Aanhef
De raad van de gemeente Voorne aan Zee besluit:
Gelet op het bijbehorende raadsvoorstel;
Besluit:
In te stemmen met de ‘Nota parkeernormen gemeente Voorne aan Zee’ en deze als uitgangspunt te hanteren voor ruimtelijke ontwikkelingen en functiewijzigingen.
2. Werkwijze bepalen parkeereis fiets
2.1 Uitgangspunten fietsparkeren
2.1.1 Inleiding
Het stallen van fietsen is niet altijd het eerste waar bij een ontwikkeling aan wordt gedacht. Toch neemt fietsen een steeds belangrijker deel in de mobiliteit voor haar rekening. Daarom is het realiseren van goede en voldoende stallingsplekken voor fietsen van groot belang. Niet onder in een kelder met een trap, maar ‘tussen voordeur en auto’ zou men de fiets als eerste tegen moeten komen.
De landelijke parkeerkencijfers voor fietsen zijn in 2011 voor het eerst opgesteld en in 2019 geactua-liseerd. In bijlage 1 zijn deze geactualiseerde normen uit 2019 opgenomen en zijn integraal van toe-passing binnen de gemeente Voorne aan Zee. In voetnoot 2 is daarvan de download beschikbaar. Deze publicatie van het Fietsberaad geeft meer informatie over het toepassen van de parkeernormen; anders dan bij auto parkeren speelt bij het realiseren van stallingsvoorzieningen voor fietsers nog meer mee. Doe er uw voordeel mee!
2.1.2 Van parkeerkencijfer naar parkeervraag
Om te komen van een parkeerkencijfer naar de parkeervraag voor een ruimtelijke ontwikkeling worden verschillende stappen doorlopen. De parkeereis wordt berekend door de omvang van de te ontwikkelen functie te vermenigvuldigen met het daarvoor geldende parkeerkencijfer.
De initiatiefnemer moet deze functies en de oppervlakten per functie aangeven, zodanig dat voldoende duidelijk is wat de ontwikkeling precies inhoudt (zie § 1.5). Daarbij dient men zich bewust te zijn dan de kengetallen een zeer brede bandbreedte hebben en het daarmee een indicatie geeft van de omvang van het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor fietsen.
De te doorlopen stappen in de berekeningen is opgenomen in Figuur 1
Figuur 1 – Stappen ter bepaling parkeereis voor fietsen
2.2 Vaststellen programma en gebied
2.2.1 Nieuw programma
Het nieuwe programma van de bouwontwikkeling dient gespecificeerd te worden zodat inzichtelijk wordt wat gebouwd wordt. Hierbij dient een gedetailleerd overzicht opgesteld te worden van de aantallen en oppervlaktes voor de volgende hoofdgroepen:
•Wonen
•Kantoor
•Winkelen en boodschappen
•Sport, cultuur en ontspanning
•Horeca en (verblijfs)recreatie
•Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen
•Onderwijs
Elk van deze hoofdgroepen kent een nadere uitsplitsing die is opgenomen in bijlage 1 voor het stallen van fietsen. Bij de fietsparkeervraag worden woningen onderscheiden naar rij- en vrijstaande woningen, appartementen met of zonder fietsenberging en naar studentenhuis. Ten aanzien van de hoofdgroep werken wordt alleen een parkeervraag berekend voor een kantoor. De andere functies met onderverdeling zijn opgenomen in bijlage 1. Het te ontwikkelen programma dient de uitsplitsing naar deze categorieën te omvatten met aantallen en/of m2 bvo. Voor het eenduidig benoemen van de functies, aantallen en oppervlaktes is vanuit de gemeente een spreadsheet beschikbaar (zie § 1.5).
2.2.2 Gebiedsindeling
Parkeernormen worden onderscheiden naar vier gebieden binnen de gemeente: centrum, schil rond centrum, rest bebouwde kom en buitengebied. Voor elk geldt per functie een specifiek parkeerkencijfer. Daarom is een gebiedsindeling gemaakt. Deze is opgenomen in paragraaf 3.2.2 en geldt ook voor het bepalen van de parkeereis voor fietsen.
2.3 Parkeervraag fiets
2.3.1 Parkeerkencijfers fiets
De fietsparkeerkencijfers van het Fietsberaad (onderdeel van CROW) zijn van toepassing in de gemeente Voorne aan Zee. In bijlage 1 zijn de parkeerkencijfers voor de fiets opgenomen. Aanvullende informatie per functie voor de fiets-berekening is hieronder gegeven.
Functie Wonen
Voor een rij- of tussenwoning wordt doorgaans een schuurtje gerealiseerd conform bouwbesluit. Voor appartementengebouw wordt doorgaans in de kelder voorzien in bergingen, doch deze zijn niet altijd eenvoudig te bereiken. Voor appartementen en studentenhuizen moet worden aangegeven hoeveel ervan een eigen fietsenstalling zullen krijgen.
Functie Kantoor
Bij een kantoor is het van belang of deze een balie of meerder balies heeft omdat dit ook gelijktijdig meerdere cliënten per fiets zal betekenen. Verder wordt onderscheidt gemaakt naar stalling voor werknemers en fietsparkeerplaatsen voor bezoekers.
Functie Theater en Restaurant
Voor de berekening van het aantal fietsparkeerplaatsen bij een filmtheater/filmhuis, theater, schouwburg of musicaltheater is het aantal zitplaatsen bepalend. Voor een restaurant is het aantal zitplaatsen (inclusief terras) en het type van belang (eenvoudig of luxe).
Aanvulling voor Basisonderwijs en kinderdagverblijf
De parkeernormen voor basisonderwijs, middelbare school en ROC zijn naast het aantal leerlingen ook de oppervlakte nodig (m2 bvo).
2.3.2 Berekening parkeervraag
Op basis van de omvang van de ontwikkeling met nieuwe functie(s) en vervallen functie(s) en de parkeernormen per functie naar gebiedstype, wordt de parkeervraag berekend met een onderverdeling naar plaatsen voor bewoners, werknemers en bezoekers.
Voorbeeld parkeervraag fiets:
Nieuwbouw van 50 middel dure koopappartementen met elk een fietsenberging. Verder omvat de bouwontwikkeling een kantoor met een omvang van 1000 m2 met baliefunctie met twee balies.
De stedelijke zone is ‘rest bebouwde kom’. We gaan uit van de maximale parkeernorm voor fiets.
De parkeervraag voor appartementen met fietsenberging is 0,75 fietsenstalling per 0,33 woning. Totaal geeft dit 50 x 0,75/0,33 = 113,6 fietsenstallingsplekken.
De parkeernorm voor het kantoorpersoneel is 2,5 fietsenplekken per 100 m2 bvo. Voor de bezoekers is de parkeernorm 8 stallingsplekken per balie.
Voor het kantoor is totaal 1000/100 x 2,5 = 25 fietsenplekken voor personeel. Voor bezoekers zijn totaal 2 x 8 = 16 fietsenplekken nodig.
De totale parkeervraag fiets voor de bouwontwikkeling is 154,6; afgerond 155 stallingsplekken. Hiervan kunnen 50 plekken inpandig in de bergingen worden voorzien; de andere plekken dienen op het eigen perceel van de initiatiefnemer te worden gerealiseerd.
3. Werkwijze bepalen parkeereis auto
3.1 Uitgangspunten auto parkeren
3.1.1 Van parkeerkencijfers naar parkeereis
Om te komen van een parkeerkencijfer naar de parkeereis voor een bouwontwikkeling worden ver-schillende stappen doorlopen. De parkeereis wordt berekend door de omvang van de te ontwik-kelen functie te vermenigvuldigen met het daarvoor gestelde parkeerkencijfer waarbij rekening wordt gehouden met dubbelgebruik en, bij woningen, met opritten of garages. De initiatiefnemer moet de aantallen en oppervlakten per functie aangeven, zodanig dat voldoende duidelijk is wat de ontwikkeling precies inhoudt. Voor het eenduidig benoemen van de functies, aantallen en oppervlaktes is vanuit de gemeente een spreadsheet beschikbaar (zie § 1.5).
Algemeen geldt:
•Bij functiewijziging(en) van een bestaand gebouw of gebied mag de berekende parkeervraag worden verminderd met de parkeervraag van de oude functie (bestaande bestemming), waarbij wordt uitgegaan van de parkeervraag op het nieuwe maatgevende moment.
•Bij meerdere functies binnen de bouwontwikkeling mag rekening worden gehouden met dubbelgebruik van de parkeerplaatsen aan de hand van aanwezigheidspercentages.
•Bestaande openbare parkeerplaatsen die door de ontwikkeling verloren gaan, moeten op kosten van de initiatiefnemer worden gecompenseerd op eigen terrein, elders in de openbare ruimte of op een naastgelegen perceel.
Deze eerste fase in de berekeningen is opgenomen in als stappen A en B in Figuur 2.
Figuur 2 – Stappen ter bepaling parkeereis op eigen terrein en in openbare ruimte
3.1.2 Bepalen waar parkeereis wordt gerealiseerd
De volledige parkeereis dient in principe op eigen terrein te worden gerealiseerd, tenzij onder-bouwd wordt dat dit niet mogelijk is en de parkeereis deels in de openbare ruimte moet worden opgevangen.
Deze onderbouwing is als stap C opgenomen in Figuur 2.
3.1.3 Bepalen parkeerdruk in omgeving
Indien na stap C blijkt dat de dan nog resterende parkeereis toch op de openbare weg moet worden afgehandeld, dan dient door de initiatiefnemer aangetoond te worden dat de parkeerdruk op het maatgevende moment, inclusief het aantal te parkeren auto’s vanuit de ontwikkeling die op de openbare weg geparkeerd moeten worden, niet boven 80% uitkomt. Indien dit het geval is, dan volgt een positief advies op het verlenen van de omgevingsvergunning ten aanzien van het parkeren. Indien dit niet het geval is, dan volgt daarop een negatief advies.
Parkeeronderzoeken in het kader van een ontwikkeling dienen door een onafhankelijke derde partij (adviesbureau) op kosten van de initiatiefnemer te worden uitgevoerd waarbij de resultaten van het parkeeronderzoek bij de aanvraag worden aangeleverd aan de gemeente. In paragraaf 3.5 wordt ingegaan op de eisen die aan het parkeeronderzoek worden gesteld. Voorafgaand aan de uitvoering van het parkeeronderzoek is overleg met de gemeente nuttig om voor het specifieke project af te stemmen of van aanvullende eisen of van vermindering van eisen sprake is.
De fase in de berekeningen is opgenomen in de stap D in Figuur 2.
3.1.4 Afrondingen parkeereis
Omdat er geen halve parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden, wordt de parkeereis naar boven afgerond op een heel getal. Afronding van de parkeereis wordt pas op het allerlaatst gedaan waarbij naar boven wordt afgerond vanaf 0,1 parkeerplaats en tot 0,099 naar beneden.
3.1.5 Uitwegvergunning
Bij de aanvraag van een uitwegvergunning is geen sprake van een nieuwe bouwontwikkeling of nieuw te realiseren programma. Wel kunnen hierdoor parkeerplaatsen op de openbare weg vervallen waardoor de parkeerdruk in de omgeving zal toenemen. Op het eigen terrein zullen wellicht parkeerplaatsen worden gerealiseerd, doch deze zijn niet openbaar toegankelijk. In principe zal voor de bepaling van de parkeereis de stappen A t/m D doorlopen moeten worden. Bij de aanvraag van de uitwegvergunning zal aangeleverd moeten worden:
•Aantal vervallen parkeerplaatsen op openbare weg
•Aantal aantoonbaar nieuwe parkeerplaatsen op eigen terrein
•Parkeerdrukmeting (zie § 3.5) waarmee wordt aangetoond dat op het maatgevende moment de gestelde bezettingsgraad niet worden overschreden.
Voorbeeld uitwegvergunning:
Bewoners van een hoekwoning met een grote voor- en zij tuin willen 2 parkeerplaatsen op eigen terrein realiseren, waarvan 1 voor de camper/ caravan (dus feitelijk kan er 1 auto privé staan). Door de te realiseren uitweg vervallen 2 parkeerplaatsen op de openbare weg.
Uitgangspunt is: Matig stedelijk, Rest bebouwde kom, Gemiddelde parkeernorm.
Resultaat berekening:
•Parkeernorm = 1,9 p.p. per woning (waarvan 0,3 voor bezoekers) i.c. gemiddelde van minimale en maximale norm, zie bijlage 2.
•Parkeervraag = 1,6 p.p. voor bewoners en 0,3 p.p. voor bezoekers.
•Het hoogste maatgevende moment is op werkdag-avond met 1,8 p.p. - zie tabel:
•Conclusie is dat t.b.v. de woning 3 parkeerplaatsen nodig zijn: 2 op eigen terrein voor de camper en één auto en 1 op de openbare weg. Daarnaast dienen de 2 vervallen parkeerplaatsen gecompenseerd te worden tenzij wordt aangetoond dat de parkeerdruk op werkdagen in de avond niet boven 80% uitkomt waarbij de 2 vervallen parkeerplaatsen en de nieuwe parkeerplaats op eigen terrein worden verdisconteerd. Dit dient de aanvrager aan te tonen.
3.2 Vaststellen programma en gebied
3.2.1 Nieuw en vervallen programma
Voor zowel de nieuwe bouwontwikkeling als voor de vervallen functies dient inzichtelijk te worden gemaakt waar het om gaat. Hierbij dient een gedetailleerd overzicht opgesteld te worden van de aantallen en oppervlaktes voor de volgende hoofdgroepen:
•Wonen
•Werken
•Winkelen en boodschappen
•Sport, cultuur en ontspanning
•Horeca en (verblijfs)recreatie
•Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen
•Onderwijs
Elk van deze hoofdgroepen kent een nadere uitsplitsing die is opgenomen in bijlage 2. Bij de auto-parkeereis worden woningen onderscheiden naar koop en huur, naar appartement, tussen- of hoekwoning of vrijstaand alsook naar oppervlakte wat correspondeert met ‘duur’, ‘gemiddeld’ of ‘goedkoop’. Ten aanzien van de hoofdgroep werken wordt b.v. onderscheid gemaakt naar kantoor met of zonder baliefunctie, arbeidsintensief of niet dan wel of het gebouw een bedrijfsverzamelgebouw wordt. Elk van de hoofdgroepen kent een eigen nadere onderverdeling. Het te ontwikkelen programma dient de uitsplitsing naar deze categorieën te omvatten met aantallen en/of m2bvo.
3.2.2 Verstedelijkingsgraad
De gemeente Voorne aan Zee bestaat uit de bebouwde kommen van Brielle, Hellevoetsluis, Kruiningergors, Nieuwenhoorn, Oostvoorne, Oudenhoorn, Rockanje, Tinte, Vierpolders en Zwartewaal. Daarnaast liggen buiten de bebouwde kommen in het buitengebied woningen, bedrijven en recreatieve voorzieningen. Bij het bepalen van welk parkeerkencijfer voor welke situatie aangehouden moet worden is de verstedelijkingsgraad én de stedelijke zone (zie § 3.2.3) van belang.
De verstedelijkingsgraad is vastgesteld op basis van de CBS wijk- en buurtdata van 2021 van Nederlandse gemeenten. De stedelijkheidsgraad kent vijf klassen en wordt bepaald op basis van de omgevingsadressendichtheid (adressen per km2). Tabel 1 geeft deze CBS-stedelijkheidsgraad weer.
Stedelijkheidsgraad
Omgevingsadressendichtheid (adressen per km2)
Kern binnen gemeente Voorne aan Zee:
Zeer sterk stedelijk
> 2.500
n.v.t.
Sterk stedelijk
1.500-2.500
Hellevoetsluis
Matig stedelijk
1.000-1.500
Brielle
Weinig stedelijk
500-1.000
Oostvoorne, Rockanje
Niet stedelijk
< 500
Overige kernen
Tabel 1 – Stedelijkheidsgraad op basis van adressen per km2 [bron: CBS] en Stedelijkheidsgraad voor kernen gemeente
Omdat de verstedelijkingsgraad voor de kernen verschilt van het buitengebied geldt de volgende verstedelijkingsgraad per kern (zie Tabel 1 en Figuur 3).
Figuur 3 – Verstedelijkingsgraad per kern binnen gemeente Voorne aan Zee
3.2.3 Stedelijke zone
Parkeernormen worden onderscheiden naar drie zones binnen de gemeente: centrum, rest bebouwde kom en buitengebied. Voor elk geldt per functie een specifieke parkeerkencijfer. Het autobezit en –gebruik is in centrumgebieden doorgaans lager dan in de rest van de bebouwde kom of in het buitengebied. Binnen Voorne aan Zee gelden de stedelijke zones zoals in Tabel 2 opgenomen.
Gebied
Stedelijke zone
Vesting Brielle, Vesting Hellevoetsluis en winkelcentrum Struytse Hoeck
Centrum
Overige gebieden binnen de bebouwde kommen
Rest bebouwde kom
Alle gebieden buiten de bebouwde kommen
Buitengebied
Tabel 2 – Stedelijke zone binnen gemeente Voorne aan Zee
Uitbreiding of aanpassing van de detailhandel op of rondom het winkelcentrum Struytse Hoeck geldt dat deze vallen onder ‘Winkelcentrum Struytse Hoeck’ en niet nader worden gespecificeerd.
3.3 Parkeernormen en parkeerbalans
3.3.1 Parkeerkencijfers auto
De landelijke kencijfers van CROW zijn integraal van toepassing voor de gemeente Voorne aan Zee. Er is geen aanpassing noodzakelijk ten aanzien van het autobezit per huishouden of aanwezigheid van hoogwaardig openbaar vervoer (geen treinstation). In bijlage 2 zijn de parkeernormen voor auto’s per verstedelijkingsgraad, per stedelijke zone naar functie opgenomen. Deze parkeernormen zijn gelijk aan de CROW-parkeernormen, opgenomen in publicatie 381: Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, uitgave december 2018.
Functie Wonen
Voor de woontypen die als ‘duur’, ‘midden’ en ‘goedkoop’ zijn opgenomen zijn aangevuld met de daarmee samenhangende woonoppervlakte. Een duur appartement heeft doorgaans een groter woonoppervlakte dan een goedkoop appartement. De aangehouden grenzen zijn 60 m2 en 90 m2.
Tot 60 m2 zijn goedkoop, tussen 60 en 90 m2 zijn midden en groter dan 90 m2 zijn duurdere appartementen.
Bij woningen met een eigen oprit of garage(box) geldt dat deze niet voor 100% meetellen om te voorzien in de parkeereis. Daartoe is in paragraaf 3.3.3 een berekeningsaantal opgenomen die toegepast dient te worden (zie Tabel 6).
Overige functies
Bij de navolgende eenheden wordt de term bvo (Bruto Vloer Oppervlakte) gehanteerd. Dit betreft de vloeroppervlakte van een vastgoedobject, gemeten langs de buitenomtrek van de buitenste scheidingsconstructie die de ruimte omhult. Hierin wordt ook de oppervlakte van een trapgat, lift-schacht en leidingschacht meegerekend. De oppervlakte van buitenruimtes zoals een loggia, balkon, open galerij of dakterras wordt niet tot de bvo van een gebouw gerekend, tenzij deze nadrukkelijk deel uitmaakt van de hoofdfunctie en daarbij leidt tot een toename van de parkeervraag (zoals een (dak)terras van een restaurant waar ook tafels staan).
Aanvulling voor Basisonderwijs en kinderdagverblijf
De parkeernormen voor basisonderwijs en kinderdagverblijf zijn alleen voor personeel en daarmee exclusief de parkeerbehoefte voor het halen en brengen van kinderen, wat doorgaans de grootste parkeerdruk met zich meebrengt. Voor de berekening van deze parkeerbehoefte voor deze functies is een specifieke uitwerking nodig, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal leerlingen per groep, het percentage leerlingen dat met de auto komt, de parkeerduur en het aantal kinderen per auto. Het aantal benodigde parkeerplaatsen voor het halen en brengen van kinderen is als volgt te bepalen:
xx leerlingen * % halen/brengen per auto * reductiefactor parkeerduur * reductiefactor aantal kinderen per auto
Hierbij zijn de volgende percentages en reductiefactoren van toepassing:
Tabel 3 – Factoren voor berekening benodigde parkeerplaatsen bij scholen t.b.v. halen-brengen [bron: CROW]
Het berekende aantal parkeerplaatsen komt bovenop de parkeereis die uit de parkeerbalans volgt (zie § 3.3.3) zodat een goede doorstroming en (verkeers)veiligheid wordt gewaarborgd.
Mogelijk dat de gemiddelde afstand naar school nog een factor van belang is. Bij bijvoorbeeld een school met een regionaal bereik komen veel meer leerlingen met de auto dan bij een school die vooral kinderen uit de omliggende wijken trekt. Ook zijn er diverse scholen waarbij vervoer met taxi’s of bussen geregeld is, wat ook een ander autogebruik tot gevolg heeft.
Het berekende aantal via bovenstaande formule is een goede indicatie, doch geen ‘absoluut’ getal. Het toepassen van gemiddelde percentages en reductiefactoren geeft slechts een indicatie van de parkeerbehoefte voor het halen en brengen. Omdat in de praktijk veel verschillende schoolsituaties voorkomen, moet er altijd maatwerk per school worden toegepast.
3.3.2 Gemiddelde parkeernorm
Op basis van de omvang van de ontwikkeling met nieuwe functie(s) en vervallen functie(s) en de parkeerkencijfers per functie naar ligging/ gebiedstype, wordt de gemiddelde norm gehanteerd om de parkeervraag te berekenen. In bijlage 2 zijn de minimale en maximale normen gegeven. Het gemiddelde hiervan is uitgangspunt voor de berekening.
Voorbeeld parkeervraag auto:
Nieuwbouw van 50 koopappartementen (60-90 m2). Verder omvat de bouwontwikkeling een kantoor met een omvang van 1000 m2 met baliefunctie met twee balies. De verstedelijkingsgraad is ‘matig stedelijk’ en de stedelijke zone is ‘rest bebouwde kom’. We gaan uit van het gemiddelde van de minimale en de maximale parkeernorm voor auto (zie bijlage 2).
De parkeervraag voor de koopappartementen is 1,8 per woning (gemiddelde van 1,4 en 2,2) waarvan 0,3 voor bezoekers. Totaal geeft dit 50 x 1,8 = 90,0 parkeerplaatsen waarvan 75 voor bewoners en 15 voor bezoekers.
De parkeernorm voor het kantoorpersoneel is 2,85 per 100 m2 bvo (gemiddelde van 2,6 en 3,1) waarvan 20% voor bezoekers. Voor het kantoor is totaal 1000/100 x 2,85 = 28,5 parkeerplaatsen nodig, waarvan 22,8 voor personeel en 5,7 voor bezoekers.
De totale parkeervraag auto voor de bouwontwikkeling is 118,5 parkeerplaatsen. Dit is afgerond naar boven 119 parkeerplaatsen. Door dubbelgebruik kan dit aantal daadwerkelijk te realiseren parkeerplaatsen lager zijn (zie daarvoor § 3.3.3).
3.3.3 Parkeerbalans
De maximale parkeervraag mag gereduceerd worden op basis van de aanwezigheidspercentages. Verder dient in de parkeerbalans bij woningen rekening gehouden te worden met het niet volledig mogen meetellen van parkeren op eigen terrein bij het aanwezig zijn van opritten en garages of garageboxen.
Aanwezigheidspercentages
Met een parkeerbalans wordt onderzocht of een gecombineerd gebruik van parkeerplaatsen mogelijk is. Vaak blijkt dat het niet noodzakelijk is om in een gebied de maximale parkeervraag te realiseren, doch slechts een deel ervan. Doordat in veel situaties de parkeerplaatsen gedurende het etmaal door meerdere doelgroepen gebruikt kunnen worden, is het reëel om rekening te houden met dubbelgebruik. De aldus berekende parkeereis geldt indien alle functies gelijktijdig operationeel zijn. Voor verschillende functies zijn verschillende aanwezigheidspercentages van toepassing. Deze zijn gebaseerd op de CROW-kengetallen (publicatie 381: Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, uitgave december 2018). Tabel 4 geeft de te hanteren aanwezigheidspercentages per dagdeel conform de CROW-publicatie. Deze voorzien (helaas) niet in alle functies zodat deze tabel is aangevuld met de percentages die de gemeente Voorne aan Zee aanvullend hanteert (Tabel 5).
Tabel 4 – Aanwezigheidspercentages [bron: CROW]
Tabel 5 – Aanwezigheidspercentages van ontbrekende functies bij bron CROW
Opritten en garages bij woningen
Onderscheidt bij de functie Wonen wordt gemaakt naar realisatie van parkeerplaatsen op eigen terrein en in het openbare gebied. De aanwezigheid van garages, opritten of carports bij woningen maakt dat deze geheel of gedeeltelijk meetellen in de te berekenen parkeereis. Het niet meetellen van parkeren op eigen terrein kan worden gezien als een verkapte verhoging van de parkeernorm. Aan de andere kant gebruiken niet alle bewoners de oprit of garage om de auto daadwerkelijk te parkeren. In veel gevallen wordt de garage gebruikt voor het stallen van fietsen, een motor of wordt het gebruikt als hobbyruimte. De eigen oprit of garage(box) voorzien zodoende niet voor 100% in het opvangen van de parkeereis en tellen niet voor 100% mee.
Tabel 6 geeft de factor voor het bepalen van het aantal parkeerplaatsen op eigen terrein bij woningen.
Bij een ‘garage’ wordt uitgegaan van een standaardafmeting van 2,5 á 3 meter bij ± 6 meter waarin één auto past. Bij afwijkende afmetingen van garages is overleg met de gemeente zinvol.
Tabel 6 – Berekeningsaantal bij opritten en garages bij woningen [bron: CROW]
Voorbeeld parkeereis auto met dubbelgebruik en eigen parkeergelegenheid:
Hetzelfde voorbeeld als in § 3.3.2. Voor de 50 appartementen zijn 25 parkeerplaatsen in de parkeergarage van het complex. Deze kunnen bewoners huren of kopen. De overige parkeerplaatsen moeten elders worden gevonden. Op het eigen terrein van het kantoor kunnen 20 parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
Het volgende overzicht ontstaat ten aanzien van de parkeervraag op basis van de gemiddelde parkeernorm waarbij nog geen rekening is gehouden met dubbelgebruik:
•Totaal 90 parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers van bewoners:
o 25 parkeerplaatsen voor bewoners in de parkeergarage van het appartementencomplex
o 65 parkeerplaatsen ‘elders’: op eigen terrein + openbaar toegankelijk:
▪ 50 parkeerplaatsen voor bewoners
▪ 15 parkeerplaatsen voor bezoek van bewoners
•Totaal 28,5 parkeerplaatsen voor het kantoor (feitelijk afgerond 29 parkeerplaatsen):
o 22,8 parkeerplaatsen voor personeel
o 5,7 parkeerplaatsen voor bezoek van het kantoor
De toepassing van aanwezigheidspercentages zodat dubbelgebruik mogelijk wordt, leidt tot onderstaand overzicht. De koopavond blijkt de hoogste parkeereis te hebben met totaal 97 parkeerplaatsen, maar omdat 25 parkeerplaatsen in de parkeerkelder van het appartementencomplex én 20 parkeerplaatsen voor het kantoor niet openbaar zijn en daardoor niet voor dubbelgebruik in aanmerking komen is de parkeereis als volgt (rode getallen in tabel hieronder):
•Totaal 82 parkeerplaatsen voor bewoners en bezoekers van bewoners:
o 25 parkeerplaatsen voor bewoners in de parkeergarage van het appartementencomplex
o 57 parkeerplaatsen openbaar toegankelijk voor bewoners en hun bezoekers
•Totaal 29 parkeerplaatsen voor het kantoor:
o 20 parkeerplaatsen op eigen terrein voor personeel en/of bezoekers
o 9 parkeerplaatsen openbaar toegankelijk voor personeel en/of bezoekers
•Totaal overall: 102 parkeerplaatsen (i.p.v. de eerder berekende 119) = parkeereis:
o 25 parkeerplaatsen voor bewoners in de parkeergarage van het appartementencomplex
o 20 parkeerplaatsen op eigen terrein voor personeel en/of bezoekers
o 57 parkeerplaatsen openbaar toegankelijk voor bewoners, hun bezoekers, voor personeel kantoor en bezoekers van kantoor
3.4 Verdeling parkeereis naar eigen en openbaar terrein
3.4.1 Vaststellen parkeereis
De parkeereis is het hoogste aantal benodigde parkeerplaatsen dat is berekend voor de verschillende momenten op basis van de aanwezigheidspercentages en opritten en garages bij woningen. Deze parkeereis zal bij voorkeur op het eigen terrein van de ontwikkeling door de initiatiefnemer moeten worden gerealiseerd.
3.4.2 Parkeereis realiseren op eigen terrein
De parkeereis kent een x-aantal parkeerplaatsen voor bezoekers en een y-aantal voor bewoners of werknemers. In de parkeernormen is opgenomen dat bij bijvoorbeeld per woning in 0,3 parkeer-plaatsen voor bezoekers moet worden voorzien. Bij de andere functies is dit uitgedrukt in een percentage.
Verdeling parkeereis bij functie Wonen
Bij woningen wordt onderscheidt gemaakt naar parkeerplaatsen voor bewoners en voor bezoekers. Verder kan het voor komen dat een aantal parkeerplaatsen niet openbaar toegankelijk is, bijvoorbeeld in een parkeergarage bij een appartementencomplex of eigen parkeerterrein met slagboom. Daardoor zijn deze parkeerplaatsen exclusief voor bewoners gereserveerd óf er moet toegangscontrole zijn waarbij de slagboom ook voor bezoekers wordt geopend. Het resterende deel van de parkeereis, de openbaar toegankelijke parkeerplaatsen voor bezoekers en evt. voor bewoners, dient in principe ook op eigen terrein te worden gerealiseerd. Indien dit niet mogelijk is, dan dient aangetoond en onderbouwd te worden waarom dat niet kan en in de openbare ruimte geparkeerd moet worden. Realiseren van een deel van de parkeereis op de openbare weg mag namelijk niet ten koste gaan van de kwaliteit van de openbare ruimte en de verkeersveiligheid op die openbare weg.
Mobiliteitsmanagement, inzet van deelauto’s en/of de nabijheid van hoogwaardig openbaar vervoer in de gemeente, zoals een R-net-halte, zijn geen redenen om de parkeereis te mogen verlagen.
Verdeling parkeereis bij alle andere functies
Bij alle andere functies (dan wonen) dient de parkeereis op eigen terrein in zowel de parkeerplaatsen voor bezoekers als voor de werknemers te worden gerealiseerd. Indien dit aantoonbaar niet mogelijk is, dan dient aangetoond en onderbouwd te worden waarom dat niet kan en in de openbare ruimte geparkeerd moet worden. Realiseren van een deel van de parkeereis op de openbare weg mag niet ten koste gaan van de kwaliteit van de openbare ruimte en de verkeersveiligheid op die openbare weg.
Moet de parkeereis deels gerealiseerd of opgevangen worden in de bestaande openbare ruimte?
Indien de parkeereis gedeeltelijk in de bestaande openbare ruimte moet worden opgevangen, dan zijn er twee scenario’s:
I. De pareereis dient in de bestaande openbare ruimte te worden opgevangen zonder dat in die openbare ruimte aanpassingen gedaan hoeven worden. Dit dient aangetoond te worden via een parkeerdrukmeting die de initiatiefnemer uitvoert of door een onafhankelijke derde partij laat uitvoeren. Zie hiertoe § 3.5.
II. De parkeereis kan alleen in de bestaande openbare ruimte te worden opgevangen indien in die openbare ruimte extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd binnen een acceptabele loopafstand van de ontwikkeling vanaf de hoofdingang van de betreffende ontwikkeling (zie Tabel 7). Mogelijk vergt deze extra parkeergelegenheid een aanpassing van het vigerende bestemmingsplan omdat in veel gevallen de beoogde plek van de extra parkeerplaatsen niet de bestemming ‘verkeer’ zal hebben. De kosten voor realisatie van deze extra parkeerplaatsen (grondverwerving en aanlegkosten) zijn voor rekening van de initiatiefnemer. De realisatie ervan dient in overleg met de gemeente door de initiatiefnemer zelf worden gedaan waarna deze infrastructuur ‘om niet’ wordt overgedragen aan de gemeente (eigendom en beheer & onderhoud). Alternatief is dat gemeente deze parkeerplaatsen op kosten van de initiatiefnemer realiseert. Dit wordt in onderling overleg afgestemd.
Hoofdfunctie
Acceptabele loopafstanden
Opmerking
Wonen
100meter
100– 250 meter voor bezoekers
Werken
200tot 800 meter
Winkelen
200tot 600 meter
Sport, cultuur, ontspanning
100tot 600 meter
Horeca en (verblijfs)recreatie
200tot 800 meter
Overeenkomstig ‘winkelen’
Gezondheidszorg en (sociale) voorzieningen
100meter
Onderwijs
100meter
Tabel 7 – Acceptabele loopafstanden voor hoofdfuncties [bron: CROW-publicatie 381]
BIJLAGE 1 PARKEERKENCIJFERS FIETS
Download: https://fietsberaad.nl/getmedia/b1c022a7-1852-4865-a68b-060c7ce47145/Fietsparkeerkencijfers-2019-(versie-4).pdf.aspx?ext=.pdf