Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders,
Overwegende dat het noodzakelijk is aanvullende beleidsregels vast te stellen om te bepalen of een bouwontwikkeling voorziet in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
Gelet op artikel 2.5.30 van de Bouwverordening Wageningen 1993, herziening 2006, hierna te noemen: de verordening;
Mede gelet op titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;
Besluit vast te stellen de volgende beleidsregels
Normering van parkeercapaciteit bij ruimtelijke ontwikkelingen
Tekst
HOOFDSTUK1BEGRIPSBEPALINGEN
1.1 Project: een activiteit, gericht op het wijzigen of realiseren van een ruimtelijke functie, waarvoor een bestemmingsplanwijziging en/of een bouwvergunning noodzakelijk is
1.2 Functie: het geheel van activiteiten dat in de gebruiksfase van een project optreedt
1.3 Eenheid: een kwantitatieve en objectieve maat, waarmee de omvang van een functie wordt beschreven
1.4 Gebied: een deel van de gemeente Wageningen, waarin de parkeerbehoefte per eenheid van een functie gelijk is, zoals weergegeven in bijlage 1 van deze beleidsregels
1.5 Parkeerbehoefte: het aantal benodigde parkeerplaatsen per eenheid van een functie in een gebied, zoals weergegeven in bijlage 2 van deze beleidsregels
1.6 Privéparkeerplaats: een parkeerplaats die niet toegankelijk is voor openbaar verkeer
1.7 Openbare parkeerplaats: een parkeerplaats die toegankelijk is voor openbaar verkeer
1.8 Oprit: niet-openbaar weggedeelte, behorende bij een pand, bestemd voor het stallen van één of meerdere voertuigen
1.9 Periode: een typering van dagdelen waarbij de parkeervraag voor een functie kan variëren, zoals weergegeven in bijlage 3 van deze beleidsregels
1.10 Aanwezigheidspercentage: de fractie van geparkeerde voertuigen bij een functie in een periode, zoals weergegeven in bijlage 3 van deze beleidsregels
1.11 Bezoekerspercentage: de fractie van geparkeerde voertuigen bij een functie, die toe te schrijven zijn aan (incidentele) bezoekers van de functie, zoals weergegeven in bijlage 2 van deze beleidsregels
HOOFDSTUK2BEPALING VAN DE PARKEERBEHOEFTE
2.1 Voor projecten, waarbij een pand wordt verbouwd of van functie wijzigt binnen een bestaand gebied wordt de wijziging in parkeerbehoefte berekend door de totale parkeerbehoefte voor de te realiseren situatie te verlagen met de totale parkeerbehoefte voor de huidige situatie
2.2 Bij nieuwbouwprojecten wordt de gehele parkeerbehoefte berekend
2.3 Het bepalen van de totale parkeerbehoefte van een project vindt plaats volgens de in bijlage 4 van deze beleidsregels beschreven methode
2.4 De aanwezigheidspercentages worden niet toegepast bij
a.projecten met één functie of projecten waarbij voor alle functies geldt dat deze volgens in dezelfde periode een aanwezigheidspercentage van 100% hebben
b.projecten van een dusdanig beperkte schaal of omvang, dat van medegebruik van parkeerplaatsen redelijkerwijs geen sprake kan zijn
2.5 Bij de bepaling van de parkeerbehoefte worden niet gehele getallen niet eerder afgerond dan aan het eind van de berekening en wel volgens de gangbare rekenregels (kleiner dan 0,5 naar beneden, groter of gelijk aan 0,5 naar boven)
2.6 Indien voor een project of niet voor dubbelgebruik in aanmerking komende functie binnen een project de totale parkeerbehoefte groter is dan 0 en lager dan 1, wordt deze behoefte afgerond naar 1 parkeerplaats.
HOOFDSTUK3BEPALING VAN DE PARKEERCAPACITEIT
3.1 Voor de bepaling van de parkeercapaciteit worden in beginsel alle parkeerplaatsen op eigen terrein gerekend, die voldoen aan de maatvoeringen zoals gesteld in artikel 2.5.30 van de verordening en die als zodanig herkenbaar, bereikbaar en bruikbaar zijn
3.2 Bij woningen met een oprit, garage, verlengde oprit, dubbele garage, dubbele oprit of combinatie daarvan geldt een verlaging van het aantal te rekenen parkeerplaatsen conform bijlage 5 van deze beleidsregels
3.3 Indien tussen de gemeente en de ontwikkelende partij overeenstemming bestaat ten aanzien van uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen op of aan de openbare weg binnen een acceptabele afstand van het project (zie bijlage 6), mag deze uitbreiding worden meegeteld in de bepaling van de parkeercapaciteit
3.4 Er wordt onderscheid gemaakt naar openbare parkeerplaatsen en privéparkeerplaatsen
HOOFDSTUK4BEOORDELING EN AANVULLENDE BEPALINGEN
4.1Er is sprake van voldoende parkeerplaatsen indien
a.bij projecten, waarbij een plan wordt gewijzigd of van functie wijzigt, de verandering van de parkeerbehoefte kleiner is dan of gelijk is aan de verandering van de parkeercapaciteit op eigen terrein en de verandering van de parkeerbehoefte voor bezoekers kleiner is dan of gelijk is aan de verandering van openbare parkeerplaatsen op eigen terrein;
b.bij nieuwbouw de totale parkeerbehoefte kleiner is dan of gelijk is aan de totale parkeercapaciteit op eigen terrein en de totale parkeerbehoefte voor bezoekers kleiner is dan of gelijk is aan het totaal aantal openbare parkeerplaatsen.
4.2 Bij publieke voorzieningen is minimaal 5% van de openbare parkeerplaatsen een algemene gehandicaptenparkeerplaats
4.3 Op openbare parkeerplaatsen is minimaal 1 op de 50 openbare parkeerplaatsen een algemene gehandicaptenparkeerplaats
4.4 Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen worden binnen 50 meter van de ingang van een publieke voorziening aangelegd
HOOFDSTUK5CITEERTITEL
Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Beleidsregels parkeernormering
HOOFDSTUK6INWERKINGTREDING
Deze beleidsregels treden in werking met ingang van [ 8 dagen na publicatie in Stad Wageningen ].
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Wageningen op [ datum collegevergadering ],
Bijlage 1 gebiedsindeling parkeernormering
In Wageningen worden de volgende gebieden onderscheiden:
A. Centrum: Alles ten zuiden van de traverse, tussen Menonnietenweg en Otto van Gelreweg, Olympiaplein/Stadsbrink/Zuidelijk deel Churchillweg incl. Sportstraat/Spelstraat
B. Schil/Overloopgebied: Wijk Nude, De Buurt, Alles onder Vergersweg en Beatrixlaan, Alles tussen Otto van Gelreweg en Arboretumlaan.
C. Rest Bebouwde Kom: Alle overige gebieden, inclusief geclusterde/grootschalige functies buiten de bebouwde kom.
Bijlage 2 Parkeerbehoefte per eenheid van een functie in een gebied
Functie
Gebied A
Gebied B
Gebied C
Per
Waarvan bezoekers
Woning duur
(>1,7 * NHG grens)
1,7
1,8
2,1
Woning
0,3 per woning
Woning midden
(0,9 – 1,7 * NHG)
1,5
1,7
1,9
Woning
0,3 per woning
Woning goedkoop
(<0,9 * NHG)
1,3
1,5
1,7
Woning
0,3 per woning
Serviceflat/aanleunwoning
0,4
0,5
0,5
Woning
0,3 per woning
Kamerverhuur
0,2
0,2
0,2
Kamer
0,2 per woning
Binnenstad/hoofdwinkelgebied
2,8
100m2
85%
Wijkwinkelgebied
2,6
3
3,5
100m2
85%
Grootschalige detailhandel
5,5
6
100m2
85%
(week)markt, warenmarkt
0,2
100m2 + aantal kramen zonder parkeerplaats
85%
(commerciële) dienstverlening (kantoren met baliefunctie)
1,8
2,5
3
100m2
20%
Kantoren (zonder baliefunctie)
1,2
1,4
1,8
100m2
5%
Loods, opslag, groothandel, transportbedrijf
0,5
0,6
0,8
100m2
5%
Industrie, garagebedrijf, laboratorium, werkplaats, transportbedrijf met orderpicking
1,5
1,7
2,5
100m2
5%
Showroom
1,3
1,8
2,6
100m2
35%
Bedrijfsverzamelgebouw
1
1,2
1,5
100m2
10%
Café/Bar/Disco/Cafetaria
4
4
4
100m2
90%
Restaurant
8
8
8
100m2
80%
Museum/bibliotheek
0,5
0,7
1
100m2
95%
Bioscoop, theater, schouwburg
0,2
0,2
0,3
Zitplaats
Sporthal (binnen)
1,7
2
2,5
100m2
95%, Met wedstrijd-functie +0,1 pp per bezoekersplaats
Sportveld (buiten)
18
18
18
Ha. Netto terrein
95%
Dansstudio/sportschool
3
3,5
4
100m2
95%
Squashbaan
1
1
1
Baan
90%
Tennisbaan
2
2
2
Baan
90%
Golfbaan
6
Hole
95%
Bowlingbaan, biljartzaal, pool/snookercentrum
1,5
1,5
1,5
Baan/tafel
95%
Evenementenhal/beursgebouw/congrescentrum
4
5
6
100m2
99%
Zwembad
8
9
10
100m2 bassinoppervlak
90%
Overdekte speeltuin/hal
4
5
6
100m2
90%
Manege
0,4
Box
90%
Cultureel centrum/wijkgebouw
1
1
1
100m2
90%
Verpleeg/Verzorgingstehuis
0,5
0,5
0,6
Wooneenheid
60%
Arts/maatschap/kruisgebouw/therapeut
1,5
1,5
1,5
Behandelkamer
65%
Beroepsonderwijs dag (MBO, ROC, HBO, Universiteit) – grote zalen
20
20
20
Collegezaal (ca. 150 zitplaatsen)
Beroepsonderwijs dag – leslokalen
5
5
5
Leslokaal (30 zitplaatsen)
Middelbare school (VMBO, HAVO, VWO)
0,6
0,7
0,7
Leslokaal
Avondonderwijs
0,6
0,7
0,7
Leslokaal
Basisonderwijs
0,6
0,7
0,7
Leslokaal
Creche, peuterspeelzaal, kinderdagverblijf
0,6
0,6
0,6
Arbeids-plaats, exclusief haal en breng-verkeer
Hotel
0,5
0,5
0,5
Kamer
Volkstuin
0,3
Perceel
Religiegebouw
0,1
0,2
0,2
Zitplaats
Begraafplaats/crematorium/uitvaartcentrum
20
20
20
Gelijktijdige uitvaart/condoléance
Bijlage 3 Aanwezigheidspercentages per periode
Functie
Werkdag overdag
Werkdag middag
Weekdag avond/nacht
Koopavond
Zaterdag middag
Zaterdag avond
Zondag middag
Woningen
50
60
100
90
60
60
70
Detail-handel
30
70
20
100
100
0
0
Kantoor
100
100
5
10
5
0
0
Bedrijven
100
100
5
10
5
0
0
Sociaal cultureel
10
40
100
100
60
90
25
Sociaal medisch
100
100
30
15
15
5
5
Ziekenhuis
85
100
40
50
25
40
40
Dagonder-wijs
100
100
0
0
0
0
0
Avondon-derwijs
0
0
100
100
0
0
0
Bibliotheek
30
70
100
70
75
0
0
Museum
20
45
0
0
100
0
90
Restaurant
30
40
90
95
70
100
40
Café
30
40
90
85
75
100
45
Bioscoop, theater
15
30
90
90
60
100
60
Sport
30
50
100
90
100
90
85
Bijlage 4 Methodiek bepaling parkeerbehoefte
1Bepaal het gebied waarin het plan geprojecteerd is.
2Bepaal de functies binnen een plan. Bepaal hierbij de benodigde aantallen of oppervlaktes die invloed hebben op de parkeerbehoefte.
3Vermenigvuldig de aantallen en/of oppervlaktes per functie met de daarbij horende parkeerkentallen. Zet deze in een tabel. Maak ook een kolom voor de bezoekersaantallen.
4Vermenigvuldig deze met de tabel voor aanwezigheidspercentages per functie en sommeer deze tabel voor iedere periode.
5Bepaal de periode waarin de hoogste totale parkeerbehoefte optreedt. Dit is de maatgevende periode.
6Bepaal de periode waarin de hoogste parkeerbehoefte voor bezoekers optreedt.
Bijlage 5 Reductie als gevolg van garages en opritten
Parkeerruimte
Theoretisch aantal
Te rekenen aantal
Opm.
Enkele oprit, geen garage
1
0,8
Minimaal 5 meter diep
Lange oprit zonder garage of carport
2
1
Dubbele oprit zonder garage
2
1,7
Oprit min. 4,5 meter breed
Garage zonder oprit (bij woning)
1
0,2
Garagebox (niet bij woning)
1
0,5
Garage met enkele oprit
2
1
Oprit min. 5 meter diep
Garage met lange oprit
3
1,3
Garage met dubbele oprit
3
1,8
Oprit min. 4,5 meter breed
Bijlage 6 Acceptabele loopafstanden naar hoofdfunctie
Functie
Acceptabele loopafstand
Wonen
100m
Winkelen
200tot 600 m (boodschappen 50 tot 100)
Werken
200tot 800 m
Ontspanning
100m
Gezondheidszorg
100m
Onderwijs
100m
Toelichting
Inhoudsopgave
1Inhoudsopgave
2Inleiding
2.1 Interpretatieruimte binnen de norm
2.2 Juistheid van de norm
2.3 Mogelijkheden afkoopregeling
2.4 Behoefte aan locale vertaalslag
2.5 Status en leeswijzer
3Methodiek
3.1 Stappenplan
4Bepalen van de parkeerbehoefte
4.1 Aanwezigheidspercentages
4.2 Wijziging functie of nieuwbouw
5Vertaling CROW norm
5.1 Gebiedsindeling
5.2 Vertaling naar Wageningse situatie
5.3 Parkeernormen
6Berekening parkeercapaciteit
6.1 Openbaar en privé
6.2 Garages en opritten
6.3 Bruikbaarheid parkeerplaatsen
6.4 Loopafstanden
6.5 Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen
7Literatuur
2Inleiding
In Wageningen is in 2006 gestart met het ontwikkelen van een parkeerbeleidsvisie, waarin een aantal essentiële elementen voor het lange termijn parkeerbeleid worden uitgewerkt en vastgelegd. Een belangrijk onderdeel hiervan is de vraag hoe moet worden omgegaan met het eisen van voldoende parkeerruimte bij verbouwingen en nieuwbouwprojecten, met name als hiervoor een bestemmingsplanwijziging cq. bouwvergunning nodig is.
De bouwverordening van Wageningen stelt daarbij expliciet dat een bouwactiviteit waarvoor een vergunning nodig is moet voldoen aan de in de CROW-norm 182 ‘Parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering’. De (extra) parkeerbehoefte op basis van de aard en omvang van de functie van het gebouw kan hieruit herleid worden.
2.1 Interpretatieruimte binnen de norm
De CROW-norm hanteert echter (brede) bandbreedtes en voor meerdere uitleg vatbare functiebeschrijvingen, waardoor bij veel bouwvergunningen extra interpretatie door de verkeerskundigen van de gemeente nodig is. Dit heeft een aantal nadelen:
De advisering door de verkeerskundigen kost veel tijd, waardoor de reguliere beleidsproducten in het gedrang komen;
Door de extra advisering is er kans op vertraging in het vergunningverleningsproces;
Door interpretatieverschillen, voortschrijdend inzicht en beschikbare tijd kan de inhoud van de advisering per project verschillen, hetgeen in extreme gevallen kan leiden tot onderling afwijkende adviezen.
2.2 Juistheid van de norm
Bij het opstellen van een parkeervisie voor het centrum door XTNT is gebleken dat de parkeerbehoefte van de Wageningse binnenstad volgens de normen veel hoger is dan in werkelijkheid wordt waargenomen. Dit kan een aantal oorzaken hebben:
In Wageningen (studentenstad) is het autobezit en –gebruik structureel lager;
De functies in de Wageningse binnenstad trekken structureel minder bezoekers dan het landelijke gemiddelde;
Er wordt veel parkeerdruk opgevangen in de gebieden buiten het centrum.
Al met al is geconcludeerd, dat in de binnenstad van Wageningen uitgegaan mag worden van de ondergrens van de bandbreedtes. Voor de woonwijken geldt dit vooralsnog niet.
2.3 Mogelijkheden afkoopregeling
Binnen de te ontwikkelen visie op het Wageningse parkeerbeleid wordt expliciet ingegaan op de (on)mogelijkheden van een afkoopregeling parkeren. Deze regeling ziet toe op een juiste toepassing van parkeernormen en stelt een ontwikkelaar in staat om – indien op eigen terrein niet kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid – het tekort aan parkeerplaatsen af te kopen. De gemeente gebruikt deze afkoopsommen om binnen Wageningen op een later moment de benodigde parkeervoorzieningen te realiseren. Door voor meerdere projecten de parkeerbehoefte te combineren, kan de gemeente op de middellange termijn wel een terrein of garage realiseren tegen redelijke kosten.
2.4 Behoefte aan locale vertaalslag
Er zijn verschillende redenen genoemd om te zorgen voor een set parkeernormen die is toegespitst op de Wageningse situatie:
-het vereenvoudigen van de werkprocessen bij vergunningverlening en bestemmingsplanprocedures (voor standaardgevallen kan de advisering door verkeerskundigen gemarginaliseerd worden);
-het vergroten van de eenduidigheid van de normen (door de bandbreedtes te elimineren of te verkleinen, is minder kans op willekeur);
-het voorkomen van onnodig hoge eisen (in Wageningen volstaat vaak een lagere parkeernorm dan het landelijk gemiddelde);
-het juist verwerken van locale kenmerken (bepaalde functies, met name ten aanzien van onderdelen van de WUR, komen landelijk betrekkelijk weinig voor, zodat hiervoor een ‘eigen’ norm nodig is);
-het met grotere precisie onderbouwen van een verplichting tot afkopen, aangezien het grote bedragen betreft en het van belang is dat de eisen op een juridisch houdbare wijze gemotiveerd worden.
2.5 Status en leeswijzer
In dit document wordt de parkeernormering voor Wageningen vastgelegd op basis van CROW richtlijn 182, ASVV en literatuuronderzoek, aangevuld met ervaringscijfers en parkeertellingen die in Wageningen zijn uitgevoerd. Tevens vormt deze nota een handleiding voor de gemeentelijke diensten, die zich met het toetsen van bestemmings- en bouwplannen bezighouden. Tot slot kan dit document worden gebruikt als achtergrondinformatie voor bouwende en ontwikkelende partijen. Op deze wijze kan al in een vroeg stadium rekening gehouden worden met de benodigde parkeerruimte en de juiste inpassing ervan in een plan.
3Methodiek
3.1 Stappenplan
De toetsing van een plan op parkeernormen kan volgens een vast stappenplan worden uitgevoerd:
A. Bepaal de parkeerdruk
1Bepaal de functies binnen een plan. Bepaal hierbij de benodigde aantallen of oppervlaktes die invloed hebben op de parkeerbehoefte.
2Vermenigvuldig de aantallen en/of oppervlaktes per functie met de daarbij horende parkeerkentallen. Zet deze in een tabel. Maak ook een kolom voor de bezoekersaantallen.
3Vermenigvuldig deze met de tabel voor aanwezigheidspercentages per functie en sommeer deze tabel voor iedere periode.
4Bepaal de periode waarin de hoogste parkeerdruk optreedt. Dit is de maatgevende periode.
B. Bepaal de parkeercapaciteit
1Tel alle parkeerplaatsen in het plan. Maak hierbij onderscheid tussen privéparkeerplaatsen en openbare parkeerplaatsen.
2Bij opritten en garages gelden afwijkende normen. Pas de totale parkeercapaciteit hierop aan.
3Laat alle informele parkeerruimte (d.w.z. ruimte waar een auto zou kunnen staan, maar die niet als parkeerplaats bedoeld cq. aangegeven is) buiten beschouwing.
C. Confronteer de parkeerdruk met de parkeercapaciteit
1Is de totale capaciteit groter dan de maatgevende parkeerdruk?
2Is de openbaar toegankelijke capaciteit groter dan de maatgevende parkeerdruk voor niet-bewoners?
Indien op vraag C1 of C2 ‘nee’ geantwoord wordt, is het plan niet in balans en zal moeten worden gezocht naar oplossingen. Daarbij is de voorkeursvolgorde:
1Is extra (openbare) parkeerruimte toe te voegen?
2Zijn de ambities van het plan naar beneden bij te stellen?
3Is er een duurzame mogelijkheid tot medegebruik in de nabije omgeving op redelijke afstand van de functie?
4Zijn er redenen om van de norm af te wijken?
Indien bovenstaande vragen niet leiden tot een balans, ligt het voor de hand om met de ontwikkelende partij in overleg te treden om te komen tot een afkoopsom voor het capaciteitstekort op basis van de verordening ‘afkopen parkeercapaciteit’.
In figuur 1 is het hierboven beschreven proces schematisch weergegeven.
Figuur 1: Processchema toetsing parkeercapaciteit
4Bepalen van de parkeerbehoefte
4.1 Aanwezigheidspercentages
Bij bouwplannen in Wageningen dient de parkeerbehoefte te worden berekend volgens de methode van aanwezigheidspercentages. Deze methode is beschreven in richtlijn 182 van het CROW. Uitgangspunt van de richtlijn is dat niet alle functies de hele dag een gelijke parkeerbehoefte hebben. Voor woningen geldt dat vooral de avonden en weekendsWinkels in de binnenstad trekken bijvoorbeeld vooral op de vrijdagavond (koopavond) en de zaterdag veel parkeerders. tot een hoge parkeerdruk leiden.
In onderstaande tabel zijn de aanwezigheidspercentages voor de verschillende functies beschreven.
Functie
Werkdag overdag
Werkdag middag
Weekdag avond/nacht
Koopavond
Zaterdag middag
Zaterdag avond
Zondag middag
Woningen
50
60
100
90
60
60
70
Detail-handel
30
70
20
100
100
0
0
Kantoor
100
100
5
10
5
0
0
Bedrijven
100
100
5
10
5
0
0
Sociaal cultureel
10
40
100
100
60
90
25
Sociaal medisch
100
100
30
15
15
5
5
Ziekenhuis
85
100
40
50
25
40
40
Dagonder-wijs
100
100
0
0
0
0
0
Avondon-derwijs
0
0
100
100
0
0
0
Bibliotheek
30
70
100
70
75
0
0
Museum
20
45
0
0
100
0
90
Restaurant
30
40
90
95
70
100
40
Café
30
40
90
85
75
100
45
Bioscoop, theater
15
30
90
90
60
100
60
Sport
30
50
100
90
100
90
85
Tabel 1: aanwezigheidspercentages bij verschillende functies
Bron: CROW publicatie 182
Bij grotere (bestemmings)plannen, waarbij meerdere functies worden gecombineerd in een gebied, kan aan de hand van bovenstaande percentages de mate van dubbelgebruik worden bepaald. Bij kleinere (ver)bouwplannen waar geen combinatie van functies plaatsvindt, hoeft niet met deze percentages te worden gewerkt.
4.2 Wijziging functie of nieuwbouw
Voor projecten, waarbij een pand wordt verbouwd of van functie wijzigt binnen een bestaand gebied, hoeft alleen de wijziging in parkeerbehoefte te worden berekend. Indien bijvoorbeeld een winkelpand met bovenwoning wordt verbouwd tot winkelpand (gelijk oppervlak) met drie appartementen, hoeft alleen het verschil tussen de parkeerbehoefte van de bovenwoning en de parkeerbehoefte van de drie appartementen te worden berekend. Dit verschil is namelijk bepalend voor de plicht van de ontwikkelaar tot realisatie op eigen terrein danwel het afkopen van het tekort.
Bij nieuwbouwprojecten dient altijd de gehele maatgevende parkeerbehoefte te worden berekend, aangezien het om een toevoeging van functies gaat.
In het kader van grotere bestemmingsplannen, waarin een substantieel deel openbare ruimte is opgenomen (voorbeelden hiervan zijn projecten als DMP, Plantenveredeling en Nobelpark), dient eveneens de volledige parkeervraag van het plan te worden opgelost binnen de plangrenzen.
5Vertaling CROW norm
5.1 Gebiedsindeling
De CROW richtlijn 182 en ASVV 2004 geven voor 47 verschillende functies een aantal bandbreedtes voor verschillende maten van stedelijkheid en verschillende typen gebieden in een stad. In Wageningen geldt de typologie ‘matig stedelijk’ gebied.
Binnen de CROW richtlijn worden drie gebieden onderscheiden:
-Centrum
-Schil/Overloopgebied
-Rest bebouwde kom
Naarmate men verder uit het centrum komt, neemt de parkeernorm toe. Dit heeft te maken met (1) (historische) bebouwingsdichtheid, (2) combinaties van functies, (3) de beschikbaarheid van alternatieve vervoerwijzen en (4) de aanwezigheid van parkeerregulering.
In Wageningen zijn deze drie gebieden relatief goed te onderscheiden.
Centrum
Het bestaande gereguleerde gebied is sowieso als centrum te benoemen. Vanwege de aanwezigheid van een grote supermarkt aan de Stadsbrink en een aantal winkelvoorzieningen langs de Churchillweg is ook de omgeving Olympiaplein parkeerkundig als ‘centrum’ te betitelen. Ditzelfde geldt in de nabije toekomst voor de parkeerterreinen langs de Costerweg.
Schil/Overloopgebied
De buurten rondom het centrum, waar enige verdringing van bezoekers/werknemers voor het centrum waarneembaar is of logischerwijs kan worden verwacht, vallen onder het zogenaamde ‘overloopgebied’. Hoewel hier voornamelijk gewoond wordt, zijn hier relatief veel andere parkeerbewegingen te verwachten.
De grootte van dit gebied is gerelateerd aan (1) een ‘natuurlijke’ weerstand van de meeste mensen om ver te lopen naar het centrum en (2) de bereikbaarheid van een straat vanaf de hoofdstructuur. Een groot deel van de wijken Nude, De Buurt en Veluvia valt hieronder.
Rest bebouwde kom
Het spreekt voor zich dat de gebieden, die niet bij het centrum of de schil/overloopgebied behoren, automatisch in de categorie ‘rest bebouwde kom’ vallen.
5.2 Vertaling naar Wageningse situatie
In Wageningen worden op basis van bovenstaande argumentatie de volgende gebieden onderscheiden:
A Centrum: Alles ten zuiden van de traverse, tussen Menonnietenweg en Otto van Gelreweg, Olympiaplein/Stadsbrink/Zuidelijk deel Churchillweg incl. Sportstraat/Spelstraat
B Schil/Overloopgebied: Wijk Nude, De Buurt, Alles onder Vergersweg en Beatrixlaan, Alles tussen Otto van Gelreweg en Arboretumlaan.
C Rest Bebouwde Kom: Alle overige gebieden, inclusief geclusterde/grootschalige functies buiten de bebouwde kom.
In figuur 2 zijn deze nader toegelicht.
Figuur 2: Globale gebiedsindeling parkeernormering
Voor functies, die niet voorkomen en waarvan het niet te verwachten is dat deze zich in Wageningen gaan vestigen, is geen vertaling gemaakt naar de locale situatie. Denk hierbij aan een ziekenhuis.
5.3 Parkeernormen
Functie
Gebied A
Gebied B
Gebied C
Per
Waarvan
Bezoekers
Woning duur
(>1,7 * NHG grens)
1,7
1,8
2,1
Woning
0,3 per woning
Woning midden
(0,9 – 1,7 * NHG)
1,5
1,7
1,9
Woning
0,3 per woning
Woning goedkoop
(<0,9 * NHG)
1,3
1,5
1,7
Woning
0,3 per woning
Serviceflat/aanleunwoning
0,4
0,5
0,5
Woning
0,3 per woning
Kamerverhuur
0,2
0,2
0,2
Kamer
0,2 per woning
Binnenstad/hoofdwinkelgebied
2,8
100m2
85%
Wijkwinkelgebied
2,6
3
3,5
100m2
85%
Grootschalige detailhandel
5,5
6
100m2
85%
(week)markt, warenmarkt
0,2
100m2 + aantal kramen zonder parkeerplaats
85%
(commerciële) dienstverlening (kantoren met baliefunctie)
1,8
2,5
3
100m2
20%
Kantoren (zonder baliefunctie)
1,2
1,4
1,8
100m2
5%
Loods, opslag, groothandel, transportbedrijf
0,5
0,6
0,8
100m2
5%
Industrie, garagebedrijf, laboratorium, werkplaats, transportbedrijf met orderpicking
1,5
1,7
2,5
100m2
5%
Showroom
1,3
1,8
2,6
100m2
35%
Bedrijfsverzamelgebouw
1
1,2
1,5
100m2
10%
Café/Bar/Disco/Cafetaria
4
4
4
100m2
90%
Restaurant
8
8
8
100m2
80%
Museum/bibliotheek
0,5
0,7
1
100m2
95%
Bioscoop, theater, schouwburg
0,2
0,2
0,3
Zitplaats
Sporthal (binnen)
1,7
2
2,5
100m2
95%, Met wedstrijd-functie +0,1 pp per bezoekersplaats
Sportveld (buiten)
18
18
18
Ha. Netto terrein
95%
Dansstudio/sportschool
3
3,5
4
100m2
95%
Squashbaan
1
1
1
Baan
90%
Tennisbaan
2
2
2
Baan
90%
Golfbaan
6
Hole
95%
Bowlingbaan, biljartzaal, pool/snookercentrum
1,5
1,5
1,5
Baan/tafel
95%
Evenementenhal/beursgebouw/congrescentrum
4
5
6
100m2
99%
Zwembad
8
9
10
100m2 bassinoppervlak
90%
Overdekte speeltuin/hal
4
5
6
100m2
90%
Manege
0,4
Box
90%
Cultureel centrum/wijkgebouw
1
1
1
100m2
90%
Verpleeg/Verzorgingstehuis
0,5
0,5
0,6
Wooneenheid
60%
Arts/maatschap/kruisgebouw/therapeut
1,5
1,5
1,5
Behandelkamer
65%
Beroepsonderwijs dag (MBO, ROC, HBO, Universiteit) – grote zalen
20
20
20
Collegezaal (ca. 150 zitplaatsen)
Beroepsonderwijs dag – leslokalen
5
5
5
Leslokaal (30 zitplaatsen)
Middelbare school (VMBO, HAVO, VWO)
0,6
0,7
0,7
Leslokaal
Avondonderwijs
0,6
0,7
0,7
Leslokaal
Basisonderwijs
0,6
0,7
0,7
Leslokaal
Creche, peuterspeelzaal, kinderdagverblijf
0,6
0,6
0,6
Arbeids-plaats, exclusief haal en breng-verkeer
Hotel
0,5
0,5
0,5
Kamer
Volkstuin
0,3
Perceel
Religiegebouw
0,1
0,2
0,2
Zitplaats
Begraafplaats/crematorium/uitvaartcentrum
20
20
20
Gelijktijdige uitvaart/condoléance
Tabel 2: Parkeernormen voor verschillende functies
Bron: CROW publicatie 182 en ASVV 2004, aangepast voor Wageningen
6Berekening parkeercapaciteit
6.1 Openbaar en privé
Bij het berekenen van de parkeercapaciteit in een gebied moet onderscheid gemaakt worden tussen openbaar toegankelijke parkeerplaatsen en privéparkeerplaatsen. Het bezoekersparkeren moet in principe altijd op openbaar toegankelijke parkeerplaatsen gefaciliteerd worden. Dit betekent dus, dat bij een woonwijk met dure woningen er altijd ca. 0,3 parkeerplaats per woning op of aan de openbare weg moet worden gevonden.
6.2 Garages en opritten
Een garage bij een grondgebonden woning met een oprit telt per definitie niet mee als parkeerplaats. In de praktijk blijkt deze ruimte zeer beperkt gebruikt te worden voor het stallen van de auto. Opritten worden vaak ook slechts door 1 auto gebruikt als het niet mogelijk is om twee auto’s onafhankelijk van elkaar op de oprit te stallen (dus als de ene auto kan worden verplaatst zonder de andere te moeten verplaatsen).
Parkeerruimte
Theoretisch aantal
Te rekenen aantal
Opm.
Enkele oprit, geen garage
1
0,8
Minimaal 5 meter diep
Lange oprit zonder garage of carport
2
1
Dubbele oprit zonder garage
2
1,7
Oprit min. 4,5 meter breed
Garage zonder oprit (bij woning)
1
0,2
Garagebox (niet bij woning)
1
0,5
Garage met enkele oprit
2
1
Oprit min. 5 meter diep
Garage met lange oprit
3
1,3
Garage met dubbele oprit
3
1,8
Oprit min. 4,5 meter breed
Tabel 3: Rekengrondslag opritten en garages
Bron: CROW publicatie 182, gebaseerd op kencijfers van gemeente Den Bosch
6.3 Bruikbaarheid parkeerplaatsen
Een parkeerplaats moet als parkeerplaats te gebruiken zijn door een gemiddeld motorvoertuig. Dit lijkt een voor de hand liggende voorwaarde, maar in de praktijk komt het nog wel eens voor dat een ontwikkelende partij probeert aan de parkeernorm te voldoen met parkeerplaatsen die redelijkerwijs niet als zodanig te gebruiken zijn.
Een bruikbare parkeerplaats heeft de volgende eigenschappen:
1De parkeerplaats is vanaf de openbare weg bereikbaar met een normale auto. Dat wil zeggen, dat een eventuele rijroute over een terrein of in een garage beschikt over voldoende wegbreedte en de juiste boogstralen.
2Minimaal 5 meter (haaksparkeren) à 6 meter (langsparkeren) lang en 2 meter (stallingsgarage) à 2,5 meter (kort parkeren) breed.
3Bij haaksparkeren is de rijbaan minimaal 5 meter breed i.v.m. indraaien.
4Bij haaksparkeren aan een doodlopende insteek loopt de insteek nog minimaal een halve meter door om steekbewegingen bij het uitrijden mogelijk te maken.
6.4 Loopafstanden
Een parkeerplaats moet op een redelijk beloopbare afstand van de functie liggen. In onderstaande tabel staan de acceptabele loopafstanden voor hoofdfuncties.
Functie
Acceptabele loopafstand
Wonen
100m
Winkelen
200tot 600 m (boodschappen 50 tot 100)
Werken
200tot 800 m
Ontspanning
100m
Gezondheidszorg
100m
Onderwijs
100m
Tabel 4: Loopafstanden voor verschillende functies
Bron: CROW publicatie 182
6.5 Algemene gehandicaptenparkeerplaatsen
Bij publieke voorzieningen, zoals bioscoop, bibliotheek en gemeentehuis moet minimaal 5% van de parkeerplaatsen een algemene gehandicaptenparkeerplaats zijn. Deze moeten zo dicht mogelijk bij het gebouw liggen, indien mogelijk binnen 50 meter en anders maximaal op 100 meter.
Voorts dient op een openbaar parkeerterrein 1 algemene gehandicaptenparkeerplaats per 50 openbare parkeerplaatsen aanwezig te zijn.
Gehandicaptenparkeerplaatsen zijn bij voorkeur ten minste 3,5 meter breed om de gebruiker in staat te stellen een rolstoel naast de auto te kunnen gebruiken.
7Literatuur
CROW, Parkeerkencijfers – Basis voor parkeernormering, Ede, 2002
CROW, ASVV 2004, aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom, Ede, 2004
CROW, Richtlijn integrale toegankeiljkheid openbare ruimte, Ede, 2002
XTNT, Parkeervisie centrum Wageningen, Utrecht, 2006
Grontmij ParkConsult, Parkeeronderzoek Wageningen, De Bilt, 2003