Gemeentelijke regelgeving

Nota bodembeheer De gemeente Voorne aan Zee

Gemeente Voorne aan Zee · geldt sinds 31 oktober 2023

Aanhef

Inleiding

Voor u ligt de Nota bodembeheer voor het beheersgebied van de gemeente Voorne aan Zee, waarin het beleid ten aanzien van het hergebruik en toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem is beschreven. De gemeente Voorne aan Zee is op 1 januari 2023 gevormd uit de gemeenten Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne.

In de Nota bodembeheer staat het bodembeleid van de gemeente beschreven. Het is een praktische richtlijn voor het omgaan met vrijkomende grond en baggerspecie en geeft invulling aan het lokale grondstromenbeleid. De betrokken wet- en regelgeving voor onder andere het tijdelijk opslaan en toepassen van grond en baggerspecie is beschreven in het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Wet bodembescherming (Wbb) en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het gewijzigde Bbk en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

De aanleiding voor het opstellen van de Nota bodembeheer is in principe de naderende inwerkingtreding van de Omgevingswet, welke naar verwachting op 1 januari 2024 van kracht zal worden. Op 18 december 2012 is de Nota bodembeleid opgesteld voor Regio Voorne-Putten, waarin de gemeente Voorne aan Zee een onderdeel uitmaakte. Dit bodembeleid is recentelijk (in 2021) geactualiseerd door het opstellen van het Addendum op de Nota bodembeheer. Destijds was echter minder bekend over het onderwerp bodem in de Omgevingswet. Dit huidige bodembeleid is eind 2013 vastgesteld en zal eind 2023 vervallen, omdat de 10-jarige geldigheidsduur verloopt. Om optimaal gebruik te maken van het overgangsrecht heeft de gemeente Voorne aan Zee daarom Antea Group gevraagd het bodembeleid in een nieuwe Nota te vatten. Deze nieuwe Nota is afgestemd op zowel de huidige, als de toekomstige wet- en regelgeving. Doordat deze nieuwe Nota vlak voor de verwachte inwerktredingsdatum van de Omgevingswet wordt vastgesteld, wordt maximaal gebruik gemaakt van de geldigheid van de documenten welke in het tijdelijk deel van het omgevingsplan terecht komen. Hiermee heeft de gemeente de maximale tijd om het nieuwe deel omgevingsplan op te stellen, waarin maatwerkregels dienen te worden opgenomen.

Het voorgaande bodembeleid was beschreven in de volgende documenten:

-”Nota Bodembeleid Regio Voorne-Putten”, kenmerk 238400.17, d.d. 18 december 2012, opgesteld door Oranjewoud, het huidige Antea Group;

-“Addendum op de Nota bodembeheer (Toekomstige) gemeente Voorne aan Zee”, kenmerk 0455748.103, d.d. 29 april 2021, opgesteld door Antea Group.

De Nota die voor u ligt is volledig gebaseerd op de voorgaande Nota en de aanvulling op de Nota die in de drie fusiegemeenten reeds van kracht waren en vervangt deze. Het voormalige bodembeleid is samengevoegd in één document en beoordeeld in het kader van de Omgevingswet. Er is een onderscheidt gemaakt tussen regels die automatisch terecht komen in het tijdelijk deel van omgevingsplan en de overige regels. Het in dit document opgenomen beleid is daarmee beleidsneutraal.

I.Beheersgebied

Het regionale bodembeleid is tot stand gekomen in samenwerking met de drie voormalige gemeenten Westvoorne, Brielle en Hellevoetsluis die de gemeente Voorne aan Zee vormen. Het bodembeleid dat in deze Nota is beschreven, is van toepassing op het beheersgebied van de gemeente Voorne aan Zee, zie figuur 1.

Figuur 1.1: Gebied van gemeente Voorne aan Zee Nota bodembeheer

II.Reikwijdte Nota bodembeheer

Deze Nota bodembeheer is opgesteld als een uitvoeringsdocument waarin is beschreven op welke wijze moet worden omgegaan met grondstromen. In de Nota zijn regels en procedures voor het binnen de gemeente toepassen van (licht verontreinigde) grond en baggerspecie als bodem nader toegelicht. Daarnaast is in de Nota beschreven wanneer gebruik kan worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart als erkend bewijsmiddel voor de bepaling van de milieuhygiënische kwaliteit van een te ontgraven partij grond en/of de ontvangende bodem.

Naast grondverzet binnen het grondgebied van de gemeente (zie figuur 1.1) is in deze Bodembeheernota ook beschreven hoe moet worden omgegaan met het toepassen van een partij grond of baggerspecie die afkomstig is van een locatie die buiten het beheersgebied is gelegen (introduceren van grond en/of baggerspecie van buiten het beheersgebied).

Relatie met andere beleidsdocumenten

Dit bodembeleid en de bijbehorende beleidsregels zijn een aanvulling op al diverse andere, lokale beleidsregels binnen de gemeente. Initiatiefnemers wordt vooraf gevraagd om kennis te nemen van deze lokale regels, zoals gemeentelijke verordeningen, beleidsregels, niet gesprongen explosieven, Provinciale Omgevingsverordening, Natura 2000-gebieden, cultureel erfgoed en aardkundige waarden.

Samen met de bodemkwaliteitskaart(en) is de Nota bodembeheer de basis voor het lokale bodembeleid. De bodemkwaliteitskaarten geven een beeld van de algemene kwaliteit van de bodem in een gebied. De Nota bodembeheer en bodemkwaliteitskaarten zijn niet van kracht op locaties die verdacht zijn op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen. Verdachte locaties zijn locaties waar in het verleden (bedrijfs)activiteiten hebben plaatsgevonden die mogelijk een negatieve invloed hebben gehad op de bodemkwaliteit. Voor deze locaties dient altijd door middel van bodemonderzoek de milieuhygiënische kwaliteit te worden bepaald. De eindverantwoordelijkheid voor de kwaliteit van een te ontgraven of toe te passen partij ligt altijd bij de initiatiefnemer.

III.Verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid

De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ligt in eerste plaats bij de initiatiefnemer. De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en daarna van eenieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht:

•Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken.

•Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): eenieder die handelingen verricht, die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen.

•Na inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt niet meer de zorgplicht uit de Wet bodembescherming maar de zorgplicht onder de Omgevingswet, welke is geregeld in onder meer:

o Artikel 2.11 Omgevingswet (Specifieke zorgplicht). De specifieke zorgplicht stelt dat ieder die een milieubelastende activiteit of lozingsactiviteit verricht, is verplicht nadelige gevolgen te voorkomen, ongedaan te maken of anders de activiteit niet uit te voeren.

o Artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet (Algemene zorgplicht). De algemene zorgplicht stelt dat overheden, bedrijven en burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Deze algemene zorgplicht is daarmee een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn.

•Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van 1975. In de Wet milieubeheer wordt hierop ingegaan in de artikelen 10.1 en 10.2. Bij bodemsanering gaat het dan om verontreinigd puin, sintels, teerresten et cetera.

De Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaarten zijn met grote zorgvuldigheid opgesteld. De bodemkwaliteitskaarten bieden in geen enkel geval harde garanties voor de kwaliteit van een partij grond. De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De eindverantwoordelijkheid voor de toepassing van grond blijft bij de initiatiefnemer en daarna bij eenieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie. Als twijfel bestaat over de kwaliteit van de grond, wordt geadviseerd een onderzoek te laten uitvoeren. Als er twijfel bestaat over de geldende bodemregels op de ontgravings- of toepassingslocatie, wordt geadviseerd contact op te nemen met de gemeente.

IV.Vastlegging en geldigheidsduur

De herziene Nota bodembeheer wordt door de gemeenteraden van de gemeente vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar, conform artikel 53 van het Besluit bodemkwaliteit. Voor de vaststelling zijn de regels uit afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing.

Geldigheid bodembeleid na inwerkingtreding van de Omgevingswet

Na inwerkingtreden van de Omgevingswet wordt deel 1 van de voorliggende Nota bodembeheer van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente en blijft daarmee onverwijld van kracht. In deel 2 van de Nota zijn de andere bodem-gerelateerde onderwerpen van de gemeente uitgewerkt als beleid onder het huidige stelsel van de Wet bodembescherming (Wbb) en/ of het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en beleidsregels.

Door de Nota bodembeheer en deze beleidsregels vast te stellen vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft het huidige (lokale) bodembeleid op basis van de Wbb en het Bbk van toepassing. Zo wordt een beleidsneutrale overgang gewaarborgd.

De bodemkwaliteitskaarten blijven ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet als milieuhygiënische verklaring geldig als opzichzelfstaande documenten. Deze kunnen derhalve tevens na inwerkingtreding van de Omgevingswet gebruikt blijven worden om de kwaliteit van de ontvangende bodem of de kwaliteit van binnen het beheersgebied toe te passen grond vast te stellen. Hiervoor is geen overgangsrecht nodig. Wel dienen deze elke 5 jaar te worden geactualiseerd om de geldigheid te behouden.

V.Bodem onder de Omgevingswet

Op het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt, worden verschillende gemeentelijke regels en verordeningen onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente. De bruidsschatregels worden ook onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het omgevingsplan omvat alle ruimtelijke regels, waaronder ook een deel van de regels voor onder andere grondverzet uit de Nota bodembeheer. Tijdens de overgangsfase (tot eind 2029) heeft de gemeente de tijd om het tijdelijke deel van het omgevingsplan om te zetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het bodembeleid dat reeds was vastgesteld op basis van artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit, gelijkgesteld aan het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze regels, verwerkt in deel 1 van deze Nota, betreffen de vastgestelde lokale maximale waarden én de vastgestelde afwijkende percentages bodemvreemde bijmengingen.

Ook de eerder vastgelegde acceptatie van bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten/regio’s en de bodemfunctiekaart gaan om dezelfde reden van rechtswege over naar het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Overig lokaal bodembeleid in de (voorgaande) Nota’s bodembeheer verliest onder de nieuwe regelgeving zijn grondslag, tenzij de regels op een andere manier zijn vastgelegd.

Om te voorkomen dat een deel van het lokale bodembeleid zijn grondslag verliest bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, is in deze herziene Nota het overige lokale bodembeleid uitgewerkt als beleidsregels op basis van de Algemene wet bestuursrecht (zie artikel 1:3 lid 4 Awb). Beleidsregels geven aan hoe de gemeente met de haar toegekende bevoegdheid omgaat

1Meer info over beleidsregels: https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/beleidsregels/

. Deze regels kunnen mogelijkerwijs in de toekomst nog worden opgenomen in het gemeentelijke omgevingsplan als regels in het omgevingsplan of elders.

Maatwerkregels worden opgenomen in het omgevingsplan en wijzigen de algemene regels binnen het beheersgebied. Deze regels kunnen direct bindend zijn voor derden, hetgeen niet het geval is voor beleidsregels. Er kan uitsluitend maatwerk plaatsvinden zolang een hoger bestuursorgaan daar de ruimte toe geeft. Naast maatwerkregels kan een gemeente decentrale regels in het omgevingsplan opnemen voor onderwerpen die niet door het Rijk geregeld zijn.

Daarnaast wijzigt met de overgang van de Wet bodembescherming naar de Omgevingswet voor een aantal thema’s de bevoegd gezag-taak. In de Nota bodembeheer maakt de gemeente haar eigen beleidsmatige keuzes op deze thema’s, binnen de kaders die de Omgevingswet stelt.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wijzigt de wettelijke basis van het lokale bodembeleid. Waar tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Wet bodembescherming en het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit het normenkader vormen voor lokaal bodembeleid, zijn onder de Omgevingswet nieuwe beleidskaders van kracht. Met betrekking tot bodembeleid worden de volgende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) relevant:

•Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);

•Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Tevens worden een gewijzigd Besluit bodemkwaliteit en een nieuwe Regeling bodemkwaliteit van kracht.

Het Bal is gericht aan burgers, bedrijven en bestuursorganen en omvat algemene regels over de leefomgeving, activiteiten, vergunningen en meldingsplichten. In het Bkl, welke gericht is aan bestuursorganen, worden regels opgenomen welke met name betrekking hebben op normen en instructies voor milieu en veiligheid.

Bij het opstellen van dit document is gebruik gemaakt van de volgende besluiten en documenten met bijbehorende versienummers:

•Besluit activiteiten leefomgeving, Geconsolideerde Staatsbladversie, versie 03-06-2022, beschikbaar via https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/;

•Besluit kwaliteit leefomgeving, Geconsolideerde Staatsbladversie, versie 06-05-2022, beschikbaar via https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/;

•Besluit bouwwerken leefomgeving, Geconsolideerde Staatsbladversie, versie 03-06-2022, beschikbaar via https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/;

•Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet en bijbehorende Nota van Toelichting, publicatiedatum 25-02-2021, beschikbaar via https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb- 2021-98.html. Hierin is onder meer de wijziging van het Besluit bodemkwaliteit opgenomen;

•Bruidsschat Omgevingsplan Artikelen, Geconsolideerde Staatsbladversie, versie 15-12-2021, beschikbaar via https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/totstandkoming/hoofdlijnen- invoeringsbesluit/bruidsschat/

VI.Leeswijzer

De Nota bodembeheer is ingedeeld in drie delen. Deel 1 bevat de onderwerpen die, na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van rechtswege in het tijdelijk deel van het gemeentelijk omgevingsplan terechtkomen. Het gaat hierbij om lokaal afwijkende toepassingseisen (alternatieve percentage bijmengingen, Lokale Maximale Waarden). In hoofdstuk 2 is beschreven welke bodemkwaliteitskaarten geaccepteerd worden als erkend bewijsmiddel, in het geval grond wordt geïmporteerd van buiten het beheersgebied en hoofdstuk 3 geeft de bodemfunctieklassekaart weer.

Deel 2 van de Nota omvat een verscheidenheid aan regels die te maken hebben met het thema bodem en reeds gehanteerd worden door de gemeente. Hoofdstuk 4 en 5 behandelen de regels die van toepassing zijn bij het hergebruik van grond en baggerspecie. Hoofdstuk 6 behandelt in welke specifieke situaties een bodemonderzoek noodzakelijk is en de eisen waaraan deze moet voldoen. Hoofdstuk 7 behandelt het gebruik van het ‘Vragenformulier NEN 5725’. Daarna wordt in hoofdstuk 7 en 8 het gemeentelijk beleid in specifieke situaties beschreven, namelijk natuurlijk verhoogde achtergrondconcentraties in grondwater en omgang met gereinigde grond. Hoofdstuk 10 en 11 zijn informatief van aard en behandelen het grondstromenbeleid voor de Plas van Heenvliet en het beheer en de toepassing van grond met Aziatische Duizendknoop wordt benoemd.

Deel 3 van de Nota omvat uitleg van de huidige wet- en regelgeving omtrent het thema bodem. Hierin wordt het huidige generieke kader (Wet bodembescherming en Besluit bodemkwaliteit) uitgelegd, evenals de bijbehorende bewijsmiddelen en procedures van het gemeentelijke bodembeleid.

Bijlage 2 Vragenformulier NEN 5725 t.b.v. vrij grondverzet

Dit formulier is een toelichting op de historische gegevens van een perceel (een locatie).

Als een perceel verdacht is van bodemverontreiniging, is namelijk aanvullende informatie nodig voor grondverzet en is informatie van de bodemkwaliteitskaarten (de ontgravings- en de toepassingskaarten)niet zonder meer toereikend om de bodemkwaliteit te bepalen.

Geadviseerd wordt het historisch onderzoek te laten uitvoeren door een bedrijf dat erkend is voor het BRL2000 - protocol 2001.

Op dit (gemeentelijk) formulier voor historische informatie kunt u, naast algemene gegevens, de historische gegevens vermelden van de ontgravingslocatie en vervolgens van de toepassingslocatie.Op het (landelijke) formulier voor grondverzet kunt u de adresgegevens vermelden van de ontgravingslocatie en van de toepassingslocatie en moet u de hoeveelheid toe te passen materiaal aangeven.

ldentificatie ontgravingslocatie en of toepassingslocatie

Het adres van de locatie zoals hieronder gemeld en/ of te melden bij het Meldingsformulier Besluit bodemkwaliteit www.meldpuntbodemkwaliteit.nl

In de volgende situaties is er geen meldingsplicht voor het toepassen van grond:

•Het toepassen van grond onder het Besluit Uniforme Saneringen (BUS).

•De toepassing van grond door particulieren, anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep.

•Het toepassen van grond binnen een landbouwbedrijf als de grond afkomstig is van een tot dat landbouwbedrijf behorend perceel grond waarop een vergelijkbaar gewas wordt geteeld als op hetperceel grond waar de grond wordt toegepast.

•Het verspreiden van baggerspecie uit een watergang over de aan de watergang grenzende percelen.

•Het toepassen van schone grond in hoeveelheden kleiner dan 50 m3. Voor het toepassen van schonegrond in hoeveelheden vanaf 50 m3 moet eenmalig de toepassingslocatie worden gemeld.

Ontgravingslocatie

Adres: ..............................................................................................................................................................................

X-coördinaat: ..................................................................... y -coördinaat: ..................................................................

Toepassingslocatie

Adres: ...............................................................................................................................................................................

X-coördinaat: ..................................................................... y -coördinaat:..................................................................

Bronvermelding

Welke bronnen heeft u geraadpleegd om alle bovenstaande vragen te beantwoorden? Ook als een geraadpleegde bron geen informatie heeft opgeleverd, moet u dit aangeven.

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

………………………………………………………………………………………………………………………………………………………………

lndien van toepassing: Verificatieonderzoek (bij al eerder uitgevoerd (historisch) onderzoek)

Omdat al een eerder (historisch) onderzoek is uitgevoerd is op de ontgravingslocatie en/ of de toepassingslocatie geverifieerd of tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten hebben plaatsgevonden die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden. De verificatie heeft plaatsgevonden

▫ Fysiek, op [datum]

▫ Digitaal via Google Maps/ Bing Maps, kaartgegevens [jaartal foto]

▫ Digitaal via Google Streeview / Cyclomedia, kaartgegevens ………………………………….

[opnamedatum]

Ontgravingslocatie

1.

Welk gebruik/ functie heeftde locatie gehad voordat grond wordt ontgraven?

O Natuur

O Landbouw / volkstuin / moestuin

O (Onverharde) kinderspeelplaats

O Wonen / woongebied

O Industrie / bedrijven

O Infrastructuur

O Onbekend / braakliggend

2.

Welk gebruikheeft de locatie nadat de grond wordt / is ontgraven?

O Natuur

O Landbouw / volkstuin / moestuin

O (Onverharde) kinderspeelplaats

O Wonen / woongebied

O Industrie / bedrijven

O Infrastructuur

O Onbekend / braakliggend

3.

Welke kwaliteit heeft de bodem volgens de ontgravingskaart?

O Natuur / schoon (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS> bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS <bepalingsgrens / Nietbekend *)

O Landbouw / overig (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS> bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS <bepalingsgrens / Nietbekend *)

O Wonen (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS< bepalingsgrens / Niet bekend *)

O lndustrie (PFAS >landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS< bepalingsgrens / Niet bekend *)

O Niet toepasbaar / niet ingedeeld

* Doorhalen wat niet van toepassing is

4.

Wordt de ontgraven grond tijdelijk opgeslagen?

O Nee

O Ja, adres:

.....................................................................................................

NB: De tijdelijke opslag is meldingsplichtig bij opslag langer dan 6 maanden en niet langer dan 3 jaar.

Tijdelijkeopslag langerdan 3 jaar is vergunningsplichtig.

5.

Is de toe te passen grondnu tijdelijk opgeslagen?

O Nee

O Ja, adres:

.....................................................................................................

En Bbk-meldingsnummer: ...............................................

6.

Is op de ontgravingslocatie een partijkeuring uitgevoerd?

O Nee

O Ja:

Naam onderzoeksbureau

.....................................................................................................

Rapportagedatum partijkeuring

.....................................................................................................

Kenmerk rapportage

.....................................................................................................

NB: Het rapportmoet bij de Bbk-melding wardengevoegd.

7.

Is op de ontgravingslocatie een bodemonderzoek uitgevoerd?

O Nee

O Ja:

Naam onderzoeksbureau

.....................................................................................................

Rapportagedatum partijkeuring

.....................................................................................................

Kenmerk rapportage

.....................................................................................................

NB: Het rapport moet bij de Bbk-melding wardengevoegd.

8.

Van welke laagdiepte wordt de grond ontgraven?

O Vanaf ......... meter onder het maaiveld tot meter onder het maaiveld.

O Vanaf ...... meter t.o.v. NAP tot........... meter t.o.v. NAP.

9.

Wat voorsoort grond wordt met name ontgraven?

O Zand

O Klei

O Kleiig zand

O Veen

O Onderhoudsbagger

O Anders, namelijk:

................................................................................................

10.

Is/zijn op de ontgravingslocatie gedempte sloten aanwezig?

O Nee

O Ja, dan deze aangeven op de situatietekening.

Metwelk materiaal is de sloot gedempt:

................................................................................................

11.

Is op de ontgravingslocatie in het verleden eenverharding of erfophoging aangebracht,

En is deze alweerverwijderd of is deze nog aanwezig?

O Nee

O Onbekend, want:

...............................................................................................

O Ja, aangebracht en verwijderd

O Ja, aangebracht en aanwezig

12.

Is op de ontgravingslocatie in het verleden grond of baggerspecie aangebracht, En is deze alweerverwijderd of is deze nog aanwezig?

O Nee

O Onbekend, want:

......................................................................................................

O Ja, aangebracht (zie meldingsnummer ..................... van het Meldpunt Bodemkwaliteit) en verwijderd

O Ja, aangebracht (zie meldingsnummer ..................... van het Meldpunt Bodemkwaliteit) en aanwezig met de kwaliteitsklasse:

(aankruisen wat van toepassing is):

0Natuur / schoon) (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

0Landbouw / overig (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend*)

0Wonen (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend*)

0lndustrie (Pf AS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend*)

0Niet toepasbaar / niet ingedeeld

* Doorhalen wat niet van toepassing is

13.

Is/zijn op de ontgravingslocatie (een) opslagtank(s) voor vloeibare brandstoffen aanwezig (geweest)?

O Nee

O Ja, aangeven op een bij te voegen situatietekening en het betreft een (aankruisen wat van toepassing is):

0bovengrondsetank

O ondergrondse tank

De tank is gevuld met (aankruisen wat van toepassing is):

0zand (tank is gesaneerd)

0onbekend

0type brandstof (per tank):

......................................................................................................

14.

Is op de ontgravingslocatie een bedrijf gevestigd geweest en in welke periode (jaartallen)?

O Nee

O Ja, soort bedrijf:

......................................................................................................

Periode:

......................................................................................................

15.

Is op de ontgravingslocatie een meldings- of vergunningsplichtige milieubelastende activiteit van kracht geweest

en in welke periode?

O Nee

O Ja, soort activiteit:

......................................................................................................

Periode:

......................................................................................................

16.

Vinden of vondenactiviteiten plaats op of in de nabij omgeving van de ontgravingslocatie (inclusief belendende percelen tot 25 meter afstand) die de grond mogelijk hebben verontreinigd?

O Nee

O Ja, soort activiteit:

......................................................................................................

Periode:

.....................................................................................................

17.

Is de locatie verdacht op het voorkomen van PFAS (poly-en perfluoralkylverbindingen) zoals PFOA, PFOS en GenX? Is op de locatie bijvoorbeeld sprake (geweest) van:

-brand met gebruik vanblusschuim;

-brandblusoefenterrein?

-zijn er bedrijfsactiviteiten (geweest) bijvoorbeeld op hetgebied van:

* teflonproductie;

* galvanische industrie, textiel, papier(verwer- king), lak- en verfindustrie, cosmetica;

* afvalverbranding,

stortplaatsen, waterzuiveringinstallaties, ijzerinzamellocaties (inzamelenbrandblussers).

O Onbekend

O Nee

O Ja, namelijk:

18.

Staan of stonden objecten (panden) op de ontgravingslocatie dieasbest kunnen bevatten (bouwjaar voor 1993)?

O Nee

O Ja, namelijk:

.........................................................................................................

.........................................................................................................

19.

Zijn op de ontgravingslocatie aanwijzingen voor de aanwezigheid van asbestinof op de grond(zoals restanten van sloopafval)?

O Nee

O Ja, namelijk:

.........................................................................................................

.........................................................................................................

20.

Welke bijmengingen aan bodemvreemd materiaal is in de te ontgraven grond aanwezigen watis daarvan het gewichts- of volumepercentage?

O Geen bijmengingen aan bodemvreemd materiaal (nul procent)

O Puin en/ofbakstenen........... % (gewicht)

O Koolas en/ofslakken.......... % (gewicht)

O Stukjes asbest........... % (gewicht)

O Plastic/ piepschuim............ % (volume)

O Anderszins:

Soort: ............................................................................

Percentage: .....................................(gewicht / volume*)

O Onbekend, want:

.....................................................................................................

* Doorhalen wat niet van toepassing is

21.

Overige informatie met betrekking tot een mogelijke bodemverontreiniging op de ontgravingslocatie:

OGeen

O Ja, namelijk:

Toepassingslocatie

22.

Welk gebruik / functie heeft de locatie gehad voordat grond wordt/is toegepast?

O Natuur

O Landbouw / volkstuin / moestuin

O (Onverharde) kinderspeelplaats

O Wonen / woongebied

O Industrie / bedrijven

O Infrastructuur

O Onbekend / braakliggend

23.

Welk gebruik heeft de locatie nadatde grond wordt toegepast?

O Natuur

O Landbouw / volkstuin / moestuin

O (Onverharde) kinderspeelplaats

O Wonen / woongebied

O Industrie / bedrijven

O Infrastructuur

O Onbekend / braakliggend

24.

Welke kwaliteit heeft de bodem volgens de toepassingskaart?

O Natuur / schoon (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Nietbekend *)

O Landbouw / overig (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Nietbekend *)

O Wonen (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

O lndustrie (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend *)

O Niet ingedeeld

* Doorhalen wat niet van toepassing is

25.

Wordt de ontgraven grond tijdelijk opgeslagen?

O Nee

O Ja, adres:

.....................................................................................................

NB: De tijdelijke opslag is meldingsplichtig bij opslag langer dan 6 maanden en niet langer dan 3 jaar. Tijdelijke opslag langer dan 3 jaar is vergunningsplichtig.

26.

Is de toe te passen grondnu tijdelijk opgeslagen?

O Nee

O Ja, adres:

.....................................................................................................

En Bbk-meldingsnummer: ...............................................

27.

Is op de toepassingslocatie een partijkeuring uitgevoerd?

O Nee

O Ja:

Naam onderzoeksbureau

.....................................................................................................

Rapportagedatum partijkeuring

.....................................................................................................

Kenmerk rapportage

.....................................................................................................

NB: Het rapport moet bij het Bbk-melding wordengevoegd.

28.

Is op de toepassingslocatie een bodemonderzoek uitgevoerd?

O Nee

O Ja:

Naam onderzoeksbureau

.....................................................................................................

Rapportagedatum partijkeuring

.....................................................................................................

Kenmerk rapportage

.....................................................................................................

NB:Het rapport moet bij het Bbk-melding wordengevoegd.

29.

Wordt de grond bovenhet bestaande maaiveld toegepast?

O Nee, vanaf ......meter onder het maaiveld tot ...... meter onder het maaiveld.

O Ja, vanaf.......... meter boven het maaiveld tot meter boven het maaiveld.

O Deels, vanaf.......... meter onder het maaiveld tot ....... meter boven het maaiveld.

30.

Wat voorsoort grond wordt met name toegepast?

O Zand

O Klei

O Kleiig zand

O Veen

O Onderhoudsbagger

O Anders, namelijk:

31.

Is/zijn op de toepassingslocatie gedempte sloten aanwezig?

O Nee

O Ja, aangegeven op de situatietekening Met welk materiaal is de sloot gedempt:

32.

Is op de toepassingslocatie in het verleden een verharding of erfophoging aangebracht, En is dezealweer verwijderd of is deze nog aanwezig?

O Nee

O Onbekend, want:

.....................................................................................................

O Ja, aangebracht en verwijderd

O Ja, aangebracht en aanwezig

33.

Is op de toepassingslocatie in het verleden grond of baggerspecie aangebracht, en is deze alweer verwijderd of is deze nog aanwezig?

O Nee

O Onbekend, want:

......................................................................................................

O Ja, aangebracht (zie meldingsnummer ..................... van hetMeldpunt Bodemkwaliteit) en verwijderd

O Ja, aangebracht (zie meldingsnummer ..................... van het Meldpunt Bodemkwaliteit) en aanwezig met de kwaliteitsklasse:

(aankruisen wat van toepassing is):

0Natuur / schoon) (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend*)

0Landbouw / overig (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend*)

0Wonen (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS >bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend*)

0lndustrie (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS >bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend*)

0Niet toepasbaar / niet ingedeeld

* Doorhalen wat niet van toepassing is

34.

Is/zijn op de toepassingslocatie (een) opslagtank(s) voor vloeibare brandstoffen aanwezig (geweest)?

O Nee

O Ja, aangeven op een bij te voegen situatietekening en hetbetreft een (aankruisen wat van toepassing is):

0bovengrondsetank

O ondergrondse tank

De tank is gevuld met (aankruisen wat van toepassing is):

0zand (tank is gesaneerd)

0onbekend

0type brandstof (per tank):

......................................................................................................

......................................................................................................

33.

Is op de toepassingslocatie in het verleden grond of baggerspecie aangebracht, en is deze alweer verwijderd of is deze nog aanwezig?

O Nee

O Onbekend, want:

......................................................................................................

O Ja, aangebracht (zie meldingsnummer ..................... van hetMeldpunt Bodemkwaliteit) en verwijderd

O Ja, aangebracht (zie meldingsnummer ..................... van het Meldpunt Bodemkwaliteit) en aanwezig met de kwaliteitsklasse:

(aankruisen wat van toepassing is):

0Natuur / schoon) (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend*)

0Landbouw / overig (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS > bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend*)

0Wonen (PFAS> landelijke achtergrondwaarde / PFAS >bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend* )

0lndustrie (PFAS > landelijke achtergrondwaarde / PFAS >bepalingsgrens maar < landelijke achtergrondwaarde / PFAS < bepalingsgrens / Niet bekend*)

0Niet toepasbaar / niet ingedeeld

* Doorhalen wat niet van toepassing is

34.

Is/zijn op de toepassingslocatie (een) opslagtank(s) voor vloeibare brandstoffen aanwezig (geweest)?

O Nee

O Ja, aangeven op een bij te voegen situatietekening en

hetbetreft een (aankruisen wat van toepassing is):

0bovengrondsetank

O ondergrondse tank

De tank is gevuld met (aankruisen wat van toepassing is):

0zand (tank is gesaneerd)

0onbekend

0type brandstof (per tank):

......................................................................................................

......................................................................................................

35.

Is op de toepassingslocatie een bedrijf gevestigd geweest en in welke periode (jaartallen)?

O Nee

O Ja, soortbedrijf:

......................................................................................................

Periode:

......................................................................................................

36.

Is op de toepassingslocatie een meldings- of vergunningsplichtige milieubelastende activiteit van kracht geweest en in welke periode?

O Nee

O Ja, soortactiviteit:

......................................................................................................

Periode:

......................................................................................................

37.

Vinden of vonden activiteiten plaats op of inde nabijomgeving van de toepassingslocatie (inclusief belendende percelen tot 25 meter afstand) die de grond mogelijk hebben

verontreinigd?

O Nee

O Ja, soortactiviteit:

......................................................................................................

Periode:

.....................................................................................................

38.

Is de locatie verdacht op hetvoorkomen van PFAS (poly-en perfluoralkyl- verbindingen) zoals PFOA, PFOS en GenX? Is op de locatie bijvoorbeeld sprake (geweest) van:

1brand met gebruik van blusschuim;

2brandblusoefenterrein?

zijn er bedrijfs-activiteiten (geweest) bijvoorbeeld op het gebied van:

1teflonproductie;

2galvanische industrie, textiel, papier(ver-werking), lak- en verfindustrie, cosmetica;

3afvalverbranding, stortplaatsen, waterzuiveringinstallaties, ijzerinzamellocaties(in- zamelenbrandblussers).

O Onbekend

O Nee

O Ja, namelijk:

.....................................................................................................

39.

Staan of stonden objecten (panden) op de toepassingslocatie die asbest kunnen bevatten

(bouwjaar voor 1993)?

O Nee

O Ja, namelijk:

.....................................................................................................

40.

Zijn op de toepassingslocatie aanwijzingen voor de aanwezigheid van asbest

in of op de grond (zoals restanten van sloopafval)?

O Nee

O Ja, namelijk:

.....................................................................................................

41.

Welke bijmengingen aan bodemvreemd materiaal is in de bodem van de toepassingslocatie aanwezig en wat is daarvan het volumepercentage?

O Geen bijmengingen aan bodemvreemd materiaal (nul procent)

O Puin en/ of bakstenen:.......... % (gewicht)

O Koolas en/ of slakken:.......... % (gewicht)

O Stukjes asbest........... % (gewicht)

O Plastic/ piepschuim............ % (volume)

O Anderszins:

Soort: ............................................................................

Percentage................................... (gewicht/ volume *)

O Onbekend, want:

.....................................................................................................

* Doorhalen wat niet van toepassing is

42.

Overige informatie met betrekking tot eenmogelijke bodemverontreiniging op de toepassingslocatie:

O Geen

O Ja, namelijk:

.....................................................................................................

.....................................................................................................

.....................................................................................................

Ondertekening

Aldus naar waarheidingevuld,

Bedrijfsnaam: .................................................................................................................

Naam: ..............................................................................................................................

Functie: .........................................................................................................................

Datum: ...........................................................................................................................

Handtekening initiatiefnemer:

..........................................................................................................................................

Aldus op volledigheid en waarheid gecontroleerd,

Handtekening toetsende instantie (gemeente dan wel Omgevingsdienst):

..........................................................................................................................................

NB: Wordt tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal waargenomen, dan worden de werkzaamheden door de uitvoerder gestaakt en meldt hij dit direct aan de gemeente en/of omgevingsdienst. Veelal wordt dan het spoor van de Wet bodembescherming/Omgevingswet gevolgd en volgt een verkennend bodemonderzoek naar asbest in grond. Dit geldt ook voor overige bijmengingenen afwijkingen zoals kleur en geur die op een bodemverontreiniging wijzen.

Wordt in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemdmateriaal vastgesteld, of wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan wordt dit direct gemeld bij de gemeente en/of omgevingsdienst

Bijlage 3 Lijst met PFAS-verdachte activiteiten

De tabel is afkomstig van het Handelingskader voor PFAS van Expertisecentrum PFAS (ISBN/EAN 978-90- 815703-0-5, d.d. 25 juni 2018, beschikbaar via https://www.expertisecentrumpfas.nl/documenten/6-eerste- pilot.html).

Bijlage 4 Formulier Historische Toets t.b.v. vrijstelling bodemonderzoek

GEGEVENS BOUWLOCATIE

Adres

Postcode en plaats

Kadastrale gegevens

gemeente:

sectie:

nummer:

Naam eigenaar

Adreseigenaar

Postcode en plaats

Telefoonnummer

Kwaliteitsklasse volgens bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart)

□ schoon

□ wonen

□ industrie

Watis het huidiggebruik van de locatie?

Watis het voormalig gebruik van de locatie?

Watis het toekomstig gebruik van de locatie?

Is op de locatie sprake van een geval van bodemverontreiniging waarvoor de provincie het bevoegd

gezag is?

□ geen Wbb locatie (of niet-ernstig)

□ Wbb locatie(ernstig), Wbb-code:

□ onbekend

Is er op de locatie een bedrijf gevestigd (geweest)?

□ nee

□ ja,namelijk

□ onbekend

Is/zijn er op de locatie gedempte sloten aanwezig?

□ nee

□ ja, zo ja, dan locatie aangeven op tekening

□ onbekend

Zijn er op de locatie opslagtanks en/of leidingen voor vloeibare brandstof aanwezig (geweest)?

□ nee

□ ja,zo ja, danlocatie aangeven op tekening

□ onbekend

Hebben er calamiteiten, morsingen of lekkages van vloeistoffen plaats gevonden?

□ nee

□ ja, zo ja, dan locatie aangeven op tekening

□ onbekend

Is de locatie in het verleden opgehoogd?

□ nee

□ ja, met

zo ja, danlocatie aangeven op tekening

□ onbekend

Zijn er opstallen met asbesthoudend materiaal aanwezig of gesloopt of is er in het verleden asbesthoudend materiaal

aanwezig geweest?

□ nee

□ ja, zo ja, danlocatie aangeven op tekening

□ onbekend

Is op de locatiebodemonderzoek verricht?

□ nee

□ ja, zo ja, dan bodemonderzoek bijvoegen

□ onbekend

GEGEVENS BOUWLOCATIE (vervolg)

Is er asbestverdacht materiaal waarneembaar op het maaiveld?

□ nee

□ ja,namelijk

Vinden er op naastgelegen percelen activiteiten plaats (of hebben plaatsgevonden) die tot bodemverontreiniging op de herkomstlocatie kunnen leiden?

□ nee

□ ja, namelijk

□ onbekend

Is er andereinformatie beschikbaar met betrekking tot

mogelijke bodemverontreiniging?

□ nee

□ ja, namelijk

Eventuele opmerking(en)

……………………………………………………………………………………………………………..……

……………………………………………………………………………………………………………..……

………………………………………………………………………………………………………………..…

………………………………………………………………………………………………………………..…

……………………………………………………………………………………………………………….…

Ondertekening initiatiefnemer

Naam:

…………………………………………………………………………………………………………..………………………………………………………………….

Plaats:

…………………………………………………………………………………………………………..………………………………………………………………….

Datum:

…………………………………………………………

Handtekening:

……………..………………………………………………………………….

Bijlage 6 Onderbouwing Lokale Maximale Waarden landbouwpercelen

Onderbouwing Lokale Maximale Waarden landbouwpercelen

Ter facilitering van de toepassing van baggerspecie uit de bebouwde kom op daarbuiten gelegen landbouwpercelen zijn Lokale Maximale Waarden voor de landbouwpercelen afgeleid. De afleiding heeft als volgt plaatsgevonden:

•De basis voor de LMW wordt gevormd door de kwaliteit van de baggerspecie uit de bebouwde kom (zone D, waterbodemkwaliteitskaart). Als maat voor de kwaliteit is de 80-percentielwaarde (P80) van zone D genomen. Door de 80-percentielwaarde in plaats van het gemiddelde gehalte als statistische basis te kiezen, wordt de betrouwbaarheid van de waterbodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor het toepassen van baggerspecie uit de bebouwde kom groter.

•Voor de parameters waarvan de 80-percentielwaarde kleiner is dan de achtergrondwaarde, is de achtergrondwaarde van de betreffende stof als LMW vastgelegd.

•Voor de parameters met een 80-percentielwaarde groter dan de achtergrondwaarde is de LMW nooit groter dan:

o de LAC-waarde

4LAC-waarde: dit betreft de waarden van de Landbouw Advies Comissie 2006. Dit zijn grenswaarden voor een (voedsel)veilige landbouw voor alle reguliere teelten. Voor de afleiding van de LMW is voor iedere stof de meest strenge LAC-waarde genomen.

, én

o de 95-percentielwaarde (P95) van de zone 'buitengebied' op de bodemkwaliteitskaart van de landbodem (bovengrond), én

o twee maal de achtergrondwaarde van de betreffende stof

Uitzondering is op deze regel is minerale olie. Hiervoor de LMW groter dan de 95-percentielwaarde van de zone buitengebied en gelijk aan twee maal de achtergrondwaarde. Voor minerale olie is bekend dat deze stof na rijping verder afbreekt. Een afbraak van een factor 2 of 3 is reëel

5Zie rapport: Landfarming of polycyclic aromatic hydrocarbons and mineral oil contaminated sediments, J. Harmsen, Alterra Scientific contributions 14, 2004, ISBN 90-237-03-41-2.

. Daarom wordt twee maal de achtergrondwaarde als LMW genomen: na afbraak zal het oliegehalte op het niveau van de achtergrondwaarde liggen of lager en zijn er niet meer risico's dan in de huidige situatie.

De afgeleide LMW zijn samengevat in de tabel B op de volgende bladzijde.

Toetsing risico's als gevolg van vaststelling LMW

Het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor dat bij vaststelling van LMW moet worden bepaald of sprake is van onaanvaardbare risico's. Dit moet gebeuren met de Risicotoolbox (www.risicotoolboxbodem.nl). Met de Risicotoolbox (RTB) zijn de risico-indices berekend van de in de tabel B opgenomen LMW voor bagger.

Wanneer de uitkomst van de RTB leidt tot een risico-index kleiner dan 1, dan is de bodem duurzaam geschikt voor gebruikt en de beoogde functie. Bij een risico-index groter dan 1 moet op basis van kennis van lokale blootstellingsroutes of anderszins worden gemotiveerd dat risico's afwezig zijn. De RTB is een landelijk model met generieke normen; lokaal kan de situatie afwijken en aanleiding geven de resultaten anders te interpreteren. Indien geen passende onderbouwing kan worden gegeven, moet de LMW worden verlaagd. Het resultaat van de berekening staat in de onderstaande tabel A. De niet genoemde stoffen hebben een risico-index kleiner dan 1.

Tabel A; resultaat berekeningen Risicotoolbox

Gebruik

Parameters met een risico-index > 1

Eco

Humaan

Landbouw

Landbouw zonder

boerderij of erf

Zink 1,32

Geen

Loodin tarwe 1,86

Loodin lever rundvee 1,24

Zink

Volgens de RTB-berekening is er voor zink kans op ecologische risico's. De RTB gaat echter uit van een 'gemiddeld' ecologisch beschermingsniveau. Bij de in gebruik zijnde landbouwpercelen op Voorne­ Putten past echter beter een 'matig' beschermingsniveau omdat er veelal geen natuurdoelen worden nagestreefd. In het NOBO-rapport6 dat ten grondslag aan de RTB ligt, zijn in bijlage 6 de specifieke normen voor ecologische doelstellingen gedefinieerd. Bij een matig ecologisch beschermingsniveau past een zinkgehalte van 350 mg/kg. De LMW voldoet hieraan.

Lood

De LMW voor lood voldoet aan de LAC-waarde. De LAC-waarden zijn voor de landbouw opgesteld om een norm te hebben voor een voedselveilige productie. Bij gehalten onder de LAC-waarden zijn er geen risico's voor de voedselveiligheid. De LAC-waarden worden dan ook als maatgevend beschouwd voor de bepaling van de LMW-waarde en niet de uitkomst van de RTB. Daarbij speelt dat de LMW voor lood gelijk is aan twee maal de achtergrondwaarde. Schone grond mag tot twee maal de achtergrondwaarde aan lood bevatten (mits de overige parameters ook aan de eisen voor schone grond voldoen).

Op grond van bovenstaande motivering wordt geconcludeerd dat de vastgestelde LMW niet tot risico's leiden voor percelen met een landbouwbestemming.

Tabel B: Lokale maximale waarden voor landbouwpercelen

Parameter

P80 bagger

bebouwde kom (zone DJ

LAC-

waarde

P95 zone

buiten- gebied

Achter-

grond- waarde

LMW landbouw

(mg/kg)11

LMWis gelijk aan21

Arseen (As)

14

50

22

20

20

AW

Barium (Ba)

134

n.b.

134

190

190

AW

Cadmium (Cd)

0,64

2

0,78

0,6

0,78

P95

Chroom (Cr)

34

180

67

55

55

AW

Cobalt (Co)

12

n.b.

11

15

15

AW

Koper (Cu)

34

160

49

40

40

AW

Kwik (Hg)

0,22

2

0,33

0,15

0,3

2xAW

Molybdeen (Mb)

1,3

n.b.

2,1

1,5

1,5

AW

Nikkel (Ni)

33

50

37

35

35

AW

Lood (Pb)

70

200

124

50

100

2xAW

Zink (Zn)

235

350

264

140

264

P95

PCB (7) (som, 0.7 factor)

0,004

0,1

0,0276

0,02

0,02

AW

PAK-totaal (0.7 factor)

2,48

3,4

6,7

1,5

3

2xAW

Minerale olie (total)

266

n.b.

239

190

380

2xAW

1) De LMW betreffen naar standaard bodem (10% organische stof en 25% lutum) omgerekende gehalten

2) AW: achtergrondwaarde

P95: 95-percentielwaarde zone buitengebied

Bijlage 7 Stappenschema's melding grondverzet

Stappenschema B1: melding grondverzet nieuwbouw locaties met bodemonderzoek

Stappenschema B2: melding grondverzet nieuwbouw locaties zonder bodemonderzoek

Stappenschema Cl: melding grondverzet civiele werken locaties met bodemonderzoek

Stappenschema C2: melding grondverzet civiele werken locaties zonder bodemonderzoek

Stappenschema S1: melding grondverzet bodemsanering

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.