen" staan zijn door het gemeentelijk "groen beleid" evenmin te verduurzamen.
Hier in Vriescheloo gaat het om een relatief groot aantal woningen. Is het mogelijk om het gemeentelijk standpunt "bomen versus zonnepanelen"
inclusief argumentatie en gevolgen alsnog in de notitie op te nemen?
Dit is een begrijpelijke zorg. Woningen waarvan de daken in de schaduw van openbaar groen liggen ondervinden hier immers een nadeel. Om in beeld te brengen hoe groot dit probleem is zal de gemeente een scan laten uitvoeren van deze schaduwwerking (zie pagina 18). Op basis van de uitkomsten zal worden bezien of en welke vervolgmaatregelen kunnen worden genomen.
Pure Energie
Bij de gemeente Westerwolde zijn diverse planontwikkelaars bekend die een plan in de gemeente willen ontwikkelen. Planontwikkelaars hebben inzicht in de technische en financiële mogelijkheden voor zonneparken en kunnen hierbij goed aangeven wat wel en niet uitvoerbaar is. Waarom is er geen input van planontwikkelaars meegenomen in het beleidskader?
Planontwikkelaars zijn op twee momenten betrokken in het proces om tot een nieuw beleidskader te komen:
1) bij het verzamelen van lessen in het kader van de evaluatie van het oude beleid;
2) en door de mogelijkheid te bieden via consultatie inbreng te leveren.
Pure Energie
Is er genoeg geschikte oppervlakte aanwezig/beschikbaar in aangewezen grootschalig open landschap en op kwalitatief minder hoogwaardige landbouwgronden om deze opgave in te vullen?
Het gebied dat in aanmerking komt voor de plaatsing van kleine zonneparken tot 10 hectare indien de doelstelling nog niet behaald is beslaat een aanzienlijk oppervlakte dat aan de voorwaarden voldoet. Er is dus voldoende grond aanwezig.
Pure Energie
Het gebied Oude Groningse Veenkoloniën wordt niet expliciet benoemd als gebied met kwalitatief hoogwaardige landbouwgrond maar is wel donkergroen ingekleurd. Zijn de kleuren in figuur 7 wel goed ingetekend?
Het gebied Oude Groningse Veenkoloniën is niet expliciet benoemd maar wel bedoeld als gebied met hoogwaardige landbouwgrond en vanuit die reden uitgesloten. Dit blijkt ook uit de kaarten waar kleine zonneparken wel mogelijk zijn in figuur 8 en 9.
Pure Energie
Pure Energie is lid van Holland Solar en intensief betrokken geweest bij het opstellen van de gedragscode Zon op land. De in het beleidskader opgenomen uitleg van de gedragscode is onjuist. In de gedragscode wordt met 25 % onbedekt oppervlak niet bedoeld dat er tussen rijen zonnepanelen een onbedekte ruimte zit van 25% van de lengte van een paneel.
In de gedragscode, https://hollandsolar.nl/u/files/gedragscode-zonne-op-land.pdf, staat op blz. 7: “De partijen van deze gedragscode hanteren een ondergrens van 25% onbedekt oppervlak van het gebied van het project (van boven af gezien)”. Hiermee wordt niet bedoelt dat er tussen rijen zonnepanelen een onbedekte ruimte zit van 25 % van de lengte van een paneel. Het gaat om 25 % onbedekt oppervlakte van het gehele gebied (van boven af gezien) van het zonnepark. Het lijkt erop dat de gemeente in het beleidskader een eigen invulling geeft aan de gedragscode Zon op land. Wij verzoeken om de gedragscode Zon op land van Holland Solar op een juiste wijze toe te passen in het beleidskader.
In de gedragscode wordt dit inderdaad niet geëxpliciteerd. Vanwege het behoud van de kwaliteit van de bodem vinden we het echter wel van belang dat er 25% ruimte tussen de panelen wordt aangehouden. We hebben in het beleidskader daarom opgenomen dat we deze eis als aanscherping van de gedragscode hanteren.
Inwoner Ter Apel
Ik lees dat het de ambitie van Westerwolde is om energieneutraal te zijn in 2035.
Energieneutraal zijn betekent de eigen energiebehoefte geheel of meer dan volledig zelf opwekken. Dat klinkt mooi, maar ook die ambitie schiet ernstig te kort en de behoefte is zwaar onderschat.
15jaar eerder dan Groningen wil zeggen 15 jaar eerder dan in lijn is met het Parijsakkoord. Maar het Parijsakkoord ging dan ook uit van een kans van slechts 60% om de wereldwijde opwarming te beperken tot 1,5 graad en dat blijkt volgens de laatste IPCC rapporten en uit de metingen inmiddels volledig achterhaald.
Bovendien is energieneutraal nog (lang) niet CO2 neutraal.
De Carbonclock https://www.mcc-berlin.net/en/research/co2-budget.html toont dat we met de huidige doelstellingen nog slechts 6 jaar en een paar maanden hebben voor het bereiken van het 1,5 graden scenario. Dus in 2029, 6 jaar eerder dan 2035.
Waarschijnlijker is echter dat de 1.5 graad opwarming al in 2025 wordt gehaald. 10 jaar eerder dan de tekortschietende ambitie van Westerwolde.
De ambitie van energieneutraliteit wordt in de beleidskader uitsluitend opgenomen om het contextuele visiedocument samen verduurzamen te benoemen. In het beleidskader zelf volgt Westerwolde qua ambitie de afspraken die in de regio Groningen zijn gemaakt als uitwerking van het nationale klimaatakkoord om aan de doelstellingen van het Parijsakkoord te voldoen.
Inwoner Ter Apel
"Zon en wind zijn de komende tijd nog de belangrijkste hernieuwbare energiebronnen" lees ik.
Maar er wordt, zoals later uit de visie blijkt, ook ingezet op waterstof. Dat is echter geen energiebron, maar een energiedrager en wel eentje met een enorm energie / conversie verlies, waar dan ook voorlopig verre van voldoende zonne- en windenergie voor beschikbaar is.
Waterstof is niet aangehaald als bron van duurzame energie. Waterstof is een technologie voor opslag en transport. Daarom is het ook onder dat kopje in hoofdstuk 6 opgenomen. Er wordt ruimte aan waterstof geboden om een alternatief te hebben voor netcongestie.
Inwoner Ter Apel
"De doelstelling duurzame energie gaat uit van huidig verbruik"
De energievraag in Westerwolde á 4200 terajoule betreft de HUIDIGE vraag naar warmte en elektriciteit, maar de visie gaat toch over onze toekomst?
De elektriciteitsvraag zal door grootschalige elektificatie eerder exponentieel toenemen dan gelijkblijven. Denk aan meer en meer elektrisch verwarmen, elektrisch rijden, elektrisch produceren plus het (inefficiënt) omzetten van elektriciteit naar o.a. waterstof.
Zoals gezegd is energieneutraal nog niet CO2 neutraal, maar andersom brengt CO2 besparing door onder meer hergebruik en vooral mínder produceren ook energieneutraliteit dichterbij.
Als het doel is om de opwarming te beperken door de CO2 uitstoot te beperken, waar is dan de visie op het BEPERKEN van de energievraag?
Het beperken van energieverbruik is inderdaad ook een belangrijk onderdeel van de opgave. Dit beleidskader beperkt zich echter tot de opwek van duurzame energie. Er is een apart beleid dat is opgesteld in het kader van de Transitievisie Warmte (TVW). In dat beleid speelt energiebesparing een belangrijke rol.
Inwoner Ter Apel
Zonnepanelen op daken zouden slechts in 10% van de totale opgave kunnen voorzien vanwege kleinschaligheid.
Dus men kiest voor zonneparken in het landschap...
Ik denk ook dat we daar niet aan ontkomen, maar waarom alleen daar en niet (eerst) waar dat minder storend en zelfs multi-functioneel kan zijn, bijvoorbeeld, waar dat mogelijk is en past, als (gedeeltelijke) overkapping van bijvoorbeeld parkeerplaatsen, winkelcentra, wegen, fietspaden etc.?
Bovendien is de opwek dan in veel gevallen dichter bij de gebruikers, waarmee het net weer ontlast kan worden.
Het klopt dat er onvoldoende dakoppervlakte is om de volledige opgave met zonnepanelen op daken in te vullen. In het beleidskader is tevens aangegeven positief tegenover zonnepanelen bij infrastructuur te staan (zie paragraaf 3.6). Ook moedigen we zonnepanelen boven parkeerplekken aan en willen we bij de provincie Groningen aandringen hier regionaal Park-the-Sun voor beschikbaar te maken.
Inwoner Ter Apel
Waarom blijft zonneWARMTE hier geheel buiten beschouwing?
Zonnepanelen zetten maximaal 20% van het opgevangen LICHT om in elektriciteit, waar nog eens een groot deel van de opgewekte energie weer verloren gaat bij omzetting naar warmte. Terwijl zonneCOLLECTOREN wel 98% van de ingestraalde zonneWARMTE direct kunnen afstaan.
Mijn ervaring is bijvoorbeeld dat slechts 2 vlakkeplaatcollectoren al in 1/3 van de totale energiebehoefte voor het verwarmen van mijn (veel te grote) huis en tapwater kunnen voorzien...
Vanwege transportverlies in een warmtenet acht ik zonnecollectorparken weliswaar minder efficiënt dan zonnecollectoren op daken.
Bovendien kan overtollige warmte redelijk eenvoudig worden opgeslagen en benut met BUURTbuffers.
De invulling van de warmtevraag is onderdeel van de eerder genoemde Transitievisie Warmte.
Inwoner Ter Apel
"De omgevingsvergunning wordt verleend voor een periode van 30 jaar. Na deze periode moet het zonnepark worden
opgeruimd en het land in huidige toestand worden teruggebracht"
Maar waarom eigenlijk, als de behoefte aan opwek van elektriciteit gelijk blijft of zelfs zal toenemen en de panelen dan nog prima functioneren, dan wel ter plekke kunnen worden vervangen door efficiëntere, mits de omwonenden geen bezwaar hebben?
Kan dan niet juist beter een verlenging van de vergunning worden overwogen?
Na 30 jaar dient opnieuw te worden bekeken wat wenselijk is. Uitgangspunt is opruiming omdat we het van belang vinden dat landschap en bodem zoveel mogelijk oorspronkelijke kwaliteit behouden.
Daarnaast maken zonneparken gebruik van een tijdelijke omgevingsvergunning. Dit betekent dat de grond na aflopen van de tijdelijke vergunning weer in overeenstemming met de oorspronkelijke bestemming moet worden gebracht.
Inwoner Ter Apel
Het is allom bekend en eenvoudig te berekenen: Kleine windmolens zijn niet efficiënt, de opbrengst neemt exponentieel toe met de hoogte en de grootte van de rotorbladen.
M.a.w. er zijn héél veel kleine windmolens nodig om net zoveel op te wekken als met één grote.
Net over de grens van Westerwolde, in Duitsland staan er al heel veel grote windmolens. Die staan (vanuit een deel van Westerwolde) toch al in het zicht.
Waarom dan daar, aan de Nederlandse kant, niet enkele grote windmolens neerzetten, i.p.v heel veel kleinere op veel meer plekken met een lagere opbrengst en veel meer windmolens in het zicht als resultaat?
Met een overwegend westelijke windrichting en bos rondom is het grensgebied toch juist een prima plek voor hoge windmolens?
Het beleid om geen grote windmolens te plaatsen is een politieke keus in het collegeakkoord. Ook is vanuit de provincie Groningen aangegeven dat grote windmolens in Westerwolde niet wenselijk zijn.