HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE BEPALINGEN
Artikel 1 Begripsbepalingen
1Aanbouw: grondgebonden toevoeging van een bouwlaag aan een gevel van een gebouw.
2Achterkant: de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voor zover die zijde niet direct grenst aan de weg of openbaar groen.
3Afgestemd op zijn omgeving: ais in voldoende mate rekening is gehouden met de vorm, de kleur en het materiaalgebruik van de omliggende gebouwen. Dit kan zowel verwant, identiek als afwijkend zijn. Evenwicht met de bestaande omgeving geldt als uitgangspunt.
4Authentiek: de mate waarin een gebouw oorspronkelijk of uniek is vormgegeven, verbouwd of gewijzigd is. Dit kan zowel op een verwante, identieke ais afwijkende wijze.
5Bestemmingsplan: een plan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.
6Bijgebouw: gebouw dat bij een hoofdgebouw hoort en los van het hoofdgebouw op het erf
7of kavel staat; meestal bedoeld ais schuur, berging tuinhuis of garage.
8Borstwering: lage dichte (gevel)muur tot borsthoogte.
9Boeiboord: opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal.
10Bouwblok: een aan alle zijden door straten, wegen of groen begrensde groep gebouwen, die een stedenbouwkundige eenheid vormt.
11Bouwlaag: een boven peil gelegen en doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kap.
12Carport: afdak om de auto onder te stallen, meestal bij een woning.
13Dak: afdekking van een gebouw, vlak of hellend, waarop dakbedekking is aangebracht.
14Dakhelling: de hoek van het dak.
15Dakkapel: uitbouw op een hellend dak.
16Dakopbouw: een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert.
17Dakraam: raam in een hellend dak.
18Dakvoet: laagste punt van een hellend dak,
19Detail: ontmoeting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.
20Erf: onbebouwd stuk grond behorende bij een woning.
21Erker: kleine toevoeging van meestal een bouwlaag aan de gevel van een gebouw, meestal uitgevoerd in hout en glas.
22Geleding: verticale of horizontale indeling van bijvoorbeeld de gevel door middel van inspringingen of verschillend materiaalgebruik.
23Gevel: buitenmuur van een gebouw.
24Geornamenteerd: van ornamenten voorzien, versierd.
25Hoekkeper: dakrib die de uitspringende hoeken van een dak vormt.
26Individueel gebouw: zelfstandig, op zichzelf staand gebouw.
27In zijn omgeving passend: de mate waarin rekening is gehouden met de maat, schaal en massaopbouw van gebouwen in de omgeving van het nieuwe bouwwerk, dit kan zowel verwant ais contrasterend zijn.
28Luifel: een plat uitgebouwd afdak, vaak boven een deur of bij een winkelgevel.
29Maaiveld: bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht.
30Massa: volume van een gebouw of bouwdeel.
31Negge: terugspringende kant van een muur bij de kozijnen.
32Nok: horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.
33Ondergeschikt: voert niet de boventoon.
34Ontsluiting: de toegang tot een terrein of een gebouw.
35Oogstrelend: heeft te maken met schoonheidsbeleving. Of een bouwwerk als ''oogstrelend' gekwalificeerd kan worden hangt af van bouwesthetiek. Deze wordt bepaald door maatverhoudingen, de compositie van de onderdelen en de samenhang. Een oogstrelend gebouw kan zowel complex als enkelvormig, verfijnd of groots, harmonieus of contrasterend zijn.
36Oriëntatie: de richting van een gebouw.
37Overkapping: carport of luifel
38Overstek: bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.
39Peil: de bovenkant van de afgewerkte begane grond vloer.
40Plat dak: dakvorm bestaande uit één horizontaal vlak.
41Rooilijn: lijn die de grens aangeeft waarbinnen gebouwd is.
42Situering: de plaats van een bouwwerk in zijn omgeving.
43Standaard: door de welstandscommissie goedgekeurd bouwwerk of het oorspronkelijke bouwwerk in het betreffende bouwblok.
44Uitbouw: aan het gebouw vastzittend bouwwerk dat rechtstreeks vanuit het gebouw toegankelijk is.
45Visuele onderbrekingen: bijvoorbeeld door verschil in hoogte, afwisselende geledingen, toepassing van verschillende materialen of penanten
46Voorgevellijn: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk.
47Voorgevelrooilijn: de voorgevelrooilijn als bedoeld in het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
48Voorkant: de voorgevel, het voorerf en het dakvlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voorzover die zijde direct grenst aan de weg of openbaar groen.
49Zadeldak: een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel.
50Zijgevellijn: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk.
51Zijkant: de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw.
Artikel 2 Reikwijdte welstandsnota
Deze welstandsnota geldt voor de gebieden zoals aangegeven op de bijbehorende kaart (bijlage 1 bij deze nota). Voor deze gebieden komt deze welstandsnota in de plaats van de Welstandsnota gemeente Wageningen van juni 2004. De Welstandsnota gemeente Wageningen van juni 2004 blijf alleen nog haar geldigheid behouden voor het Binnenveld en De Eng, zoals aangegeven op de kaart.
HOOFDSTUK 2 WELSTANDSNIVEAUS
Artikel 3 Welstandsniveau REGULIER
Een bouwwerk gesitueerd binnen het op de kaart met welstandsniveau REGULIER aangegevengebied voldoet aan redelijke eisen van weistand wanneer:
1er ongeacht de stijl of de aan het ontwerp ten grondslag liggende architectuuropvatting sprake is van een naar vorm en schaal in zijn omgeving passend bouwwerk;
2het de stedenbouwkundige structuur herkenbaar houdt;
3het past binnen de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte;
4het markante karakter van belangrijke stedenbouwkundige ruimten wordt versterkt;
5het bouwwerk zich niet van zijn omgeving afkeert;
6de toegankelijkheid vanaf het openbaar gebied duidelijk herkenbaar is;
7er ongeacht de bouwstijl of aan het ontwerp ten grondslag liggende architectuuropvatting sprake is van een naar zijn verschijningsvorm oogstrelend bouwwerk;
8er sprake is van een evenwichtige opzet in maatverhoudingen, die in buitenruimten, bouwvolumes en vlakverdelingen tot uitdrukking komt.
Artikel 4 Welstandsniveau BIJZONDER
Een bouwwerk gesitueerd binnen het op de kaart met welstandsniveau BIJZONDER aangegevengebied, alsmede een gemeentelijk of rijksmonument, voldoet aan redelijke eisen van welstandwanneer:
1er ongeacht de stijl of de aan het ontwerp ten grondslag liggende architectuuropvatting sprake is van een naar vorm en schaal in zijn omgeving passend bouwwerk;
2het de stedenbouwkundige structuur respecteert;
3het de kwaliteit van de omgeving en de openbare ruimte versterkt;
4het markante karakter van belangrijke stedenbouwkundige ruimten wordt versterkt;
5de architectuur op de aan- en omliggende gebouwen naar vorm, kleur en materiaalgebruik is afgestemd;
6erfafscheidingen naar vorm en materiaalgebruik afgestemd zijn op de omgeving;
7er geen belemmering is voor belangrijke doorzichten en zichtlijnen;
8de toegankelijkheid vanaf het openbaar gebied duidelijk herkenbaar is;
9er ongeacht de bouwstijl of aan het ontwerp ten grondslag liggende architectuuropvatting sprake is van een naar zijn verschijningsvorm oogstrelend bouwwerk;
10er sprake is van een evenwichtige opzet in maatverhoudingen, die in buitenruimten, bouwvolumes en vlakverdelingen tot uitdrukking komt;
11kenmerkende en beeldbepalende onderdelen van de gevels, zoals dakranden, kozijnprofileringen, raamindelingen en glassoorten, de verschijningsvorm op samenhangende wijze ondersteunen;
12bij verbouwingen en restauraties de authenticiteit van het bouwwerk wordt gehandhaafd, versterkt of hersteld;
13bij verbouwingen en restauraties de samenhang in het gevelbeeld wordt gehandhaafd, versterkt of hersteld.
HOOFDSTUK 3 SNELTOETSCRITERIA
Paragraaf 1 Algemeen
Artikel 5 Algemene bepaling met betrekking tot de sneltoetscriterïa
1Indien een bouwwerk voldoet aan de sneltoetscriteria kan dit bouwplan worden afgedaan door een daartoe gemandateerde secretaris dan wel lid van de welstandscommissie.
2Indien een bouwwerk niet voldoet aan de sneltoetscriteria of indien sprake is van een bijzondere situatie dan wel indien gerede twijfel over de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria bestaat, zal het bouwwerk door de welstandscommissie getoetst worden aan het voor het gebied waarin het bouwwerk is gelegen van toepassing zijnde welstandsniveau.
3Indien een bouwwerk voldoet aan de standaard in het betreffende bouwblok, hoeft niet meer aan de specifieke sneltoetscriteria geldend voor dat betreffende bouwwerk getoetst te worden.
Paragraaf 2 Aan- en uitbouwen
Artikel 6 Criteria voor aan- en uitbouwen op een erf niet grenzend aan openbaar toegankelijk gebied
1De sneltoetscriteria in dit artikel zijn enkel van toepassing op aan- of uitbouwen bij woningen of woongebouwen.
2De aan- of uitbouw:
a.is een ondergeschikte toevoeging aan de woning;
b.is geen secundaire aan- of uitbouw.
3De afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot de zijerfgrens bedraagt minimaal 1 meter, of is conform het geldende bestemmingsplan.
4De aan- of uitbouw aan de zijgevel is minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn geplaatst of is conform het geldende bestemmingsplan.
5De aan- of uitbouw aan de achtergevel overschrijdt de zijgevellijn niet, tenzij er sprake is van een hoekaanbouw die minimaal 2 meter ten opzichte van de oude achtergevelrooilijn de hoek om gaat richting de voorgevelrooilijn.
6De aan- of uitbouw mag niet hoger zijn dan de eerste bouwlaag van de woning plus maximaal 30 centimeter en niet hoger dan het hoofdgebouw.
7De diepte van de aan- of uitbouw is maximaal conform het bestemmingsplan, dan wel 3 meter indien het bestemmingsplan niets of minder regelt.
8De oppervlakte van de aan- of uitbouw bedraagt maximaal 30 m2.
9De bebouwde oppervlakte van het oorspronkelijke achter- of zijerf bedraagt maximaal 50%.
10De aan- of uitbouw is:
a.vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond;
b.plat afgedekt. Indien er sprake is van een glazen dak (serre) ligt de hellingshoek tussen 5° en 15°,
11Indien er een boeiboord wordt toegepast, is dit boeiboord tussen de zijmuren ingesloten.
12Geen overmaat aan detailleringen ten opzichte van het oorspronkelijke hoofdgebouw, een overstek van maximaal 15 centimeter, een boeiboord met een hoogte van maximaal 25 centimeter en beperkt geornamenteerd.
13De aan- of uitbouw bestaat uit minimaal 20% gevelopeningen / glasvlak.
14Materiaal- en kleurgebruik van gevels, kozijnen en profielen dient in samenhang met gevels, kozijnen en profielen van de oorspronkelijke woning te zijn.
Artikel 7 Criteria voor aan- en uitbouwen op een erf grenzend aan openbaar toegankelijk gebied
1De sneltoetscriteria in dit artikel zijn enkel van toepassing op aan- of uitbouwen bij woningen of woongebouwen.
2De aan- of uitbouw:
a.is een ondergeschikte toevoeging aan de woning;
b.is geen secundaire aan- of uitbouw.
3De afstand van de aan- of uitbouw aan de zijgevel tot de zijerfgrens bedraagt minimaal 1 meter, of is conform het geldende bestemmingsplan.
4De aan- of uitbouw aan de zijgevel is minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn geplaatst of is conform het geldende bestemmingsplan.
5Erker aan de voorkant:
a.niet hoger dan de eerste bouwlaag van de woning plus maximaal 30centimeter en niet hoger dan het hoofdgebouw;
b.een maximale breedte van 50% van de gevelbreedte;
c.een maximale diepte van 1,2 meter, gemeten vanaf de oorspronkelijke voorgevel, tenzij in het bestemmingsplan een ruimere maat wordt aangegeven;
d.vormgegeven in één bouwlaag in principe met een rechthoekige plattegrond, eventueel met schuin geplaatste zijkanten;
e.plat afgedekt;
f.voorzien van een gemetselde borstwering met een hoogte ais bestaand en daarboven zo transparant mogelijk;
g.geen overmaat aan detailleringen ten opzichte van het oorspronkelijke gebouw, een overstek van maximaal 15 centimeter, een boeiboord met een hoogte van maximaal 25 centimeter en beperkt geornamenteerd;
h.materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen in samenhang met gevels, kozijnen en profielen van de oorspronkelijke woning.
6Aan- of uitbouw aan de zijkant:
a.niet hoger dan de eerste bouwlaag van de woning plus maximaal 30 centimeter en niet hoger dan het hoofdgebouw;
b.diepte maximaal conform bestemmingsplan, dan wel 3 meter als het bestemmingsplan niets of minder regelt;
c.de oppervlakte van de aan- of uitbouw bedraagt maximaal 30 m2;
d.de bebouwde oppervlakte van het oorspronkelijke achter- of zijerf bedraagt maximaal 50%;
e.vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond;
f.plat afgedekt;
g.de gevelindeling is in overeenstemming met de gevelindeling van de oorspronkelijke woning;
h.geen overmaat aan detailleringen ten opzichte van het oorspronkelijke gebouw, een overstek van maximaal 15 centimeter, een boeiboord met een hoogte van maximaal 25 centimeter en beperkt geornamenteerd.
i.materiaal- en kleurgebruik gevels, kozijnen en profielen in samenhang met gevels, kozijnen en profielen van de oorspronkelijke woning;
j.aan- of uitbouw bestaat uit minimaal 20% gevelopeningen/glasvlak.
Paragraaf 3 Bijgebouwen en overkappingen
Artikel 8 Criteria voor bijgebouwen en overkappingen
1De sneltoetscriteria in dit artikel zijn enkel van toepassing op bijgebouwen en overkappingen bij woningen.
2Het bijgebouw of de overkapping is geen secundair bijgebouw of overkapping,
3Het bijgebouw of de overkapping is geplaatst op het achtererf of zijerf.
4Het bijgebouw of de overkapping is bij plaatsing op het zijerf minimaal 1 meter achter de voorgevelrooilijn geplaatst.
5De afstand van het bijgebouw of de overkapping tot een naburig erf bedraagt minimaal 1 meter.
6De maximale goothoogte van een bijgebouw of overkapping bedraagt 3 meter,
7De maximale hoogte van een bijgebouw of overkapping bedraagt 5 meter, indien sprake is van een plat dak is de maximale hoogte 3,25 meter.
8De totale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bedraagt maximaal 50 m2.
9Het bebouwingspercentage van het oorspronkelijke achtererf en zijerf bedraagt maximaal 50 %.
10Het bijgebouw of de overkapping is vormgegeven in één bouwlaag met een rechthoekige plattegrond.
11Geen overmaat aan detailleringen, een overstek van maximaal 25 centimeter of een boeiboord met een hoogte van maximaal 25 centimeter
12Het bijgebouw of de overkapping heeft een zadeldak, licht hellend dak of een plat dak.
13Het materiaalgebruik dient afgestemd te zijn op het hoofdgebouw, dan wel uitgevoerd in metselwerk of hout.
14Het kleurgebruik is niet te opvallend of is afgestemd op het hoofdgebouw.
15Kleur- en materiaalgebruik zijn bij integratie met een erfafscheiding gelijk aan deze erfafscheiding.
Paragraaf 4 Dakkapellen
Artikel 9 Criteria voor dakkapellen
1De sneltoetscriteria in dit artikel zijn enkel van toepassing op dakkapellen op woningen.
2De dakkapel is een ondergeschikte toevoeging aan de woning.
3Boven en aan weerszijden van de dakkapel is een dakvlak aanwezig van minimaal 50 centimeter. Grenzend aan openbaar toegankelijk gebied bedraagt de afstand tussen de dakkapel en het eind van een dakvlak 1 meter.
4De afstand van de onderzijde van de dakkapel tot de dakvoet is minimaal 50 centimeter en maximaal 1 meter.
5De dakkapel is geplaatst op een dak met een heilingshoek van minimaal 30°, niet zijnde een wolfseind.
6De dakkapel is gecentreerd in het dakvlak of afgestemd op de indeling van de gevel.
7De hoogte van de dakkapel bedraagt maximaal 1,75 meter.
8De breedte van dakkapellen grenzend aan openbaar toegankelijk gebied is in totaal maximaa! 50% van de breedte van het dakvlak.
9Bij meerdere dakkapellen is er een tussenruimte van minimaal 1 meter.
10Er zijn maximaal twee dakkapellen aanwezig.
11De dakkapel heeft een plat dak of, indien de aankapping minimaal drie rijen pannen onder de nok blijft en de kap van het gebouw minimaal 45° is, een kap met helling van maximaal 40°.
12Geen platte en aangekapte dakkapellen in hetzelfde bouwblok.
13De dakkapel heeft ondoorzichtige zijwanden.
14Meerdere dakkapellen worden gerangschikt in een horizontale lijn en niet boven elkaar.
15Geen overmaat aan detailleringen, een overstek van maximaal 15 centimeter, een boeiboord met een hoogte van maximaal 25 centimeter en ornamenten.
16De raamindeling van de dakkapel past bij de architectuur van het hoofdgebouw.
17De dakkapel heeft, met uitzondering van de zijwanden, geen grote gesloten delen en geen borstwering.
18Materialen en kleuren zijn afgestemd op het hoofdgebouw.
Paragraaf 5 Kozijn- en / of gevelwijzigingen
Artikel 10 Criteria voor wijziging van kozijnen en / of gevels
1De sneltoetscriteria in dit artikel zijn van toepassing op kozijn- en / of gevelwijzigingen van woningen, woon- en niet-woongebouwen.
2Maximaal 1 gevelelement per gevel verandert.
3In de voorgevel is de wijziging als zelfstandig element vormgegeven, waarbij de maatvoering en detailleringen zijn afgestemd op en harmoniëren met de oorspronkelijke gevel.
4De samenhang en ritmiek van de straatgevelwand worden niet verstoord.
5De oorspronkelijke pui bij historische panden wordt gerespecteerd.
6Afzonderlijke panden blijven herkenbaar.
7De gevels van begane grond en verdieping(en) blijven samenhangend.
8De diepte van de negge is gelijk aan de bestaande situatie.
9De oorspronkelijke profielafmetingen van het kozijn en / of het raamhout blijven behouden.
10Materiaal- en kleurgebruik afgestemd op de bestaande architectuur en omgeving.
11Gebruik van helder/ blank glas.
Paragraaf 6 Erfafscheïdingen
Artikel 11 Criteria voor erfafscheïdingen
1De sneltoetscriteria in dit artikel zijn van toepassing op erfafscheidingen bij woningen, woon- en niet-woongebouwen.
2De hoogte van erfafscheidingen voor de voorgevellijn bedraagt maximaal 1,5 meter.
3Erfafscheidingen aan de achter- of zijkant zijn uitgevoerd als begroeid transparant hekwerk of in dezelfde stijl als de bestaande erfafscheiding waarvoor een vergunning is verleend.
4Tuinmuren behorend bij de originele bouw blijven gehandhaafd.
Paragraaf 7 Dakopbouwen
Artikel 12 Criteria voor dakopbouwen
1De sneltoetscriteria in dit artikel zijn enkel van toepassing op dakopbouwen op woningen.
2De dakopbouw bestaat uit één verdieping.
3De dakopbouw bevindt zich op het hoofdgebouw.
4De dakopbouw bevindt zich op een bouwwerk van minimaal twee bouwlagen.
5De dakopbouw heeft geen dakkapel en / of dakopbouw.
6Een dakopbouw is alleen toegestaan indien in de bestaande ruimte een maximale vrije stahoogte is van 2,2 meter.
7De dakopbouw is gesitueerd op het achterdakvlak door middel van het verlengen van het voordakvlak.
8De afstand van de dakgoot van het hoofdgebouw tot de dakopbouw bedraagt minimaal 1 meter, gemeten langs het dakvlak,
9De dakopbouw is geplaatst op een dak met een hellingshoek tussen 25° en 35°.
10De dakopbouw is gecentreerd in de gevel.
11De koztjnhoogte is maximaal 1,5 meter.
12De breedte van de dakopbouw is maximaal 2/3 van de breedte van het dakvlak.
13De afstand tussen de dakopbouw en het eind van het dakvlak bedraagt minimaal 1 meter.
14Indien er gemetselde schoorstenen aanwezig zijn op de bouwmuren wordt in afwijking van het voorgaande een dakopbouw strak tussen de schoorstenen toegestaan.
15De dakopbouw heeft ondoorzichtige zijwanden,
16De detaillering is afgestemd op het hoofdgebouw.
17De gevelcompositie past bij de architectuur van het hoofdgebouw.
18De dakopbouw heeft, met uitzondering van de zijwanden, geen grote gesloten delen en geen borstwering.
19De hellingshoek van het dak van de dakopbouw is gelijk aan de hellingshoek van het bestaande dak,
20Materialen en kleuren zijn afgestemd op het hoofdgebouw.
Paragraaf 8 Dakterrassen
Artikel 13 Criteria voor dakterrassen
1De sneltoetscriteria in dit artikel zijn enkel van toepassing op dakterrassen bij woningen.
2Het dakterras is zo onopvallend mogelijk.
3De hoogte van de balustrade bedraagt minimaal 1,10 meter en maximaal 1,20 meter.
4De balustrade is transparant.
5De spijlen van de balustrade zijn neutraal, uitgevoerd in een onopvallende kleur, met een onderlinge afstand van minimaal 10 centimeter.
6De balustrade is minimaal 1,5 meter teruggeplaatst van de gevels of conform het
bestemmingsplan.
Paragraaf 9 Reclame op, aan en bij gebouwen
Artikel 14 Criteria voor reclame aan en bij winkels en bedrijven
1De sneltoetscriteria in dit artikel zijn van toepassing op reclame op, aan en bij winkels en bedrijven.
2Maximaal één reclame evenwijdig aan de gevel en één reclame haaks op de gevel.
3De vorm, kleur, afmeting en plaats van de reclame passen bij het uiterlijk van het gebouw en ontsieren het stadsbeeld niet.
4De reclame domineert de gevelarchitectuur niet maar is een ondergeschikte toevoeging. En zo veel mogelijk geïntegreerd in de architectuur van het pand.
5De reclame verstoort de samenhang en ritmiek van de straatwand niet.
6De reclame is niet knipperend, bewegend en reflecterend.
7In het welstandsniveau BIJZONDER heeft de reclame niet in de vorm van vlaggen.
8De reclame is geplaatst op de benedenverdieping ruim onder de onderdorpe! Van eventueel aanwezige kozijnen op de verdieping.
9De reclame is niet op het dak geplaatst.
10De reclame evenwijdig aan de gevel:
a.is niet over de volle breedte van de gevel aangebracht;
b.houdt rekening met de verticale indeling van de onderliggende pui;
c.is niet breder dan de onderliggende pui;
d.heeft een maximale hoogte van 50 centimeter;
e.heeft een maximale dikte van 20 centimeter.
11Reclame haaks op de gevel:
a.begint op maximaal 30 centimeter van de gevel;
b.steekt maximaal 1 meter buiten de gevel;
c.heeft een maximale oppervlakte van 0,8 mz per zijde;
d.heeft een maximale dikte van 20 centimeter.
12Reclame op of aan luifels is geïntegreerd in de luifel of door toepassing van losse letters.
13Reclame tegen of tot maximaal 1 meter achter glas en zichtbaar vanaf de openbare ruimte, heeft een oppervlakte van maximaal 0,5 m2.
14Ruiten zijn niet grotendeels of geheel dichtgeplakt met reclame.
Artikel 15 Criteria voor reclame aan en bij een praktijk- of bedrijf aan huis
1De sneltoetscriteria in dit artikel zijn van toepassing op reclame op, aan en bij een praktijk- of bedrijf aan huis.
2Maximaal één reclame evenwijdig aan de gevel of achter het glas.
3De reclame beperkt zich tot het hoogst noodzakelijke.
4De vorm, kleur, afmeting en plaats van de reclame passen bij het uiterlijk van het gebouw en ontsieren het stadsbeeld niet.
5De reclame is niet knipperend, bewegend en reflecterend.
6De reclame is niet in de vorm van vlaggen.
7De reclame is geplaatst op de benedenverdieping.
8De oppervlakte van de reclame is maximaal 0,5 m2.
HOOFDSTUK 4 SLOTBEPALINGEN
Artikel 16 Overgangsrecht
1Het recht zoals dat gold op het tijdstip onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Welstandsnota Wageningen 2010 blijft van toepassing ten aanzien van aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding.
2De Welstandsnota gemeente Wageningen van 2004 blijft haar geldigheid behouden voor het Binnenveld en De Eng.
Artikel 17 Slotbepaling
1Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als Welstandsnota Wageningen 2010.
2Deze beleidsregels treden in werking op 1 oktober 2010.
Bijlage 1
kaart behorend bij de Welstandsnota Wageningen 2010
TOELICHTING WELSTANDSNOTA WAGENINGEN 2010
Waarom een welstandsnota?
Sinds 1 januari 2003 geldt, op grond van de Woningwet, de verplichting voor de gemeenteraad
om de welstandscriteria vast te leggen in een gemeentelijke welstandsnota. Het bevoegd gezag en
de welstandscommissie mogen hun welstandsoordeel alleen baseren op de criteria die worden
genoemd in de welstandsnota. In juni 2004 heeft de raad de Welstandsnota gemeente
Wageningen vastgesteld.
Motie raad 2 november 2006
Op 2 november 2006 heeft de gemeenteraad een motte aangenomen waarin hij het college van
burgemeester en wethouders heeft verzocht om:
· een aanzienlijk ruimere opzet van het welstandsvrij bouwen, zowel qua gebieden als daar onder vallende bouwplannen;
· een verdere vereenvoudiging en verdere verruiming van de sneltoetscriteria; een efficiëntere en effectievere opzet van het welstandsbeleid om tot aanzienlijke kostenreductie te komen.
Wabo
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bundelt een aantal bestaande
toestemmingstelsels die betrekking hebben op projecten die plaatsgebonden zijn en op een of
andere manier van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. De Wabo zou oorspronkelijk op
1januari 2010 in werking treden, Inmiddels is de inwerkingtreding definitief vastgesteld op
1oktober 2010. Met de inwerkingtreding van de Wabo verdwijnen de figuren van de lichte en
reguliere bouwvergunning.
Het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag omgevingsvergunning voor
het bouwen van een bouwwerk betrekking heeft, dient, zowel op zichzelf beschouwd als in
verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, getoetst te worden aan
redelijke eisen van welstand. Een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een
bouwwerk dient derhalve vooraf aan de welstandsnota getoetst te worden.
In het Besluit omgevingsrecht is aangegeven in welke gevallen geen omgevingsvergunning nodig
is voor het bouwen van een bouwwerk. In deze gevallen hoeft er vooraf niet getoetst te worden
aan redelijke eisen van welstand. Ingevolge artikel 12, eerste lid van de Woningwet dienen deze
bouwwerken wel aan redelijke eisen van welstand te voldoen.
Het aantal vergunningvrije bouwwerken zal door de inwerkingtreding van de Wabo toenemen.
Daardoor zullen minder bouwplannen voorgelegd worden aan de welstandscommissie. De
bouwwerken waan/oor een vergunning en een welstandstoets noodzakelijk zijn, zijn met name de
grotere, beeldbepalende bouwplannen.
Uit onderzoek van CenterData in opdracht van het Ministerie van VROM is gebleken dat landelijk
96% van de ondervraagden aangeeft dat zij liever niet hebben dat hun buren welstandsvrij
kunnen bouwen. Gelet op de uitkomst van dit onderzoek kunnen vraagtekens worden gezet bij
een ruimere opzet van welstandsvrij bouwen, zowel qua gebieden als daar onder vallende
bouwplannen.
Nu bij wet veel vergunningvrij en dus welstandsvrij wordt, is de noodzaak van een aanzienlijk ruimere opzet van het welstandsvrij bouwen, zowel qua gebieden als daar onder vallende bouwplannen, komen te vervallen.
Indien het uiterlijk van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag op grond van artikel 13a van de Woningwet, degene die tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven om die strijdigheid op te heffen. Deze regeling geldt ook voor vergunningvrije bouwwerken. Indien een aanzienlijk ruimere opzet van het welstandsvrij bouwen, zowel qua gebieden als daar onder vallende bouwplannen, in de welstandsnota wordt opgenomen kan er geen handhaving op grond van artikel 13a van de Woningwet meer plaatsvinden. Het is de vraag of een dergelijke ontwikkeling wenselijk is.
Opgemerkt wordt nog dat met een aanzienlijk ruimere opzet van het welstandsvrij bouwen niet
per definitie sprake is van deregulering. Dereguleren kan ook door middel van het vereenvoudigen
en verruimen van regelgeving.
Het welstandsbeleid, zowel de algemene criteria als de sneltoetscriteria, is vereenvoudigd en
verruimd. Hieronder wordt aangegeven op welke wijze dit vorm heeft gekregen.
Het doel van de welstandsnota
Het doel van de welstandsnota is:
-Het vastleggen van duidelijk, overzichtelijk, toegankelijk en transparant beleid.
-Het vastleggen van efficiënte procedures voor de welstandszorg, met duidelijkheid voor de initiatiefnemers.
-Het verhogen van de kwaliteit van welstandsadvisering
-Afstemming met andere beleidsnota's zoals beeldkwaliteitsplannen en bestemmingsplannen.
OPBOUW WELSTANDSNOTA
De Wefstandsnota Wageningen 2010 gaat over bouwwerken waarvoor een welstandstoets
noodzakelijk is. In hoofdstuk 2 van de Welstandsnota wordt onderscheid gemaakt in een tweetal
welstandsniveaus welke aan een gebied worden toegekend: REGULIER en BIJZONDER. Met
betrekking tot de beoordeling van een bouwplan aan "redelijke eisen van welstand" gelden er voor
welstandsniveau REGULIER acht criteria en voor welstandsniveau BIJZONDER dertien criteria.
Gemeentelijke- en rijksmonumenten worden getoetst aan het welstandsniveau BIJZONDER.
Voor veel voorkomende bouwwerken zijn in hoofdstuk 3 van de Welstandsnota sneitoetscriteria
opgenomen in de Welstandsnota. De sneitoetscriteria gelden niet voor gemeentelijke- en
rijksmonumenten. Sneitoetscriteria zijn concreet geformuleerde vorm- en materiaaleisen waaraan
bouwplannen voor bouwwerken en verbouwingen moeten voldoen. Deze eisen gaan onder meer
over maatvoering, materiaalgebruik en kleurstelling. Ze bieden de initiatiefnemer een grote mate
van duidelijkheid over datgene wat vereist is.
Op basis van de sneitoetscriteria kan de secretaris dan wel een lid van de welstandscommissie een
positief welstandsadvies verstrekken en hoeft de aanvraag niet getoetst te worden door de
voltallige welstandscommissie.
Afwijken van de sneitoetscriteria is mogelijk. In dat geval zal het bouwwerk voor advies
voorgelegd worden aan de welstandscommissie. Zij zal het bouwplan toetsen aan de in hoofdstuk
2van de nota gestelde criteria.
Te allen tijde dienen voor aanvragen van vergunningplichtige bouwwerken de regelingen van
overheidswege (zoals de Monumentenwet), de vigerende bestemmingsplannen, door de
gemeenteraad goedgekeurde stedenbouwkundige plannen en beeldkwaliteitsplannen gevolgd te
worden. Deze beleidsstukken vormen het kader voor het welstandsbeleid, ze bepalen de grenzen
waarbinnen het welstandsbeleid vorm krijgt.
Voor een overzicht van de bestaande bebouwingskarakteristieken van de gemeente Wageningen
vormt de Informatiegids Gebiedsbeschrijving Wageningen een inspirerend naslagwerk.
WELSTANDSNIVEAUS EN CRITERIA
Twee welstandsniveaus
In de Welstandsnota Wageningen wordt een onderscheid gemaakt in een tweetal
welstandsniveaus welke aan een gebied kunnen worden toegekend: REGULIER en BIJZONDER.
De twee niveaus onderscheiden zich onderling in de mate van vrijheid met betrekking tot omgang
met de bestaande stedenbouwkundige structuur en architectuur. Bij de aanwijzing van een
welstandsniveau aan een gebied, zoals te zien is op de zogenoemde beleidskaart, zijn vier
maatstaven bepalend geweest:
1de authenticiteit van de bebouwing of omgevingskarakteristiek van het gebied;
2de mate van zeldzaamheid van de stedenbouwkundige typologie;
3de mate waarin een gebied beeldbepalend is;
4de mate waarin de stedenbouwkundige structuur en architectuur in een gebied
samenhangend is.
De welstandsniveaus worden als volgt gedefinieerd.
A.REGULIER
Verandering of handhaving van het bebouwingsbeeld is beide mogelijk, zowel naar
structuur als naar architectuur maar met behoud van landschappelijke waarden.
Dit betekent:
•een vrije en open oriëntatie op het bestaande bebouwingsbeeld;
•er is ruimte voor vernieuwing;
•bij gedeeltelijke veranderingen van de structuur wordt aangesloten op de bestaande
omgeving.
B.BIJZONDER
Essentiële eigenschappen van de aanwezige bebouwings- en omgevingskarakteristiek
worden gerespecteerd. Behoud en herstel van het aanwezige bebouwingsbeeld en
versterken van de bestaande of historisch bepaalde karakteristiek van
stedenbouwkundige, architectonische, landschappelijke of cultuurhistorische aard.
Dit betekent:
•respect voor het kenmerkende bebouwingsbeeld met zijn architectonische
verschijningsvorm;
•primaire oriëntatie op monumentale en beeldbepalende kwaliteiten en eigenschappen
van de gebouwen;
•authenticiteit staat voorop zowel voor nieuwe als voor bestaande gebouwen;
•geen nabouwen van, maar voortbouwen op de historische context, waarbij
"voortbouwen op" zowel op een traditionele als vooruitstrevende manier mag
plaatsvinden;
•nieuwe interpretaties zijn mogelijk.
Naast de twee genoemde beleidsniveaus, REGULIER en BIJZONDER, worden twee aparte
aandachtsgebieden onderscheiden: het Binnenveld en De Eng. Deze twee gebieden vallen buiten
de reikwijdte van de Welstandsnota Wageningen 2010. Voor de vormgeving en inpassing van
nieuwe bouwwerken en verbouwingen in deze gebieden worden beeldkwaliteitplannen opgesteld.
Tot die tijd blijft voor het Binnenveld en De Eng de Welstandsnota Wageningen 2004 haar
geldigheid behouden,
Binnenveld
Het beeldkwaliteitplan Binnenveld is ai in een vergevorderd stadium. Het gebied is gelegen tussen de stedelijke kernen Veenendaai, Ede, Rhenen en Wageningen (de WERV-gemeenten). Aan de noordzijde wordt het Binnenveld begrensd door de snelweg A12 en aan de zuidzijde door de rivier de Nederrijn.
De WERV-gemeenten koesteren de landschappelijke kwaliteiten van het Binnenveld. Om het landschap van het Binnenveld verder te ontwikkelen, hebben de gemeentebesturen in 2007 het Landschapsontwikkelingsplan Binnenveld vastgesteld. Het plan zal richting geven aan de gezamenlijke inspanning van de vier gemeenten voor de kwaliteit van het Binnenveld. Voor de vormgeving en inpassing van deze ontwikkelingen is het Beeldkwaliteitsplan Binnenveld opgesteld.
De criteria vermeid in het Beeldkwaliteitsplan Binnenveld vormen het uitgangspunt bij de
beoordeling door de welstandscommissie.
Rog horst
De buurt Roghorst is, met uitzondering van de percelen die grenzen aan de hoofdroutes, in de Welstandsnota 2004 aangewezen als welstandsvrij gebied. Bij de keuze van het welstandsvrije gebied speelde een belangrijke rol dat de buurt in zichzeif is gekeerd en dat bij de bouw van de buurt de individualiteit van de woning centraal stond.
In de Welstandsnota Wageningen 2010 zijn geen welstandsvrije gebieden meer opgenomen. De buurt Roghorst valt binnen het welstandsniveau REGULIER. Hiervoor geldt een achttal criteria waaraan een bouwplan dient te voldoen. De reden om de buurt Roghorst op te nemen in het welstandsniveau REGULIER is om één uniform beleid voor de hele gemeente te formuleren.
Daarnaast zullen de bouwplannen die welstandsvrij waren in dit gebied ofwel met de inwerkingtreding van de Wabo vergunningvrij worden en daarmee welstandsvrij blijven, ofwel vallen onder de sneltoetscriteria en in mandaat afgedaan kunnen worden. De grotere, beeldbepalende bouwplannen zullen wel aan de welstandscommissie voorgelegd moeten worden.
Monumenten
Voor bouwplannen aan, op of bij een gemeentelijk of rijksmonument gelden de beoordelingscriteria behorende bij het welstandsniveau BIJZONDER.
De reden hiervoor is dat beschermde monumenten uniek en waardevol kunnen zijn voor ons land of de gemeente. Bijvoorbeeld door hun schoonheid, of door hun wetenschappelijke of
cultuurhistorische betekenis.
Omdat de als monument aangewezen onroerende zaken uniek zijn, ligt het in de rede dat bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk aan, op of bij een dergelijk monument getoetst wordt aan de beoordelingscriteria behorende bij het welstandsniveau BIJZONDER.
Criteria
Om meerdere redenen is gekozen voor een benadering met algemeen geldende beoordelingscriteria en het achterwege laten van meer gedetailleerde en specifieke beoordelingscriteria per onderscheiden stedenbouwkundige typologie.
Allereerst biedt deze benadering meer ruimte voor ontwikkeling en vernieuwing. Het biedt immers een zekere vrijheid voor het omgaan met de bestaande stedenbouwkundige context en architectuur. Al te specifieke criteria zouden al snel leiden tot verstarring en onvermijdelijk ook tot gebrek aan flexibiliteit. Bovendien zou er een te grote gerichtheid op behoud van alleen het bestaande het gevolg kunnen zijn. Tenslotte heeft een dergelijke benadering ais voordeel dat een meer overeenkomstige en gelijke beoordelingsmethodiek van welstandstoetsing voor alle gebieden en alle vergunningaanvragen voor het bouwen van een bouwwerk kan plaatsvinden.
Bij de beoordelingscriteria wordt het bouwwerk vanuit twee invalshoeken beschouwd: het gebouw in zijn omgeving en het gebouw op zich zelf. Bij de omgeving betreft het de plaats van het bouwwerk (of de bouwwerken) in de stedelijke omgeving, waarbij het in het algemeen gaat om een evenwichtige situering naar vorm, grootte en massaopbouw ten opzichte van de omliggende gebouwen en ten opzichte van het openbaar gebied. Met betrekking tot het bouwwerk op zichzelf (object) gaat het om de verschijningsvorm van een bouwwerk (of meerdere bouwwerken) waarbij het in het algemeen gaat om de esthetische kwaliteiten en in het bijzonder om goede maatverhoudingen en herkenbaarheid van het bouwwerk.
Een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan "redelijke eisen van welstand". De welstandscommissie toetst de bouwaanvragen aan de hierna aangegeven criteria. Deze criteria geven aan wanneer een bouwwerk niet strijdig is met de "redelijke eisen van welstand" en daarmee ook wanneer het wel strijdig is met de "redelijke eisen van welstand". De welstandscommissie legt dit vast in haar advies.
Sneltoetscriteria
Voor veel voorkomende bouwwerken zijn sneltoetscriteria opgenomen in hoofdstuk 3 van de Welstandsnota, De sneltoetscriteria in de Welstandsnota Wageningen 2010 zijn eenvoudiger en eenduidiger dan de sneltoetscriteria in de Welstandsnota 2004. Tevens zijn overbodige bepalingen geschrapt zoals de sneltoetscriteria voor zonnecollectoren en dakramen. In de meeste gevallen zijn deze bouwwerken vergunningvrij behalve wanneer zij op, aan of bij een gemeentelijk of rijksmonument worden gebouwd. Zoals al eerder aangegeven zal in het geval van een beschermd monument altijd de welstandscommissie om advies gevraagd worden.
Verder zijn sneltoetscriteria toegevoegd voor dakopbouwen op een schuin dak en dakterrassen.
Indien een bouwplan voor een dergelijk bouwwerk voldoet aan de sneltoetscriteria, hoeft deze niet meer door de voltallige welstandscommissie getoetst te worden.
Op basis van de sneltoetscriteria kan de secretaris van de welstandscommissie en / of een lid van de welstandscommissie een positief welstandsadvies verstrekken en hoeft de aanvraag niet getoetst te worden door de voltallige welstandscommissie.
Afwijken van de sneltoetscriteria is mogelijk. In dat geval zal het bouwwerk wel voor advies voorgelegd worden aan de welstandscommissie, Zij zal het bouwplan toetsen aan de in hoofdstuk 2 van de nota gestelde criteria.
Is er sprake van een door het rijk, provincie of gemeente aangewezen beschermd monument of heeft de aanvraag betrekking op een pand dat gelegen is binnen een door het rijk aangewezen beschermd stadsgezicht, zal het bouwplan worden getoetst aan de beoordelingscriteria van welstandsniveau BIJZONDER.
De sneltoetscriteria gelden voor de volgende veel voorkomende bouwwerken:
•Aan- en uitbouwen
•Bijgebouwen en overkappingen
•Dakkapellen
•Kozijn- en gevelwijzigingen
•Erfafscheidingen
•Dakopbouwen (op schuindak)
•Reclame op, aan of bij gebouwen
•Dakterrassen
Excessen regeling
De gemeente voert een actief handhavingsbeleid waar het gaat om het bewaken van de ruimtelijke kwaliteit. Een effectief welstandsbeleid kan niet zonder een consequente handhaving.
De gemeente zal daarom voortdurend inspecties verrichten om te controleren of de bouwplannen conform de verleende vergunning worden gebouwd.
Indien het uiterlijk van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand kan het bevoegd gezag op grond van artikel 13a van de Woningwet, degene die tot het opheffen van die strijdigheid bevoegd is, aanschrijven om die strijdigheid op te heffen.
Een bouwwerk is in strijd met redelijke eisen van welstand indien sprake is van een exces, dat wil zeggen buitensporigheden in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident zijn. Vaak heeft dit betrekking op het afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving, het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden, armoedig materiaalgebruik, toepassing van felle of contrasterende kleuren, te opdringerige reclames of een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie hiervoor de Informatiegids Gebiedsomschrijvängen Wageningen).
De excessenregeling geldt ook voor vergunningvrije bouwwerken. Vergunningvrije bouwwerken die voldoen aan de sneltoetscriteria zijn in elk geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand.
Bij afwijkingen daarvan zal het bevoegd gezag desgevraagd beoordelen of het bouwwerk in ernstige mate met die criteria in strijd is.
WERKWIJZE
Het bevoegd gezag dient bij de aanvraag omgevingsvergunnïng voor het bouwen van een bouwwerk advies te vragen aan de welstandscommissie.
De welstandscommissie vergadert eenmaal in de twee weken. Tijdens deze vergadering zullen de grotere bouwplannen of bouwplannen die niet voldoen aan de sneltoetscriteria voor kleine bouwwerken behandeld worden. De welstandscommissie zal de secretaris mandateren de bouwplannen die voldoen aan de sneltoetscriteria af te handelen.
In gevallen waarin de omgevingsvergunning voor het bouwen ziet op een gemeentelijk dan wel rijksmonument, dient eveneens de monumentencommissie een advies uit te brengen. Om er voor te zorgen dat de advisering van de welstandscommissie en monumentencommissie op elkaar afgestemd is zullen de (gemandateerde) secretarissen van de welstands- en monumentencommissie wekelijks, op een vast tijdstip, bij elkaar komen. De secretarissen maken een schifting welk plan naar welke commissie moet. Onderstaand overzicht geeft schematisch de werkwijze aan.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 1
In dit eerste artikel zijn de diverse begrippen nader uitgelegd.
Van afwijkend bouwen in evenwicht met de bestaande omgeving, als bedoeld in lid 3, is
bijvoorbeeld sprake als de omgeving waarbinnen gebouwd wordt reeds gekenmerkt wordt door
een grote differentiatie voor wat betreft vorm, kleur en materiaalgebruik.
Artikel 4
Met belangrijke doorzichten en zichtlijnen in lid 7 van deze bepaling wordt bedoeld doorzichten en zichtlijnen op bijvoorbeeld cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en structuren.
Voor een nadere toelichting op het welstandsniveau BIJZONDER wordt verwezen naar hoofdstuk 3
van deze toelichting.
Artikel 5
In dit artikel zijn algemene bepalingen opgenomen met betrekking tot de sneltoetscriteria. In het eerst lid is bepaald dat bouwplannen afgehandeld kunnen worden door de gemandateerde secretaris of een gemandateerd lid van de welstandscommissie indien het bouwwerk voldoet aan
de sneltoetscriteria.
In het tweede lid is aangegeven dat het bouwplan aan de welstandscommissie wordt voorgelegd indien het bouwwerk niet voldoet aan de sneltoetscriteria of indien sprake is van een bijzonder situatie dan wel indien gerede twijfel over de toepasbaarheid van de sneltoetscriteria bestaat.
Wanneer een bouwwerk voldoet aan de standaard, hoeft het verder niet getoetst te worden aan de sneltoetscriteria en kan de gemandateerde secretaris of een gemandateerd lid van de welstandscommissie het bouwplan afdoen.
Wat onder de standaard wordt verstaan is in artikel 1 bepaald. Bij recente bebouwing zijn vaak
door de oorspronkelijke architect diverse opties ontworpen (bijvoorbeeld een aan- of uitbouw, een
dakkapel etc). Met het oog op de uniformiteit dient deze standaard (meestal optionele uitbouw
genoemd) aangehouden te worden.
Indien het (kleine) bouwwerk overeenkomt met eerder gerealiseerde door de welstandscommissie
goedgekeurde (kleine) bouwwerken in het betreffende bouwblok kan deze ais standaard worden aangehouden
Artikel 6, 7
& 8
Met de bepaling dat een aan- of uitbouw, bijgebouw of overkapping niet secundair mag zijn wordt
bedoeld dat deze niet aan een bestaande aan- of uitbouw, bestaand bijgebouw of overkapping
gebouwd mag worden.
Voor het schuin plaatsen van de zijkanten van een erker leent zich in de regel jaren '30
architectuur.
Artikel 11
De meeste erfafscheidingen zijn vergunningvrij. De sneltoetscriteria zien toe op in het oog
springende erfafscheidingen.
Artikel 13
De balustrade dient transparant te zijn, bijvoorbeeld door een hekwerk van metalen spijlen of glas
o.i.d..
Artikel 14
In artikel 14 lid 10 wordt "met rekening houden met de verticale indeling van de onderliggende
pui" bedoeld dat de reclame bij voorkeur strokend is met de kozijnindeling of kozijnbreedte.