Bijlage 1 Uitleg externe veiligheid
Wat is externe veiligheid?
Externe veiligheid gaat over de risico’s die ontstaan door het vervoer, opslag, gebruik en productie van gevaarlijke stoffen en het in werking hebben van windturbines en burgerluchthavens. Bij een ongeval met een dergelijke activiteit kunnen er levensbedreigende effecten in de omgeving optreden zoals warmtestraling door een brand, overdrukeffecten door een explosie of vergiftiging door het vrijkomen van een gifwolk. De kans op een ongeval is erg klein, maar de effecten voor mensen in de omgeving kunnen enorm zijn. Dit betekent dat we voldoende afstand moeten houden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en bijvoorbeeld woon-, werk- en recreatiegebieden óf beschermende maatregelen moeten nemen als afstand houden niet mogelijk is.
We kennen binnen externe veiligheid vijf soorten risicovolle activiteiten waarvoor regels gesteld worden:
Transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen
Opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen
Windturbines, met de kans op het afbreken van een blad, gondel of mast
Burgerluchthavens, met de kans op een ongeval met een vliegtuig
Om te beoordelen of voldoende afstand wordt aangehouden of voldoende beschermende maatregelen zijn genomen, werden er voor de invoering van de Omgevingswet twee risicomaten toegepast; het plaatsgebonden risico (zie B1.4) en het groepsrisico (zie B1.5).
Milieubelastende activiteiten
Onder de Omgevingswet kennen we het begrip milieubelastende activiteit (mba). Deze mba’s worden aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal staan ook alle algemene rijksregels die gelden voor deze mba’s. Dit besluit regelt ook de meldings- of vergunningsplicht per mba en de bijhorende inhoudelijke regels. De mba’s die relevant zijn vanuit externe veiligheid noemen we risicovolle mba’s en zijn te herleiden uit bijlage VII t/m IX van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Kwetsbare gebouwen en locaties
Onder de Omgevingswet kennen we de volgende functies die bescherming behoeven: zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties, beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties. Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie is gekeken naar de volgende kenmerken:
•Het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is;
•De aanwezigheidsduur van personen;
•In hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een ongeval.
In bijlage VI van het Bkl worden deze gebouwen en locaties aangewezen. Bij zeer kwetsbare gebouwen gaat het bijvoorbeeld om de volgende functies (zie onderdeel E uit de desbetreffende bijlage):
•Woonfunctie voor 24-uurszorg;
•Kinderopvang
•Dagverblijf van personen met een lichamelijke of geestelijke beperking;
•Gebouwen met een celfunctie
•Gezondheidszorgfunctie met bedgebied
•Basisonderwijs
•Onderwijs aan minderjarigen met een lichamelijke of geestelijk beperking
Het plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Het plaatsgebonden risico mag niet groter zijn dan 1 op de miljoen jaar (10-6). Dit betekent dat binnen dit plaatsgebonden risicocontour rondom een risicovolle activiteit geen (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties zijn toegestaan. Voor die gebouwen en locaties is dit een grenswaarde. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties zijn binnen de 10-6 plaatsgebonden risicocontour alleen toegestaan met goede motivering. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour geldt dan als standaardwaarde.
Het aandachtsgebied
Onder de Omgevingswet kent elke risicovolle activiteit (mba) een of meerdere aandachtsgebieden. Het aandachtsgebied is het gebied waarbinnen mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende zijn beschermd tegen de levensbedreigende effecten van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een brandaandachtsgebied (BAG), explosieaandachtsgebied (EAG) en een gifwolkaandachtsgebied (GAG).
De gemeente moet in het omgevingsplan regelen hoe ze omgaan met het groepsrisico, dus hoe zij groepen mensen gaan beschermen tegen de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen (in overeenstemming met artikel 5.15 van het Bkl). Het groepsrisico (GR) is de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit met gevaarlijke stoffen (of met een vliegtuig of windturbine).
Voor een aantal risicovolle mba’s en voor transportroutes is de omvang van de aandachtsgebieden in bijlage VII tot en met IX van het Bkl vastgesteld met een vaste afstand. Vaste afstanden (bijlage VII Bkl onder A, B en C) gelden bijvoorbeeld voor: het tanken van LPG, propaantanks (waarvoor geen vergunningplicht geldt) en routes die onderdeel uitmaken van het landelijke Basisnet. Voor andere (meer complexe) activiteiten en voor buisleidingen moet de omvang van de aandachtsgebieden berekend worden. Activiteiten waarvoor de aandachtsgebieden worden berekend (Bijlage VII Bkl onder D en E) zijn bijvoorbeeld: buisleidingen, propaantanks >13 m3 en Seveso-bedrijven.
Het voorschriftengebied
Een voorschriftengebied kan een deel van óf het gehele aandachtsgebied zijn. We wijzen in dat geval een locatie aan binnen een (brand- of explosie) aandachtsgebied als (brand-of explosie) voorschriftengebied in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Daarin staan eisen over de brandwerendheid van gebouwen, vluchtroutes en over de scherfwerking van het glas van gebouwen. Deze maatregelen hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Bij de omgevingsvergunning gedeelte bouw wordt getoetst of de gebouwen voldoen aan de eisen van een brand, - of explosievoorschriftengebied. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als we geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan hebben aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Het is aan ons om af te wegen of aanvullende maatregelen nodig zijn om de mensen in (beperkt) kwetsbare gebouwen voldoende te beschermen tegen de gevolgen van een brand en/of explosie. Een bouwkundige maatregel is één van de mogelijke maatregelen. Voor het gifwolkaandachtsgebied geldt geen voorschriftengebied.
Het risicogebied
Het is mogelijk om rondom zware risicovolle stationaire activiteiten (uit bijlage VII van het Bkl, onder E, onder 3 t/m 5.2, 6 t/m 9 en 11 t/m 13) zogenaamde risicogebieden aan te wijzen (art. 5.16 Bkl). Een risicogebied wordt meestal rondom een cluster van dergelijke activiteiten aangewezen waarbinnen ook activiteiten kunnen liggen die niet onder E van bijlage VII van het Bkl vallen. Een risicogebied is bedoeld om bedrijven met ruimtelijke impact (plaatsgebonden risicocontour en aandachtsgebieden) ruimte te geven om uit te breiden. De geometrische begrenzing dient te worden vastgelegd in het omgevingsplan. Het hele chemische cluster wordt benaderd als één risicovolle activiteit met één 10-6 plaatsgebonden risicocontour die is gelegen op de begrenzing van het risicogebied. Hierbinnen zijn zeer kwetsbare gebouwen niet toegestaan. (Beperkt) kwetsbare gebouwen met een functionele binding worden toegelaten als die al zijn toegestaan op het tijdstip van het aanwijzen van het gebied. Binnen een risicogebied hebben bedrijven wel hun eigen aandachtsgebieden. Rondom het risicogebied kan ook een maximale contour van aandachtsgebieden gelegd worden. De toepassing van artikel 5.15 Bkl (rekening houden met groepsrisico) is alleen verplicht in dat deel van het aandachtsgebied dat buiten het risicogebied ligt.
Bruidsschat
Momenteel staan er een aantal bruidsschatregels (voorheen rijksregels) over externe veiligheid in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Deze regels kunnen gemeenten schrappen of, eventueel na aanpassing, behouden en overzetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Onderstaand is per regel aangegeven hoe het nu is geregeld en wat er verandert.
Propaan/propeen: Met de komst van de Omgevingswet wordt er voor het vergunningsplichtig zijn van de milieubelastende activiteit ‘het opslaan van propaan of propeen’ geen onderscheid meer gemaakt in het aantal tanks. Het opslaan van propaan of propeen (brandbare gassen) in een opslagtank met een inhoud van meer dan 150 liter is een milieubelastende activiteit (art. 3.21 van het Bal). Bij het opslaan van meer dan 13 m3 propaan of propeen in een opslagtank is sprake van een vergunningplicht (art. 3.22 Bal). De vergunningplicht voor het opslaan van propaan of propeen in meer dan twee opslagtanks is niet overgenomen in het Bal. Wel is de vergunningplicht overgenomen in art. 22.262 van de Bruidsschat. Dit betekent dat het opslaan van propaan of propeen in meer dan twee opslagtanks bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in eerste instantie nog vergunningsplichtig is.
LPG-tankstation: Het bieden van gelegenheid voor tanken van LPG is in het Bal aangewezen als een milieubelastende activiteit (art. 3.272). De vergunningplicht blijft slechts gelden voor het tanken van vaartuigen of drijvende werktuigen met LPG (art. 3.273 onder b Bal). De vergunningplicht voor het afleveren van LPG voor de overige activiteiten is niet overgenomen in het Bal. Wel zijn de vergunningplichten overgenomen in de bruidsschat (art. 22.263). Dit betekent dat deze activiteiten bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in eerste instantie nog vergunningplichtig zijn. Daarnaast gelden voor het tanken van motorvoertuigen de voorschriften uit het Bal (§ 4.35).
Brandbestrijding: In het Bbl zijn de artikelen over bluswatervoorziening, bereikbaarheid hulpdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen uit het Bouwbesluit 2012 niet meer opgenomen. De regels komen wel terug in de volgende artikelen van de bruidsschat: art. 22.13 Bluswatervoorziening, art. 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten en art. 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.