Aanhef
Leeswijzer
Welkom bij het warmteprogramma van de gemeente West Betuwe. Dit programma biedt een strategisch kader voor de overgang naar duurzame warmtevoorzieningen in onze gemeente. Het document is bedoeld voor onze inwoners en ondernemers, beleidsmakers, stakeholders in de energie- en bouwsector en de gemeenteraad.
Deze leeswijzer geeft meer informatie over de verschillende onderdelen van het warmteprogramma. We hopen dat dit document inspireert en ondersteunt bij het realiseren van een duurzame warmtevoorziening in onze gemeente.
Doel van het document
Het doel van dit warmteprogramma is om de strategie en plannen voor de overgang naar een duurzame warmtevoorziening in onze gemeente te beschrijven. Het biedt inzicht in de huidige situatie, toekomstige doelen en de stappen die nodig zijn om deze doelen te bereiken.
Wat staat er in het warmteprogramma?
•Een prognose: van de meest geschikte aardgasvrije alternatieven.
•Een eerste inschatting per wijk: wanneer ze aardgasvrij kunnen worden.
•Een aanpak per aardgasvrij alternatief: hoe we aan de slag gaan.
Wat staat er niet in het warmteprogramma?
•Geen definitief besluit voor het aardgasvrije alternatief
•Geen precieze kostenberekening
•Geen verplichtingen
Het warmteprogramma is een overkoepelende visie. De volgende stap is om concrete onderzoeken te starten op wijkniveau om alle randvoorwaarden en details verder in te vullen.
Documentindeling
Hfd 1, Inleiding:
Aanleiding voor het warmteprogramma en de doelstellingen
Hfd 2, Ontwikkeling van het warmteprogramma:
Omschrijving van de totstandkoming van dit programma en een terugblik naar de Transitievisie warmte 1.0.
Hfd 3, De opgave in gemeente West Betuwe:
Onderbouwt de doelstellingen van dit programma, de uitdagingen en haalbaarheid, de huidige warmtevraag en de inzet van duurzame alternatieven om deze doelen te bereiken.
Hfd 4, Naar een duurzaam verwarmt gemeente West Betuwe:
Geeft de uitgangspunten, het transitiepad en handvaten voor de uitvoering weer.
Hfd 5, Communicatie en participatie:
Strategie om op een passende wijze samen aan de warmtetransitie te werken.
Hfd 6, Aan de slag met duurzaam verwarmen:
Uitleg over de stappen die nu al genomen kunnen worden om te besparen
Hfd 7, Financiën
Uitleg over het financiële scenario waarvoor is gekozen door de gemeenteraad.
Bijlage 19 geeft een woordenlijst met toelichting van moeilijke woorden.
Voorwoord
ENERGIENEUTRAAL IN 2050
We staan met elkaar voor een grote uitdaging. En die uitdaging kunnen we alleen samen aangaan. Met elkaar de schouders eronder!
Voor u ligt het warmteprogramma van gemeente West Betuwe. Dit is een programma waarin beschreven staat hoe we in de komende jaren stappen zetten om te komen tot een duurzaam warmtesysteem. Dat vraagt om denken in kansen en het met elkaar zoeken naar innovatieve oplossingen.
Als gemeente staan wij aan de lat om te onderzoeken wat er mogelijk is. Hier in gemeente West Betuwe hebben we te maken met een uitgestrekt gebied. We leven samen in 24 dorpen en 2 stadjes. We zijn de fruitgemeente van Nederland, met een grote agrarische sector, die moet kunnen blijven groeien en bloeien.
In het warmteprogramma hebben we onder andere onderzocht waar onze gemeente nu staat, wat de warmtebehoefte is en wat mogelijke oplossingen kunnen zijn. Die oplossingen zoeken we niet alleen. We hebben daarvoor u als inwoner en andere belanghebbende gevraagd om mee te denken. Wat zijn uw zorgen, wat hebt u nodig en waar liggen er kansen?
In dit warmteprogramma kunt u voorbeelden terugvinden van mensen die er met elkaar de schouders onder zetten om vooruit te kijken en te onderzoeken wat er kan. We hebben een gebied waar de Linge en de Waal doorheen stroomt. Kunnen we de warmte in het water inzetten? En hoe kunnen we bovenstaande warmtestromen gebruiken om met de warmte die overblijft huizen op te warmen? Hoe kunnen we onze huizen en bedrijven zo aanpassen dat we klaar zijn voor de toekomst? En hoe kunnen we u daar als gemeente bij ondersteunen.
In dit programma vertalen we de uitdaging waar we voor staan, naar concrete stappen om met elkaar te zetten. Zodat bij iedere stap die we met elkaar moeten zetten de weg een stukje duidelijker wordt. Dit zorgt ervoor dat we in 2050 niet alleen energieneutraal zijn, maar ook in een fijne leefomgeving wonen en met plezier kunnen blijven ondernemen.
College van burgemeester & wethouders West Betuwe
Samenvatting
In de gemeente West Betuwe vervangen we tussen nu en 2050 het gebruik van aardgas door duurzame warmteoplossingen. Dit warmteprogramma geeft grip op de warmtetransitie door het pad naar een duurzame warmtevoorziening in de gemeente West Betuwe te schetsen. Dit pad sluit aan bij de internationale afspraken en nationale inzet om klimaatverandering tegen te gaan. Samen met inwoners en ondernemers komen we tot de beste oplossingen. Zo verlagen we het aardgasgebruik en verbeteren we het perspectief. We streven naar begrijpelijke, haalbare en betaalbare stappen voor iedere inwoner.
Urgentie
In West Betuwe staan 21.607woningen en 1.464 bedrijfsgebouwen. Ongeveer 91% van deze gebouwen zijn aangesloten op het aardgasnet. In 2020 gebruikten iedereen samen ongeveer 31,4 miljoen m³ aardgas. Het doel van de gemeente West Betuwe is tot 2030 het gebruik van aardgas met 20 procent te verminderen. In combinatie met de klimaatcrisis en onzekerheid over aardgaslevering is snel handelen noodzakelijk.
Transitiepad
Om de juiste stappen te zetten, onderzocht gemeente West Betuwe welke warmteoplossingen het meest voor de hand liggen bij de verschillende wijken. Hierbij hebben we zoal gekeken naar de technische mogelijkheden, kosten en de verspreiding van de bebouwing. Voor sommige wijken zijn collectieve oplossingen zoals warmtenetten het meest geschikt. Terwijl in andere wijken individuele oplossingen zoals warmtepompen beter passen.
Daarnaast is het belangrijk om de meest geschikte wijken als eerste aan te pakken, zodat onnodig werk voorkomen wordt. De keuze voor deze wijken hebben we gemaakt met behulp van belanghebbende en verschillende factoren. Voorbeelden zijn ‘de technische mogelijkheden’ en ‘de noodzaak tot verduurzaming’. Figuur 1 van dit warmteprogramma geeft een overzicht van de belangrijkste plannen. Hoofdstuk 4 legt uit hoe deze plannen zijn ontstaan.
Hoe gaan we aan de slag?
Om de plannen in de praktijk te brengen en kansen te pakken, zetten we de aankomende jaren samen verdere stappen. De eerste stap is isoleren en besparen om zo de warmtevraag te verlagen. Dit brengen we gemeente breed onder de aandacht en werken samen met Het Energieloket Rivierenland. We leggen de nadruk op maatregelen die direct zorgen voor resultaat. Die verhogen het woonplezier en verlagen het energiegebruik.
Het is niet mogelijk om overal tegelijk te beginnen, omdat de opgave anders te groot wordt. Door de werkzaamheden te spreiden, sluit het beter aan bij andere projecten en ontdekken we wat goed werkt. De wijken die geschikt zijn om als eerste te starten, staan weergegeven in Figuur 1 voor de periodes 2025-2027 en 2027-2029. In deze wijken stellen we samen met inwoners en andere betrokkenen een uitvoeringsplan op. Voor dit plan doen we verder onderzoek naar de haalbaarheid, betaalbaarheid en de planning. Zowel voor isolatie als voor individuele of collectieve warmteoplossingen hebben we startwijken geselecteerd. Het aantal wijken en de specifieke wijken waarmee we echt beginnen, is afhankelijk van het gekozen financiële scenario.
Bij de overstap naar een duurzame warmteoplossing maken we gebruik van participatie- en communicatie passend bij het gemeentelijk beleid. Deze aanpak creëert bewustwording en betrekt inwoners, ondernemers en belanghebbende actief. Dit is belangrijk omdat alleen gezamenlijk de overgang naar aardgasvrij succesvol kan worden.
Met dit warmteprogramma schetst de gemeente West Betuwe de plannen tot 2030. Zo weten inwoners en ondernemers wat hen de eerste jaren te wachten staat. Over vijf jaar beoordelen we het programma die er nu is. Deze passen we mogelijk aan vanuit de nieuwste inzichten, gemaakte voortgang en opgedane ervaringen.
Figuur 1.Warmtetransitie gemeente West Betuwe
Bijlage 1: Enquête resultaten
Middels een enquête is gemeente breed uitgevraagd wat inwoners vinden van de warmtetransitie en wat hierin wordt verwacht van de gemeente. Via sociale media, de krant, nieuwsbrieven en buurt platforms is onder de inwoners van de gemeente West Betuwe de enquête verspreid. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van het panel West Betuwe spreekt. De leden van dit panel hebben aangegeven graag hun mening te geven over allerlei thema’s en presenteren een representatief beeld van de inwoners van gemeente West Betuwe. De enquête bestaat voornamelijk uit een aantal meerkeuzevragen waarbij de mogelijkheid is gegeven de antwoorden verder uit te breiden of toe te lichten in een open tekst vak. Door de enquête zijn verschillende routes geprogrammeerd die de respondent kan afleggen, afhankelijk van de woonsituatie en hoe de respondent aankijkt tegen de overgang naar aardgasvrij wonen. In totaal heeft de enquête 737 respondenten opgeleverd, met een 95% betrouwbaarheid en 3,54% nauwkeurigheid.
In de hoofdtekst zijn sommige relevante resultaten al benoemt, hieronder worden de resultaten nogmaals kort besproken, inclusief figuren die een overzicht geven van de gegeven antwoorden.
Huidige situatie verwarming woningen
Het grote merendeel van de respondenten woont in een koopwoning. Slechts een kleine groep respondenten geeft aan vrijwel niets te weten over de overstap naar aardgasvrij wonen. Een merendeel van de respondenten verwarmt de woning nu met onder meer aardgas, nagenoeg één op de drie doet dit (ook) met elektriciteit, zichtbaar in Figuur 1. Inwoners jonger dan 75 jaar geven in verhouding iets vaker aan de woning onder meer met elektriciteit te verwarmen.
Figuur 1. Resultaten enquête vraag 'Hoe verwarmt u nu uw woning?'
Aardgasvrij wonen
Respondenten die hun woning aardgasvrij verwarmen ervaren dit in veel gevallen als (heel) goed. Respondenten nemen diverse maatregelen om minder aardgas te gebruiken, ruim zes op de tien zet de verwarming lager en ruim de helft heeft energiebesparend glas en/of doucht korter/kouder of met een waterbesparende douchekop. Slechts een klein deel geeft aan geen maatregelen te nemen om minder aardgas te gebruiken. Circa één op de drie wil binnen nu en 5 jaar niets doen om minder aardgas te gebruiken. Ruim één op de vijf wil binnen nu en 5 jaar een (hybride) warmtepomp en even grote groep wil de woning extra gaan isoleren. In verhouding willen respondenten vanaf 75 jaar vaker 'niets' doen binnen nu en 5 jaar om minder aardgas te gebruiken. Circa één op de zes respondenten maakt gebruik van de ISDE. Nagenoeg één op de drie zegt de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing niet te kennen. Circa één op de drie respondenten vindt het (heel) belangrijk dat de woning aardgasvrij wordt, een vergelijkbare groep vindt dit (heel) onbelangrijk. Ruim één op de drie wil het liefst helemaal niet aardgasvrij wonen, iets minder dan één op de tien wil dit zo snel mogelijk, zichtbaar in Figuur 2.
Figuur 2. Resultaten enquête vraag: 'wat past het beste bij u?'
De betaalbaarheid van de oplossing is de meest genoemde reden om de woning aardgasvrij te maken, ruim de helft noemt (ook) het comfortabel warm krijgen van de woning als goede reden. De kosten worden veruit het meest genoemd als zorgen rond het aardgasvrij maken van de woning. Naarmate de respondenten ouder worden noemen ze steeds minder vaak de kosten als zorgen rondom het aardgasvrij maken van de woning.
Aardgasvrije wijken
Ruim een kwart van de respondenten wil met andere inwoners uit de wijk samenwerken om de wijk aardgasvrij te maken, circa één op de drie wil dit 'misschien' Nagenoeg de helft is van mening dat het best gestart kan worden met aardgasvrij maken in wijken waar toch al werkzaamheden gepland staan.
Benodigdheden aardgasvrij wonen
Zowel huurders als eigenaren zoeken voornamelijk op het internet naar informatie of advies over aardgasvrij wonen. Ruim twee op de drie respondenten heeft informatie over kosten, subsidie- en financieringsmogelijkheden nodig om aardgasvrij te wonen. Gemeente West Betuwe zou volgens respondenten met name financieel kunnen ondersteunen, zorgen dat de overgang voor iedereen haalbaar is en collectieve oplossingen aanbieden. Met name respondenten jonger dan 45 jaar geven in verhouding vaak aan dat de gemeente voor financiële ondersteuning kan zorgen. Respondenten ontvangen informatie van de gemeente over aardgasvrij wonen bij voorkeur via de website of een digitale nieuwsbrief, zichtbaar in Figuur 3.
Figuur 3. Resultaten enquête vraag 'Hoe wilt u informatie ontvangen van gemeente West Betuwe over aardgasvrij wonen?’
In verhouding wordt de krant/ huis-aan-huisblad vaak genoemd door respondenten vanaf 75 jaar. Ruim één op de drie respondenten jonger dan 45 jaar zou een papieren brief willen met informatie over aardgasvrij wonen. Ruim één op de drie wil betrokken worden bij plannen in de buurt, wijk of kern, van de respondenten die al aardgasvrij wonen wil één derde ervaringen hiermee delen.
Bijlage 2: Evaluatie TVW 1.0
Onderstaande Tabel 1 geeft voor verschillende onderdelen de voortgang, resultaten en geleerde lessen weer.
Tabel 1. Evaluatie per onderdeel TVW 1.0
Onderdeel
Uitvoering
Resultaten
Geleerde lessen
1Locaties
Stappen gemaakt in de pilots Enspijk, Geldermalsen (pilot Fruitmasters)
Technische en financiële haalbaarheidsonderzoeken gedaan die meer inzicht geven in de haalbaarheid. Dit heeft tot nu toe nog niet geleid tot het aardgasvrij maken van woningen.
Vanuit verschillende stakeholders is behoefte aan een concretere visie met meer handelingsperspectief.
Het aardgasvrij maken van een wijk/dorp is voorlopig nog een pioniersproces.
2Aantal te isoleren gebouwen
Lokale Aanpak Isolatie vastgesteld en wordt uitgevoerd. Daarnaast hebben we een programma opgericht voor inwoners met energiearmoede.
We hebben geen cijfermatige data wat dit voor resultaat heeft gehad.
Bij isolatie dient rekening te worden gehouden met de impact op de flora en fauna in de omgeving.
Dat de zichtbaarheid van de mogelijkheden bijdraagt aan de doelstellingen.
3Warmteoplossing
Een eerste analyse uitgevoerd
Behoefte aan analyse voor meer houvast in warmteoplossing per gebied
Het lastig is een definitieve beste warmteoplossing aan te wijzen, vanwege het gebrek aan onderzoek.
4Nationale kosten energie-infrastructuur
Een eerste analyse uitgevoerd
Nieuwe inzichten: verschil na analyse
Het verzamelen van data draagt bij aan het krijgen van een duidelijk inzicht in de kosten.
5Warmtevraag
Gemeentelijke activiteiten van terugbrengen
Verschil warmtevraag/gasverbruik TVW 1.0 en het warmteprogramma
Inwoners van de gemeente West Betuwe al goed bezig zijn met het verminderen van het gasverbruik.
Het is moeilijk om te achterhalen welke maatregelen inwoners nemen en hoe gemeentelijk beleid hierop invloed heeft.
6Uitvoeringsstrategie
Besparen, isoleren, leren:
Isolatie mogelijkheden verbeterd, kennis vergroot
De TVW 1.0 bied te weinig concrete houvast om het te kunnen vertalen naar een uitvoeringsstrategie.
De organisatie heeft momenteel niet de benodigde uitvoeringskracht om in het juiste tempo van het aardgas af te gaan
7Partners in de transitie
Samenwerking met netbeheerders, energiecoöperatie, woningcoöperatie, inwoners, RES
Het opzetten van het Platform Warmte
Samenwerking met andere partijen is concreet vormgegeven.
De gemeente dient flexibel te zijn in de rol die het aanneemt, maar heeft voor de gehele transitie de regierol.
Het betrekken van alle stakeholders is een belangrijk maar uitdagend proces.
We moeten voortdurend werken aan het versterken van de samenwerking voor de uitvoering van de warmtetransitie, omdat dit aanzienlijke resultaten oplevert.
Bijlage 3: Achtergrond informatie Pilot projecten
Vanuit de projectgroep betrokken bij de pilot DWE is een inlegger samengesteld. Hierin wordt ingegaan op de gemaakte voortgang, geleerde lessen en de kansen/knelpunten die worden gezien.
Pilot DWE
In 2013 hebben de inwoners van Enspijk zich al ten doel gesteld om in 2030 energieneutraal te zijn. Studenten van de TU Eindhoven hebben destijds een onderzoek gedaan naar die ambitie en daaruit kwam naar voren dat dit zeker haalbaar was.
Naar aanleiding van een Provinciaal onderzoek naar aquathermie (warmte uit de Linge) in 2021 is deze ambitie weer door een groep enthousiaste inwoners van Enspijk opgepakt. De uitdaging was niet zozeer of er wel voldoende warmte te winnen viel uit de Linge, maar met name of het betaalbaar was.
We zijn nu 3 jaar verder. De groep inwoners die zich inhoudelijk inzet heeft zich uitgebreid. Maar we zien ook wisselingen in de groep. Wisselingen die om allerlei redenen plaatsvinden. Er is een coöperatie opgericht (Duurzame warmte Enspijk). Het project is nu 3 onderzoeken verder en zit nu in de fase van een haalbaarheidsonderzoek, waarbij aan het eind van deze fase de inwoners van Enspijk een aanbieding gedaan kan worden om zich aan te laten sluiten op een warmtenet. Bij voldoende deelname is de hoop dat er in 2028 een warmtenet ligt in Enspijk. In de afgelopen maanden is veel duidelijker geworden welke stappen de gemeente moet doorlopen om een warmtekavel te kunnen exploiteren. Er zullen hier de komende periode nog de nodige stappen in moeten worden gezet om over te kunnen stappen op een collectief warmtesysteem. De gemeente zit momenteel tussen stap 5 en 6 van het stappenplan.
De rol van gemeente tot nu is voornamelijk faciliterend en deels financier geweest. Nu we de fase naderen van een aanbieding aan de inwoners, zal de rol van de gemeente steeds intensiever worden. Niet voor niets wordt er nu gewerkt aan een Startnotitie waarin aan de directie wordt gevraagd om de medewerking aan het project uit te breiden naar ook andere afdelingen van de gemeente.
Met deze inlegger denken wij een bijdrage te kunnen leveren aan de ontwikkeling van een visie naar een duurzame en CO2 arme verwarming van gemeente West Betuwe. DWE bedankt gemeente West Betuwe voor het vertrouwen dat in de afgelopen jaren in DWE is gesteld en voor de constructieve en aanmoedigende samenwerking. Samen hebben we de warmtetransitie hiermee een stap verder gebracht.
De geleerde lessen vanuit Enspijk
Om de lessen die in Enspijk worden opgedaan inzichtelijk en beschikbaar te maken voor gemeenten en nieuwe initiatieven is door de Regio FruitDelta Rivierenland een evaluatie van de ‘pilot Aquathermie’ uitgevoerd
7Bron: RINVER 2024
.
Totstandkoming van de lessen
Om een overzicht van de lessen te krijgen zijn een 13-tal interviews/evaluatiesessies uitgevoerd met de belangrijkste betrokkenen bij de pilot. Dit waren: leden van de DWE werkgroep zelf, regio FruitDelta Rivierenland, provincie Gelderland, Waterschap Rivierenland, het GWIB, gemeente West Betuwe, netbeheerder Liander, Energie Samen Rivierenland, woningcorporatie KleurrijkWonen, Betuwewind en YesAndMore. Deze evaluatiesessies hebben geleid tot een opsomming van de belangrijkste doelen, belangen en meerwaarde ten aanzien van de pilot en tevens een overzicht van de belangrijkste (rand voorwaardelijke) Sterkten, Zwakten (waarmee men worstelt), Kansen en Bedreigingen. Hieronder wordt een samenvatting gegeven van de resultaten.
Gezamenlijke doelen
De doelen die men nastreeft zijn het waarborgen van een leefbaar klimaat en daarom ook het terugdringen van de CO2 uitstoot en het aardgasgebruik. Al doende beoogt men ook de energietransitie te realiseren en de ontwikkeling van een integraal energiesysteem en warmtenetten te versnellen. Zo moet ook de warmtetransitie op gang worden gebracht en worden versneld. Dit dient te resulteren in betaalbare, betrouwbare en duurzame warmte van en voor 187 (hurende) huishoudens in Enspijk. Door de betrokkenheid bij deze pilot wil men ook aangeboden hulp aan elkaar effectueren en leren en ontwikkelen. Uiteindelijk wil men de haalbaarheid aantonen, de pilot financieren en vergunnen en een (goed) voorbeeld zijn.
Gezamenlijke belangen
De belangen die men hierbij heeft zijn het naleven van principes en een goed gevoel eraan overhouden. Ook wil men de warmte uit de Linge optimaal benutten en ervoor zorgen dat er minimale klimaatadaptatie maatregelen nodig zijn. Tevens heeft men belang bij het nakomen van de wettelijke verplichtingen en de energietransitie te versnellen. Er is belang bij het verkopen van het product duurzame warmte en ook bij het leren door te doen. Uiteindelijk heeft men er belang bij dat iedere inwoner haalbare en betaalbare warmte krijgt en dat er zo min mogelijk techniek in de woning komt. Het is in ieders belang dat we synergie creëren door: het concretiseren van belangrijkste vraagstukken, het behartigen van het algemene belang, te werken aan de integraliteit van het totale energiesysteem en door rekening te houden met elkaar. Tot slot heeft men belang bij het opkomen voor energie- coöperaties/gemeenschapen.
Meerwaarde van de pilot
De meerwaarde die de betrokkenen in de pilot zien zijn onder meer de voorbeeld-, blauwdruk- en prototypefunctie en het innoverende karakter. Ook ziet men meerwaarde in de ontwikkeling van onderling vertrouwen, betrokkenheid en samenwerking en in het gezamenlijk vormgeven van de oplossing. De pilot wordt gezien als een realiseerbare bijdrage. De koppeling die wordt gelegd tussen wind en warmte is eveneens een meerwaarde.
Sterkten (rand voorwaardelijke)
De sterkten die uit de evaluatie naar voren kwamen en die kunnen worden beschouwd als rand voorwaardelijke eigenschappen voor nieuwe initiatieven zijn:
•De duurzame en integrale technische oplossing
•Het/de DWE-team (leden)
•De integrale aanpak
•De ondersteuning van en samenwerking met de gemeente
•Stakeholdermanagement: Samenwerking met, en vertrouwen tussen betrokkenen.
Zwakten (aandachtspunten)
De zwakten die de betrokkenen aandroegen zijn de zaken waarmee de pilot worstelt. Deze moeten worden gezien als aandachtspunten:
•De afhankelijkheid van een handvol sleutelfiguren binnen en buiten DWE
•De CAPEX/WEQ verhouding
•De doorlooptijd van meer dan 5 jaar
•De tijd, capaciteit, middelen en eigenaarschap van de inwoners
•Zoekend en lerend in visie, aanpak en (professionele) organisatie
Kansen
De kansen die voor de betreffende pilot werden aangedragen maar ook geschikt zijn voor nieuwe initiatieven zijn op dit moment:
•De beschikbaarheid van middelen en diensten bij de provincie
•De behoefte aan warmtetransitie voorbeelden voor onder andere kleine kernen bijvoorbeeld langs de Linge
•De ontwikkeling van lokale en integrale aanpak voor de energietransitie (energie, infra en leefomgeving)
•De ontwikkeling van regionale en integrale financieringsoplossingen
Bedreigingen
De bedreigingen die men voor zowel de pilot als voor nieuwe initiatieven ziet zijn:
•Het gebrek aan regie en organiserend vermogen bij gemeente en regio;
•De onzekere en ongeschikte financiële kaders en instrumenten voor kleine kernen van financiële partijen;
•Verminderende ondersteuning en belemmerende wet- en regelgeving door (veranderend) politiek klimaat en beleid overheid;
•Het volloop risico doordat inwoners Enspijk onvoldoende nut zien in collectieve duurzame warmtevoorziening.
Pilot FruitMasters
Voor de pilot FruitMasters is geen inlegger ontworpen, wel staat hieronder een korte toelichting van de gemaakte stappen.
De eerste contacten met betrekking tot het beschikbaar zijn en het gebruik van restwarmte van FruitMasters dateren van begin 2021. FruitMasters had destijds een Europese subsidie ontvangen, waarbij als randvoorwaarde gold dat er vóór 31 december 2023 een warmtenet in de grond moest liggen. De eerste inschatting was dat FruitMasters een hoeveelheid restwarmte beschikbaar had, die genoeg zou zijn voor 5000 woningen. Daarmee zou heel Geldermalsen (ca. 4500 woningen) voorzien kunnen worden van restwarmte.
Uiteindelijk is de tijd tekort gebleken om voor het eind van 2023 het Warmtenet gerealiseerd te krijgen. Daarna heeft de voortgang een paar maanden stil gelegen.
Inmiddels zijn de gesprekken weer opgestart om te komen tot een warmtenet naar FruitVillage. De intentie is om dit modulair op te bouwen zodat de levering van restwarmte aan Geldermalsen ook een mogelijk blijft.
FruitVillage ( huisvesting die wordt gebouwd voor internationale werknemers) heeft naast het warmtenet ook stroom nodig van FruitMasters om gerealiseerd te kunnen worden. Beide projecten kunnen dus niet los van elkaar worden gezien. Tot 2029 is een eigen elektriciteitsaansluiting voor FruitVillage geen optie, en misschien duurt dit zelfs langer. Voor de gecontracteerde behoefte is tot nu toe door Liander geen concrete toezegging gedaan.
Voor FruitVillage is stroom van FruitMasters nodig. Dit is mogelijk als FruitVillage wordt aangesloten op het warmtenet. Zonder aansluiting op het warmtenet is een nog grotere elektriciteitsaansluiting nodig die niet gerealiseerd kan worden. Er is dus een groot congestieprobleem bij FruitVillage, dat alleen kan worden opgelost door het warmtenet aan te leggen in combinatie met de gedeelde elektriciteitsaansluiting van FruitMasters. Hierover zijn ook afspraken gemaakt met FruitMasters.
Bijlage 4: Huidige en toekomstige warmtevraag
Figuur 1. Huidige warmtevraagdichtheid gemeente West Betuwe - alle functies
Figuur 2. Toekomstige warmtevraagdichtheid gemeente West Betuwe - alle functie
Bijlage 5: Duurzaam opgewekte warmte
De gecombineerde warmtevraag voor utiliteit en woningen in West Betuwe zal circa 1368 TJ/jaar zijn in 2050 (Figuur 1). Dit is dan ook de warmtevraag waarvoor we de komende jaren passende warmtebronnen moeten gaan zoeken. In de Regionale Energiestrategie is een voorstel gedaan om in 2030 0,376 TWh duurzame elektriciteit op te wekken. Wanneer deze duurzame elektriciteit alleen zou worden ingezet voor de opwek van duurzame warmte is dit voldoende om in 2050 aan deze lokale vraag te voldoen.
Figuur 1. Warmtevraag op basis van gestelde doelen
Bijlage 6: Data-analyse
Methode analyse kansrijke warmteoplossing
In deze bijlage is beschreven welke methode is toegepast om te komen tot de meest kansrijke warmteoplossingen
Nationale kosten als uitgangspunt voor data-analyse / vinden van beste warmteoplossing
De Rijksoverheid vraagt gemeenten de warmtetransitie binnen de gemeentegrenzen te realiseren en keuzes te maken op basis van laagste nationale kosten en eindgebruikerskosten en dit te onderbouwen (Klimaatakkoord, 2019) in het Warmteprogramma.
Belangrijk doel van het Warmteprogramma is om handelingsperspectief te geven aan iedereen in de gemeente. Aan de inwoners, de gevestigde ondernemers en de professionele stakeholders werkzaam binnen de gemeente. Dat handelingsperspectief betekent duidelijkheid over de toekomstige warmtevoorziening per deelgebied en welke aanpassingen daarvoor nodig zijn aan de gebouwen. Met de hieronder beschreven methode is, met de kennis van nu, getracht om dat handelingsperspectief tijd- en kostenefficiënt te bieden. De keuze voor een alternatieve warmteoplossing begint met de afweging tussen een collectieve of individuele warmteoplossing. DWTM ziet in de analyse voor het Warmteprogramma een aantal belangrijke indicatoren die iets zeggen over de financiële haalbaarheid van een collectieve warmteoplossing, namelijk de warmtevraag(dichtheid), de nabijheid van warmtebronnen en de hoeveelheid potentiële aansluitingen. We zien in de Startanalyse van het PBL, uit de resultaten van onze eigen tools én aan de recente ontwikkelingen in de markt, dat een warmtenet alleen financieel haalbaar is onder gunstige omstandigheden. Door naar boven genoemde indicatoren te kijken, kunnen we een eerste inschatting maken in welke gebieden een warmtenet wel, misschien of waarschijnlijk niet haalbaar is.
Warmtevraag
De benodigde investering voor een collectieve warmteoplossing is aanzienlijk. Een collectieve oplossing is economisch daarom alleen wenselijk bij een relatief grote vraag naar warmte.
Voor de bepaling van de huidige en toekomstige warmtevraag hebben wij een eigen tool ontwikkeld, de BAG-verrijking. Met deze tool maken wij een inschatting van de warmtevraag per woning, gebaseerd op een analyse van het daadwerkelijke gasverbruik per woningtype. De tool werkt als volgt
•Openbare data van de BAG en RVO vullen wij aan met onze inschatting van energie labels om een actueel beeld te krijgen van de isolatiegraad van woningen in een gebied.
•We schatten de huidige en toekomstige warmtevraag in, gebaseerd op daadwerkelijk gasverbruik op PC6-niveau.
•We specificeren de warmtevraag per type woning, bouwjaarcategorie, energielabel en oppervlakte.
Warmtevraagdichtheid
Een groot deel van de investering in een collectief warmtesysteem bestaat uit kosten voor infrastructuur: het leidingwerk in de grond waardoor warm water van warmtebron naar gebruikers stroomt. Hoe minder leidingwerk benodigd is voor de levering van warmte, hoe lager de nationale kosten voor het warmtenet. En daarom is de warmtevraagdichtheid (GJ/ha/jaar) een belangrijke indicator om de kans rijkheid van een warmtenet te beoordelen. We brengen de warmtevraagdichtheid in kaart door de warmtevraag te plotten op een oppervlakte. Hoe hoger de warmtevraagdichtheid, hoe groter de kans dat de investering in de infrastructuur terugverdiend kan worden met de verkoop van warmte. Een hogere warmtevraagdichtheid zorgt namelijk voor relatief minder leidingwerk, wat de investeringskosten (en gerelateerde onderhoudskosten) verlaagt. Hierdoor is de businesscase voor een warmtenet in een gebied met veel hoogbouw en rijtjeswoningen beter dan in een gebied waar veel vrijstaande woningen en 2-onder-1-kapwoningen staan.
Aanwezigheid warmtebronnen
De investering in de warmtebron kan een groot deel van de totaal benodigde investering zijn. Daarom onderzoeken we de nabije aanwezigheid van een warmtebron of de mogelijkheid deze te ontwikkelen. De aanwezigheid van warmtebronnen beoordelen we door middel van deskresearch. We kijken naar bedrijvigheid waarbij warmte vrijkomt zoals bakkerijen, kassen, koelingen, steenbakkerijen, maar ook naar warmtebronnen als geothermie en aquathermie (oppervlaktewater, RWZI, drinkwater). Daarnaast maken we gebruik van de informatie die we over mogelijke bronnen ophalen bij de gemeente en andere organisaties zoals waterschappen.
Stel er is een warmtebron, dan is ook nog belangrijk op welke temperatuur deze bron warmte kan leveren. Hoe hoger de brontemperatuur (bijv. hoge temperatuur bij geothermie), hoe minder installaties nodig zijn: de warmte kan direct benut worden door de bewoners. Daar tegenover staat dat de leidingen dan goed geïsoleerd moeten worden om warmteverliezen zoveel mogelijk te voorkomen. Bovendien kan het kostbaar zijn om zo’n bron te realiseren. Is de temperatuur van de bron laag (bijvoorbeeld bij aquathermie), dan zijn er warmtepompen nodig om de temperatuur op te waarderen, of heeft elke woning individueel een warmtepomp nodig. Bij een lagere temperatuur hoeven leidingen minder geïsoleerd te worden, maar is er in huis wel een extra installatie nodig. Deze voorbeelden laten zien dat het een complex samenspel van factoren is die uiteindelijk de financiële haalbaarheid bepalen. In alle gevallen geldt dat de investering terug verdiend moet kunnen worden met de verkoop van warmte: er moet dus voldoende afname van warmte zijn.
Aantal aansluitingen
In onze analyse zijn de kosten van warmtenetten niet gesocialiseerd: de kosten worden berekend op basis van het aantal aansluitingen in het gebied waarin we collectieve warmte onderzoeken. Er moeten voldoende aansluitingen zijn om de initiële investering en de kosten voor het onderhoud van het warmtenet over te verdelen. Het type warmtebron heeft veel invloed op het minimaal gewenst aantal aansluitingen. Zo zijn de investeringen van een diepe geothermieput heel hoog, waardoor er veel afzet nodig is om de investering terug te verdienen. Een kleinschalige warmtebron, zoals de uitkoppeling van aquathermie, kan al bij enkele honderden aansluitingen interessant zijn, afhankelijk van andere factoren zoals warmtevraagdichtheid, type woningen, etc..
Aansluiting op een warmtenet kan niet worden verplicht. Een groter aantal mogelijke aansluitingen beperkt het risico op een tekort aan warmteafnemers in de eindsituatie. Oók tijdens de ontwikkeling kunnen dan al eerder meer aansluitingen gerealiseerd worden. Dat is relevant, omdat het wel jaren kan duren voordat het hele gebied aangesloten kan worden op het warmtenet: de vollooptijd.
We kijken ook naar de aanwezigheid van woningcorporatiebezit. Wanneer een woningcorporatie besluit afnemer te worden van een collectief warmtesysteem heeft dat meerdere voordelen. De aanwezigheid van een woningcorporatie kan het vollooprisico beperken doordat, mits de participatiegraad van 70% wordt gerealiseerd
8Binnen een complex van een woningcorporatie moet voldoende draagvlak zijn onder de huurders.
, een relatief groot aantal woningen in een korte tijd kunnen worden aangesloten. Daarnaast biedt een beperkt aantal stakeholders organisatorische voordelen ten opzichte van veel verschillende woningeigenaren. Een groter aantal mogelijke aansluitingen, eventueel in aanwezigheid van een woningcorporatie, geeft daarmee meer zekerheid voor investeerders en een warmtebedrijf.
Een hogere participatiegraad en meer aansluitingen zorgen voor lagere kosten voor het collectieve warmteconcept per aansluiting. Daarmee wordt het meer concurrerend met individuele warmteoplossingen.
Inschatting warmteoplossingen
Veel afwegingen spelen een rol in de keuze voor een warmteoplossing.. Betaalbaarheid is een belangrijk criterium. Óf een warmteoplossing duidelijk goedkoper is dan alternatieven, kan aan de hand van bovenstaande criteria niet worden gesteld.
Omdat de precieze kosten van een warmtenet op dit niveau nog niet zijn te bepalen, maken wij een inschatting op basis van de beschreven criteria. Hoe hoger de toekomstige warmtevraag en warmtevraagdichtheid en hoe groter het aantal potentiële aansluitingen en de aanwezigheid van bestaande warmtebronnen, hoe groter de kans dat een warmtenet vanuit economisch perspectief een concurrerende warmteoplossing is.
Met bovenstaande analysemethode zijn gebieden waarbinnen collectieve warmte mogelijk financieel interessant zijn geïdentificeerd. In een latere fase is met DWTM’s Warmtetool in een hoger detailniveau naar warmteoplossingen per gebieden gekeken. Hierover later meer. Gebieden met een beperkte warmtevraagdichtheid en waarbij de woningen al gereed zijn voor lage temperatuurverwarming of goed zijn te isoleren voor lage temperatuurverwarming oormerkt DWTM als gebieden voor een individuele warmteoplossing (elektrische warmtepompen).
Gebieden met een beperkte warmtevraagdichtheid en waarbij de woningen moeilijk zijn te isoleren voor een lage temperatuurverwarming oormerkt DWTM als gebieden voor een individuele warmteoplossing ((hybride) warmtepomp) of in het uiterste geval, wanneer het technisch niet mogelijk is de benodigde aanpassingen te doen voor isolatie en/of het warmtesysteem, groen gas.
Fasering
De doorlopen analysestappen geven houvast om wijken aan te wijzen waar het interessant lijkt om op korte termijn concreet aan de slag te gaan met ‘aardgasvrij’ en waar misschien eerst de focus moet liggen op isoleren. De volgorde waarin de gemeenten de verschillende gebieden binnen de gemeentegrenzen aandoet heet de ‘fasering’. Om volgorde aan te brengen in de verschillende gebieden kijkt DWTM naar de kans rijkheid van de mogelijke oplossing, de mogelijkheid om snel te starten en koppelkansen met andere opgaven om overlast en/of kosten te beperken. Daarnaast is het in gebieden waar een warmtenet kansrijk lijkt belangrijk om tijdig aan de slag te gaan. Hoe langer daar wordt gewacht, hoe groter de kans dat bewoners intussen al individueel iets ondernemen. Terwijl juist zoveel mogelijk woningen nodig zijn om een collectieve oplossing tot een succes te maken.
Per soort warmteoplossing zijn verschillende criteria van invloed:
Collectieve warmteoplossing
•Aanwezigheid warmtebron
•Warmtevraagdichtheid
•Percentage woningcorporatiebezit
•Aanwezigheid buurtinitiatief
•Schaalbaarheid
•Te verwachten natuurlijke momenten (koppelkansen)
Individuele warmteoplossing
•Capaciteit elektriciteitsnet en planning netbeheerder
•Mate van isolatie
•Gelijkvormigheid woningen
•Natuurlijke momenten (cv-ketel vervanging)
Isolatie
•Energiearmoede
•Besparingspotentieel
•Gelijkvormigheid woningen
De gebieden van de gemeente zijn beoordeeld met deze criteria. Dit geeft per soort warmteoplossing een eerste argumentatie voor een fasering. Vanuit dit vertrekpunt heeft de gemeente de fasering van gebieden gemaakt.
Laagste nationale kosten en eindgebruikerskosten
Na het identificeren van gebieden met potentie voor collectieve warmte en het beargumenteren van een fasering hebben we een Warmtetoolanalyse uitgevoerd (Figuur 1). De Warmtetool is DWTM’s rekenmodel waarmee tijd- en kostenefficiënt criteria van verschillende duurzame warmtetechnieken voor specifieke gebieden kunnen worden vergeleken. In dit geval is voor alle clusters binnen de gemeentegrenzen een elektrische oplossing (lucht-warmtepomp) en twee varianten van een warmtenet (maakbare bron en, als aanwezig, een natuurlijke bron zoals warmte uit oppervlaktewater) doorgerekend en met elkaar vergeleken. De onderzochte criteria zijn nationale kosten en eindgebruikerskosten per warmtetechniek.
De resultaten uit de warmtetool analyse zijn gebaseerd op een data-gedreven scenario-analyse. Op basis hiervan ontstaat een beeld van de kans rijkheid van verschillende technieken, maar kan geen sluitende conclusie geformuleerd worden over technische of economische haalbaarheid. Het gaat om indicatieve resultaten die een mate van onzekerheid met zich meebrengen. Ondanks dat onze rekenmethodes frequent geüpdatet worden, blijven de waarden van bijvoorbeeld prijsontwikkelingen en participatiegraad aannames. Dit betekent dat de resultaten vooral geschikt zijn om scenario's per buurt onderling te vergelijken. Om te beoordelen of het relatieve verschil tussen scenario’s significant is, dient rekening te worden gehouden met een marge van 20%.
Figuur 12. rekenmodel waarmee tijd- en kostenefficiënt criteria kunnen worden vergeleken
De uitkomsten van de Warmteool analyse zijn per gebied naast de eerdere inschatting gelegd. Wanneer bij een gebied op het criterium laagste nationale kosten de elektrische oplossing 20% (of meer) beter scoorde dan de best scorende collectieve warmtenet oplossing, is in dit gebied de elektrische warmtepomp geoormerkt als voorkeursoplossing voor het gebied (in sommige gevallen samen met groen gas, bij een complexe isolatieopgave).
Bij de overige gebieden is het andere betaalbaarheidscriterium, laagste eindgebruikerskosten, op dezelfde manier beoordeeld: wanneer een verschil van 20% in het nadeel van de best scorende collectieve oplossing werd geconstateerd, is in dit gebied de elektrische warmtepomp (met in sommige gevallen groen gas) als voorkeursoplossing geoormerkt.
Bij overgebleven gebieden is op de criteria nationale- en eindgebruikerskosten geen significant verschil tussen de verschillende warmteoplossingen zichtbaar en zijn zo geoormerkt als gebied dat potentie heeft voor (vervolgonderzoek naar) collectieve warmte.
Overige criteria van invloed op voorkeuroplossing
Naast de financiële afwegingscriteria bestaan vele andere criteria. Het kan in kleine buurten of kernen nog steeds interessant zijn, de mogelijkheid van een warmtenet te onderzoeken vanwege andere voordelen die een collectieve warmteoplossing biedt, zoals:
-wanneer er beperkte isolatiemogelijkheden zijn;
-ruimte in of buiten de woning beperkt is voor een alternatieve warmteoplossing;
-draagvlak onder inwoners;
-(beperkte) capaciteit op het elektriciteitsnet voor elektrische oplossingen;
-lage initiële investering voor inwoners;
-uitbreiding van een warmtenet en zo relatief eenvoudig meer woningen aardgasvrij.
Vanuit de resultaten van de warmtetoolanalyse heeft de gemeente aan de hand van overige criteria en input van stakeholders de voorkeursoplossing per gebied definitief gemaakt. Deze uitkomsten zijn vertaald naar een warmteoplossingen-kaart die in het warmteprogramma is opgenomen.
Bijlage 7: Bouwjaren
Figuur 1. Bouwjaren van gebouwen in gemeente West Betuwe
Bijlage 8: Energie labels
Figuur 1. Energie labels woningen in gemeente West Betuwe
Bijlage 9: Aantal nieuwbouw woningen
Figuur 1. Nieuwbouw woningen in gemeente West Betuwe
Bijlage 10: Warmteprofielen
Figuur 1. Warmteprofielen van gebouwen in gemeente West Betuwe
Bijlage 11: Vermogen aardwarmte
Figuur 1. Vermogen aardwarmte gemeente West Betuwe
Bijlage 12: Categorieën warmteoplossing
Individuele oplossingen
Als woningen redelijk geïsoleerd zijn of in de toekomst geïsoleerd kunnen worden, zijn individuele oplossingen zoals een luchtwarmtepomp of een bodemwarmtepomp geschikt. Deze woningen zijn vaak ook geschikt voor een laagtemperatuur warmtenet. Dit is financieel moeilijk te realiseren door de beperkte warmtevraag en de verwachting dat veel woningeigenaren al zelfstandig hebben verduurzaamd met een individuele warmteoplossing. Klein-collectieve oplossingen zijn hier een optie, zoals een gezamenlijke bodemwarmtepomp voor 3 tot 7 woningen (via een mini-warmtenet). In gebieden met een lagere bebouwingsdichtheid, waar bijvoorbeeld veel vrijstaande huizen of twee-onder-één-kap woningen staan, is de keuze voor individuele oplossingen logisch. Een warmtenet is hier al snel te kostbaar om aan te leggen, omdat de huizen ver uit elkaar liggen waarmee het warmtenet te kostbaar wordt. Er moet namelijk veel kostbaar leidingwerk worden aangelegd waar een kleine hoeveelheid woningen op wordt aangesloten. Hierdoor wordt de aansluiting per individuele woning vaak erg kostbaar.
Kansrijk voor een warmtenet
In de groene gebieden is een warmtenet een serieuze optie. Hier kunnen verschillende redenen voor zijn: er is bijvoorbeeld een hoge warmtevraag op een klein oppervlakte (warmtedichtheid) en/of er is een duurzame warmtebron in de buurt. Overigens betekent de voorkeur voor een warmtenet in een buurt niet dat woningen daar verplicht op worden aangesloten. Voor eigenaren van een goed geïsoleerde woning kan het bijvoorbeeld aantrekkelijker zijn een warmtepomp te nemen. Zolang het alternatief voor een warmtenet minstens even duurzaam is. Op het moment dat wordt gekozen om een warmtenet in de buurt aan te leggen kan op termijn (circa acht jaar) het aardgas worden afgesloten. De exacte termijn zal nog worden bepaald in toekomstige wetgeving die zal worden aangehouden in gemeentelijk beleid. De gebieden met de donkerste tinten, vanaf 1000 GJ/ha, daar is een warmtenet kansrijk, als er een geschikte warmtebron in de buurt is. Onder de 500 GJ/ha is een warmtenet in veel gevallen financieel niet haalbaar, en zijn individuele oplossingen voordeliger. Tussen 500 en 1000 GJ/ha hangt het af van de omstandigheden, zoals het type warmtebron en de afstand tussen woningen en warmtebron. Overigens heeft de hoeveelheid woningen ook invloed op de haalbaarheid voor het realiseren van een warmtenet. Wanneer er minder dan 500 woningen aanwezig zijn in een gebied maakt dit de mogelijkheden voor het realiseren van een warmtenet minder aannemelijk
Individueel of met warmtenet
In deze gebieden is het nog onzeker wat de meest maatschappelijk rendabele oplossing is: individueel of met een warmtenet. Er moet in deze gebieden meer gedetailleerd onderzoek worden gedaan naar besparingsmogelijkheden, de beschikbaarheid van nabije warmtebronnen en de kosten van het exploiteren van de warmtebronnen. Wanneer in aangrenzende gebieden een warmtenet gerealiseerd wordt, kan dit een kans zijn om een onzeker gebied ook op dit warmtenet aan te sluiten. Hierbij blijft de warmtevraagdichtheid een goede indicatie om te bepalen of een warmtenet kostentechnisch realiseerbaar is.
Een belangrijke factor voor het realiseren van collectieve oplossingen of individuele oplossingen is netcongestie. Wanneer het elektriciteitsnetwerk ook op de lange termijn niet geschikt is voor de toenemende stroomvraag voor individuele warmteoplossingen dan kan een warmtenet een meer aantrekkelijke oplossing zijn. De verwachting is dat tot 2029 individuele verduurzaming doormiddel van een all-electric warmtepomp door de netbeheerder wordt afgeraden.
Individueel of duurzaam gas.
In een aantal wijken staan veel oudere woningen en monumenten, die ook in de toekomst waarschijnlijk een hogere temperatuur (60 graden of hoger) warmteafgifte nodig hebben. De bebouwingsdichtheid is hier laag. Dit zijn gebieden waar duurzaam gas (biogas of waterstof) mogelijk een optie is. Echter is de toekomstige beschikbaarheid van zowel biogas als waterstof onzeker. Daarom zijn ook individuele oplossingen, zoals een warmtepomp of een pelletkachel, hier een optie. Hiervoor moeten de meeste woningen wel eerst vergaand geïsoleerd worden, zie Bijlage 17. Vanwege de onzekerheid worden deze gebieden niet als eerste aangepakt – we wachten de ontwikkelingen rond duurzaam gas en waterstof af. In de tussenliggende jaren zetten we in op energiebesparing via isolatie en hybride warmtepompen.
Bijlage 13: Toelichting factoren
Combinatie met andere werkzaamheden:
Waar we werkzaamheden kunnen combineren, doen we dat. De onderhoudsplanning van woningcorporaties of werkzaamheden aan de openbare ruimte, kunnen aanleiding zijn om direct ook de energie-infrastructuur in een buurt aan te pakken. Een andere koppelkans is de sociale ontwikkeling van een buurt waarin de gemeente bijvoorbeeld graag de sociale cohesie of veiligheid wil verbeteren. Er zal goed moeten worden gekeken naar kosten en baten van het combineren van werkzaamheden. Om in het juiste tempo vorm te geven aan de warmtetransitie zal dit ook beteken dat niet altijd voorkomen kan worden dat werkzaamheden in een gebied na elkaar worden uitgevoerd met meer overlast tot gevolg.
Te verwachten natuurlijke momenten:
Verschillende wijken in West Betuwe zijn rond dezelfde tijd gebouwd. Dit betekent dat de cv ketels ook rond dezelfde tijd zijn aangesloten. In dit soort wijken kan gekeken worden naar mogelijkheden voor collectieve inkoop van individuele warmtepompen wanneer de cv ketels ongeveer rond hetzelfde moment aan vervanging toe zijn.
Bestaande warmtebronnen:
Wijken die in de nabijheid liggen van een bestaande warmtebron (oppervlaktewater, rioolwaterzuiveringscentrale, restwarmte) bieden een logische kans om van deze bron gebruik te maken voor een collectieve warmteoplossing. Het is belangrijk om over brongebruik heldere lange termijn afspraken te maken voor de gebruikers van de warmte en de eigenaar van de bron.
Vervanging aardgasnet:
Gebieden waar de aardgasleidingen vanwege standaardonderhoud vervangen moeten worden, zijn een mogelijk startpunt. In principe leggen we geen nieuwe aardgasleidingen meer aan, maar vervangen die door een duurzame warmtevoorziening. Dit is met uitzondering van grondroergevoelige leidingen die vervangen worden bij werkzaamheden in de ondergrond.
Percentage corporatiebezit:
Hoe meer corporatiewoningen, hoe groter het aandeel dat in bezit en beheer is van één partij. Dat heeft als voordeel dat dit een positieve invloed kan hebben op het doorlopen van processen. Wanneer 70 procent van de huurders positief staat tegenover de warmteoplossing is dit al een groot gedeelte van de wijk. Dit zal wel vragen om een forse inspanning op het creëren van draagvlak onder huurders. Daarnaast hebben woningcorporaties wettelijke eisen waar zij aan moeten voldaan ten aanzien van het verduurzamen van woningen.
Daarnaast kan worden aangesloten op de onderhoudscycli van deze woningen. Wanneer een groot deel in de buurt tegelijk aangepakt kan worden, wordt het interessant om de rest van de buurt hierbij te betrekken, bijvoorbeeld met grootschalige isolatieprojecten, collectieve inkoop van warmtepompen of de aanleg van een warmtenet.
Initiatief inwoners of vastgoedeigenaren:
Wijken waar inwoners en/of vastgoedeigenaren het voortouw nemen om aardgasvrij te worden (of open staan voor een collectieve oplossing), kunnen vooroplopen. De gemeente weegt deze initiatieven mee in de overweging waar en wanneer er van start wordt gegaan met de uitvoeringsplannen van het warmteprogramma.
Eenvoud aanpak:
Voor wijken met veel dezelfde woningen is het makkelijker een aanpak op te stellen. Hetzelfde geldt voor uniforme bedrijventerreinen met gelijksoortige gebouwen. Is er aanwezigheid van maatschappelijk vastgoed? Dan kan dit een extra reden zijn om eerder met een buurt / bedrijventerrein aan de slag te gaan.
Collectieve systemen:
De eerste wijken die beginnen met een uitvoeringsplan hebben een focus op een collectieve oplossing. De reden is dat individuele warmteoplossingen tot 2029 naar waarschijnlijkheid beperkt mogelijk gaan zijn. Dit komt door de beperkte ruimte op het elektriciteit netwerk.
Schaalbaarheid:
Wijken waarvan de aanpak uitgerold kan worden in andere wijken hebben de voorkeur. Dit om het leereffect in de rest van de gemeente te benutten.
Nieuwbouwplannen:
Wanneer er uit te voeren nieuwbouwplannen worden gerealiseerd kan dit de mogelijkheid bieden om een energiesysteem te realiseren waar ook bestaande bouw op kan worden aangesloten.
Capaciteit elektriciteitsnet / netcongestie:
Is het net al gereed voor all-electric oplossingen of dient dit eerst verzwaard te worden? Netcongestie: De overbelasting van het stroomnetwerk heeft de komende jaren grote gevolgen voor de gebouwde omgeving. Er zal een aantal plekken zijn waar het stroomnet de komende jaren niet wordt verzwaard waardoor woningen in beperkte mate over kunnen op een individuele all-electric oplossing.
Mate van isolatie:
Wanneer woningen reeds goed geïsoleerd zijn heeft dit een positief effect op de mogelijkheid om op korte termijn aardgasvrije oplossingen te verwezenlijken
Energiearmoede:
Wanneer er veel energiearmoede in een wijk is heeft dit invloed op het maken van keuzes. Er wordt bij veel energiearmoede eerder gekozen voor een wijkaanpak om versneld aan de slag te gaan met isoleren.
Lerend vermogen
In de pilots die we kiezen is het lerend vermogen belangrijk. Hierbij wordt de nadruk gelegd op het verbreden van de kennis en ervaringen.
Bijlage 14: Toelichting transitiepad
Collectief
-UP Geldermalsen Zuid
In deze wijk zijn veel woningen in bezit van de woningcorporatie. Dit kan een positieve factor zijn. Wanneer 70 procent van de huurders positief staat tegenover de warmteoplossing is dit al een groot gedeelte van de wijk. Dit zal wel vragen om een forse inspanning op het creëren van draagvlak onder huurders. Daarnaast hebben woningcorporaties wettelijke eisen waar zij aan moeten voldaan ten aanzien van het verduurzamen van woningen. De woningen zijn vrij uniform en verschillen qua bouw niet veel van elkaar. Dit kan voordelen bieden bij het aansluiten op een collectieve oplossing. Er ligt in deze wijk nog wel een isolatieopgave. Uit het bronnenonderzoek (Bijlage 16) wat is uitgevoerd in Geldermalsen kwam dat het starten met Geldermalsen Zuid het meest gunstig is.
-UP Geldermalsen Centrum
In Geldermalsen centrum is de warmtevraagdichtheid in verhouding tot de andere wijken in Geldermalsen relatief hoog.
Op basis van de bronnenstudie heeft deze wijk de voorkeur om als tweede wijk aan te sluiten op een warmtenet. Hier ligt wel een isolatieopgave.
-UP Geldermalsen West
Dit gebied heeft in Geldermalsen de grootste hoeveelheid woningen met een goed isolatielabel. Verder ligt deze wijk vrij dicht bij de restwarmtebronnen die kunnen worden ingezet bij een warmtenet. Uit het bronnenonderzoek komt naar voren dat het kosteneffectief is om deze wijk als derde wijk aan te sluiten op een warmtenet.
-UP Geldermalsen Tuindorp/ station
Deze wijk ligt het dichtst bij de beschikbare warmtebronnen. In Tuindorp is een actieve buurtvereniging die graag mee wil denken met het realiseren van een warmtenet in Geldermalsen. In deze wijk wordt gestart met de Lokale Aanpak Isolatie. Het versnelt isoleren van woningen heeft een positief effect op het aansluiten van de woningen op een warmtenet,
-UP Geldermalsen Oost
Op basis van het bronnenonderzoek wordt in Geldermalsen Oost als laatste wijk gestart met een het opstellen en uitvoeren van een wijkuitvoeringsplan.
-UP Enspijk
In Enspijk is de afgelopen jaren een pilot uitgevoerd om te bepalen of een collectieve warmteoplossing in een kleine dorpskern mogelijk is. Enspijk is in de Transitievisie 1.0. ook benoemd als pilot zodat we kunnen leren van het proces. In hoofdstuk.. worden de geleerde lessen van deze pilot toegelicht. In de TVW 1.0 is Enspijk benoemd als pilot. Samen met de coöperatie Duurzame Warmte Enspijk en diverse stakeholders, wordt er nu toegewerkt naar een haalbare, betaalbare en opschaalbare oplossing. We zijn nu op het punt gekomen dat de pilot over kan gaan naar de status Uitvoeringsplan, zonder daarbij uit het oog te verliezen dat het hier nog steeds gaat om het leren van Enspijk
-Warmteoplossing studie Geldermalsen
In Geldermalsen is het afgelopen jaar een bronnenstudie uitgevoerd. Om in kaart te brengen of een collectieve warmteoplossing een rendabele optie is zal hier een vervolgonderzoek moeten worden uitgevoerd waar een warmtenet wordt vergeleken met andere warmteoplossingen.
-Bronnenstudie Asperen
Om te bepalen wat de haalbaarheid is van een warmtenet zal een bronnenonderzoek moeten worden uitgevoerd. Hier wordt gekeken wat de beschikbare warmtebronnen zijn, hoe een schetstracé voor een warmtenet eruit kan zien en hoe een businesscase eruit kan komen zien. Uit de data-analyse komt naar voren dat Asperen goed geschikt zou kunnen zijn voor een warmtenet.
-UP Asperen
Uit de data analyse komt naar voren dat Asperen een hoge warmtevraagdichtheid heeft wat betekend dat de mogelijkheden voor een warmtenet goed mogelijk zouden kunnen zijn. Naar waarschijnlijkheid sluiten in de toekomst steeds meer inwoners en bedrijven een individuele warmtepomp aan. Daarom is het belangrijk om op de plekken waar collectief een mogelijke warmteoplossing is in de nabije toekomst aan de slag te gaan.
In Asperen wordt de komende jaren veel werkzaamheden verricht aan de openbare ruimte. Er zal hier rekening mee moeten worden gehouden.
Individueel
-Meteren Kalenberg (nieuwe pilot, zie voor uitleg hoofdstuk 4,5)
In deze wijk zijn de woningen relatief nieuw, hebben de woningen een goede isolatie en uit onderzoek blijkt dat ze goed geschikt zijn voor een individuele warmteoplossing. De verwachting dat inwoners hier rond dezelfde tijd hun cv-ketel vervangen is groot omdat de huizen rond dezelfde periode zijn gebouwd Bijlage 4 laat wel zien dat er voldoende warmte in de wijk wordt gebruikt om ook mogelijk een warmtenet aan te leggen. Omdat in de komende jaren veel inwoners hun cv-ketel gaan vervangen is het aannemelijk dat een groot aantal inwoners zal overstappen op een warmtepomp. Dit maakt de wijk elk jaar minder aantrekkelijk voor een warmtenet aangezien het percentage van individuele oplossingen elk jaar stijgt. Voor het aansluiten van een warmtepomp is het belangrijk dat bewoners goed geïnformeerd worden over de all-electric oplossingen. Wanneer veel inwoners kiezen voor een hybride warmtepomp zullen ze tot 2045 gebruik moeten maken van het aardgasnetwerk. Een hybride warmtepomp wordt namelijk door een cv ketel ondersteund. Deze wijk wordt ook aangewezen als nieuwe pilot zodat we actief kunnen stimuleren om voor all-electric oplossingen te gaan. Daarnaast heeft de gemeente nog geen ervaring heeft met het begeleiden van wijken waar een individuele oplossing het meest voor de hand liggend is. Aangezien we graag inzetten op leren van de ervaringen die we opdoen in wijken zodat we dit ook in andere wijken kunnen toepassen is Meteren Kalenberg in dat opzicht een logische keuze.
-Herwijnen
In Herwijnen zijn wijken die vrij nieuw zijn en waar binnen een aantal jaar de cv-ketel ook aan vervanging toe is. Hier willen we de ervaringen die we hebben opgedaan in Meteren Kalenberg meenemen zodat we de inwoners het beste kunnen helpen met het maken van de juiste keuzes.
Isolatie
-Geldermalsen West (Laageinde- Tuindorp)
In deze wijk zijn veel woningen met een slecht energielabel. Om het betaalbaar te maken om over te stappen op een alternatieve warmteoplossing is het wenselijk om hier eerst te isoleren. In deze wijk is een inwonersinitiatief actief waardoor een collectieve isolatieaanpak kansen biedt. Laageinde- Tuindorp is aangewezen als een van de startwijken met de Lokale Aanpak Isolatie.
-Enspijk
In Enspijk wordt met Duurzame Warmte Enspijk gewerkt aan een passende duurzame warmtevoorziening. De in 2023 in Enspijk opgerichte Coöperatieve Vereniging Duurzame Warmte Enspijk werkt toe naar de realisatie van een warmtenet in Enspijk in 2028. Om de komen tot een betaalbare warmteoplossing is isolatie belangrijk. Daarom wordt met de Lokale Aanpak Isolatie ook gestart in deze wijk
-Geldermalsen zuid, Geldermalsen centrum, Asperen oude kern, Vuren
Uit het dataonderzoek blijkt dat deze wijken een hoge isolatieopgave hebben en we zien hier ook een groter risico op energiearmoede. Dit is de reden dat deze wijken in het transitiepad opgenomen zijn. Zodat we inwoners in deze wijken helpen met het versnellen van het isoleren van woningen. Dit doen we door verschillende programma's te combineren zoals de Lokale Aanpak Isolatie en met EnergieVitaal. Dit allemaal met het doel de inwoners zo goed mogelijk kunnen helpen en ondersteunen met het treffen van verduurzamende maatregelen.
Bedrijven
Naast dat we naar woningen kijken binnen de warmtetransitie kijken we ook naar bedrijven, zij zijn namelijk onderdeel van de gehele opgave.
-Zeiving
We starten met het bedrijventerrein Zeiving. Voor dit bedrijventerrein wordt de komende jaren een revitaliseringsplan opgesteld en uitgevoerd. Dit zorgt voor een mooie koppelkans om ook aan de slag te gaan met de warmtetransitie. Omdat we met de revitaliseringsopgave met een bredere blik naar het bedrijventerrein kijken is de verwachting dat we hier meer kunnen bewerkstelligen dan als er individueel wordt gekeken naar bedrijven.
-Hondsgemet Zuid (nieuwe pilot)
Komende jaren zal er veel nieuwe ontwikkeling plaatvinden in Hondsgemet Noord. Dit is een goede aanleiding om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om deze ontwikkelingen te combineren met het verduurzamen van het bestaand bedrijventerrein Hondsgemet Zuid. Dit gebied wordt ook als nieuwe pilot aangewezen. De gemeente wil hiermee leren hoe ze kan bijdragen aan de versnelling van het realiseren van aardgasvrije bestaande bedrijventerreinen.
-Oudenhof
De ervaringen die we opdoen in Zeiving willen we graag ook inzetten voor Oudenhof. Op het bedrijventerrein Oudenhof wordt er de komende jaren aan een revitaliseringsplan gewerkt. Hier kan een koppelkans ontstaan met het realiseren van een warmtenet in Geldermalsen.
Bijlage 15: Proces om te komen tot een warmtenet
Transitievisie:
Het besluitvormingsproces voor een collectieve warmtevoorziening start met de transitievisie, die nu voorligt. Deze visie vormt een essentieel instrument voor de realisatie van een warmtenet. In de visie is een transitiepad opgenomen dat de wijken aanwijst waar de komende jaren stappen worden gezet om te verduurzamen en toe te werken naar een aardgasvrije toekomst.
Participatieproces:
Op basis van het vastgestelde transitiepad wordt een participatieproces uitgevoerd in de betrokken wijken. Tijdens dit proces houdt de gemeente rekening met de belangen van verschillende stakeholders door samen te werken bij het invullen van de keuzes en de planning.
Vaststellen van warmtekavels:
De volgende stap is dat het college van burgemeester en wethouders een warmtekavel vaststelt, gebaseerd op het warmteprogramma en de uitkomsten van het participatieproces. Een warmtekavel omvat de wijken waar de gemeente voornemens is een warmtenet te realiseren. De vaststelling van een warmtekavel heeft nog geen juridische gevolgen voor de bewoners en gebouweigenaren; deze ontstaan pas bij de besluitvorming in het omgevingsplan in het kader van de wijkgerichte aanpak.
Aanwijzing van een warmtebedrijf:
Na het vaststellen van de warmtekavel moet het college binnen een jaar een warmtebedrijf aanwijzen voor dat gebied. Dit bedrijf krijgt het exclusieve recht om binnen de kavel warmte te transporteren en te leveren. Het warmtebedrijf is verantwoordelijk voor de aanleg en exploitatie van het warmtesysteem en is verplicht alle verbruikers in de kavel op het warmtenet aan te sluiten. Hiermee wordt een "recht op warmte" ingevoerd, ter vervanging van het huidige "recht op aardgas".
Opstellen van een kavelplan:
Als onderdeel van het "recht op warmte" moet het warmtebedrijf, op verzoek van het college, een kavelplan opstellen voor de warmtekavel of een deel daarvan. Dit plan richt zich op de specifieke wijken binnen de kavel. Het college moet akkoord gaan met dit plan om te verzekeren dat het aansluit bij de wensen van de gemeente en de uitkomsten van het participatieproces. Het kavelplan dient ook de informatie te bevatten die de gemeente nodig heeft voor verdere besluitvorming.
Opstellen van een uitvoeringsplan:
Na goedkeuring van het kavelplan vormt dit een belangrijke basis voor het uitvoeringsplan dat door de gemeente wordt opgesteld. Dit plan, dat vormvrij is, biedt een overzicht van de stappen die moeten worden genomen, wanneer deze moeten worden uitgevoerd, en door welke partijen, om het warmtenet in de wijk te realiseren.
Aanpassen van het omgevingsplan:
Het uitvoeringsplan levert de basis voor het toekomstige omgevingsplan, waarin de gekozen warmteoplossing wordt opgenomen, inclusief de datum waarop de wijk van het aardgasnet wordt afgesloten. Het omgevingsplan moet de realisatie van het warmtenet mogelijk maken, inclusief de aanleg van ondergrondse leidingen en benodigde bovengrondse voorzieningen, zoals gebouwen met pompinstallaties.
Keuze voorleggen aan gebouweigenaren:
Nadat het omgevingsplan is vastgesteld, volgt een inventarisatie waarbij gebouweigenaren kunnen aangeven of zij willen deelnemen aan het collectieve warmtesysteem of kiezen voor een individuele warmteoplossing. De toekomstige Wet Collectieve Warmte zal regels bevatten om te voorkomen dat te veel gebouweigenaren zich afmelden, zodat de businesscase van het warmtebedrijf intact blijft.
Opstellen van een investeringsplan:
De laatste stap in het proces is het opstellen van een investeringsplan door het aangewezen warmtebedrijf. Dit ontwerpplan moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan de Autoriteit Consument & Markt (ACM) voordat het definitief kan worden vastgesteld. Zodra de investeringen uit het plan zijn uitgevoerd, wordt het proces voltooid. Als in de toekomst het aardgas in een wijk wordt afgesloten, zullen bewoners hiervan naar verwachting minstens 8 jaar van tevoren op de hoogte worden gesteld, hoewel de exacte termijn nog moet worden vastgesteld.
Bijlage 17: Warmtebronnen
Voor de gemeente West Betuwe is onderzocht welke warmtebronnen binnen de gemeente grenzen aanwezig zijn en wat hier de mogelijke potentie van is, zie Figuur 1.
Figuur 1. Potentiële warmtebronnen gemeente West Betuwe
We hebben veel water in het rivierengebied en veel kernen aan het water. In dat vele water is enorm veel warmte beschikbaar. De mogelijkheden voor warmtenetten waar gebruik gemaakt wordt van die warmte uit dat water zijn voor dit warmteprogramma onderzocht en zijn interessant voor West Betuwe. Daarnaast hebben we, met name in het buitengebied, veel kleinschalige restwarmte in de vorm van koelinstallaties voor het koelen van fruit. De warmte die vrijkomt bij het koelen van het fruit verdwijnt nu veelal de lucht in. Verder zijn er voor de gemeente op dit moment op veel plekken een beperkte hoeveelheid alternatieve energiebronnen beschikbaar. Naar het gebruik van restwarmte binnen de kern Geldermalsen is een bronnenonderzoek uitgevoerd waarbij er is gekeken naar de potentie van FruitMasters, de RWZI en Coroos.
Uit dit onderzoek (zie Bijlage 16) blijkt dat hier veel potentiële restwarmte vrijkomt om te gebruiken in een toekomstig warmtenet. De potentie van aardwarmte (geothermie) is in de gemeente in grote delen verwaarloosbaar (Bijlage 11). Wel zit er mogelijk wat potentie in het zuidwesten van West Betuwe bij Vuren
9Bron: Warmteatlas
.
Daarnaast heeft de Provincie Gelderland de opdracht van het Rijk om op zoek te gaan naar Aanvullende Strategische Voorraden (ASV) drinkwater. Op dit moment is circa 84% van ons grondgebied via de provinciale Omgevingsverordening beschermd als drinkwaterbeschermingsgebied of drinkwaterreserveringsgebied. De beschermende kleilaag welke op een diepte van +/- 35 meter
10Bron: Provincie Gelderland
onder maaiveld ligt mag daardoor niet meer worden doorboord. Er wordt onderzoek gedaan naar het verkleinen van de reserveringsgebieden. Op termijn (1 tot 4 jaar) kan een deel van het reserveringsgebied weer vrijgegeven worden en zijn diepere boringen wel weer toegestaan. Tot nu toe is juist de locatie bij Vuren scherper in onderzoek voor drinkwaterwinning om zodoende de fruitteelt en andere potentiële ontwikkelingen in het oosten van de gemeente meer ruimte te geven om ook van het schone diepe grondwater / de diepe bodem gebruik te maken.
Warmtebronnen voor individuele oplossingen
In deze paragraaf noemen we welke warmtebronnen in West Betuwe beschikbaar zijn om tot 2050 in de overgebleven warmtevraag te voorzien. We noemen eerst de warmtebronnen die individueel (per woning of appartementencomplex) in te zetten zijn. Daarna benoemen we de bronnen die geschikt zijn voor een warmtenet. Warmtebronnen die weinig kansrijk zijn in West Betuwe, zijn toegelicht in bijlage D.
De volgende warmtebronnen zijn per woning, per gebouw, of per rijtje huizen in te zetten.
Luchtwarmtepompen
Luchtwarmtepompen halen warmte uit de buitenlucht om de woning of het gebouw te verwarmen en gebruiken hiervoor elektriciteit. Het is vaak een individuele oplossing, die per woning of per appartementencomplex toegepast kan worden. De standaard luchtwarmtepomp geeft warmte op lage temperatuur. Een woning moet dan – net als voor andere lage temperatuur-oplossingen – goed geïsoleerd zijn en er is vaak een passend warmte-afgiftesysteem nodig, zoals vloerverwarming of lage temperatuur-radiatoren. Er zijn ook midden- en hoge temperatuur warmtepompen op de markt, waarvoor vaak minder aanpassingen in de woning nodig zijn. Deze hebben wel een hoger elektriciteitsverbruik. Luchtwarmtepompen zijn op grote schaal inzetbaar in de gehele gemeente.
Warmte-koudeopslag (WKO) en bodemwarmtepompen
Omdat de bodem een vrij constante temperatuur heeft, kan in de zomer koude en in de winter warmte gewonnen worden uit de bodem. Er bestaan individuele en collectieve vormen van bodemenergie, in zowel open als gesloten systemen. Ze benutten de bovenste laag van de bodem, tussen de 20 en 300 m diep. Op deze diepte kan warmte op lage temperatuur gewonnen worden (< 20 °C). In de zomer wordt warmte ondergronds opgeslagen, in de winter wordt die weer gebruikt. WKO of een bodemwarmtepomp geven daarom niet alleen warmte in de winter, maar ook koeling in de zomer. Om de bodem in balans te houden, moet de vraag naar warmte en koude in balans zijn, of er moet warmte uit een andere warmtebron worden toegevoegd. Dit heet regeneratie van de bron. WKO is daarom in te zetten in combinatie met andere warmtebronnen, zoals zonnewarmte, extra koeling van gebouwen of thermische energie uit oppervlaktewater (TEO).
Een eerste inschatting van de totale capaciteit van de bodem in West Betuwe is 1.6 TJ/ha per jaar voor gesloten systemen en tussen de 2 en 3,5 TJ/ha per jaar voor open systemen
11Bron: Warmteatlas
. Het is te verwachten dat de daadwerkelijke potentie lager ligt, omdat bodemenergie op sommige plaatsen (bijvoorbeeld in oude kernen) lastig in te passen is of omdat de afstand tot de gebouwen te groot is.
In West Betuwe geldt op dit moment een drinkwaterrestrictie waardoor het plaatsen van WKO’s een opgave is. Voor het realiseren van WKO installaties kan de optie worden onderzocht van systemen die gebruik maken van de bovenste bodemlagen. Wat de mogelijkheden hiervoor zijn in West Betuwe is nu nog onduidelijk.. De beschermende kleilaag welke op een diepte van +/- 35 meter
12Bron: Provincie Gelderland
onder maaiveld ligt mag daardoor niet meer worden doorboord bron vermelden. Er wordt onderzoek gedaan naar het verkleinen van de reserveringsgebieden. Op termijn (1 tot 4 jaar) kan een deel van het
Zonnewarmte (dak)
De warmte wordt gewonnen met zonnecollectoren op het dak. Er bestaan gecombineerde panelen die zowel elektriciteit als warmte leveren, die worden PVT-panelen genoemd (fotovoltaïsch-thermisch). Deze worden dan gecombineerd met een warmtepomp. De techniek is nog niet op grote schaal ingezet voor het verwarmen van de gebouwde omgeving, maar is potentieel kansrijk. In principe is elke goed geïsoleerde woning met voldoende ruimte op het dak geschikt.
Pellet kachels
In een pellet kachel of pellet-cv worden korrels van houtachtig materiaal verstookt. Omdat hierbij fijn stof vrij komt, is de techniek niet geschikt om op grote schaal toe te passen in woonwijken. In het buitengebied kan het echter op kleine schaal een optie zijn, als andere mogelijkheden ontbreken.
Infraroodpanelen
Infraroodpanelen maken stralingswarmte. In tegenstelling tot wat we gewend zijn, wordt niet alle lucht in de ruimte verwarmd, maar alleen die plekken waar mensen zijn. Ze gebruiken aanzienlijk meer elektriciteit dan een warmtepomp, maar doordat de warmte heel gericht wordt ingezet, kan het toch voordelig zijn. Infraroodpanelen zijn vooral geschikt voor ruimtes die maar af en toe gebruikt worden, zoals een zolder.
Warmtebronnen voor een warmtenet
Aardwarmte (ondiep en diep)
Aardwarmte of geothermie is het winnen van de warmte van de aarde, vanaf 500 m tot 1 km (ondiep, tot 50 °C) en van 1 tot 7 km diep (diep/ultradiep, tot > 100 °C). In het centrale gedeelte van West Betuwe is de potentie voor Geothermie laag maar rond om Vuren is deze potentie het hoogste. (zie kaart bijlage)
Thermische energie uit oppervlaktewater
Uit oppervlaktewater is warmte te winnen met een warmtewisselaar. Deze warmte kan in de bodem worden opgeslagen en in de winter worden gebruikt. Met een (vaak lage temperatuur) warmtenet komt de warmte bij de gebruikers. In West Betuwe zijn er 2 grote TEO bronnen, op basis van beschikbare openbare data is de potentie van de Linge en de Waal bepaald. de Linge met een potentie van +/-300 TJ en de Waal met een potentie van +/- 9000TJ. ruim voldoende om aanliggende kernen te voorzien van mogelijke warmte.
13Bron: Warmteatlas
Deze data is gedateerd en zou hier met behulp van het waterschap een nauwkeurigere potentie bepaald kunnen worden
Restwarmte uit rioolwaterzuiveringsinstallaties (RZWI) en rioolgemalen
In West Betuwe bevinden zich meerdere rioolwaterzuiveringsinstallaties. Deze installaties verschillen van potentie. Het RWZI met de meeste potentie ligt net boven Geldermalsen. Het afvalwater dat hier gezuiverd wordt, is het hele jaar door warm genoeg om warmte uit te onttrekken. De restwarmtepotentie van deze installatie i.c.m. een WKO is ingeschat op 50 TJ/jaar (ongeveer genoeg voor 1250 bestaande woningen)
14Bron: Warmteatlas
Met een (lage temperatuur) warmtenet komt de warmte bij de gebruikers.
Zonnewarmte (veld)
Warmte uit zonnecollectoren kan ook collectief worden ingezet, zowel grootschalig als kleinschalig. Zonnecollectoren of PVT-panelen (die warmte en elektriciteit opwekken) worden in veldopstelling of op een groot dak geplaatst en de warmte wordt via een warmtenet verspreid. Het maximaal potentieel voor zonnewarmte is ongeveer 10 TJ per hectare in een veldopstelling en ongeveer 2 GJ per vierkante meter in een dak opstelling
15Bron: Berenschot position paper: Kansen voor zonnewarmte in het hart van de energietransitie
. De techniek is nog niet op grote schaal ingezet voor het verwarmen van de gebouwde omgeving, maar gezien het grote potentieel interessant om te onderzoeken.
Biomassa (houtachtig)
Biomassa is de verzamelnaam voor diverse soorten organische materiaal, zoals voedselresten, snoeihout, meststromen en productiebossen. Er zijn vele vormen van biomassa, maar de inzet van biomassa voor het verwarmen van woningen zal naar verwachting gering blijven. Dit heeft te maken met de beperkte beschikbaarheid van duurzaam beschikbare biomassa én de andere toepassingsmogelijkheden die biomassa heeft. Biomassa kan mee gestookt worden in grote energiecentrales en op kleinere schaal ingezet worden met pellet kachels. De potentie voor de productie van warmte uit resthout op het grondgebied van West Betuwe is geschat op 60 TJ per jaar
16Bron: Warmteatlas
.
Restwarmte bedrijven
Bij industriële processen blijft soms warmte over, die niet binnen het bedrijf gebruikt kan worden. Afhankelijk van het type bedrijf is dit lage, middelhoge of hoge temperatuur warmte, die door middel van een warmtenet kan worden ingezet voor verwarming van gebouwen. In West Betuwe zijn twee bedrijven aanwezig met een mogelijke hogere temperatuur restwarmte. De relevante bedrijven zijn Sonac vuren BV en de Steenfabriek Haaften. De potentie van deze bedrijven moet nader onderzocht worden. Er zijn een aantal bedrijven in West Betuwe die in potentie lage temperatuur restwarmte beschikbaar hebben, tussen de 30 en 45°C.
Luchtwarmtepompen als buurt energie systeem
Luchtwarmtepompen halen warmte uit de buitenlucht om de woning te verwarmen, en gebruiken hiervoor elektriciteit. Deze warmtebron wordt tegenwoordig ook collectief ingezet. Dit wordt een buurt energie systeem genoemd. Deze warmteoplossing word toegepast voor 400 tot 800 woningen. Er zijn nog weinig praktijkvoorbeelden over de haalbaarheid van BES systemen. In de toekomst kan meer duidelijkheid ontstaan welke potentie voor een BES systeem in West Betuwe ligt.
Duurzaam gas
Biogas
Biogas wordt geproduceerd door organisch materiaal te vergisten. Verschillende vormen van biomassa kunnen als grondstof dienen voor het produceren van biogas, waaronder vloeibare mest, rioolslib, GFT-afval en de bio restfractie van akkerbouw en grasland. De beschikbaarheid van deze reststromen op het grondgebied van West Betuwe is genoeg voor circa 1362 TJ per jaar
17Bron: Warmteatlas
. De potentie in West Betuwe is relatief hoog, vanwege de grote reststromen van de gras en groenvoerdergewassen, akkerbouw en de beschikbare meststromen. Echter zijn er risico’s met betrekking tot de beschikbaarheid van biogas voor de gebouwde omgeving.
Waterstof
Waterstof is bij uitstek geschikt voor verwarming op hoge temperaturen. Een voordeel van waterstof is dat – met beperkte aanpassingen – het bestaande gasnet gebruikt kan worden. Ook zijn de vereiste ingrepen in de woning beperkt, omdat waterstof warmte kan leveren op hoge temperatuur. Omdat waterstof duur is (veel duurder dan aardgas), zal isolatie van de woning wel wenselijk blijven. Waterstof is geen energiebron, maar een energiedrager. Om waterstof te maken wordt tot nog toe meestal elektriciteit gebruikt uit fossiele gas- en kolencentrales (grijze waterstof). Het is ook mogelijk om groene energie te gebruiken (groene waterstof). In Nederland wordt tot aan 2030 zeer beperkt ingezet op kleinschalige pilots. Op de langere termijn is waterstof in West Betuwe misschien een optie voor lastig te verwarmen gebouwen zoals monumenten.
Risico van groene waterstof, groen gas en biomassa
Over de inzet van groene waterstof, groen gas en biomassa is veel te doen. Het lijken eenvoudige oplossingen, waarbij weinig aanpassingen inde woning en aan de leidingen nodig zijn. Helaas kleven er nadelen en beperkingen aan het gebruik ervan. Zo is er veel duurzaam opgewerkte elektriciteit nodig om groene waterstof te produceren. Deze elektriciteit wordt nu voornamelijk van fossiele energiebronnen zoals kolen en aardgas gemaakt (is dus grijze waterstof en niet duurzaam). Groene waterstof is vooralsnog duur en schaars, en de verwachting is dat dit voorlopig zo zal blijven. Ook groen gas en biomassa zijn niet ruim voorhanden.
Waterstof, groen gas en biomassa zijn bij uitstek geschikt om hoge temperaturen te leveren. Het is dan ook het meest logisch om ze in te zetten waar ook echt een hoge temperatuur nodig is. Voor verschillende sectoren is dit essentieel, bijvoorbeeld proceswarmte voor de industrie en het verduurzamen van de vliegtuigsector. Ook kan waterstof een belangrijke rol spelen in het balanceren van het elektriciteitsnet, wanneer hier meer zon- en windenergie op aangesloten wordt. Deze toepassingen voor de schaarse duurzame gassen zullen waarschijnlijk leiden tot hoge kosten. Het ligt daarmee minder voor de hand om woningen met zulke schaarse warmteoplossingen te verwarmen omdat dit vaak ook op andere manieren kan.
Bijlage 18: Taken en rollen stakeholders
De warmtetransitie vraagt een inspanning van de gemeente, maar eigenlijk van iedereen. Immers, het aardgas verdwijnt en daar zullen wij ons allemaal op moeten voorbereiden. Hieronder beschrijven we de rollen die we voorzien voor de belangrijkste stakeholders. In het volgende hoofdstuk gaan we dieper in op de uitvoeringsstrategie waarmee de gemeente invulling geeft aan haar regierol.
Rol van inwoners en bedrijven
De warmtetransitie komt bij elke inwoner en elk bedrijf ‘achter de voordeur’ en heeft directe impact op de leefomgeving. Woningeigenaren en gebouweigenaren beslissen zélf over de maatregelen in de woning en gebouwen. Inwoners en bedrijven kunnen bijdragen aan het versnellen van de transitie door te helpen bij het creëren van draagvlak. Een andere manier van bijdragen aan de warmtetransitie is het nemen van maatregelen, bijvoorbeeld door te isoleren.
Dit kan alleen als iedereen goed geïnformeerd is over wat er in hun wijk gaat gebeuren, hoe men hierover kan meepraten en wat men zelf kan doen. Dit warmteprogramma geeft hier richting in. De verdieping per wijk zal plaatvinden door het uitvoeren van de wijk uitvoeringsplannen waarbij er intensievere samenwerking tussen de gemeente en inwoners nodig is. Een andere rol die inwoners kunnen vervullen is het starten van een initiatief. Enspijk is hier een goed voorbeeld van. De stappen die hier zijn gezet waren niet mogelijk zonder de vrijwillige inzet van inwoners.
Rol van woningcorporaties en andere gebouweigenaren
De woningcorporaties zijn met 21% van de woningen goed vertegenwoordigd in West Betuwe. De corporaties Kleurrijk Wonen en De Kernen hebben bijgedragen aan het opstellen van het warmteprogramma. Zij hebben hun ontwikkel- en renovatieplannen gedeeld zodat de plannen in de wijkaanpak goed op elkaar kunnen worden afgestemd. In de wijken waar zij bezit hebben, werken de corporaties mee aan de buurtuitvoeringsplannen en wordt de samenwerking gezocht. Wanneer 70 procent van de huurders positief staat tegenover de warmteoplossing is dit al een groot gedeelte van een wijk. Dit zal wel vragen om een forse inspanning op het creëren van draagvlak onder huurders.
Rol van de netbeheerder
In de besluitvorming voor aanpassing van de energie-infrastructuur spelen netbeheerders een cruciale rol. De netbeheerders Stedin en Liander hebben de taak om het gasnet en elektriciteitsnet te onderhouden, te vervangen, te verwijderen (indien niet meer nodig) en/of uit te breiden. Zij zijn verantwoordelijk voor een betrouwbare, veilige en robuuste infrastructuur. Netbeheerders hebben de taak om de collectieve infrastructuur zo kosten-efficiënt mogelijk te beheren. In de warmtetransitie hebben netbeheerders de taak om de toekomstige planning voor aanleg en beheer van het gas- en elektriciteitsnet zo goed mogelijk af te stemmen op te verwachten ontwikkelingen.
Rol van de gemeente
De gemeente heeft volgens het Klimaatakkoord de regie in de warmtetransitie en speelt een centrale rol in de besluitvorming. We brengen partijen bij elkaar om het warmteprogramma op te stellen, en later voor buurtuitvoeringsplannen en onderzoeken op buurtniveau. Wet- en regelgeving over de rol en bevoegdheden van gemeenten in de energietransitie is nog volop in beweging, waardoor de precieze rollen en het besluitvormingsproces nog niet vaststaan.
De gemeente is beslisser en regisseur, maar voldoende draagvlak onder inwoners en betrokken partijen is een randvoorwaarde. De gemeente werkt daarom intensief samen met woningcorporaties, netbeheerder en inwoners uit de wijk. Plannen moeten voor gebouw-/woningeigenaren, huurders en de netbeheerder uitvoerbaar en betaalbaar zijn.
Kijkend naar de enquête resultaten zou de gemeente West Betuwe volgens meer dan de helft van de respondenten met name financieel kunnen ondersteunen. Daarbij dient ook gezorgd te worden voor een overgang die voor iedereen haalbaar is.
Rol Regio
Ook de regio heeft een rol in de warmtetransitie. De komende jaren zal de rol van de regio in ieder geval uit het volgende bestaan:
-Kader scheppend: vanuit de regio wordt nagedacht hoe de verschillende gemeenten rondom overkoepelende onderwerpen eenduidig beleid kunnen uitdragen.
-Verbindend: De regio kan een verbindende factor zijn tussen externe stakeholders en de gemeenten.
-Kennisuitwisseling: Ook als het gaat over kennisuitwisseling heeft de regio een verbindende rol.
-Expertise: De regio kan een rol spelen in het leveren van expertise op verschillende onderwerpen. Het is momenteel te kostbaar om dit per individuele gemeente te moeten regelen.
In de Regio Rivierenland zijn meerdere gemeenten de afgelopen jaren aan de slag geweest met de warmtetransitie. Elke maand komen de gemeenten een middag samen om de ontwikkelingen rondom de warmtetransitie te bespreken. Hieronder worden de geleerde lessen van verschillende gemeenten uit de afgelopen jaren beschreven.
Gemeenten ervaren dat goede communicatie met inwoners en bedrijven heel belangrijk is. Wanneer er informatieavonden worden georganiseerd over de warmtetransitie is het belangrijk dat inwoners zicht gehoord voelen. Vaak spelen er nog een hoop andere onderwerpen binnen een wijk waar mensen tijdens een warmtetransitie bijeenkomst vragen en ergernissen over kwijt willen. Veel inwoners zien de gemeente namelijk als 1 orgaan. Wanneer er geen ruimte is om deze andere onderwerpen te bespreken is de ervaring dat hier veel ergernis over kan blijven. Verder wordt er ervaren dat het belangrijk is om kerngericht te werken en hierbij te beoordelen wat er verder binnen een kern speelt. Daarin is het betrekken van gebiedsmakelaars erg belangrijk. Een integrale aanpak waar meerdere maatschappelijke componenten in mee worden gewogen helpt de warmtetransitie verder. Vanuit de andere gemeenten wordt ervaren dat het aanpakken van meerdere thema’s eerder zorgt voor motivatie bij inwoners om ook mee te denken over de warmtetransitie
Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet ingegaan. Dit heeft ook gevolgen voor het vormgeven van de warmtetransitie. De Omgevingswet biedt instrumenten voor de gemeente om beleid uit te voeren. Het Warmteprogramma is zo’n instrument.
Bijlage 19: Woordenlijst
In deze bijlage worden moeilijke woorden toegelicht
Aardgasvrij
Gebouwen die klaar zijn voor verwarming en warm water zonder gebruik van aardgas. Hiervoor is het nodig het gebouw goed te isoleren en het afgiftesysteem (zoals radiatoren of vloerverwarming) aan te passen op aardgasvrije warmteoplossingen.
All-electric
Een warmtevoorziening die alleen gebruik maakt van elektriciteit voor het verwarmen van het gebouw en (tap)water. Hier zijn veel verschillende manieren voor, zoals een warmtepomp of infraroodpanelen.
Aquathermie
Met aquathermie wordt warmte uit het water gehaald om gebouwen mee te verwarmen, of andersom om mee te koelen. Het is een verzamelnaam voor verschillende technieken. Het gaat om warmte en koude uit oppervlaktewater (Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO)), afvalwater (Thermische Energie uit Afvalwater (TEA)) en drinkwater (Thermische Energie uit Drinkwater (TED)).
Biogas
Een gas dat ontstaat bij de vergisting van biomassa en als grondstof gebruikt kan worden voor een alternatief voor aardgas.
Duurzame energie
Energie die wordt opgewekt uit natuurlijke, herbruikbare bronnen: biomassa, zon, wind, bodem en water.
Duurzame warmteoplossingen
Manieren om gebouwen en (tap)water op een duurzame manier te verwarmen. De technieken die hiervoor worden gebruikt hebben weinig negatieve gevolgen voor het klimaat en stoten geen CO2 uit.
Duurzame warmtebron
Warmtebronnen die (netto) geen CO2 uitstoten. Voorbeelden zijn aquathermie, geothermie hernieuwbare gassen (biogas, waterstof) en all-electric warmtepompen op duurzame elektriciteit.
College van B&W
Het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van een gemeente.
Communicatie- en participatieplan
Een plan waarin staat beschreven hoe de gemeente mensen en organisaties betrekt bij de warmtetransitie en communicatie organiseert.
CO2-neutraal
Opwek van energie zonder dat daar het broeikasgas koolstofdioxide (CO2 ) bij vrij komt, wat schadelijke klimaatverandering veroorzaakt.
Energieneutraal
Een gebouw is energieneutraal als alle energie die nodig is voor het verwarmen en ventileren van het gebouw, op een duurzame manier wordt opgewekt. Energieneutraal wordt ook wel ‘nul op de meter’ genoemd.
Energietransitie
De verandering van het gebruik van fossiele energiebronnen, zoals aardgas en aardolie, naar duurzame energiebronnen, zoals zonne-energie, windenergie en geothermie.
Gebouwde omgeving
Woningen instellingen en bedrijven die energie gebruiken voor ruimteverwarming en tapwater
Geen spijt maatregelen
Verbetermaatregelen die bijdragen om energie te besparen en/of het gebruik van aardgas terugbrengen, ongeacht welke duurzame warmteoplossing in plaats komt van een cv-ketel. Zoals isolatiemaatregelen of een inductiekookplaat.
Gelders Energieakkoord
Een provinciaal samenwerkingsverband van bijna 250 Gelderse organisaties die gezamenlijke klimaatdoelstellingen nastreven.
Gemeenteraad
De gemeenteraad is het hoogste bestuursorgaan binnen een gemeente en bestaat uit een aantal gekozen volksvertegenwoordigers.
Geothermie
Een techniek waarbij warmte uit de bodem wordt gehaald en naar woningen wordt gebracht om deze te verwarmen of te verkoelen.
Groen gas
Groen gas wordt gemaakt door biogas op te waarderen tot het dezelfde kwaliteit heeft als aardgas.
Hernieuwbaar gas
Gas dat afkomstig is uit een hernieuwbare bron en/of is geproduceerd met duurzame energie, zoals biogas en groene waterstof.
Hoge temperatuur verwarming
Verwarmingssysteem waarbij een gebouw wordt verwarmd en voorzien van warm tapwater met een temperatuur van 70°C of hoger.
Hybride warmteoplossing
Warmtelevering met elektrische oplossing, vaak een warmtepomp, in combinatie met een HR-ketel op gas.
Isolatie
Het afschermen van temperatuurinvloeden van buiten een gebouw zodat de gewenste binnentemperatuur zoveel mogelijk behouden blijft.
Klimaatakkoord
In dit nationale akkoord staan ruim 600 afspraken om de uitstoot van broeikasgassen tegen te gaan en 49% CO2 vermindering in 2030 te realiseren. Het einddoel is om in 2050 CO2-neutraal te zijn. In het klimaatakkoord is onder andere afgesproken dat 20% van de woningen in 2030 zonder aardgas verwarmd worden.
Klimaatneutraal
Geen positief of negatief effect op het klimaat. In de praktijk betekent dit dat er geen extra CO2 of andere broeikasgassen vrijkomen.
Koppelkansen
Kansen om acties of werkzaamheden gelijktijdig uit te voeren om overlast te beperken of meerwaarde te creëren. Zoals het aanleggen van infrastructuur bij geplande werkzaamheden in de openbare ruimte of initiatieven van bewoners.
Lage temperatuur warmtebron
Een warmtebron met een lage temperatuur waardoor het water niet direct kan worden gebruikt voor verwarmen van gebouwen of (tap)water. De warmte moet collectief of individueel worden opgewaardeerd naar de geschikte hogere temperatuur.
Lage temperatuur verwarming
Verwarmingssysteem waarbij een gebouw wordt verwarmd met een temperatuur van 55°C of lager. Tapwater wordt afzonderlijk verwarmd.
Laagste maatschappelijke kosten
De laagste totale kosten van een warmteoplossing voor de gehele keten en al haar gebruikers. Dit bevat kosten voor aanpassingen aan gebouwen, infrastructuur, de bron en levering van energie. Daarbij worden niet alleen de investeringen, maar ook onderhoud en operationele kosten meegenomen. Dus ook de energierekening van de eindgebruiker, over een periode van 30 jaar.
Lokale bronnetten
Lokale kleinschalige (collectieve) warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur bronnet in combinatie met een warmtepomp in het gebouw. Een bekende vorm is de Warmte-Koudeopslag (WKO).
Landelijke Leidraad Transitievisie Warmte
De middelen die landelijk beschikbaar zijn om gemeenten te helpen bij het opstellen van een Transitievisie Warmte. De Leidraad bestaat uit een Startanalyse en een Handreiking voor lokale analyse.
Maatschappelijke kosten
De kosten voor de hele maatschappij. Dit is een optelsom van kosten. Van de kosten van het gebruiken van een warmtebron tot het aanleggen van de infrastructuur en de kosten om in een woning gebruik te maken van de warmte.
Monitoring
In beeld brengen en houden van ontwikkelingen en uitvoer van beleid.
Midden temperatuur verwarming
Verwarmingssysteem waarbij een gebouw en (tap)water wordt verwarmd met een temperatuur van 55 °C tot 70 °C.
Opt-out
De mogelijkheid voor woningeigenaren niet aan te sluiten op de voorgestelde warmteoplossing voor een buurt of kern, maar zelf overstappen op een warmteoplossing die minstens even duurzaam is.
Netbeheerder
De organisaties die in een regio zorgen dat het lokale elektriciteits- of gasleidingnetwerk goed werkt. In West Betuwe zijn dat Liander en Stedin.
Omgevingsvisie
Een integrale, ruimtelijke langetermijnvisie van een gemeente voor de hele fysieke leefomgeving in de gemeente.
Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)
De Nederlandse overheidsinstantie voor het maken van strategische beleidsanalyses op de omgeving waar we wonen, werken en leven.
Regionale Energie Strategie (RES)
Een document van de energieregio, waarin wordt beschreven hoe en waar duurzame energie opgewekt gaat worden.
Restwarmte
Warmte die vrijkomt bij industriële processen en door middel van warmtenetten kan worden gebruikt om gebouwen te verwarmen.
Schillabel
Het energielabel van een gebouw zonder maatregelen zoals zonnepanelen. Het label laat zien hoe energiezuinig een gebouw is voor verwarming en ventilatie.
Transitievisie Warmte (TVW)
Een document waarin de gemeente vastlegt hoe een gemeente met betrokken organisaties en inwoners de komende jaren aan de slag gaan met de warmtetransitie om uiteindelijk het klimaatdoel in 2050 te behalen. Deze visie wordt elke vijf jaar aangepast om in te spelen op nieuwe inzichten en ontwikkelingen.
Trias energetica
De trias energetica is de meest toegepaste manier om energiebesparende maatregelen te nemen, bestaande uit drie stappen:
1Beperk de energievraag
2Gebruik energie uit hernieuwbare bronnen
3Gebruik eindige (fossiele) energiebronnen efficiënt
Uitvoeringsplan
Een plan waarin in samenwerking met betrokkenen en inwoners wordt uitgewerkt hoe een buurt of kern aardgasvrij wordt gemaakt.
Warmtenet
Een netwerk van leidingen met warm water voor de verwarming van gebouwen en (tap)water. Ook wel stadsverwarming genoemd. Warmtenetten kunnen verschillende aanvoertemperaturen hebben (zie lage, midden en hoge temperatuur verwarming).
Warmteoptie
De beoogde techniek voor warmtelevering zonder aardgas per buurt of kern.
Warmtepomp
Een elektrisch apparaat om een gebouw te verwarmen. Een warmtepomp onttrekt warmte aan een bron, vaak buitenlucht of grondwater, verhoogt de temperatuur en staat die hogere temperatuur weer af aan een ruimte.
Warmtetransitie
De verandering van het gebruik van fossiele warmtebronnen, zoals aardgas, naar duurzame warmtebronnen, zoals aquathermie, geothermie, duurzame gassen.
Warmtevraagdichtheid
De hoeveelheid warmte die nodig is om een hectare aan
Woningcorporatie
Een organisatie die zich richt op het bouwen, beheren en verhuren van (sociale) huurwoningen.
Bijlage 20: Plan-mer-beoordelingsprocedure, aanmeldnotitie
1.Inleiding
Aanleiding
Warmteprogramma West Betuwe
De gemeente West Betuwe stelt vooruitlopend op de aanstaande Wet gemeentelijke instrumenten warmte-transitie (Wgiw)
18De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en het bijbehorende besluit (Bgiw) zijn in april 2024 aangenomen door de Tweede Kamer, maar moeten nog door de Eerste Kamer worden aangenomen om in werking te treden.
een Warmteprogramma op. In het Warmteprogramma zet de gemeente uiteen hoe ze verwacht het gebruik van aardgas uit te faseren en de woningen en bedrijfspanden van duurzame warmte te kunnen voorzien. Het Warmteprogramma is gebaseerd op de Transitievisie Warmte 2.0, die door de gemeenteraad is vastgesteld. Het Warmteprogramma is opgesteld voor de gemeente als geheel en op kleinere schaal voor de individuele kernen, bedrijventerreinen en specifieke losse woningen en bedrijven.
Figuur 1.1: Kernen in West Betuwe met fasering warmtetransitie (Bron: Transitievisie Warmte West Betuwe 2.0)
Plan-mer-beoordeling en deze aanmeldnotitie
In het kader van het Warmteprogramma wordt een zogeheten plan-mer-beoordelingsprocedure doorlopen.
In de plan-mer-beoordelingsprocedure moet het bevoegde gezag (in dit geval de gemeente West Betuwe) nagaan of de ontwikkelingen in het Warmteprogramma kunnen leiden tot aanzienlijk (negatieve) milieu-effecten, die het doorlopen van een (uitgebreide) plan-mer-procedure voor het Warmteprogramma noodzakelijk maken. Deze aanmeldnotitie plan-mer-beoordeling biedt het bevoegde gezag de benodigde informatie voor deze afweging.
Daarnaast geeft deze aanmeldnotitie een eerste inschatting van mogelijk te verwachten effecten van de warmtetechnieken zoals gepresenteerd in het Warmteprogramma. Het geeft daarmee aandachtspunten voor de latere uitwerking van en vervolgprocedures voor het Warmteprogramma.
De transitieopgave voor de gemeente West Betuwe is ingewikkeld vanwege het grote aantal bevolkingskernen in de gemeente. Deze kernen vereisen een aanpak op verschillende schaalniveaus waarbij verschillende alternatieve verwarmingstechnieken worden ingezet.
Toetsingscriteria
Bij het beoordelen of er sprake is van aanzienlijk (negatieve) milieueffecten moeten de toetsingscriteria worden gehanteerd uit bijlage II van de Europese SMB-richtlijn. Hierin zijn twee criteria met aandachtspunten per criterium benoemd: kenmerken van het plan of programma en de kenmerken van de effecten:
Hierin wordt in de werkpraktijk (ingegeven door de eisen aan de project-mer-beoordeling
19De eisen aan een plan-mer-beoordeling (bijlage II Europese SMB richtlijn) en project-mer-beoordeling (bijlage III Europese mer-richtlijn) zijn tekstueel enigszins anders. In jurisprudentie is gesteld dat beide inhoudelijk vergelijkbaar zijn.
) een derde criterium aan toegevoegd: de plaats van het plan of programma. Deze criteria zijn naar de Nederlandse werkpraktijk vertaald.
Leeswijzer
Dit document is als volgt opgebouwd:
•Hoofdstuk 2 “Kenmerken en de plaats van het plan” beschrijft het plangebied, de hoofdlijnen van het Warmteprogramma en de belangrijkste aanwezige gevoelige gebieden en waarden.
•Hoofdstuk 3 “Kenmerken potentiële milieueffecten” beschrijft de verwachte milieueffecten en de maatregelen om negatieve effecten te mitigeren.
•Hoofdstuk 4 “Conclusie” geeft een eindconclusie en een antwoord op de vraag: ‘Is er sprake van aanzienlijke (negatieve) milieueffecten, die het doorlopen van een plan-mer-procedure noodzakelijk maken?’
2.Kenmerken en plaats van het plan
Plangebied
Het plangebied omvat de gehele gemeente West Betuwe. De gemeente ligt in het westen van de provincie Gelderland tussen de rivieren de Linge en de Waal. Het is een uitgestrekte gemeente met een oppervlakte van ongeveer 229 km2. In de gemeente zijn 26 woonkernen gelegen met een totaal inwoneraantal van ongeveer 53.000 inwoners (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2024). De bevolkingsdichtheid is met 245 inwoners per km2 minder dan de helft van het Nederlands gemiddelde. Deze dunne bevolkingsgraad en verspreiding van de bevolkingskernen zijn een uitdaging bij de warmtetransitie.
In de gemeente zijn er veel gebieden met een landschappelijke, aardkundige, archeologische, cultuurhistorische waarde, ecologische of hydrologische waarde. Het westen van de gemeente valt voor een deel in de Nationale Landschappen: Nieuwe Hollandsche Waterlinie en Rivierengebied. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is ook beschermd Unesco-Werelderfgoedgebied.
In de gemeente zijn twee Natura 2000 gebieden gelegen. Dit zijn de gebieden: ‘Rijntakken’ en ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’. Daarnaast maken enkele natuurgebieden onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In het plangebied is een drinkwaterwingebied met omliggend grondwaterbeschermingsgebied gelegen. In paragraaf 2.3 wordt hier verder op ingegaan.
Samenvatting en uitgangspunten Warmteprogramma West-Betuwe
Warmteprogramma als verkenning
Het Warmteprogramma verkent methodes om het gebruik van aardgas als warmtebron uit te faseren en onderzoekt welke alternatieve warmtetechnieken in welke kernen, buurten of wijken het meest geschikt kunnen zijn en waarom. Vanwege het uitgestrekte karakter is één groot warmtenet voor de hele gemeente geen optie. Daarom zoekt de gemeente naar een gepaste oplossing per kern, buurt of wijk.
Warmtetechnieken
In het warmteprogramma heeft de gemeentes de alternatieve warmtetechnieken in drie categorieën opgedeeld. Dit zijn:
1Individuele warmtetechnieken;
2Collectieve warmtetechnieken;
3Transitie naar groengas.
De duurzame individuele verwarmingstechniek waar de gemeente op inzet is de warmtepomp, volledig elektrisch of hybride (combinatie van elektrisch en gas) en in enkele gevallen infraroodpanelen of een pelletkachel. Individuele oplossingen zijn nuttig in gebieden waar de bevolkingsdichtheid niet hoog genoeg is voor collectieve verwarmingsmethodes, er geen geschikte grote warmtebron aanwezig is of waar de bodem niet geschikt is voor de aanleg van een warmtenet. Warmtepompen halen warmte uit de lucht of uit bodemwater (warmte-koude-opslag).
Collectieve warmteoplossingen zijn in de regel altijd warmtenetten waarbij warmte van een centrale bron naar verschillende huizen, bedrijfspanden of andere gebruikers verdeeld wordt (figuur 2.1).
Mogelijke warmtebronnen voor warmtenetten zijn onder andere:
•Rivierwater (aquathermie/ thermische energie uit oppervlaktewater) uit de Linge en Waal;
•Rioolwater (riothermie/thermische energie uit afvalwater) uit de RWZI bij Geldermalsen;
•Restwarmte van bedrijven (bv glastuinbouw/tuinbouw/fruitteelt of overige), met name in de omgeving van Geldermalsen (Coroos, Fruitmasters, steenfabriek Haaften);
•Ondiepe bodem (warmte-koude opslag);
•Diepe bodem (geothermie), met name kansrijk in de omgeving van Vuren in het zuiden van de gemeente (zie figuur 2.2).
Figuur 2.1: Schematische, technische weergave van een kleinschalig warmtenet op basis van warmte uit oppervlaktewater (Bron: Innoforte (2024))
Figuur 2.2: Geschiktheid ondergrond West Betuwe voor geothermie: hoe (donker) roder hoe beter (bron: Warmte Transitie Makers)
Groen gas is een mogelijke oplossing bij gebouwen die moeilijk te converteren zijn naar elektrische verwarming of collectieve warmte. Gebouwen die hiervoor in aanmerking komen zijn met name slecht geïsoleerde monumentale gebouwen of gebouwen in het buitengebied. Overschakeling op groengas is relatief makkelijk, aangezien er in de leveringsinfrastructuur en in het gebouw zelf geen technische aanpassingen nodig zijn. Het groene gas kan door de bestaande gasbuizen aan de betreffende panden geleverd worden. Traditionele cv-ketels kunnen ook op groen gas draaien, wat voorkomt dat er inpandige technische aanpassingen nodig zijn. Er komt bij de verbranding van groen gas wel nog steeds CO2 vrij. Dit is echter geen nieuwe CO2, omdat deze eerder door de biologische grondstoffen van het groene gas uit de lucht is opgenomen. De belangrijkste vorm van groen gas is biogas afkomstig uit mest of biomassa. Gezien de grote hoeveelheid groen en daarmee groenafval binnen de gemeente West Betuwe is biomassa de meest geschikte methode voor biogas.
Naast het duurzaam verwarmen van woningen kijkt de gemeente ook naar het belang van efficiënt omgaan met warmte en energie. Daarom is er parallel aan de warmtetransitie een isolatieprogramma in gang gezet om de oudere woningen met minder goede isolatie opnieuw te isoleren. Goed geïsoleerde huizen hebben minder energie nodig om warm te blijven, wat de druk op warmtenetten en het elektriciteitsnet verlaagt.
Tabel 2.1: Aardgasvrije warmtetechnieken en benodigde maatregelen voor realisatie
(Bron: Warmteprogramma West Betuwe)
Individuele oplossing
Collectieve oplossing
Groengas
Techniek
Hybride of all-electric warmtepomp
Warmtenet
Aansluiting op gasnet met cv-ketel
Isolatieopgave
Grotere isolatieopgave
Isolatieopgave afhankelijk van tempratuur warmtenet
Beperkte isolatieopgave
Overstap naar alternatief
Meer ruimte voor eigen tempo
Iedereen tegelijkertijd
Iedereen tegelijkertijd
Energie infrastructuur
Elektriciteitsnet
Warmtenet
Gasnet
Verschillende aanpak voor verschillende kernen:
In de gemeente West Betuwe liggen 26 bevolkingskernen verspreid over een gebied van ruim 229 vierkante kilometer. Deze kernen zijn allemaal anders van aard, bestaand uit verschillende types bouw met verschillende dichtheden. Er zijn voor alle kernen en buurten passende oplossingen voorgesteld (tabel 2.2 en figuur 2.3), afhankelijk van de leeftijd en dichtheid van de bebouwing. Dichter bevolkte gebieden zijn bijvoorbeeld geschikter voor de toepassing van een collectief warmtesysteem, terwijl oudere gebouwen in het dunbevolkte buitengebied meer baat hebben bij individuele oplossingen als warmtepompen of het gebruik van groen gas.
Tabel 2.2: Verwarmingstechnieken en de kernen waarin de gemeente ze wil gebruiken tot 2030 (boven) en 2030-2050
Verwarmingstechniek
Beoogde oplossing in bevolkingskern:
Warmtenet/ Collectieve oplossing
Geldermalsen, Enspijk, Asperen
Individueel All-Electric/ Hybride
Meteren Kalenberg, Herwijnen
Warmtenet/ Collectieve oplossing
Heukelum, Beesd, Deil, Buurmalsen, Vuren, Haaften
Individueel All-Electric/ Hybride
Meteren, Herwijnen, Rhenoy, Tricht, Spijk, Hellouw, Tuil, Waardenburg, Opijnen, Est, Heesselt, Varik, Ophemert
Groengas
Acquoy, Gellicum, Rumpt, Herwijnen, Neerijnen, Opijnen, Ophemert
Twee pilots: Geldermalsen en Enspijk
Voor twee kernen wordt al nader onderzocht hoe de warmtetransitie in de praktijk kan worden gerealiseerd. Voor Geldermalsen en Enspijk lopen studies naar mogelijke warmtebronnen en warmtenetten. In de pilot voor Geldermalsen is de mogelijke bron van het warmtenet de warmtewinning uit het afvalwater van de rioolwaterzuiveringsinstallatie en restwarmte van omliggende bedrijven (figuur 2.4).
In de pilot voor Enspijk is de basis warmtewinning uit het rivierwater van de Linge dat via een warmtecentrale wordt aangesloten op een nieuw aan te leggen warmtenet in de kern. Voor de ligging van de warmtecentrale worden twee opties onderzocht: binnen de kern of buiten de kern.
Figuur 2.3: Voorkeursoplossing aardgasvrij voor de verschillende delen van de gemeente (Bron: Warmteprogramma West Betuwe)
Figuur 2.4: Onderzoeksopties warmtevoorziening Geldermalsen met een warmtenet gevoed door restwarmte vanomliggende bedrijven (bron: DEP, 2024)
Gevoelige gebieden
In de gemeente liggen diverse waarden waarmee bij de realisatie van de warmtetransitie rekening gehouden moet worden. Het betreft onder andere landschappelijke, archeologische, cultuurhistorische, ecologische en hydrologische waarden.
Nationale landschappen
In de gemeente liggen twee provinciaal beschermde nationale landschappen ‘De Nieuwe Hollandse Waterlinie’ en ‘Rivierenland’. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is ook aangewezen als Unesco werelderfgoed en geniet zodoende extra bescherming. In deze gebieden mogen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen alleen plaatsvinden als de ‘kernkwaliteiten van het landschap’ in stand worden gehouden. In de provinciale verordening is door de provincie Gelderland beschreven wat deze kernkwaliteiten zijn.
Kernkwaliteiten Nationaal Landschap De Nieuwe Hollandse Waterlinie
Nationaal Landschap De Nieuwe Hollandse Waterlinie bestaat uit verschillende deelgebieden. Het noordelijk van West Betuwe maakt onderdeel uit van deelgebied Regulieren. Het westelijk deel van de Tielerwaard, Land van Maas en Waal en Grote rivieren Maas en Waal.
Voor alle gebieden gelden de algemene kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie:
•Het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militair verdedigingssysteem, bestaande uit:
-inundatiegebieden;
-zones met verdedigingswerken als forten, batterijen, lunetten betonnen mitrailleurkazematten en groepsschuilplaatsen in hun samenhang met de omgeving;
-voormalige schootsvelden (visueel open) en verboden kringen (merendeels onbebouwd gebied) rondom de forten;
-waterwerken als waterlichamen, sluizen, inlaten, duikers en dijken functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden;
-overige elementen als beschutte wegen, (resten van) loopgraven en tankgrachten;
-de landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten;
-de historische vestigingsstructuur van de vesttingssteden Muiden, Weesp, Naarden, Nieuwersluis, Gorinchem en Woudrichem;
•De grote openheid;
•Groen en overwegend rustig karakter.
Daarnaast gelden voor De Regulieren de volgende kernkwaliteiten:
•Fraai kleinschalig oeverwallandschap langs sterk meanderende Linge met karakteristieke dorpen en fruitteelt, gaaf oud bouwland;
•Gave open kommen ten noorden van de Linge met weidebouw, grienden, populierenbosjes en eendenkooien, patronen van sloten en weteringen en wegbeplanting langs rechte wegen, in contrast met kleinschaligheid van Lingelandschap;
•Rust, ruimte, donkerte.
Daarnaast gelden voor de Grote Rivieren Maas en Waal in de gemeente West Betuwe de volgende kernkwaliteiten:
•Laaglandrivieren met dijken, dynamiek van stromend water;
•Maas: smal en verstild, laagdynamisch, met ‘kribbomen’;
•Waal: breed, weinig gebogen rivierbed en dynamisch door vrije afvoer;
•Weidse verzichten over de rivier;
•Uiterwaarden van de Waal met grote afwisseling in breedte en grootschalig.
Daarnaast gelden voor de Tielerwaard de volgende kernkwaliteiten:
•Amorfe structuur, weinig pregnante gradiënten van uiterwaarden, oeverwal en kom;
•Relatief weinig dynamiek;
•Grootschalig;
•Vrij uitzicht vanaf dijk met cultuurhistorisch waardevolle dijkhuizen, en over de rivier met uiterwaarden;
•Gave open kommen langs grens met Zuid-Holland.
Figuur 2.5: Nationale landschappen in de gemeente West Betuwe: Nieuwe Hollandse Waterlinie(boven) en Rivierenland (onder) (Bron: provincie Gelderland)
De kernkwaliteiten voor het Nationaal Landschap Rivierenland zijn voor het deel dat in West Betuwe ligt, deelgebied Regulieren, gelijk aan de kernkwaliteiten zoals voor de Regulieren beschreven bij het Nationale Landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie. In onderstaande tabel geeft de provincie weer hoe met de kernkwaliteiten moet worden omgegaan als het gebied ook nog een andere beschermde status heeft.
Aardkundig waardevol gebied
In de gemeente West Betuwe is een aantal gebieden provinciaal aangewezen als aardkundig waardevol gebied.
Zo is onder andere het gebied langs de Linge aangewezen als aardkundig waardevol gebied van nationaal belang. Ook hiervoor geldt dat de kernkwaliteiten niet zondermeer verstoord mogen worden.
Figuur 2.7: Aardkundig waardevolle gebieden (Bron: Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, 2024)
Open gebieden
In de gemeente West Betuwe liggen diverse provinciaal beschermde open gebieden. Is deze gebieden is het uitgangspunt dat nieuwe ontwikkelingen niet zondermeer ten koste mogen gaan van de openheid.
Figuur 2.8: Open gebieden: komgebieden (groen), esgebieden (oranje) (Bron: Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, 2024)
Gemeentelijke landschappelijke waarden
Naast de provinciaal beschermde waarden heeft ook de gemeente West Betuwe een eigen landschappelijke waardenkaart.
Figuur 2.9: Kaart met karakteristieke landschapselementen in West Betuwe (bron: Landschapsontwikkelingsprogramma (LOP) 2008 (overgenomen uit LOP 2022)
Natura2000-gebieden
Er zijn in de gemeente West Betuwe twee Natura 2000 gebieden gelegen. Dit zijn Rijntakken en Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Deze zijn beide gelegen aan de rivieren Waal en Linge. Ook in de omgeving van de gemeente liggen Natura 2000-gebieden. Ruimtebeslag en verstorende effecten zijn in Natura-2000 in principe niet toegestaan tenzij door onderzoek in een voortoets of passende beoordeling kan worden aangetoond dat het niet tot significant negatieve effecten leidt. Een belangrijk mogelijk effect is de toename van uitstoot en depositie van stikstof. Voor de twee gebieden die binnen de gemeentegrenzen liggen kunnen andere effecten zoals verstoring en verdroging of vernatting ook relevant zijn.
Figuur 2.10a: Natura 2000: Rijntakken, gelegen in het zuidoosten van de gemeente West Betuwe (Bron: Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, 2024)
Figuur 2.10b: Natura 2000: Lingegebied en Diefdijk-Zuid, gelegen bij Heukelum en Asperen (Bron: Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, 2024)
Gelders natuurnetwerk
Naast Natura 2000 gebieden is er Natuurnetwerk Nederland, in Gelderland het Gelders Natuurnetwerk (GNN) genoemd, aanwezig in de gemeente. Deze gebieden zijn vooral geconcentreerd rond de wateren in de gemeente. Daarnaast zijn enkele weidevogelleefgebieden aangewezen als GNN.
Buiten het Gelders Natuurnetwerk zijn er ook groene ontwikkelzones aangewezen. In deze groene ontwikkelzones mag niet zonder meer gebouwd worden. Hier moet men bij ruimtelijke ontwikkelingen de kernkwaliteiten van het gebied versterken door natuur- en landschapselementen aan te leggen (Provincie Gelderland, 2024). Op deze manier wordt het GNN uitgebreid en ontstaat een groter aaneengesloten natuurlandschap waardoor dieren en insecten zich makkelijker kunnen verplaatsen en een groter leefgebied krijgen.
Figuur 2.11: Gelders natuurnetwerk (GNN) (donkergroen) en groene ontwikkelingszones (lichtgroen) (Bron: Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, 2024)
Waterwingebied/ grondwaterbeschermingsgebied/ drinkwaterreserveringsgebieden
In het zuiden van de gemeente tussen de dorpen Haaften, Waardenburg en knooppunt Deil ligt een grondwaterbeschermingsgebied met in het midden een drinkwaterwingebied. In een grondwater-beschermingsgebied mogen geen risicovolle activiteiten plaatsvinden om zo de winning van schoon drinkwater te garanderen. In de provincie Gelderland geldt een verbod op nieuwe bodemenergiesystemen of geothermie-centrales in grondwaterbeschermingsgebieden of drinkwaterwingebieden (Beknopt schema grondwater-beschermingsbeleid, 2022).
In de gemeente zijn diverse watergangen aangegeven als KRW-oppervlaktewaterlichaam. Voor de KRW-oppervlaktewaterlichamen gelden eisen ten aanzien van waterkwaliteit. De waterkwaliteit van deze watergangen moet verbeteren of ten minste niet achteruitgaan.
In figuur 2.14 zijn in bruin de in de provincieverordening als ‘minder kwetsbare’ drinkwaterreserverings-gebieden aangegeven. In groen is het eerdergenoemde drinkwaterwingebied bij Waardenburg zichtbaar.
Zoals te zien is valt bijna de gehele gemeente West Betuwe onder dit minder kwetsbare drinkwaterreserveringsgebied. In Artikel 4.45 van de Omgevingsverordening Gelderland zijn de verboden grondwaterbedreigende in minder kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden opgenomen.
Deze activiteiten zijn: ‘het aanleggen of exploiteren van een mijnbouwwerk; of handelingen waardoor de beschermende werking van de bodemlaag wordt of kan worden aangetast.’
De ‘beschermende werking van de bodemlaag’ is een kleilaag diep in de bodem die het drinkwater daaronder beschermt. Aantasting hiervan is dus niet toegestaan.
Figuur 2.12: Donkerblauw: Waterwingebied, lichtblauw: Grondwaterbeschermingsgebied, gestreept: intrekgebied (Bron: Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, 2024)
Figuur 2.13: KRW-oppervlaktewaterlichamen in de gemeente West Betuwe (Bron: Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, 2024)
Figuur 2.14: Minder kwetsbare drinkwaterreserveringsgebieden. (Bron: Provinciale Omgevingsverordening Gelderland, 2024)
Cultuurhistorische waarden
In de gemeente West Betuwe zijn veel en diverse cultuurhistorische waarden te vinden.
•Unesco Werelderfgoed: Nieuwe Hollandse Waterlinie in het westelijk deel van de gemeente;
•Beschermd dorp- of stadsgezicht of Buitenplaats (zoals landgoed Mariënwaard);
•Rijksmonumenten;
•Gemeentelijke monumenten;
•Historische groenstructuren, verkavelings- en slotenpatronen, oude wegen e.d.
Cultuurhistorische monumentale waarden zijn beschermd en mogen niet zondermeer aangetast worden. Voor Unesco Werelderfgoed geldt dat aantasting van de kernkwaliteiten (met name de militaire structuren en elementen en de openheid van het inundatiegebied) niet aangetast mogen worden.
Figuur 2.15: Beschermde stads- of dorpsgezichten (lichtrood) en historische buitenplaatsen (donkerrood) (Bron: Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, 2024)
Figuur 2.16: Gemeente- en Rijksmonumenten binnen de gemeente West Betuwe (Bron: Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, 2024)
Archeologische waarden
In de gemeente West Betuwe liggen archeologisch beschermde monumenten en gebieden van hoge archeologische verwachtingswaarden. Aantasting van archeologische monumenten is niet zonder meer toegestaan. Bij bodemwerkzaamheden in gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde is namelijk kans op verstoring van archeologische waarden aanwezig. Om verlies van waardevolle objecten te voorkomen gelden beschermingsregimes in deze gebieden.
De gemeente heeft een archeologische beleidskaart opgesteld waarin is aangegeven in welke gebieden bij welke omvang van werkzaamheden archeologisch veldonderzoek verplicht is. In figuur 2.19 zijn uitsneden van die kaart opgenomen. In deze gevallen is gekozen om in te zoomen op Geldermalsen en Enspijk, de kernen waar er reeds plannen in ontwikkeling zijn voor de aanleg van een ondergronds warmtenet. In de concrete uitwerk-fase moeten ook andere locaties beoordeeld worden op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.
Figuur 2.17: Archeologische monumenten en provinciale archeologische parels en ruwe diamanten (Bron: Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, 2024)
Figuur 2.18: Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) voor de gemeente West Betuwe (Bron: Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, 2024)
Figuur 2.19a: Uitsnede Archeologische vindplaatsen- en verwachtingenkaart West Betuwe voor Geldermalsen e.o. (bron: Omgevingsdienst Rivierenland, 2021)
Figuur 2.19b: Uitsnede Archeologische vindplaatsen- en verwachtingenkaart West Betuwe voor Enspijk e.o. (bron: Omgevingsdienst Rivierenland, 2021)
3.Kenmerken potentiële milieueffecten
Algemeen
Activiteiten uit het Warmteprogramma West Betuwe leiden tot effecten op de omgeving. De belangrijkste effect veroorzakende activiteiten zijn:
•de aanleg van nieuwe buisleidingen ten behoeve van een warmtenet en WKO/geothermie,
•met name de leidingen door nog niet verstoord landschap en in nog niet verstoorde ondergrond;
•de aanleg en het gebruik van bebouwde voorzieningen als warmtecentrales.
De meeste effecten zijn over het algemeen van tijdelijke aard en enkel tijdens de aanlegfase merkbaar.
Effecten tijdens de gebruiksfase zijn over het algemeen niet groot of aanzienlijk negatief en met technische of visuele maatregelen te beperken.
Landschap
Verwachte effecten
Activiteiten in bebouwde gebieden hebben geen effecten op landschappelijke waarden. In het buitengebied kunnen wel effecten op landschap optreden. Het uitvoeren van de warmtetransitie heeft mogelijk effect op de nationale landschappen, aardkundig waardevolle gebieden en open gebieden in de gemeente.
Aanleg van buisleidingen in het buitengebied, bijvoorbeeld van de Linge naar een warmtecentrale/ warmtenet in een kern leidt mogelijk tot verstoring van aardkundige waarden in het rivierlandschap langs de Linge.
Het gaat hier om rivierlandschap gebonden waarden. Bij aanleg in open vergraving gaat de oorspronkelijke bodemopbouw ter plaatse verloren. De verstoring is lokaal en relatief over een beperkte lengte.
Het oorspronkelijk reliëf kan, indien nodig, hersteld worden.
Daarnaast is mogelijk sprake van verstoring van kernkwaliteiten van het nationaal landschap Rivierlandschap en Nieuwe Hollandse Waterlinie langs de Linge, bijvoorbeeld bij Asperen, Enspijk, Geldermalsen. Het gaat dan met name om verlies van openheid, het oorspronkelijk groen landschappelijk karakter. Het effect van aanleiding van buisleidingen heeft echter een tijdelijk lokaal effect en gaat niet ten koste van de kernkwaliteiten van het nationaal landschap als geheel.
Aanleg van bebouwde voorzieningen zoals een warmtecentrale of centrales voor biomassa in het buitengebied leiden mogelijk tot verstoring van aardkundige waarden langs de Linge (permanent effect) en de kernkwaliteiten van het nationaal landschappen Rivierenland en Nieuwe Hollandse Waterlinie (permanent effect, want niet te herstellen).
Bij de twee al meer concretere pilots kan dit vooral spelen bij Enspijk, gelegen in aardkundig waardevol gebied en aan de rand van De Regulieren. Maar het landschap waar het warmtenet en de warmtecentrale voorzien zijn, zijn al landschappelijk, en naar verwachting ook aardkundig, verstoord. Het speelt niet bij Geldermalsen, omdat dit buiten beschermde gebieden is gelegen. Voor overige locaties met mogelijk aanleg van warmtenetten zijn aardkundige waarden en landschappelijke kernkwaliteiten aandachtspunt rondom kernen Heukelum, Asperen, Beesd, Deil, Buurmalsen, Vuren en Haaften.
Permanente effecten op aardkundige en landschappelijke waarden in buitengebied langs de Linge zijn moeilijk te voorkomen of te beperken. Maar de effecten zijn lokaal en doen naar verwachting geen afbreuk aan kernkwaliteiten in het algemeen. Bovendien voorkomt het beschermingsregime in de provinciale verordening dat aanzienlijk negatieve effecten optreden op de kernkwaliteiten.
Tijdelijke effecten zijn te herstellen en daarmee niet aanzienlijk negatief.
Conclusie
De activiteiten in het Warmteprogramma leiden naar verwachting niet tot aanzienlijke (negatieve) milieu-effecten op het thema landschap. Er kunnen permanente effecten op aardkundige en landschappelijke waarden in buitengebied langs de Linge optreden. Maar de effecten zijn lokaal en doen naar verwachting geen afbreuk aan de kernkwaliteiten van de gebieden als geheel. Bovendien voorkomt het beschermingsregime in de provinciale verordening dat aanzienlijk negatieve effecten optreden op de kernkwaliteiten. Tijdelijke effecten zijn te herstellen en daarmee niet belangrijk negatief.
Bodem
Verwachte effecten
De gemeente West Betuwe ligt voornamelijk op verschillende soorten rivierkleigronden. Er ligt lokaal veengrond ten zuiden van Heukelum en Asperen. Het bodemgebruik in de gemeente is buiten de bevolkingskernen vooral agrarisch van aard. Daarnaast zijn er enkel industriegebieden in de gemeente te vinden. Vanwege de lage ligging in een waterrijk gebied is de bodem erg nat. Klei- en veengronden zijn gevoelig voor bodemdaling en inklinking.
In 2021 is in opdracht van de regio rivierenland de bodemkwaliteit in kaart gebracht. Met name rond de bevolkingskernen liggen locaties met mogelijke verontreinigingen in de grond.
Er zijn in de gemeente twee grote zones waar grondwaterverontreinigingen zijn waargenomen. Deze liggen langs de A15, ten zuiden van Meteren, en ten noordoosten van Asperen. Naast deze twee grote verontrei-nigingen zijn er enkele kleine verontreinigingen in de gemeente. Het is belangrijk bij werkzaamheden in de bodem te zorgen dat deze verontreinigingen zich niet uitbreiden.
Grondwerkzaamheden leiden tot vergraving van de bodem. Daar waar bodemverontreinigingen worden aangesneden, dient onderzocht en afgewogen te worden of deze verontreiniging dient te worden gesaneerd. Sanering is een positief effect op de bodemkwaliteit. Activiteiten leiden zelf niet tot nieuwe bodemverontreini-gingen. Wel is bij WKO-aandachtspunt dat verandering in grondwaterstromen niet leidt tot een verdere verspreiding van bodem- en grondwaterverontreiniging.
Lokaal kunnen gebouwde faciliteiten voor warmteopwek en -opslag leiden zetting van klei- en veengrond en daarmee leiden tot bodemdaling. Bodemdaling in een al laaggelegen gebied kan extra risico op wateroverlast met zich meebrengen. Inklinking heeft als gevolg dat de bodem minder water kan opnemen.
Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
Figuur 3.1: Bodemkaart West Betuwe (Bron: Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, 2024)
Figuur 3.1: PFAS-verdachte locatie in de gemeente (Bron: Bodemkwaliteitskaart regio Rivierenland, 2021)
Figuur 3.1: Grondwatervervuiling bij Asperen en Meteren (Bron: Bodeminformatieviewer Rivierenland, 2024)
Conclusie
De activiteiten uit het Warmteprogramma hebben naar verwachting beperkt en geen aanzienlijk negatief effect op de bodem. Het risico op bodemdaling en inklinking is lokaal. Het risico op nieuwe bodemverontreinigingen en verspreiding van bestaande bodemverontreinigingen is klein.
Water
Verwachte effecten
Lokaal treden mogelijk effecten op wateraspecten op, bijvoorbeeld bij de aanleg buisleidingen voor een warmtenet en bebouwde voorzieningen als warmtecentrales of biomassacentrales. Maar naar verwachting zijn deze effecten lokaal, door technische maatregelen te beperken en daarmee niet aanzienlijk negatief.
In en rond het drinkwaterwingebied gelden beperkingen ten aanzien van activiteiten. Dit borgt dat er geen belangrijk negatieve effecten optreden. Bovendien zijn hier geen wezenlijke bodem- of grondwaterverstorende activiteiten in het kader van het Warmteprogramma voorzien. Voor de dichtstbijgelegen kernen Waardenburg, Tuil, Opijnen, Est en Meteren zijn individuele maatregelen voorzien. Mochten deze bestaan uit WKO, dan dienen deze buiten het grondwaterbeschermingsgebied geplaatst te worden (wat in de meeste gevallen ook zal zijn).
Algemeen aandachtspunt is de voor waterwinning belangrijke kleilaag op 35m onder het maaiveld. Deze mag niet doorboord worden. Deze kleilaag is als randvoorwaarde en beperking in het Warmteprogramma opgenomen. Negatief effect wordt hiermee voorkomen.
Tijdens de aanleg is mogelijk sprake van tijdelijke effecten op wateraspecten, bijvoorbeeld een wijziging van de grondwaterstand voor de aanleg van een buisleiding. Deze effecten zijn tijdelijk van aard en te herstellen en daarmee niet aanzienlijk negatief.
Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
Conclusie
De activiteiten in het Warmteprogramma leiden naar verwachting niet tot aanzienlijk negatieve milieueffecten.
Natuur
Verwachte effecten
Natura2000-gebieden
In de het Warmteprogramma zijn geen plannen opgenomen die direct in Natura 2000 gebieden plaatsvinden. Er is daarmee geen sprake van ruimtebeslag in Natura2000.
In de gebruiksfase zijn er bij de meeste warmtetechnieken geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Het fossielvrij verwarmen van gebouwen en het uitfaseren van aardgas leidt tot een afname van stikstof-depositie en is zodoende juist een positieve ontwikkeling voor Natura 2000-gebieden in en rond de gemeente.
Aandachtspunt is wel de toename van stikstof bij biomassacentrales: zowel de uitstoot van de centrale zelf als de aan- en afvoer van groene brandstof.
In de aanlegfase is verstoring op Natura 2000 gebieden een aandachtspunt. Diersoorten kunnen negatieve effecten ervaren als gevolg van bouwwerkzaamheden wanneer die nabij natuur plaatsvinden. Bij grondwerken kan er ook mogelijk lokaal tijdelijk verdroging of vernatting van de bodem optreden. In de aanlegfase kan er tijdelijk extra stikstofdepositie in de Natura 2000 gebieden plaatsvinden. Dit speelt met name bij maatregelen in en rond de kernen die nabij Natura2000-gebieden zijn gelegen: Spijk, Heukelum, Asperen (Natura2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid) en de kernen Tuil, Waardenburg, Neerijnen, Opijnen, Heesselt, Varik, Ophemert (Natura2000-gebied Rijntakken), Effecten zijn tijdelijk en in veel gevallen (verstoring, verdroging/vernatting) te voorkomen of te beperken door technische maatregelen. Specifiek voor het stikstofeffect tijdens de aanlegfase kan gebruik gemaakt worden van elektrisch materieel om toename van stikstofuitstoot te voorkomen. Bovendien voorkomt het beschermingsregime van Natura2000-gebieden dat significant negatieve effecten optreden. Plannen die een aanzienlijk negatief effect zouden hebben op Natura 2000 kunnen namelijk niet vergund worden. Bij de twee al meer concretere pilots Enspijk en Geldermalsen speelt het aspect Natura2000 naar verwachting niet, omdat ze op afstand zijn gelegen van Natura2000-gebied.
Gelders Natuurnetwerk (GNN)
Aantasting en/of verstoring van Gelders Natuurnetwerk (GNN) is op voorhand niet uit te sluiten. Maar net als bij Natura 2000 gebieden voorkomt het beschermingsregime van GNN in de provinciale verordening dat significant negatieve effecten optreden. Daarnaast kunnen eventuele negatieve effecten over het algemeen worden voorkomen of beperkt door het nemen van maatregelen, waardoor naar verwachting blijvende aantasting van de kernkwaliteiten van GNN kan worden voorkomen. Daar waar aantasting niet te voorkomen is, dient dit te worden gecompenseerd.
Bij de twee al meer concretere pilots speelt dit in Enspijk (maatregelen voorzien in Groene ontwikkelingszone, onderdeel van de GNN), niet in Geldermalsen (maatregelen niet voorzien in GNN). In Enspijk is bij verdere uitwerking van de planning een goede toets aan GNN nodig.
Beschermde plant- en diersoorten
Bij de uitvoering van de warmtetransitie is het belangrijk rekening te houden met de aanwezigheid van beschermde diersoorten. Bij ontwikkelingen kan er lokaal effect zijn op dierenpopulaties. Deze effecten kunnen over het algemeen voorkomen dan wel beperkt worden door mitigerende maatregelen, zoals het aanbieden van alternatieve verblijven en of leefgebied. In het Warmteprogramma is ook een isolatieprogramma voor de oudere bebouwing in de gemeente opgenomen. Mogelijk heeft het isoleren van oude huizen effect op gebouwbewonende vleermuissoorten die leven in de spouwmuren van gebouwen. Bij het isoleren van spouwmuren is dit dus een aandachtspunt. Dit effect is te mitigeren door tijdig vervangende leefruimte voor deze vleermuizensoorten te faciliteren. Het opstellen van een soortenmanagementplan (smp) kan mogelijk helpen het belang van diersoortenbescherming bij de realisatie van het warmteprogramma waarborgen.
Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
KRW-oppervlaktewaterlichamen
De Linge is een mogelijke bron voor aquathermie. Naar verwachting leidt dit niet tot verslechtering van de waterkwaliteit. Aandachtspunt is verandering in temperatuur bij teruglozing van het water na gebruik. Maar naar verwachting heeft dit geen of beperkt negatieve invloed op de waterkwaliteit.
Naast de Linge zijn ook andere watergangen in de gemeente als KRW-oppervlaktewater aangewezen. Omdat deze watergangen niet als mogelijke bron voor aquathermie zijn aangewezen worden geen effecten van de warmtetransitie op de KRW-doelstellingen verwacht.
Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
Conclusie
Naar aanleiding van het Warmteprogramma zijn er geen aanzienlijke negatieve effecten op de Natura 2000 en Gelders Natuurnetwerk gebieden te verwachten. De grootste verstoringen van deze gebieden vinden voornamelijk plaats in de aanlegfase door een toename van bouwverkeer en tijdelijke toegenomen stikstofdepositie. Ontwikkelingen in het buitengebied hebben mogelijk effect of Natura 2000 en GNN. Dit is te mitigeren door ze hier verder vandaan te plaatsen. Er kan gekozen worden om volledig buiten deze zones te bouwen, maar dat is gezien de plaatsgebondenheid van sommige verwarmingsoplossingen niet altijd een optie, zoals bijvoorbeeld bij de aanleg van warmtecentrales nabij warmtebronnen.
In de groene ontwikkelzones kunnen door natuurinclusieve energieprojecten de negatieve effecten op de natuur geminimaliseerd worden.
Cultuurhistorie
Verwachte effecten
Unesco-Werelderfgoed
Activiteiten in het westelijk deel van de gemeente (globaal ten westen van de lijn Enspijk-Hellouw) moeten getoetst worden aan de kernkwaliteiten van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Activiteiten in de ondergrond hebben naar verwachting geen effect op deze kernkwaliteiten. Bebouwde voorzieningen als warmtecentrales en biomassacentrales mogelijk wel. De effecten zijn verwachting lokaal en beperkt.
Andere activiteiten en activiteiten in andere delen van de gemeente hebben geen effect op Unesco-Werelderfgoed. Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
Beschermd Stads of Dorpsgezicht
Activiteiten binnen de beschermde gebieden bij Acquoy, Hellouw en Waardenburg-Neerijnen moeten getoetst worden aan de beschermde waarden (bv zonnecollectoren op dak, warmtepompunits aan muur). Het beschermingsregime voor monumenten voorkomt echter dat aanzienlijk negatieve effecten op kunnen treden.
Andere activiteiten en activiteiten in andere kernen hebben geen effect op beschermde stads- of dorpsgezichten. Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
Beschermde Buitenplaatsen
Activiteiten binnen de beschermde gebieden Kasteel Heukelum, Mariënwaard, Kasteel Neerijnen moeten getoetst worden aan de beschermde waarden (bv zonnecollectoren op dak, warmtepompunits aan muur). Het beschermingsregime voor de buitenplaatsen voorkomt echter dat aanzienlijk negatieve effecten op kunnen treden. Andere activiteiten en activiteiten in andere kernen hebben geen effect op beschermde stads- of dorpsgezichten. Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
Rijks- en gemeentemonumenten
In het kader van de warmtetransitie vormen monumenten een aandachtspunt. Ze zijn vaak moeilijk te isoleren, en grote bouwkundige aanpassingen als zonnecollectoren op het dak, warmtepompunits aan de gevel zijn meestal vanwege de beschermde status als monument niet zonder meer toegestaan. Het beschermingsregime voor monumenten voorkomt echter dat aanzienlijk negatieve effecten op kunnen treden.
Om deze effecten te voorkomen en ook monumenten mee te nemen in de warmtetransitie is in het warmteprogramma voorgesteld gebruik te maken van groen gas als alternatieve verwarmingsmethode. Groen gas kan worden gebruikt in bestaande cv-installaties op aardgas, waardoor technische aanpassingen mogelijk niet nodig zijn. Er zijn voor zover bekend geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
Historische geografische waarden/ historisch groen
Lokaal kunnen activiteiten ten koste gaan van lokale historisch geografische waarden. Het effect is tijdelijk en te herstellen bij aanleg van activiteiten in de ondergrond. Gebouwde voorzieningen kunnen permanent ten koste gaan van historisch geografische waarden. Maar in het algemeen zijn effecten te voorkomen door een goede locatiekeuze. Bij de twee al meer concretere pilots Enspijk en Geldermalsen speelt cultuurhistorie waarschijnlijk geen rol, de maatregelen zijn niet gelegen in cultuurhistorisch waardevolle gebieden.
Conclusie
Er worden geen aanzienlijk negatieve milieueffecten voor het thema cultuurhistorie verwacht. Beschermingsregimes voorkomen aantasting van monumentale waarden.
Archeologie
Verwachte effecten
Grondverstorende activiteiten kunnen leiden tot aantasting van archeologische waarden, met name de aanleg van buisleidingen en fundering van bebouwde voorzieningen.
Archeologische monumenten (AMK) mogen niet zonder meer verstoord worden. Maar naar verwachting is dit geen wezenlijk aspect bij aanleg van de warmtenetten in Asperen, Enspijk, Geldermalsen.
Geldermalsen ligt wel in één van de provinciale archeologische parels en diamanten. Deze ligging brengt een verplichting archeologisch voor- en mogelijk ook veldonderzoek te doen. Op de kaarten met archeologische waarden en archeologisch beleid, opgesteld voor de gemeente door archeologisch adviesbureau RAAP, is in groot detail aangegeven waar de verwachtte archeologische waarden liggen en bij werkzaamheden van welke omvang archeologisch vooronderzoek nodig is.
Ook elders geldt bij grondverstorende activiteiten in gebied met middelhoge of hoge archeologische verwachtingswaarde een onderzoeksverplichting. De onderzoeksverplichting borgt het archeologisch belang en borgt dat er geen aanzienlijk negatieve effecten optreden.
Conclusie
De activiteiten in het Warmteprogramma hebben naar verwachting geen aanzienlijk negatief effect op de archeologische waarden in de gemeente.
Verkeer
Verwachte effecten
De effecten van de warmtetransitie op verkeer zijn in principe alleen in de aanlegfase merkbaar. Deze effecten zijn lokaal en tijdelijk van aard. Een straat kan bijvoorbeeld tijdelijk openliggen voor de aanleg van een warmtenet, met verkeershinder als gevolg. Er kan ook tijdelijk bouwverkeer naar een bouwlocatie rijden en overlast veroorzaken. Deze effecten zijn echter allemaal een tijdelijk aandachtspunt en geen aanzienlijk negatief effect. Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
Het gebruik van biomassacentrales leidt mogelijk wel tot een toename van verkeersbewegingen ter plaatse. Omdat de gemeente veel en verspreid groen heeft, vanwege de aanwezigheid van agrarische, akkerbouw- en fruitteeltbedrijven, kan de aanvoer van organisch materiaal naar de centrale vanuit de directe gemeente zelf plaatsvinden. Lokale aanvoer van grondstoffen voor groen gas draagt bij aan het beperken van gereden kilometers en de hoeveelheid uitstoot tijdens transport.
Conclusie
Het Warmteprogramma leidt niet tot aanzienlijk negatieve effecten op het gebied van verkeer. De mogelijke overlast in de aanlegfase is tijdelijk van aard. Overlast tijdens de gebruiksfase van groen gas is ook minimaal en hooguit vergelijkbaar met de verkeersstromen rond een industrieterrein
Geluid
Verwachte effecten
De warmtetransitie kan lokaal leiden tot een toename van de geluidbelasting in de gemeente. Warmtecentrales, warmtepompen en mechanische ventilatie produceren geluid. Warmtepompen produceren gemiddeld genomen ongeveer 55-60 dB geluid wanneer ze op vol vermogen draaien. Op de meeste momenten ligt dit niveau lager. Per 1 april 2021 gelden nieuwe geluidseisen voor warmtepompen en airconditioners. Deze apparaten mogen slechts een geluidsbelasting van 40dBa veroorzaken. (Rijksoverheid, 2021).
Daarnaast is er bij toegenomen isolatie een toegenomen noodzaak mechanisch te ventileren in gebouwen. Mechanische ventilatie is mogelijk ook een extra bron van geluid. Het effect van mechanische ventilatie op de cumulatieve geluidsdruk in een buurt is echter minimaal, als het al waarneembaar is.
Een grote warmtecentrale, bijvoorbeeld een centrale voor aquathermie of een andere bron van een warmtenet, is een grotere bron van geluid. Het is nog onduidelijk in hoeverre een centrale voor bijvoorbeeld aquathermie voor grote geluidbelasting zorgt op omliggende woningen. De plaatsing van de centrale, buiten of in het dorp, en eventuele afscherming kunnen geluidsoverlast van centrales beperken. Dit is een aandachtspunt in Enspijk en Geldermalsen.
Conclusie
De warmtetransitie creëert geen aanzienlijke negatieve effecten op het gebied van geluid. De effecten van de plaatsing van veel warmtepompen in dichter bevolkte gebieden moet nader onderzocht worden. Door technische vooruitgang en de productie van steeds stillere warmtepompen is dit effect naar verwachting klein.
Grotere warmtecentrales zijn ook nieuwe bronnen van geluid in de gemeente. Bij de plaatsing van deze gebouwen is het ook noodzakelijk te onderzoeken wat de effecten op de omgeving zijn. Het is zodoende een aandachtspunt, maar niet een aanzienlijk negatief effect.
Luchtkwaliteit
Verwachte effecten
Tijdens de aanlegfase is er mogelijk lokaal een tijdelijke toename van uitstoot van luchtverontreinigende stoffen door een toename van bouwverkeer. Dit effect is tijdelijk en minimaal. Dit effect kan verder beperkt worden door bijvoorbeeld de inzet van elektrisch bouwmaterieel. Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
Het gebruik van biomassa en pelletkachels is ook als optie opgenomen in het warmteprogramma. In pellet-kachels of pellet-cv-ketels worden houtachtige korrels verstookt om een gebouw te verwarmen. Hierbij komt nog steeds CO2 en fijnstof vrij. Het is een geschikte techniek in kleinschalige toepassingen in het buitengebied waar andere geschikte opties ontbreken. In de dichter bevolkte gebieden van de gemeente is het gebruik van pelletkachels niet in beeld en levert het zodoende geen negatieve effecten voor de luchtkwaliteit op. Vanwege de kleinschaligheid van de inzet van verwarming met pellets worden er geen luchtkwaliteitsnormen overschreden door het gebruik ervan. Mogelijk ondervinden omwonenden enige hinder van het gebruik van pelletkachels.
Biomassacentrales maken ook gebruik van houtachtig restmateriaal voor het opwekken van warmte. Het is belangrijk om in de vergunning te borgen dat in deze centrales de uitstoot van fijnstof zo veel als mogelijk beperkt wordt. Door technische maatregelen en innovaties is het mogelijk efficiënte biomassacentrales te bouwen die weinig uitstoot van vervuilende stoffen veroorzaken.
Algemeen beschouwd is de warmtetransitie een positieve ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in de gemeente West Betuwe. Door het gebruik van fossiele brandstoffen terug te dringen en zo de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen te verminderen verbetert de luchtkwaliteit.
Conclusie
Het Warmteprogramma leidt niet tot aanzienlijke negatieve effecten voor de luchtkwaliteit. Er vindt mogelijk extra uitstoot plaats tijdens de aanlegfase plaats vanwege een toename van bouwverkeer en gebruik van bouwmaterieel. Dit is te mitigeren door elektrisch materieel in te zetten. Deze effecten zijn daarnaast tijdelijk van aard.
Gezondheid
Verwachte effecten
Het warmteprogramma heeft naar verwachting geen belangrijke negatieve effecten op de gezondheid van de inwoners. Een aandachtspunt is de mogelijke toename van geluidsbelasting in de woonwijken als gevolg van het plaatsen van warmtepompen en mechanische ventilatie-installaties. Hoewel dit binnen wettelijke normen zal blijven, kan het door omwonenden als hinderlijk worden ervaren en mogelijk stress en slaapproblemen veroorzaken. Er is nog weinig onderzoek bekend naar dit effect van de warmtetransitie. Geluideffecten zijn te beperken door technische maatregelen te treffen. Ook worden warmtepompunits en ventilatiesystemen door technische innovaties steeds geluidsluwer. Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
Het mogelijk gebruik van biomassacentrales en pelletkachels kan lokaal leiden tot een toename van uitstoot van fijnstof. Echter dit effect is beperkt. De warmtetransitie leidt per saldo tot vermindering van het gebruik van fossiele brandstoffen en de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen en draagt daarmee gemeentebreed bij aan verbetering van de luchtkwaliteit.
Conclusie
Er zijn geen aanzienlijke negatieve effecten voor de gezondheid van de inwoners van West Betuwe te verwachten als gevolg van het Warmteprogramma. Mogelijke geluidsoverlast is over het algemeen te mitigeren. Daarnaast leidt de warmtetransitie tot een verbetering van de luchtkwaliteit en is dus een positieve ontwikkeling voor de gezondheid.
Omgevingsveiligheid
Verwachte effecten
Er zijn weinig aanzienlijk negatieve effecten te verwachten op de omgevingsveiligheid in de gemeente West Betuwe naar aanleiding van de ontwikkelingen uit het warmteprogramma. De aanleg van buisleidingen voor vervoer van warmte of koude als deel van een warmte- of koudenet brengen wel een klein extern veiligheidsrisico met zich mee (IPLO, 2024). Door het Nederlands Instituut voor Publieke Veiligheid wordt het omgevingsveiligheidsrisico van het gebruik van warmtenetten met buisleidingen voor stoom of warm water als nihil ingeschat (NIPV, 2022). Het is belangrijk om bij de aanleg van buisleidingen als deel van een warmtenet te onderzoeken of er geen bestaande buisleidingen voor gevaarlijke stoffen in de weg liggen. Er liggen verspreid over de gemeente enkele buisleidingen voor het transport van aardgas. Plaatsing van warmtenetten nabij bestaande buisleidingen moet voorkomen worden of er moet onderzoek gedaan worden naar risico’s bij falen (domino-effect). Dit risico is klein, warmtenetten verplaatsen enkel warm of koud water en staan niet onder heel hoge druk.
Het gebruik van geothermie brengt een wat groter veiligheidsrisico met zich mee, waarvan de omvang nog niet volledig in beeld gebracht is. Het gebruik van geothermie is echter in het overgrote de gemeente niet in beeld als serieuze alternatieve verwarmingsbron. Ten zuiden van het dorp Vuren is er één locatie met potentie voor het gebruik van aardwarmte. Wanneer op deze locatie een installatie voor geothermie ontwikkeld wordt dienen de mogelijke milieueffecten specifieker beoordeeld te worden.
Een ander aandachtspunt is het implementeren van warmte- en energieopslag in de gemeente. Over de veiligheidsrisico’s van warmteopslag en grootschalig gebruik van batterijen voor energieopslag is nog weinig bekend. Volgens het NIPV zijn de risico’s van warmteopslag nihil. Energieopslag creëert lokaal veiligheidsrisico’s. Batterijen zijn bijvoorbeeld moeilijk te blussen in gevallen van brand.
De uitvoering van de warmtetransitie leidt niet tot het toevoegen van nieuwe (zeer) kwetsbare functies binnen bestaande risicocontouren. Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
Conclusie
Het Warmteprogramma creëert geen aanzienlijke veiligheidsrisico’s in de bevolkingskernen. Zodoende leidt het Warmteprogramma niet tot aanzienlijke negatieve milieueffecten op het aspect omgevingsveiligheid.
Klimaatadaptatie
Verwachte effecten
De ontwikkelingen uit het Warmteprogramma hebben geen aanzienlijke negatieve effecten op de klimaatadaptatieaspecten (overstromingsrisico, wateroverlast, hittestress, verdroging). De mogelijkheid om warmtenetten en individuele warmtepompen ook in te zetten voor verkoeling, draagt juist bij aan het hittebestendig(er) maken van de woningen in de gemeente. In de concrete plan- en uitvoerfase is het belangrijk opnieuw te beoordelen wat de klimaatbestendigheid van een specifieke ontwikkeling is. Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor de beide pilotlocaties: Enspijk en Geldermalsen.
Conclusie
Het Warmteprogramma heeft geen aanzienlijk negatief effect op de bestendigheid tegen klimaatverandering van de gemeente West Betuwe. De mogelijkheid gebouwen duurzaam te koelen zorgt juist voor een toegenomen klimaatbestendigheid en weerbaarheid tegen hittestress.
Duurzaamheid/circulariteit
Verwachte effecten
De warmtetransitie heeft geen negatieve effecten op de duurzaamheid van de gemeente West Betuwe. De warmtetransitie wordt juist uitgevoerd met het doel de gemeente verder te verduurzamen en klimaatneutraal te maken. Het uitfaseren van aardgas en andere fossiele brandstoffen leiden tot een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen. De activiteiten uit het warmteprogramma dragen dus bij aan de verduurzaming van de gemeente. Er zijn geen specifieke aandachtspunten voor Enspijk.
Het gebruik van restwarmte uit bedrijfsprocessen die anders verloren zou gaan is een duurzame ontwikkeling. Een belangrijk aandachtspunt is echter het zogeheten ‘lock-in’ effect bij de aanleg van warmtenetten.
De gemeente heeft in Geldermalsen enkele industriële en voedselproducerende bronnen van restwarmte op het oog als bron voor het warmtenet. In de huidige situatie draaien deze bronnen op fossiele brandstoffen. Om tot een volledig CO2-neutrale verwarmingsketen te komen moeten deze bronnen uiteindelijk ook stoppen met het gebruik van fossiele brandstoffen. Bij sommige bedrijven is elektrificatie van de bedrijfsprocessen mogelijk, bij anderen niet of minder gemakkelijk. Daarnaast is de duurzame productie en distributie van de hoeveelheden elektriciteit die groot genoeg zijn om alle industriële processen in de gemeente aan te drijven een grote uitdaging.
Wanneer er een warmtenet op een bedrijf aangesloten wordt stijgt het maatschappelijk belang van dit bedrijf enorm, het is immers verantwoordelijk voor het verwarmen van een wijk, dorp of stad. Er bestaat dan de mogelijkheid dat dit bedrijf hoe dan ook draaiende moet blijven om het warmtenet van warmte te voorzien. Mogelijk leidt dit ertoe dat bedrijven die gebruik maken van fossiele brandstoffen dit langer blijven doen dan wanneer ze niet op een warmtenet aangesloten zouden zijn. Het ‘onnodig’ lang blijven gebruiken van fossiele brandstoffen is minder duurzaam dan wanneer een warmtenet gelijk op een duurzame warmtebron wordt aangesloten, of wanneer de elektrificatie van een bron makkelijk te realiseren is. Bij de keuze voor bedrijven als bron van de warmtenetten is het noodzakelijk goed af te wegen in hoeverre de bron duurzaam of snel te verduurzamen is.
Het is in de aanlegfase ook belangrijk om te kijken naar de circulariteit van gebruikte bouwmaterialen. Zijn ze duurzaam gewonnen en recyclebaar aan het einde van hun levensduur?
Het woningisolatieprogramma in de gemeente is ook een positieve ontwikkeling voor de duurzaamheid. De groenste energie is namelijk de energie die je niet hoeft op te wekken.
Conclusie
De activiteiten in het Warmteprogramma hebben geen aanzienlijke negatieve effecten op duurzaamheid/circulariteit.
4Conclusie
De gemeente West Betuwe stelt een Warmteprogramma op. In deze aanmeldnotitie plan-mer-beoordeling is beschreven of dit leidt tot aanzienlijke (negatieve) milieueffecten, die het doorlopen van een plan-mer-procedure noodzakelijk maken.
De activiteiten in het warmteprogramma leiden naar verwachting niet tot aanzienlijke (negatieve) milieugevolgen, zoals blijkt op basis van de analyse en beoordelingen in hoofdstuk 3.
Er treden geen aanzienlijk negatieve effecten op of effecten kunnen bij nadere uitwerking afdoende worden beperkt/voorkomen door mitigerende maatregelen. Deze maatregelen dienen dan wel verder te worden uitgewerkt, geconcretiseerd en vastgelegd in besluiten in de latere fasen van plan- en besluitvorming. Bijvoorbeeld in de vorm van voorschriften in omgevingsvergunningen, BOPA’s, etc.
De conclusie is dat er geen noodzaak is om in deze fase van plan- en besluitvorming een plan-mer-procedure te doorlopen voor het warmteprogramma. Het is aan het bevoegd gezag (gemeente West Betuwe) om hier een definitieve afweging over te maken en een besluit over te nemen.
In deze aanmeldnotitie zijn voor een aantal milieuaspecten aandachtspunten benoemd voor de verdere uitwerking en plan- en besluitvorming. Er moet in later stadium, als er concreter zicht is op de ruimtelijke uitwerking van warmtetechnieken in de diverse delen van de gemeente, nader onderzoek gedaan worden naar de daadwerkelijk optredende milieueffecten en of deze effecten kunnen worden voorkomen of beperkt door een andere keuze of technische maatregelen.
De aandachtspunten gelden vooral bij de ondergrondse aanleg van warmtenetten en bovengronds bebouwde voorzieningen als warmtecentrales, biomassacentrales e.d. Belangrijkste aandachtspunten zijn aantasting en/of verstoring van beschermde waarden en gebieden:
•Landschappelijk: met name de provinciaal aangeduide nationale landschappen Nieuwe Hollandse Waterlinie en Rivierenland en de open gebieden, maar ook de toets aan de gemeentelijk aangewezen lokale landschappelijke waarden;
•Aardkundig: de aardkundig waardevolle gebieden;
•Cultuurhistorisch: met name Unesco-Werelderfgoedgebied de Nieuwe Hollandse Waterlinie;
•Ecologisch: met name Natura2000 gebieden Lingegebied & Diefdijk Zuid en Rijntakken, GNN gebieden.
Zie verder bij de diverse milieuaspecten in Hoofdstuk 3.
Let op: Bij verdere uitwerking van het Warmteprogramma en de ruimtelijke vastlegging van maatregelen in concrete besluiten, zoals wijziging omgevingsplan, BOPA’s en (omgevingsvergunningen) dient opnieuw gekeken naar mogelijke verplichtingen ten aanzien van mer (de zogenaamde project-mer- of project-mer-beoordelingsplicht).
5Bronnen
Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Inwoners per gemeente | CBS, geraadpleegd op 2-10-2024
Duurzaam Energieperspectief (2024). Eindrapportage bronnenstudie en haalbaarheidsstudie warmtenet West Betuwe.
Gemeente West Betuwe (2024), Transitievisie Warmte 2.0
Gemeente West Betuwe (2024), Warmteprogramma (ontwerp).
Gemeenteraad West Betuwe (2021), Erfgoed in de gemeente West Betuwe: Archeologische beleidskaart, https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/Vergaderingen/Informatie-en-Ontmoeten-2-Beeldvorming/2021/09-maart/20:00/GENL4-kb3-archeologischebeleidskaart-noordwest-20210204.pdf
Innoforte (2024). Technisch conceptontwerp duurzame warmtevoorziening Enspijk.
Informatiepunt leefomgeving, Milieubelastende activiteit buisleiding met gevaarlijke stoffen (paragraaf 3.4.3 Bal) | Informatiepunt Leefomgeving (iplo.nl) , geraadpleegd op 14-10-2024.
Omgevingsdienst Rivierenland, Bodeminformatieviewer, Bodeminformatie aanvragen | Omgevingsdienst Rivierenland (odrivierenland.nl), geraadpleegd op 9-10-2024.
Omgevingsdienst Rivierenland, Erfgoed in de gemeente West Betuwe: Archeologische vindplaatsen- en verwachtingenkaart, 2021, https://www.odrivierenland.nl/wp-content/uploads/sites/7/2022/06/West-Betuwe-2021_beleid4_kaartbijlagen-archeologie_RAAP.pdf
Provincie Gelderland, Beknopt schema grondwaterbeschermingsbeleid, juni 2022, Beknopt schema grondwaterbeschermingsbeleid (gelderland.nl).
Provincie Gelderland, Kaarten en Cijfers, https://www.gelderland.nl/kaarten-en-cijfers, geraadpleegd op 23-9-2024.
Provincie Gelderland, Omgevingsverordening Gelderland (Volgnummer 3 – inwerking 1 mei 2024), Artikel 4.45