Aanhef
De raad van de gemeente Waalre;
-Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 09 juli 2024, nr. 2024-72;
-Gelet op artikel 8, 8a en 8b van de Participatiewet, artikel 35 IOAW-IOAZ en artikel 2 Wgs;
2. De hulpvraag
2.1 Melding bij de gemeente
2.1.1 Indienen hulpvraag
1Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. De inwoner kan dit schriftelijk, mondeling of digitaal doen.
2Een melding over een hulpvraag waarbij een PW-uitkering of een IOAW-uitkering gewenst wordt, kan alleen digitaal gedaan worden via www.werk.nl . Een melding over een hulpvraag waarbij deelname aan de collectieve zorgverzekering gewenst wordt, kan alleen digitaal worden gedaan via www.gezondverzekerd.nl .
3De gemeente bevestigt de melding zo snel mogelijk mondeling, per brief of per e-mail aan de inwoner en gaat de hulpvraag onderzoeken.
2.2 Onderzoek na de melding
2.2.1 Gegevens
1De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het onderzoek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens binnen een bepaalde termijn aan te leveren.
2Als de gegevens voldoende informatie bieden om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner met de hulpvraag wil bereiken en van de persoonlijke situatie van de inwoner, kan de gemeente afzien van een gesprek, tenzij de inwoner een gesprek wenst.
2.2.2 Doel en procedure gesprek
1In de meeste gevallen zal na de melding of aanvraag een gesprek met de inwoner plaatsvinden. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van:
a.de hulpvraag,
b.het effect dat de inwoner wil bereiken, en
c.de persoonlijke situatie van de inwoner.
2De gemeente nodigt de inwoner uit voor dit gesprek. In die uitnodiging maakt de gemeente duidelijk waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan.
3Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn als dat van belang is om een goed beeld te krijgen van het effect dat de inwoner met de hulpvraag wil bereiken en van de persoonlijke situatie van de inwoner. Ook is het mogelijk dat het gesprek telefonisch plaatsvindt als dat voldoende is om het doel te bereiken.
4De gemeente geeft in de uitnodiging ook informatie over:
a.de mogelijkheid om iemand, bijvoorbeeld een familielid of een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner), mee te nemen naar het gesprek, en
b.indien van belang: de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag.
2.2.3 Inhoud gesprek
1In het gesprek onderzoekt de medewerker:
a.de hulpvraag van de inwoner: welk probleem ervaart de inwoner, wat is de vraag die de inwoner heeft en wat wil de inwoner bereiken?
b.de persoonlijke situatie en voorkeuren van de inwoner: hoe zien die eruit, hoe kan daarmee rekening worden gehouden en wat betekent dit voor het gewenste effect?
c.de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?
d.de omgeving van de inwoner: welke hulp of ondersteuning kan het sociale netwerk of kunnen andere organisaties bieden?
2Als de inwoner zelf een plan heeft gemaakt, dan betrekt de medewerker van de gemeente dit bij het gesprek.
3De medewerker informeert de inwoner, als hier aanleiding toe bestaat, over:
a.de mogelijkheden van de gemeente om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. De inwoner krijgt informatie over de vorm waarin hulp of ondersteuning door de gemeente geboden kan worden en of er sprake kan zijn van een bijdrage door de inwoner in de kosten.
b.de mogelijkheid dat de gemeente gebruik maakt van de deskundigheid van een onafhankelijk (medisch) deskundige.
c.de wijze waarop het sociale en het professionele netwerk van de inwoner betrokken wordt bij het in beeld krijgen van de persoonlijke situatie van de inwoner en de (on)mogelijkheden om tot een oplossing te komen.
2.2.4 Verslag onderzoek
1De medewerker maakt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.
2.3 Aanvraag
2.3.1. Aanvraag
1Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp of ondersteuning gaat verlenen en welke vorm die hulp of ondersteuning dan heeft. De aanvraag kan schriftelijk of digitaal worden ingediend.
2De melding over een hulpvraag waarbij een PW-uitkering of een IOAW-uitkering gewenst wordt, wordt gezien als een aanvraag op het moment dat de inwoner dit bij de gemeente bevestigt.
3De hulpvraag voor schuldhulpverlening wordt in het eerste gesprek vastgesteld.
2.3.2 Voorwaarden voor hulp of ondersteuning
1Om in aanmerking te komen voor hulp of ondersteuning, moet:
a.de hulp of ondersteuning noodzakelijk zijn om (één van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken;
b.de inwoner geen mogelijkheden hebben om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken; en
c.de hulp of ondersteuning passen bij de persoonlijke situatie van de inwoner.
2Voor sommige vormen van hulp of ondersteuning zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld.
2.3.3 Beoordelen aanvraag
1Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn.
2Om te bepalen of de gemeente hulp of ondersteuning verleent, stelt de gemeente het volgende vast:
a.De hulpvraag van de inwoner;
b.welke eventuele problemen, beperkingen en/of stoornissen er precies zijn;
c.wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen;
d.welke aanvullende hulp of ondersteuning nodig is om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.
2.3.4 Deskundigheid beoordeling
De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die hiervoor nodig is. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de aanvraag. De gemeente stelt de inwoner op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en ingezet wordt.
2.4 Beslissing
2.4.1 Toekennen of weigeren aanvraag
1De toe te kennen hulp of ondersteuning is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste hulp of ondersteuning die passend is om het probleem van de inwoner langdurig te verminderen of op te lossen.
2De gemeente kan hulp of ondersteuning weigeren als:
a.een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor hij de hulpvraag zelf heeft veroorzaakt en hij deze had kunnen voorzien, of
b.een inwoner de gevraagde hulp of ondersteuning al zelf heeft ingeroepen of aangeschaft, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven.
2.4.2 Inhoud besluit
1De gemeente stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Als de gemeente hulp of ondersteuning geeft, staat in het besluit ook of dit in natura, in geld of op een andere manier wordt gegeven.
2Biedt de gemeente hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.wat de hulp inhoudt en waarvoor de hulp bedoeld is;
b.wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt;
c.hoe en door wie de hulp wordt gegeven; en
d.welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden.
3Niet van toepassing
4Biedt de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a.voor welk doel het geld wordt gegeven;
b.wanneer het geld wordt betaald;
c.hoe vaak het geld wordt betaald;
d.welke voorwaarden en verplichtingen er gelden.
2.4.3 Beslistermijn besluit
1Op een aanvraag voor een PW-uitkering, een IOAW-uitkering beslist de gemeente binnen 8 weken.
2Op een aanvraag voor ondersteuning aan zelfstandigen op grond van de PW (Bbz 2004), beslist de gemeente binnen 13 weken.
3De gemeente neemt binnen 8 weken na het eerste gesprek een beslissing over de hulpvraag voor schuldhulpverlening.
2.5 Uitzonderingen
2.5.1
Niet van toepassing
2.5.2 Spoedeisende gevallen
In spoedeisende gevallen zorgt de gemeente ervoor dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. De gemeente kan dan afwijken van de normale procedure. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek van de gemeente:
a.het garanderen van basisvoorzieningen voor inwoners of ondernemers met problematische schulden.
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Niet van toepassing
6. Ondersteunen naar werk
6.1 Voorzieningen – werk
6.1.1 Voorzieningen
1De gemeente biedt ondersteuning aan in de vorm van voorzieningen. Het doel hiervan is het vinden of behouden van betaald werk. De ondersteuning kan worden aangevraagd door de inwoner. Als de voorziening ook door de werkgever aangevraagd kan worden, wordt dit genoemd in het betreffende artikel van deze verordening. Voorzieningen die kunnen worden ingezet zijn:
a.sociale activering
b.participatieplaats
c.beschut werk
d.scholing
e.trajecten gericht op arbeidsontwikkeling
f.ondersteuning op een leerwerkplek
g.werkstage
h.proefplaatsing
i.wettelijke loonkostensubsidie
j.tijdelijke loonkostensubsidie
k.uitstroompremie
l.persoonlijke ondersteuning jobcoach
m.persoonlijke ondersteuning interne werkbegeleider
n.nazorg
o.werkgeverspremie
p.vergoedingen en voorzieningen om betaald werk te krijgen en te behouden.
2De gemeente beoordeelt per persoon of inzetten van een voorziening bijdraagt aan arbeidsinschakeling of het behoud van arbeid. Als dit het geval is, beoordeelt de gemeente na overleg met de inwoner en de eventuele werkgever, welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar een aantal factoren, zoals gezondheid, financiële situatie, welzijn, wonen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget.
3De gemeente legt in een plan of in de beschikking vast welke ondersteuning de inwoner krijgt en welke afspraken hierover met de inwoner worden gemaakt. Ook wordt hierin opgenomen wat de gevolgen zijn als de inwoner niet mee werkt aan de ondersteuning.
4Er worden geen voorzieningen ingezet als dit leidt tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties of verdringing van reguliere werknemers.
5De gemeente stelt in uitvoeringsregels vast onder welke voorwaarden niet-uitkeringsgerechtigden in aanmerking komen voor ondersteuning.
6De gemeente kan de ondersteuning stoppen als:
a.de inwoner betaald werk heeft gekregen waarbij de voorziening niet nodig is;
b.de inwoner de afspraken over de ondersteuning niet nakomt;
c.de voorziening onvoldoende blijkt bij te dragen aan het krijgen of behouden van betaald werk.
6.1.2 Sociale activering
De gemeente kan een inwoner activiteiten aanbieden als voorbereiding op een traject gericht op werk, die de inwoner helpen om sociale contacten op te bouwen en zinvol de dag in te vullen. De activiteiten worden afgestemd op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon.
6.1.3 Participatieplaats
1De gemeente kan een inwoner die voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden met behoud van uitkering. De inwoner moet 27 jaar of ouder zijn. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst. In deze overeenkomst staat in ieder geval:
•doel van de participatieplaats;
•beschrijving van de taken en de tijden van aanwezigheid;
•afspraken over begeleiding bij de uitvoering van de werkzaamheden;
•afspraken over de monitoring van de voortgang en de evaluatiemomenten;
•beoogde ontwikkelstappen tijdens de duur van de participatieplaats;
•noodzakelijke inzet van ondersteunende voorzieningen;
•afspraken over aanvullende vergoedingen voor extra kosten van de persoon.
2Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan met behoud van uitkering op een bepaalde werkplek werken en doet zo werkervaring op. Het moet gaan om werkzaamheden die passend zijn en speciaal voor de inwoner zijn bedacht.
3De inwoner ontvangt na iedere zes maanden een premie van € 350,00. Een voorwaarde voor de premie is dat de inwoner voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op werk.
6.1.4 Beschut werk
1De gemeente kan een beschutte werkplek aanbieden aan inwoners die een indicatie hiertoe van het UWV hebben ontvangen.
2De gemeente maakt het mogelijk dat een inwoner beschut kan werken, door:
a.aanpassing van de werkplek of de werkomgeving;
b.uitsplitsing van taken;
c.aanpassingen in het werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding.
3Aan de inwoner die nog geen beschutte werkplek kan krijgen omdat de gemeente het voorgeschreven aantal beschutte werkplekken voor dat jaar al heeft bereikt, kan de gemeente een andere voorziening op grond van deze verordening aanbieden tot het moment dat er een beschutte werkplek beschikbaar is voor de inwoner.
4Daarnaast kan de gemeente voorzieningen aanbieden die gericht zijn op het behoud of vergroten van het arbeidsritme en de kansen voor duurzame uitstroom in aangepast werk.
6.1.5 Scholing
1De gemeente kan een inwoner kortdurende scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap te zetten naar betaald werk voor een langere periode.
2De scholing is arbeidsrelevant maar kan niet voltijds zijn en duurt niet langer dan nodig is.
3De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de scholing.
4Als een inwoner jonger dan 27 jaar is en ’s Rijkskas bekostigd onderwijs kan volgen, vergoedt de gemeente de scholing niet.
6.1.6 Trajecten gericht op arbeidsontwikkeling
1De gemeente kan een inwoner een arbeidsontwikkelingstraject aanbieden met behoud van uitkering, als dit traject nodig is om de stap te zetten naar betaald werk voor een langere periode.
2Het doel van een arbeidsontwikkelingstraject is het aanleren van werknemersvaardigheden.
3De gemeente bepaalt de vorm en de duur van het traject.
6.1.7 Ondersteuning op een leerwerkplek
1De gemeente kan een inwoner van 16 of 17 jaar die nog leer- of kwalificatieplichtig is, of van 18 tot 27 jaar zonder startkwalificatie, ondersteuning bieden op een leerwerkplek.
2De gemeente bepaalt de vorm en de duur van de ondersteuning.
6.1.8 Werkstage
1De gemeente kan een inwoner een werkstage aanbieden met behoud van uitkering. De werkstage wordt vastgelegd in een overeenkomst. In deze overeenkomst staat in ieder geval:
a.het doel van de werkstage; en
b.de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt;
c.de duur van de werkstage.
2Het doel van een werkstage is om inwoners met behoud van uitkering op een werkplek werkervaring en/of -vaardigheden op te laten doen en/of het leren werken bij een werkgever
3De werkstage is alleen mogelijk als de werkgever de stagiair goed begeleidt tijdens de werkstage. De werkgever zorgt ervoor dat de stagiair meer vaardigheden of kennis van het vakgebied opdoet.
4De werkstage duurt maximaal 3 maanden en kan eenmalig verlengd worden met 3 maanden, als hierdoor de kans op betaald werk aanmerkelijk wordt vergroot.
6.1.9 Proefplaatsing
1De gemeente kan een inwoner bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering laten werken bij een werkgever. De proefplaatsing wordt vastgelegd in een overeenkomst.
2Het doel van de proefplaatsing is om werkgevers te helpen een beeld te krijgen van de geschiktheid van de inwoner voor het werk.
3Een voorwaarde is dat de proefplaatsing leidt tot een dienstverband van minimaal 6 maanden, als de inwoner geschikt blijkt te zijn voor het werk.
4De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing.
5De proefplaatsing is niet mogelijk als de inwoner eerder bij de werkgever betaald of onbetaald gewerkt heeft.
6De gemeente bepaalt de duur en de omvang van de proefplaatsing, waarbij de proefplaatsing voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet.
7De gemeente weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als:
a.redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk; of
b.direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet.
8Als de werkzaamheden tijdens de proefplaatsing wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het zesde lid, buiten beschouwing gelaten.
9De gemeente kan een persoon tijdens de periode van de proefplaatsing persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.
6.1.10 Wettelijke loonkostensubsidie
1De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de werknemer wel kan werken, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. Het gaat dan om inwoners die in het doelgroepregister voor de banenafspraak staan omdat het UWV dat heeft bepaald of omdat de gemeente heeft vastgesteld dat ze dit minimumloon niet kunnen verdienen via de praktijkroute.
2Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een beperking in dienst te nemen en werkgevers een vergoeding te geven voor productieverlies.
3De loonkostensubsidie aan de werkgever wordt op de loonwaarde afgestemd. De gemeente hanteert het preferente werkproces voor het verlenen en vaststellen van de subsidie.
4Als bij aanvang van het dienstverband de loonwaarde niet bekend is, kan een forfaitaire loonkostensubsidie afgesproken worden tussen werkgever en gemeente, voor de duur van maximaal 6 maanden.
5Na afloop van de toegekende periode, wordt de loonkostensubsidie op basis van de werkelijke gemeten loonwaarde toegekend en vindt geen verrekening plaats over de voorgaande periode.
6De loonkostensubsidie kan door de werknemer of werkgever worden aangevraagd.
6.1.11 Tijdelijke loonkostensubsidie
1De gemeente kan een werkgever die niet in aanmerking komt voor de wettelijke loonkostensubsidie een tijdelijke loonkostensubsidie geven als hij een inwoner in dienst neemt, die een tijdelijke lagere productiviteit heeft en/of extra begeleiding nodig heeft bovenop de reguliere begeleiding van de werkgever.
2De subsidie is een vergoeding voor de extra kosten voor begeleiding door de werkgever en een tegemoetkoming voor de eventuele lagere productiviteit.
3De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, is ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende maximaal 7 maanden met een mogelijkheid voor verlenging met 5 maanden.
4De werkgever komt in aanmerking voor loonkostensubsidie als de inwoner voor minimaal 6 maanden in dienst wordt genomen.
5De gemeente stelt in uitvoeringsregels vast hoe de subsidie wordt verleend en vastgesteld.
6De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk
7De loonkostensubsidie kan door de werknemer of werkgever worden aangevraagd.
6.1.12 Uitstroompremie
1De gemeente kan eenmalig een uitstroompremie van een bedrag van € 1.000 toekennen aan een langdurig werkloze inwoner die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op een uitkering van de gemeente.
2Onder een langdurig werkloze inwoner wordt verstaan: een persoon van 27 jaar of ouder die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering van de gemeente aangewezen is geweest.
3Onder duurzame uitstroom wordt verstaan: een periode van uitkeringsonafhankelijkheid van tenminste 6 maanden door inkomsten uit werk.
4De premie kan worden aangevraagd in de periode van 7 tot en met 12 maanden na beëindigingsdatum van de uitkering door werkaanvaarding.
6.1.13 Persoonlijke ondersteuning naar en bij werk
1De gemeente kan op aanvraag of ambtshalve persoonlijke ondersteuning naar en bij werk verstrekken aan personen behorend tot de doelgroep.
2De persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten;
3De persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning mogelijk bijstandsgerechtigd worden;
4De werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week;
5Het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;
6Een aanvraag voor persoonlijke ondersteuning naar en bij werk moet binnen twaalf weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij de noodzaak voor dergelijke ondersteuning redelijkerwijs niet bekend kon zijn vóór of bij aanvang van het dienstverband.
7De gemeente stelt in nadere regels de omvang van de persoonlijke ondersteuning vast, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.
6.1.13a. Jobcoaching in natura
1De gemeente kan ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden.
2Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning naar of bij werk verzorgt moet voldoen aan het Blik op Werk-keurmerk èn zijn aangesloten bij in ieder geval één van de onderstaande genoemde keurmerken of beroepsverenigingen.
a.Nobco beroepsvereniging met het ‘EIA’ Keurmerk
b.Noloc beroepsvereniging met het keurmerk ‘Register Jobcoach’
c.Oval beroepsvereniging
d.Hobeon
e.NVS beroepsvereniging met het keurmerk ‘nationaal jobcoach register’
3De hoeveelheid in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de ondersteuningsbehoefte van de betreffende inwoner en bedraagt de eerste zes maanden maximaal zesentwintig uur. Indien noodzakelijk kan de inzet worden verlengd met telkens zes maanden tot een maximum van drie jaar.
4Indien het aantal uren in het voorgaande lid niet toereikend is voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en het noodzakelijk voor de arbeidsinschakeling van de inwoner is kan het maximaal aantal uren worden verdubbeld. Als door of namens gemeente een of meer jobcoaches gecontracteerd zijn, biedt de gemeente deze bij voorrang aan.
6.1.13b. Subsidie voor jobcoaching
1De gemeente kan op aanvraag subsidie voor het inzetten van jobcoaching verlenen aan de werkgever.
2Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning naar of bij werk verzorgt moet voldoen aan het Blik op Werk-keurmerk èn zijn aangesloten bij in ieder geval één van de onderstaande genoemde keurmerken of beroepsverenigingen.
a.Nobco beroepsvereniging met het ‘EIA’ Keurmerk
b.Noloc beroepsvereniging met het keurmerk ‘Register Jobcoach’
c.Oval beroepsvereniging
d.Hobeon
e.NVS beroepsvereniging met het keurmerk ‘nationaal jobcoach register’
3Subsidie voor het inzetten van jobcoaching kan worden verleend als:
a.de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan;
b.de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is;
c.de continuïteit van de jobcoaching geborgd is; en
d.de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.
4De hoeveelheid in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de ondersteuningsbehoefte van de betreffende de inwoner en bedraagt de eerste zes maanden maximaal zesentwintig uur. Indien noodzakelijk kan de inzet worden verlengd met telkens zes maanden tot een maximum van drie jaar.
5Indien het aantal uren in het voorgaande lid niet toereikend is voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner en het noodzakelijk voor de arbeidsinschakeling van de inwoner is kan het maximaal aantal uren worden verdubbeld.
6De gemeente kan voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij de gemeente zorgdraagt voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven.
7Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede:
a.ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of
b.integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs.
6.1.13.c Interne werkbegeleiding
1Als een inwoner voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan de gemeente een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. Hierbij geldt als richtlijn dat de subsidie bestaat uit 10% van het aantal uren dienstverband, maal het uurtarief van de begeleider voor de duur van zes maanden, met een eventuele verlenging van twee keer zes maanden indien noodzakelijk.
2Indien de richtlijn in het eerste lid door omstandigheden niet toereikend is voor de begeleiding kan er subsidie worden verleend voor de aangetoonde meerkosten voor het organiseren van interne werkbegeleiding. De gemeente kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden.
6.1.13.d Externe werkbegeleiding of nazorg
1Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op extra begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kan de gemeente extra begeleiding of nazorg na plaatsing bieden aan de werknemer en de werkgever voor de noodzakelijke ondersteuning bij het inwerken of het gaan functioneren op de werkplek.
2De gemeente kan aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor een of meer medewerkers om hen in staat te stellen personen behorend tot de doelgroep vervolgens zelf te begeleiden.
6.1.14 Werkgeverspremie
Om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken om mensen met een bijstandsuitkering in dienst te nemen bestaat er een premieregeling. Werkgevers ontvangen deze premie wanneer zij iemand die langdurig in de uitkering zit in dienst nemen.
1Een werkgeverspremie kan op aanvraag worden verleend. De premie wordt verleend aan werkgevers die een dienstbetrekking zijn aangegaan met een persoon die minimaal 12 maanden aaneengesloten een bijstandsuitkering heeft ontvangen en welke door het dienstverband geen beroep meer hoeft te doen op bijstand.
2De premie als bedoeld in dit artikel bedraagt € 1.000,00 bij een dienstverband van minimaal 6 maanden.
3De premie als bedoeld in dit artikel bedraagt € 2.000,00 bij een dienstverband van minimaal 12 maanden.
4De premie wordt eenmalig verstrekt, bij aanvang van het dienstverband.
5De werkgeverspremie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een ander artikel van de Verordening Participatiewet (PW) en IOAW- IOAZ, Wgs Waalre of de beleidsregels aanspraak maakt op een financiële tegemoetkoming in verband met indiensttreding van de werknemer.
6.1.15 Vergoedingen om werk te krijgen of te behouden
1De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken om werk te krijgen of te behouden, zoals:
a.Een vergoeding voor kinderopvang;
b.Een vergoeding voor reiskosten, waaronder ook de kosten van een fiets.
2De gemeente stelt in uitvoeringsregels de hoogte van de vergoeding vast en aan welke voorwaarden de inwoner of de werkgever moet voldoen om de vergoeding te krijgen.
6.1.16 Vervoersvoorziening
1De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan een persoon uit de doelgroep die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek of activiteiten in het kader van arbeidstoeleiding kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld worden verstrekt. Hierbij wordt rekening gehouden met vervoersvoorzieningen die vanuit het UWV worden verstrekt of kunnen worden verstrekt.
2De gemeente biedt een vervoersvoorziening aan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
a.de persoon kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en
b.het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.
3Voor de vaststelling van de hoogte van de vervoersvoorziening maken we gebruik van de geldende normbedragen volgens het UWV met betrekking tot werk- en onderwijsvoorzieningen.
4De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.
5De gemeente brengt een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.
6.1.17 Intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap
1De gemeente kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende motorische lichaamsfunctie, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken of bij arbeidstoeleiding;
2Voor de vaststelling van de omvang van de intermediaire activiteit maken we gebruik van de geldende normbedragen volgens het UWV met betrekking tot werk- en onderwijsvoorzieningen.
6.1.18 Meeneembare voorzieningen
1De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de persoon om te kunnen werken.
2Het betreft het verstrekken van de meeneembare voorziening voor de inrichting van de werkplek, de productie- en werkmethoden, de inrichting van de opleidingslocatie of de proefplaats en bij het werk of opleiding te gebruiken hulpmiddelen.
3Er is geen limitatieve lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een meeneembare voorziening worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar is.
4De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. Wanneer een voorziening op maat gemaakt is voor de inwoner kan de gemeente besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.
5Het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;
6Er is naar het oordeel van de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en
7De kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van de gemeente proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk.
6.1.19 Werkplekaanpassingen
1De gemeente kan een aanpassing van de werkplek toekennen aan een inwoner, als dit noodzakelijk is om zijn werk uit te voeren. In beginsel kan daarbij elk product als een werkplekaanpassing worden beschouwd als de noodzaak en meerwaarde in de werksfeer aantoonbaar zijn;
2Het betreft geen aanpassing die tot de standaard aanpassing van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;
3Er is naar het oordeel van de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en
4De kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van de gemeente proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk.
6.2 Tegenprestatie
6.2.1 Doel van de tegenprestatie
1De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving.
2Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving als reactie op de inspanningen van de gemeente voor de inwoner.
6.2.2 Duur en omvang tegenprestatie
De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt maximaal 6 maanden per jaar en maximaal 10 uur per week. Dit is om de volgende redenen:
1De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten.
2Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd.
6.2.3 Voorwaarden tegenprestatie
1Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk.
2De gemeente legt in ieder geval geen tegenprestatie op als de inwoner mantelzorg verleent en dit niet te combineren is met de tegenprestatie.
6.3 Inburgeren
6.3.1 Vergoedingen voorzieningen inburgeringstraject
1De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken om het inburgeringstraject te volgen, zoals:
a.Een vergoeding voor de eigen bijdrage van kinderopvang;
b.Een vergoeding voor reiskosten, waaronder ook de kosten van een fiets;
c.Een laptop of andere device;
2De gemeente stelt in uitvoeringsregels de hoogte van de vergoeding vast en aan welke voorwaarden de inwoner moet voldoen om de vergoeding te krijgen.
6.3.2 Handhaving inburgeringstraject
1Wanneer een inburgeringsplichtige inwoner een bijstandsuitkering (Participatiewet) ontvangt en zich niet houdt aan verplichtingen en afspraken die voortvloeien uit het inburgeringstraject vindt bij voorkeur verlaging van de uitkering plaats op grond van artikel 18 Participatiewet en de verordening zoals bedoeld in artikel 8 eerste lid onder a Participatiewet. De gemeente legt voor dezelfde gedraging dan geen bestuurlijke boete op grond van de wet op.
2Bij de keuze tussen handhaving op grond van de Participatiewet door een verlaging van de uitkering en handhaving op grond van de Wet Inburgering via een boete, weegt de gemeente ook af welke wijze van handhaving, rekening houdend met de gevolgen hiervan voor de inburgeringsplichtige inwoner, naar haar oordeel het best bijdraagt aan het beoogde effect, te weten het succesvol voltooien van het inburgeringstraject.
3In de brief (beschikking) aan de inburgeringsplichtige inwoner vermeldt de gemeente of er een boete op grond van de wet wordt opgelegd of dat de uitkering wordt verlaagd op grond van de Participatiewet.
4Wanneer de inburgeringsplichtige inwoner een boete op grond van de wet wordt opgelegd in de periode dat de gemeente aan de inburgeringsplichtige inwoner een uitkering verstrekt, dan kan de gemeente de boete met de uitkering verrekenen.
7 Financieel gezond zijn
7.1 Studietoeslag
7.1.1 Doelgroep
De gemeente verstrekt op aanvraag studietoeslag aan de inwoner, die recht heeft op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de schoolkosten en die door een structurele medische beperking niet in staat is om te werken naast hun studie. Inwoners die recht hebben op een WAJONG-uitkering kunnen geen studietoeslag ontvangen.
7.1.2 Vaststellen beperking
De gemeente stelt in uitvoeringsregels vast op welke manier de beperking wordt vastgesteld.
7.1.3 Hoogte van de toeslag
De gemeente stelt in uitvoeringsregels vast wat de hoogte is van de studietoeslag.
7.2
Niet van toepassing
7.3
Niet van toepassing
7.4
Niet van toepassing
7.5
Niet van toepassing
7.6
Niet van toepassing
7.7 Ondersteuning bij schulden
De gemeente zet zich in op het voorkomen en oplossen van schuldproblemen van inwoners. Hier worden de belangrijkste uitgangspunten genoemd die de gemeente toepast als inwoners om hulp vragen.
7.7.1 Voorkomen van (problematische) schuldproblemen
1De gemeente werkt samen met andere organisaties om:
a.schuldproblemen te voorkomen onder inwoners (preventie);
b.schuldproblemen zo vroeg mogelijk in beeld te hebben (vroegsignalering).
7.7.2 Ondersteuning bij schulden
1De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner op een eenvoudige manier om ondersteuning kan vragen bij het vinden van een oplossing voor zowel grote als kleine schulden.
2De gemeente houdt bij de ondersteuning rekening met de hoge impact van de schulden op de inwoner en de invloed van de zelfredzaamheid van de inwoner door de schulden.
3De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op die regel is de inwoner die niet rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.
4Ook in Waalre woonachtige ondernemers die ondersteuning nodig hebben bij het vinden van een oplossing voor schuldproblemen, kunnen terecht bij de gemeente. De ondersteuning is bedoeld voor natuurlijke personen (mensen), het is niet bedoeld voor schulden van een VOF, CV, Maatschap, NV of BV.
5De gemeente stelt uitvoeringsregels op over de manier waarop en de voorwaarden waaronder inwoners met schulden worden ondersteund.
8 De vorm van de hulp
8.1 Hulp en ondersteuning in natura
1De inwoner die hulp of ondersteuning van de gemeente krijgt, kan dit in natura ontvangen (een dienst of product). Gaat het om een product, dan wordt dit in eigendom verstrekt of in bruikleen gegeven.
2De gemeente ziet erop toe dat de leverancier van een product de wettelijke bepalingen over de garantie naleeft en de inwoner informeert over alles wat van belang is om te weten over de dienst of het product.
8.2 Hulp en ondersteuning in geld
1De inwoner die hulp of ondersteuning van de gemeente krijgt, kan dit in de vorm van geld ontvangen.
2De gemeente kan beslissen om het geld niet uit te betalen, maar te verrekenen met een bedrag dat de inwoner moet terugbetalen (vordering), als dit volgens de wettelijke regels kan. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.
9 Afspraken tussen inwoner en gemeente
9.1 Hoe gaan we met elkaar om?
9.1.1 De rol van de gemeente
1De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
a.De gemeente houdt het aantal contactpersonen voor de inwoner zo beperkt mogelijk.
b.Gesprekken met de inwoner kunnen op het gemeentehuis, thuis bij de inwoner of ergens anders plaatsvinden.
c.De gemeente helpt de inwoner om de juiste organisatie te vinden als de hulp of ondersteuning niet door de gemeente geboden wordt.
d.De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.
e.De gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de inwoner.
f.De gemeente maakt zoveel mogelijk gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.
2De gemeente reageert op een professionele manier op gedrag van de inwoner dat ontoelaatbaar is.
a.De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:
•zijn rechten en plichten;
•wat er van hem wordt verwacht;
•welk gedrag niet deugt;
•wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en
•waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.
b.De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn reactie te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen.
c.De gemeente stemt de reactie op ontoelaatbaar gedrag af op:
•de ernst van het gedrag;
•de mate waarin de inwoner dat verweten kan worden; en
•de persoonlijke situatie van de inwoner.
d.De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).
9.1.2 De rol van de inwoner
1De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn probleem op te lossen.
2De inwoner werkt mee aan de oplossing van zijn probleem, als de gemeente hulp of ondersteuning verleent door:
a.de gemeente op de hoogte te brengen van zijn persoonlijke situatie, als die van belang is in het contact met de gemeente.
b.de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk te informeren over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.
c.de gemeente zo snel mogelijk alle documenten en bewijsstukken te geven die nodig zijn.
d.de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte te brengen van wijzigingen, die van belang zijn voor de hulp of ondersteuning van de gemeente.
3De inwoner zorgt ervoor dat de hulp of ondersteuning van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.
9.2 Afspraken en verplichtingen over uitkeringen
9.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner
1De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner.
2Bij het nemen van een besluit tot het verlagen van een uitkering houdt de gemeente rekening met:
a.de ernst van het gedrag;
b.de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden, en
c.de persoonlijke situatie van de inwoner.
3Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn zienswijze te geven.
9.2.2 Geen verlaging
De gemeente verlaagt de uitkering niet als het gedrag van de inwoner hem niet te verwijten is of als het gedrag meer dan één jaar voor het nemen van een besluit heeft plaatsgevonden.
9.2.3 Ingangsdatum en periode verlaging
1De gemeente maakt het besluit tot verlaging per brief aan de inwoner bekend. De verlaging wordt toegepast op de eerstvolgende maand waarover nog geen uitkering is betaald.
2De gemeente kan de verlaging over meerdere maanden spreiden als dit nodig is.
3Een verlaging van een uitkering aan een inwoner die als zelfstandige werkt en die de uitkering in de vorm van een lening ontvangt, wordt toegepast bij de definitieve vaststelling van de uitkering.
4Soms kan de gemeente de uitkering niet verlagen omdat deze wordt beëindigd. Dan zal de gemeente de verlaging alsnog opleggen als de inwoner binnen 6 maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen.
5De gemeente heroverweegt een besluit als bedoeld in lid 1 van dit artikel binnen 3 maanden.
9.2.4 Niet nakomen wettelijke arbeidsverplichtingen
1De gemeente verlaagt de uitkering een maand als de inwoner een arbeidsverplichting uit artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet voldoende nakomt. Die verlaging is 100% van de uitkeringsnorm.
2De gemeente kan de verlaging verdelen over drie opeenvolgende maanden als er volgens de gemeente sprake is van bijzondere omstandigheden.
9.2.5 Niet nakomen andere arbeidsverplichtingen
1De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 40% van de uitkeringsnorm, voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende proberen werk te vinden;
b.het niet voldoende meewerken aan het afleggen van een taaltoets als bedoeld in artikel 18b van de Participatiewet;
c.het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;
d.bij de inwoner jonger dan 27 jaar: het niet of niet voldoende proberen werk te vinden of onderwijs te volgen binnen 4 weken na melding bij de gemeente;
e.bij de inwoner jonger dan 27 jaar: het niet voldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak.
f.het niet voldoende meewerken aan het inburgeringstraject (waaronder ook het financieel ontzorgen) op grond van de Wet Inburgering.
2De gemeente verlaagt een uitkering een maand met 10% van de uitkeringsnorm als de inwoner, zonder zich af te melden, niet verschijnt op een uitnodiging van de gemeente voor een gesprek over re-integratie of inburgeringstraject (WI).
3De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 40% van de uitkeringsnorm voor het volgende gedrag:
a.het niet voldoende gebruikmaken van een door de gemeente aangeboden voorziening;
b.het niet meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken;
c.het niet voldoende leveren van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie;
4De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm als de inwoner een aanbod tot betaald werk niet heeft aanvaard of door eigen toedoen niet heeft behouden.
5De gemeente verlaagt de uitkering van een zelfstandige die niet of niet voldoende meewerkt aan begeleiding een maand met 40% van de uitkeringsnorm.
6De gemeente verlaagt de uitkering van een zelfstandige die de administratie van zijn onderneming niet voldoende heeft bijgehouden een maand met 20% van de uitkeringsnorm.
9.2.6 Te weinig besef van verantwoordelijkheid
1De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die voorafgaand of tijdens de bijstandsperiode onverantwoord is omgegaan met zijn inkomen of vermogen, waardoor de gemeente eerder of een hoger bedrag aan bijstand heeft gegeven. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer heeft verstrekt dan dat het geval zou zijn geweest als wel verantwoord met inkomen en vermogen was omgegaan (benadelingsbedrag).
2De uitkering wordt verlaagd met 20% gedurende:
Benadelingsbedrag
Duur verlaging
Tot € 1.500,00
1maand
Van € 1.500,00 tot € 5.000,00
3maanden
Van € 5.000,00 tot € 10.000,00
6maanden
Van € 10.000,00 tot € 20.000,00
9maanden
Van € 20.000,00 tot € 40.000,00
12maanden
Vanaf € 40.000,00
18maanden
Niet vast te stellen
6maanden
3Een inwoner gaat in ieder geval onverantwoord om met zijn inkomen of vermogen, als:
a.Hij zijn vermogen onverantwoord heeft besteed;
b.Hij in aanmerking komt voor een andere inkomstenbron, maar hier geen beroep op doet;
c.Hij ontslag neemt waardoor een beroep op bijstand noodzakelijk is.
9.2.7 Onacceptabel gedrag
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich onacceptabel gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt één maand verlaagd met 100% van de uitkeringsnorm.
9.2.8 Samenloop van gedragingen
1Eén gedraging waardoor de inwoner meerdere verplichtingen niet nakomt, leidt tot één verlaging. De hoogste verlaging die van toepassing is voor het gedrag geldt dan, en ook de duur die bij die verlaging hoort.
2Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat één of meer verplichtingen niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig of – als dat niet mogelijk is – na elkaar opgelegd.
9.2.9 Herhaling (recidive)
1De hoogte van de verlaging wordt verdubbeld als de inwoner binnen 12 maanden na de verlaging opnieuw een verplichting niet nakomt.
2Als de verdubbeling van de hoogte van de verlaging niet mogelijk is, wordt de duur van de verlaging verdubbeld.
3Als de inwoner meer dan twee keer een verplichting niet nakomt binnen 12 maanden na een verlaging, vindt geen verdubbeling van hoogte of duur plaats. In dat geval wordt een verlaging afgestemd op de persoonlijke situatie van de inwoner.
9.2.10 Het niet of onvoldoende nakomen van de overige aan de bijstand verbonden verplichtingen (art 55 PW)
1De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die niet of onvoldoende de opgelegde verplichtingen op grond van artikel 55 van de wet nakomt.
2De verlaging bedraagt 20% gedurende 1 maand als de verplichting gaat over arbeidsinschakeling
3De verlaging bedraagt 20% gedurende 1 maand als de verplichting gaat over de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand
4De verlaging bedraagt 20% gedurende 2 maand als de verplichting gaat over het verminderen van bijstand
9.3 Beëindigen en terugvorderen voorziening
9.3.1 Beëindiging voorziening
1De gemeente kan een voorziening beëindigen als:
a.de voorziening niet langer passend of nodig is;
b.de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;
c.de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner;
d.de gemeente niet langer kan vaststellen of een voorziening kan worden voortgezet, omdat de inwoner onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;
e.de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld.
2De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken).
9.3.2 Terugvordering voorziening
1De gemeente kan de voorziening of de waarde daarvan van de inwoner terugvorderen. Dat kan vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de redenen voor beëindiging die genoemd worden in artikel 9.3.1.
2De gemeente stelt uitvoeringsregels vast over de terugvordering van de kosten van bijstand en uitkering.
9.4 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen?
9.4.1 Controle
1De gemeente controleert regelmatig of de inwoner recht heeft op een uitkering of voorziening en of hij de juiste uitkering of voorziening heeft aangevraagd of ontvangt.
2De controle door de gemeente vindt periodiek, themagericht of signaalgericht plaats.
3De manier waarop de controle wordt uitgevoerd, past bij de situatie.
4De controle van de voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.
5Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgt de gemeente ervoor dat de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten worden nageleefd.
9.4.2 Voorkomen van fraude
De gemeente informeert inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
9.4.3 Privacy
1De gemeente stelt voor onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen op, die ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. De protocollen voldoen aan de regels die daarvoor gelden vanuit de regelgeving op het gebied van privacy, waaronder de Algemene Verordening Gegevensbescherming. De gemeente maakt de protocollen openbaar.
2Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat de inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privéleven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.
3Een inwoner voor wie de gemeente gegevens heeft vastgelegd, heeft op verzoek recht op:
•inzage
•rectificatie
•wissen van gegevens
•beperking van de verwerking van zijn gegevens.
Het verzoek van een inwoner wordt door een daartoe aangewezen medewerker van de gemeente (privacy officer) beoordeeld.
9.4.4 Toezichthouders
1De gemeente wijst een of meer ambtenaren aan die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
2De gemeente kan personen aanwijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij de krachtens deze verordening.
Niet van toepassing
Niet van toepassing
Niet van toepassing
13 Tot slot
13.1 Uitvoeringsregels
De gemeente kan uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van nadere regels. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met een bepaalde bevoegdheid omgaat.
In nadere regels worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. De mogelijkheid om deze uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet.
13.2 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)
De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in 1.1 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.
13.3 Intrekken oude verordeningen
De volgende verordening wordt ingetrokken op de datum dat deze verordening in werking treedt:
•Verordening Participatiewet (PW) en IOAW-IOAZ, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) Waalre 2020 (met ingangsdatum 1 maart 2020)
13.4 Overgangsrecht
1Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na 1 oktober 2024. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat de gemeente een nieuw besluit over die voorziening of uitkering heeft genomen.
2Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóór 1 oktober 2024 waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór 1 oktober 2024 geldt juist dat de gemeente deze afhandelt volgens de ingetrokken verordening. Maar als een besluit volgens deze nieuwe verordening gunstiger uitpakt voor de inwoner, past de gemeente deze verordening toe.
3Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de bij 13.3 genoemde ingetrokken verordening, past de gemeente die ingetrokken verordening toe.
13.5 Ingangsdatum en naam
1Deze verordening wordt genoemd: Verordening Participatiewet (PW), IOAW-IOAZ, Wgs en inburgering 2024;
2Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2024.