hoofdstuk
Artikel 1. Begrippen
1Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (PW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.
2In deze verordening wordt verstaan onder:
a.Groeipotentieel en betaalde arbeid: korte afstand tot de arbeidsmarkt, deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen 4 maanden;
b.Groeipotentieel en op korte termijn betaalde arbeid: grotere afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen 12 maanden;
c.Beperkt groeipotentieel en op lange termijn mogelijk betaalde arbeid: grote afstand tot de arbeidsmarkt, deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen 24 maanden;
d.Geen groeipotentieel en geen mogelijkheid op betaalde arbeid: naar vermogen maatschappelijk participeren en en gedeeltelijk (arbeids-) ongeschikt op basis van een medisch advies.
Artikel 2. Inhoud van een tegenprestatie
Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die additioneel van aard zijn opdragen als tegenprestatie voor zover deze:
a.geen arbeid verdringend karakter hebben, noch een financieel gewin tot doel hebben;
b.niet als re-integratie instrument, toeleidend tot de arbeidsmarkt, worden ingezet;
c.een gezonde verhouding tussen ontwikkeling van de cliënt en het vervullen van de maatschappelijke nuttige werkzaamheden niet in de weg staan;
d.passend wordt geacht, het eindoordeel is daarbij aan het college;
e.geen negatieve effecten zoals extra kosten of risico’s voor de cliënt met zich meebrengen.
Artikel 3. Het opdragen van een tegenprestatie
1Het college kan een belanghebbende met beperkt groeipotentieel en op lange termijn betaalde arbeid of geen groeipotentieel en geen mogelijkheid op betaalde arbeid een tegenprestatie opdragen.
2Op basis van de in het beleidsplan Participatiewet vastgelegde uitgangspunten zal het college nadere beleidsregels stellen omtrent de tegenprestatie.
3De tegenprestatie is geen vrijblijvende opdracht.
4Het college kan in individuele gevallen vrijstelling van de tegenprestatie geven;
5Cliënten wordt gevraagd zelf met een voorstel te komen en hebben mede daardoor invloed op de invulling van hun tegenprestatie.
6De tegenprestatie moet passend zijn. Dat wil zeggen dat ze aansluit bij het vermogen van de belanghebbende, bij de individuele omstandigheden en de persoonlijke situatie. daarbij kan worden gedacht aan: reistijd, beschikbaarheid kinderopvang, leeftijd, opleiding, achtergrond, persoonlijke kwaliteiten. Vrijwilligerswerk dat al wordt uitgevoerd kan mogelijk als tegenprestatie worden aangemerkt.
7Mantelzorg van een bepaalde inhoud en omvang kan gelden als tegenprestatie.
Artikel 4. Geen werkzaamheden beschikbaar
1Het college draagt geen tegenprestatie op wanneer redelijkerwijs geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.
2Wanneer de situatie zoals bedoeld in lid 1 zich voordoet, wordt overigens permanent gekeken of (op enig moment) werkzaamheden voorhanden zijn/komen die als tegenprestatie kunnen worden ingezet.
Artikel 5. Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015.
Artikel 6. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als de Verordening Tegenprestatie Participatiewet Gemeente Westerveld 2015.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 december 2014
De voorzitter, De griffier,
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1. Begrippen
Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, IOAW, IOAZ, Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.
De definities in het tweede lid waarbij de afstand tot de arbeidsmarkt wordt genoemd sluiten aan bij het kader dat de raad heeft gegeven in het Beleidsplan Participatiewet.
Artikel 2. Inhoud van een tegenprestatie
Aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde werkzaamheden wordt de aard, de duur en de omvang van de op te leggen tegenprestatie vastgelegd. het college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van de tegenprestatie. Uit jurisprudentie volgt dat rekening moet worden gehouden met omstandigheden waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers “naar vermogen” verricht.
Er mag geen sprake zijn van verdringing; de activiteit mag niet zijn gericht op de toeleiding tot de arbeidsmarkt en wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin deze wordt verricht.
Artikel 3. Het opdragen van een tegenprestatie
Het college bepaalt uiteindelijk of een tegenprestatie wordt opgelegd. Daarbij neemt ze in acht wat de raad beleidsmatig heeft vastgesteld.
Wat betreft vrijstelling staat onder de inleiding al wat daarover in de Participatiewet, IOAW en IOAZ is bepaald. Daarnaast wordt de groep die nog relatief dicht bij de arbeidsmarkt staat (tot 12 maanden in de uitkering) vrijgesteld. Zij worden geacht nog makkelijker op de arbeidsmarkt terug te kunnen keren en daarom meer gefocust te zijn op re-integratie activiteiten.
Mantelzorg van een bepaalde inhoud en omvang kan als tegenprestatie gelden. Hierover kan het college nader regels stellen. Vanuit de kamerbehandeling van de wet komt in elk geval voort dat:
-er sprake moet zijn van een sociale relatie tussen zorgvrager en zorgverlener;
-de mantelzorg niet in georganiseerd verband mag worden aangeboden;
-het (veelal) niet om een bewuste keuze gaat (“het overkomt je”).
Artikel 4. Geen werkzaamheden beschikbaar
Wanneer geen maatschappelijk nuttige werkzaamheden voor handen zijn blijven belanghebbende en college permanent (dus niet periodiek) zoeken naar werkzaamheden.