Aanhef
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen;
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 1:61 lid 1, 1:65 lid 1 en 4, 1:66 en 1:72 lid 1 van de Wet kinderopvang;
Besluiten vast te stellen:
De Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang Vlaardingen 2021
5. Aanvraag tot exploitatie
5.1. Nieuwe voorziening
5.1.1. Illegale kinderopvang
Zonder, of voorafgaand aan de schriftelijke toestemming tot exploitatie mag een kinderopvangvoorziening niet geëxploiteerd worden. Indien dit toch gebeurt, wordt dit ook wel aangeduid met illegale kinderopvang. De gemeente Vlaardingen treedt streng op tegen illegale opvang. Illegale opvang is op grond van de Wet Economische Delicten reden voor aangifte bij het Openbaar Ministerie
4Het exploiteren van een kinderopvangvoorziening zonder toestemming van het college is strafbaar gesteld. Dit is een economisch delict (artikel 1 lid 2 Wet op de economische delicten).
of het opleggen van een bestuurlijke boete door de gemeente. Wanneer het OM aangeeft niet te vervolgen of de bestraffing aan het college over te laten, kan het college (alsnog) overgaan tot het opleggen van een bestuurlijke boete.
Ook bij een kinderopvangvoorziening waarvan de toestemming tot exploitatie is ingetrokken en die desondanks in exploitatie blijft, is sprake van illegale opvang met dezelfde gevolgen als hiervoor beschreven.
5.1.2. Startdatum exploitatie
Op basis van het onderzoek voor registratie neemt de gemeente een beslissing op de aanvraag. In de beslissing op de aanvraag wordt aangegeven vanaf welke datum de exploitatie mag starten op grond van de Wet kinderopvang.
5.1.3. Onderzoek na registratie
Binnen drie maanden na de registratiedatum beoordeelt de toezichthouder of de kinderopvangvoorziening (niet zijnde een voorziening voor gastouderopvang) in de praktijk aan de kwaliteitseisen voldoet. Hierbij wordt met name gekeken naar de uitvoeringspraktijk van het veiligheids-, gezondheids- en pedagogisch beleid, de inzet van het personeel en de wijze waarop de kinderen worden opgevangen.
5.1.4. Mogelijkheden na afwijzing aanvraag tot exploitatie
Wanneer een aanvraag tot exploitatie is afgewezen, kan de houder een nieuwe aanvraag indienen. Om een nieuwe aanvraag te kunnen indienen, moet er sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze moeten door de houder bij de nieuwe aanvraag worden vermeld. Alleen als dat het geval is, wordt een nieuwe aanvraag in behandeling genomen.
5.3. Verhuizing
5.3.1. Verhuizing van een kindcentrum of voorziening voor gastouderopvang
Wanneer een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verhuist moet dit in behandeling worden genomen als zijnde een nieuwe aanvraag.
Bij de gemeente wordt ingediend:
•Voor het nieuwe kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang of voorziening voor gastouderopvang een aanvraag tot exploitatie (inschrijving). Dat betekent dat ook bij een verhuizing conform de werkwijze Streng aan de Poort wordt getoetst. Naleving van de kwaliteitseisen bij andere opvanglocaties of voorzieningen voor gastouderopvang en de handhavingshistorie van de houder wordt meegewogen.
•Voor het oude kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang of voorziening voor gastouderopvang een wijzigingsverzoek tot intrekken toestemming exploitatie (uitschrijving). Hierbij moet de aanvrager op het wijzigingsformulier vermelden dat het een verhuizing betreft. Voor een wijziging is de beslistermijn voor de gemeente 8 weken.
5.3.2. Verhuizing van een gastouderbureau
Wanneer een gastouderbureau (GOB) verhuist, geldt een andere procedure. Wettelijk is vastgelegd dat een GOB geen nieuwe aanvraag tot exploitatie hoeft in te dienen wanneer het adres van een GOB wijzigt.
Bij de gemeente wordt ingediend:
•Een wijzigingsverzoek tot wijziging van het vestigingsadres.
Indien de verhuizing naar een andere gemeente is, moet het wijzigingsverzoek gestuurd worden naar de huidige gemeente van vestiging. Deze stuurt het verzoek door (na verwerking in het LRK), waarna de beoogde gemeente van vestiging een besluit zal nemen over het verzoek. Die gemeente kan de GGD vragen advies uit te brengen over het verzoek alvorens dat besluit te nemen.
6. Handhaving
6.2. Maatwerk in handhaving
6.2.1. Herstellend en/of bestraffend handhaven
De gemeente heeft de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven.
In aansluiting op onze visie, zoals beschreven in hoofdstuk 3, kiest de gemeente Vlaardingen voor de volgende aanpak:
•Zolang een overtreding nog openstaand is, zal de gemeente altijd aansturen op herstel, om zo de veiligheid van de kinderen en verantwoorde opvang te borgen. Herstellend betekent dat de gemeente de houder er toe aanzet de overtreding van een kwaliteitseis op te heffen en opgeheven te houden.
•Naast het herstellen van de overtreding, kan de gemeente een bestuurlijke boete geven voor overtredingen. Er kan ook last onder dwangsom worden opgelegd een boete worden opgelegd wanneer een herstellend instrument niet nageleefd wordt. De last onder dwangsom heeft een signaalfunctie en hiervan gaat een preventieve werking uit.
Herstellend en bestraffend kan naast elkaar ingezet worden.
Naast bovenstaande formele (herstellende of bestraffende) handhaving kan de gemeente Vlaardingen ook een waarschuwing afgeven, als informeel middel en milde maatregel bij overtredingen met laag risico. Het herstel wordt vervolgens in een eerstvolgend regulier onderzoek van de GGD gecontroleerd.
Voor een gastouderbureau buiten de gemeente geldt dat hier geen aanwijzing kan worden opgelegd (Wko art. 1.65 lid 1). In plaats daarvan zal in principe bij een overtreding van een gastouderbureau buiten de gemeente als eerste (herstellende) maatregel een waarschuwing (met hersteltermijn) worden verstuurd, waarop bij geen herstel binnen de termijn vervolgens een (voornemen) last onder dwangsom kan volgen als handhavingsmaatregel. Met uitzondering van de aanwijzing kunnen bij een gastouderbureau buiten de gemeente de overige informele en formele
handhavingsmaatregelen (vanuit de Awb en Wko) wel ingezet worden, zowel herstellend als bestraffend. Afhankelijk van het risico en de situatie, kan de gemeente Vlaardingen ook de gemeente waar het gastouderbureau gevestigd is informeren en verzoeken handhavend op te treden.
6.2.2. Escalatieladder
In beginsel start een herstellend handhavingstraject met een aanwijzing met een hersteltermijn.
Na de hersteltermijn vindt een nader onderzoek plaats.
Blijkt uit het nader onderzoek dat de kwaliteitseis(en) nog niet of niet volledig worden nageleefd en/of is er vrees voor herhaling van de overtreding(en), dan zal er een afweging plaatsvinden over een vervolgstap in de handhaving. Dit is doorgaans het opleggen van een last onder dwangsom.
Leidt ook deze stap niet tot (volledige) naleving dan zal wederom een afweging over een vervolgstap plaatsvinden. In dat geval ligt een (verhoogde) last onder dwangsom of een exploitatieverbod voor de hand. Het uiterste middel binnen een herstellend traject is het intrekken van de toestemming tot exploitatie en verwijdering van de registratie uit het LRK.
Tegelijktijdig met een herstellend traject kan er zoals in 6.2.1. beschreven is ook een bestraffend traject worden ingezet. Dit is een bestuurlijke boete. De boete kan opgelegd worden voor het overtreden van een bepaalde kwaliteitseis. Ook kan de boete opgelegd worden voor het niet opvolgen van een aanwijzing, een bevel of exploitatieverbod, het niet meewerken aan een vordering van de toezichthouder, illegale opvang of het niet tijdig doorgeven van een wijziging.
6.2.3. Handhavingsafwegingen
Om te komen tot de uiteindelijke beoordeling van de situatie en de in te zetten handhaving worden meerdere afwegingen gemaakt om te bepalen of en zo ja welke actie nodig is. Deze beoordeling van deze afwegingen kan leiden tot gemotiveerd afwijken van de reguliere escalatieladder. Het college kan besluiten om een bepaalde stap of bepaalde stappen in het handhavingstraject over te slaan dan wel meerdere keren toe te passen.
Voor zowel de herstellende als de bestraffende handhaving worden onder andere de volgende afwegingen gemaakt:
•Is er herstelaanbod geweest en met welk resultaat?
•Wat is de ernst van de overtreding ( en inschatting van de directe (negatieve) consequenties voor de veilige, gezonde en pedagogische goed opvang) ?
•Wat is de ernst van de overtreding?
•Hoeveel overtredingen zijn er totaal?
•Betreft het een herhaalde overtreding( op deze locatie of van deze houder)?
•Wat zijn de omstandigheden waaronder de overtreding begaan is?
•Komt de overtreding voort uit economisch belang (financieel voordeel van de houder)?
6.2.4. Hersteltermijn/begunstigingstermijn
De gemeente geeft de houder bij een op herstel gericht handhavingsmaatregel altijd een termijn om de overtreden kwaliteitseis alsnog na te leven. Dit heet de herstel- of de begunstigingstermijn. De hersteltermijn of begunstigingstermijn van een herstellende maatregel is afgestemd op een redelijke tijd die nodig is om de overtreding te beëindigen en herhaling te voorkomen. Bij de bepaling van de termijn wordt rekening gehouden met de aard en de ernst van de overtreding, waarbij het uitgangspunt is dat de overtreding zo spoedig mogelijk moet worden opgeheven. Zo zullen overtredingen die direct invloed hebben op de kwaliteit van de opvang en daarmee de veilige en gezonde omgeving, of die direct invloed hebben op de ontwikkeling van de kinderen, over het algemeen een korte hersteltermijn kennen. Bij recidive kan de hersteltermijn verkort worden.
Als uitgangspunt worden door de gemeente Vlaardingen de volgende termijnen gehanteerd:
a.maximaal twee weken voor herstel van overtredingen met gevolgen voor de directe veiligheid, gezondheid of pedagogisch welbevinden van de kinderen in de dagelijkse opvangpraktijk ofwel van overtredingen van kwaliteitseisen met een hoge prioriteit;
b.maximaal twee maanden voor herstel of wijziging van beleidsvoering en administratieve vereisten die redelijkerwijs moeten leiden tot verantwoorde kinderopvang ofwel van overtredingen van kwaliteitseisen met een gemiddelde prioriteit;
c.maximaal zes maanden voor herstel van andere overtredingen die geen directe gevolgen hebben voor de veilige en gezonde omgeving van de kinderen of wel van overtredingen van kwaliteitseisen met een lage prioriteit.;
De hersteltermijn zal met deze uitgangspunten bij elk handhavingsbesluit aan de hand van de specifieke situatie worden bepaald.
6.3. Handhavingsmiddelen
6.3.1. De aanwijzing (art 1.65 lid 1 Wko)
De aanwijzing wordt door de gemeente Vlaardingen doorgaans ingezet als eerste stap in het handhavingstraject. In een aanwijzing wordt aangegeven op welke punten de bedoelde voorschriften niet of in onvoldoende mate worden nageleefd. Ook wordt aangegeven welke maatregelen door de houder genomen moeten worden. Daarvoor krijgt de houder een hersteltermijn. Afhankelijk van de ernst en/of de gevolgen van de overtreding en de tijd die nodig is om de overtreding te beëindigen, zal deze hersteltermijn korter of langer zijn.
Na afloop van de hersteltermijn kan de gemeente de GGD opdracht geven om een nader onderzoek uit te voeren om te beoordelen of de overtreding van de kwaliteitseis is beëindigd.
6.3.2. De last onder dwangsom (LOD) (art 125, lid 2 Gemeentewet, art 5:32 AwB)
De last onder dwangsom is een herstelmaatregel die doorgaans wordt gegeven na het niet opvolgen van een aanwijzing. Of indien in het verleden al eerder een aanwijzing voor eenzelfde overtreding gegeven is. Een last onder dwangsom kan ook preventief worden opgelegd. Van een preventieve last is sprake als de last wordt opgelegd voordat enige overtreding heeft plaatsgevonden maar waarvoor het gevaar van de overtreding klaarblijkelijk dreigt.
Met een last onder dwangsom krijgt een houder wederom de plicht (last) opgelegd om een overtreding van een kwaliteitseis te herstellen binnen een aangegeven (begunstigings-)termijn en daarna hersteld te houden.
Na afloop van de begunstigingstermijn geeft de gemeente de GGD opdracht om te controleren of de houder aan de last heeft voldaan. Wanneer de houder niet of niet op tijd herstelt verbeurt de dwangsom van rechtswege en moet de houder deze betalen.
Een last onder dwangsom kan - na vollopen van de last - meerdere keren worden opgelegd voor een geconstateerde overtreding, wanneer deze niet tot resultaat heeft geleid. Er kan ook overwogen worden een nieuwe, hogere last onder dwangsom op te leggen middels een nieuw besluit. Of er kan overgegaan worden tot een volgende stap in het herstellend handhavingstraject.
De gemeente stelt de hoogte van de dwangsom als volgt vast:
* Het bedrag is principe gelijk (zie verzachtende/verzwarende omstandigheden) aan het bedrag dat in het afwegingsmodel staat genoemd als boete.
Een dwangsom kan worden opgelegd:
•Als bedrag ineens.
In dat geval wordt er na de begunstigingstermijn eenmalig beoordeeld of wel of niet aan de opgelegde last is voldaan en of de dwangsom dus wel of niet is verbeurt.
•Per constatering van een overtreding.
Hierbij wordt na de hersteltermijn de dwangsom verbeurt elke keer wanneer (door of namens de gemeente) geconstateerd wordt dat de houder de last overtreedt. Er wordt in dit geval wel een maximumbedrag aan gekoppeld, welke in het besluit is opgenomen.
•Per periode dat de last wordt overtreden.
Hierbij wordt na de hersteltermijn per in het besluit aangegeven periode beoordeelt of wel of niet aan de last is voldaan en of deze derhalve is verbeurt of niet. Ook deze vorm is aan een maximum bedrag verbonden. Deze wordt ook in het besluit genoemd. Deze vorm van de last onder dwangsom wordt bij zogenaamde voortdurende overtredingen opgelegd. Dat zijn overtredingen die onafgebroken gedurende een langere periode aanhouden, zoals dat bijvoorbeeld bij een beleidsdocument het geval kan zijn.
Het betalen van de dwangsom kan voorkomen worden door tijdig herstellen en hersteld houden van de overtreding.
De houder waaraan een last onder dwangsom is opgelegd, kan, indien een jaar nadat de last van kracht is geworden geen overtreding van de betreffende kwaliteitseis is geconstateerd, verzoeken om de last op te heffen.
6.3.3. Last onder bestuursdwang (LOB) (artikel 125 lid 2 Gemeentewet, art.5:21 Awb)
Bij een last onder bestuursdwang wordt de houder gemaand de overtreding op te heffen. Indien de houder dit niet of niet tijdig doet, neemt de gemeente bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. De kosten die hierbij gemaakt worden zijn voor rekening van de houder.
6.3.4. Het exploitatieverbod (art 1.66 Wko)
Bij een exploitatieverbod verbiedt de gemeente de houder om de voorziening in exploitatie te nemen of te houden. Dit is een zwaar handhavingsmiddel vanwege de verstrekkende gevolgen voor de houder, de ouders en de kinderen. Een belangrijke afweging bij het wel of niet opleggen van een exploitatieverbod is: is de kwaliteit dermate onder de maat dat er redelijkerwijs niet langer gesproken kan worden van verantwoorde kinderopvang? Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij veel overtredingen ineens, maar ook na langdurige handhaving waarbij verbeteringen telkens uitblijven of minimaal zijn en/of waarbij overtredingen zich in de loop van de tijd opstapelen.
De gemeente Vlaardingen kan een houder in de volgende gevallen een exploitatieverbod op leggen:
-Zolang de houder een bevel of aanwijzing niet opvolgt (en het opleggen van een last onder bestuursdwang niet mogelijk is);
-Zolang de situatie zich voordoet dat het kindercentrum, de voorziening voor gastouderopvang of het gastouderbureau naar verwachting niet dan wel niet langer aan de bij of krachtens de artikelen 1.48d, 2e en 3e lid, en 1.49 tot en met 1.59 gegeven voorschriften (uit Wko) zal voldoen, zoals uit een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 Wko of anderszins blijkt.
Bij het exploitatieverbod stelt de gemeente een maximale termijn. Dit is geen hersteltermijn zoals eerder in paragraaf 6.2.4. beschreven.
Zodra de houder de maatregelen uit het exploitatieverbod of het eventueel daaraan voorafgaande bevel of de aanwijzing heeft opgevolgd, dient hij de gemeente daarover schriftelijk te berichten. De houder geeft in dat bericht een opsomming van de genomen maatregelen waaruit moet blijken dat hij aan de kwaliteitseisen zal gaan voldoen. De gemeente kan de GGD opdracht geven om naar aanleiding van deze melding op korte termijn te onderzoeken of de kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen van de Wko en onderliggende regelgeving. Hierna informeert de gemeente de houder of het verbod nog blijft gelden.
Indien bij het verstrijken van de gestelde termijn de kwaliteitseisen niet voldoende worden nageleefd, volgt het besluit tot intrekken van de toestemming tot exploitatie. De houder kan ook zelf verzoeken de gemeente de gegeven toestemming tot exploitatie in te trekken.
6.3.5. Intrekken toestemming tot exploitatie in vervolg op handhaving (art. 1.46 lid 5 en lid 6 en art. 1.47a Wko en art. 8 lid 1 en 6 Besluit landelijk register kinderopvang en register buitenlandse kinderopvang)
Er zijn verschillende gronden waarop, in het kader van handhaving, de toestemming tot exploitatie kan worden ingetrokken:
-Indien uit een onderzoek als bedoeld in art 1.62, tweede tot en met vijfde lid Wko, of anderszins blijkt dat de exploitatie niet langer in overeenstemming is met de bij of krachtens de artikelen 1.47, eerste lid, en 1.48d tot en met 1.60 Wko gestelde regels, of blijkt dat de geregistreerde voorziening (kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang , gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang) niet langer voldoet aan de definities van de Wko.
-Indien is gebleken dat de houder de kinderopvangvoorziening niet langer exploiteert ( en er geen wijziging van de houder van dat kindcentrum, gastouderbureau of voorziening van gastouderopvang heeft plaatsgevonden)
-indien de exploitatie van de voorziening drie maanden na de inschrijving in het LRK niet daadwerkelijk is aangevangen.
Het intrekken van de toestemming tot exploitatie is een uiterste handhavingsmiddel. Dit wordt alleen ingezet wanneer de andere hiervoor genoemde handhavingsmiddelen onvoldoende een herstellend effect op de kwaliteit van de kinderopvang hebben gerealiseerd. De gemeente zal in de basis een zo licht mogelijk handhavingsmiddel inzetten om het doel (herstel) te bereiken (subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel). Het intrekken van de toestemming tot exploitatie vanwege het niet of niet langer voldoen aan de wettelijke voorschriften wordt ingezet wanneer eerder ingezette handhavingsmiddelen zoals een aanwijzing, last onder dwangsom of een exploitatieverbod niet het beoogde (blijvende) herstellende effect hebben. Uitzonderingen hierop zijn de situaties zoals hierboven beschreven onder de tweede en derde bullet.
Wanneer de toestemming tot exploitatie is ingetrokken, wordt de voorziening uit het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) verwijderd. Dit betekent dat er geen sprake meer is van kinderopvang in de zin van de wet. Er mag geen opvang of bemiddeling meer plaatsvinden. Voortzetten van exploitatie leidt tot illegale opvang en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet Economische Delicten.
De gemeente publiceert het intrekken van de toestemming tot exploitatie en de uitschrijving uit het LRK in de gemeenteberichten (niet wanneer dit een voorziening voor gastouderopvang betreft).
6.3.6. De bestuurlijke boete (hierna: boete) (art 1.72, lid 1 Wko)
Een boete bestraft een overtreding die in het verleden begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. Een boete kan gelijktijdig opgelegd worden met een aanwijzing, een last onder dwangsom of een exploitatieverbod.
Een boete is onvoorwaardelijk en moet altijd worden betaald. Het is, in tegenstelling tot de andere hierboven behandelde maatregelen, een punitieve (bestraffende) sanctie. De boete verschilt daarin van de dwangsom. Bij de dwangsom kan het betalen van het bedrag namelijk worden voorkomen door de overtreding tijdig te herstellen en hersteld te houden. Bij de boete is dat niet het geval.
Een boete kan door de gemeente Vlaardingen worden opgelegd bij:
-Het overtreden van de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving;
-Het niet opvolgen van een bevel of aanwijzing;
-Niet meewerken aan een verzoek van een toezichthouder of het bewust verkeerd informeren van een toezichthouder;
-Het starten van de exploitatie, voor de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie.
-Het niet tijdig melden van wijzigingen van de in het LRK geregistreerde gegevens;
-Het overtreden van een exploitatieverbod.
Hoogte van een boete en grootte van de organisatie
De Wet kinderopvang geeft de gemeente de bevoegdheid om voor een overtreding / het niet naleven van een kwaliteitseis uit de Wko een boete op te leggen van maximaal €45.000. Voor de hoogte van boetes zijn in het afwegingsoverzicht normbedragen opgesteld.
Deze normbedragen zijn qua hoogte afgestemd op de prioritering van de kwaliteitseisen. Een overtreding van een kwaliteitseis met hoge prioritering betekent dat er ook in algemene zin sprake is van een ernstige overtreding, terwijl er sprake is van minder ernstige overtredingen in geval van overtredingen van kwaliteitseisen met een lagere prioritering (gemiddeld, laag.
Per prioritering gelden de volgende maximale normbedragen:
Prioritering
Normbedrag boete per overtreding?
Hoog
Maximaal € 8.000,--
Middel
Maximaal € 3.000,--
laag
Maximaal € 1.500,--
Proportionaliteit en een goede dosering zijn een belangrijk uitgangspunt bij handhaving. Gemeente Vlaardingen hanteert daarom vier categorieën waar de boetebedragen op worden afgestemd:
1Grote organisaties: een totale capaciteit van meer dan 150 kindplaatsen / bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.
2Middelgrote organisaties: een totale capaciteit van 51 tot en met 150 kindplaatsen / bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.
3Kleine organisaties: een totale capaciteit van minder dan 51 kindplaatsen / bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.
4Voorzieningen voor gastouderopvang.
Ad 1. Voor een grote organisatie geldt het volledige normbedrag zoals opgenomen in het afwegingsmodel handhaving (zie bijlage).
Ad 2. Voor een middelgrote organisatie is twee derde van het normbedrag de richtlijn.
Ad 3. Voor een kleine organisatie is dat één derde deel.
Ad 4. Voor voorzieningen voor gastouderopvang is dat één vijfde deel van het normbedrag. Dit geldt niét voor die voorwaarden in het afwegingsmodel waar specifiek gastouder staat vermeld. Daar is de hoogte van de som al afgestemd op deze voorziening.
Bij de bepaling van de grootte van de organisatie is de registratie in het LRK op het moment van begaan van de overtreding het uitgangspunt. Hierbij wordt over gemeentegrenzen heen gekeken.
Na bepaling van de categorie en het bijbehorende normbedrag kan er een verlaging of verhoging van het bedrag van toepassing zijn, afhankelijk de ernst van het feit de verwijtbaarheid of de omstandigheden van het geval, de eventuele verzachtende of verzwarende omstandigheden.
Verzachtende en verzwarende omstandigheden
Verzachtende omstandigheden
De gemeente Vlaardingen verlaagt de op te leggen boete indien de omstandigheden hier aanleiding toe geven. Hiervan kan onder andere sprake zijn:
•Bij het gedeeltelijk (alsnog) opvolgen van een aanwijzing (in geval de boete was opgelegd in verband met het niet opvolgen van een aanwijzing)
•In bijzondere omstandigheden (waarin bij vaststelling van deze beleidsregels niet is voorzien) waarbij de belanghebbende aannemelijk maakt dat - èn naar oordeel van het college - op grond van:
o de ernst van de overtreding;
o de mate van verwijtbaarheid;
o de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan of;
o de omstandigheden waarin de overtreder verkeert,
boeteoplegging volgens deze beleidsregels onevenredig is.
Verzwarende omstandigheden
De gemeente Vlaardingen verhoogt de boete indien de omstandigheden hier aanleiding toe geven. Hiervan kan sprake zijn onder andere bij :
•Herhaling van de overtreding (recidive). de herhaalde overtreding op dezelfde locatie van de houder – waarvoor destijds een boete is opgelegd - wordt bestraft met een boete van resp. anderhalf (bij de eerste herhaling van de overtreding) en twee maal (bij de daarna volgende herhaalde overtredingen) het in het afwegingsoverzicht opgenomen boetebedrag.
Wanneer er meerdere overtredingen zijn waar een boete voor wordt opgelegd, worden de bedragen bij elkaar opgeteld tot één bedrag.
Als een boete per onderdeel is vastgesteld, is de som van deze bedragen nooit hoger dan het boetebedrag voor het in zijn geheel niet voldoen aan de kwaliteitseis. Wanneer bijvoorbeeld meerdere onderdelen van het pedagogisch plan ontbreken, kan de totale bestuurlijke boete nooit hoger worden dan het boetebedrag voor het totaal ontbreken van het pedagogisch beleidsplan.
6.4. Handhaving na herstelaanbod
6.4.1. Herstelaanbod gedaan met positief resultaat
Na herstelaanbod heeft de toezichthouder geconstateerd dat de overtreding is verholpen. De gemeente Vlaardingen zal in dat geval geen herstellend handhavingstraject meer starten, de overtreding is immers verholpen. De gemeente kan alsnog wel een bestraffende sanctie (bestuurlijke boete) opleggen, aangezien tijdens het eerste inspectiebezoek deze overtreding van de wettelijke eisen wel is geconstateerd. Dit is afhankelijk van o.a. de ernst en mate van de overtreding(en) en de voorgeschiedenis (ook handhavingsverleden overige locaties).
6.4.2. Herstelaanbod aangeboden maar geen (volledig) herstel
Als de overtreding na herstelaanbod niet (volledig) is opgelost, handhaaft de gemeente in principe conform het reguliere handhavingsbeleid. Het college slaat hierbij echter stap 1 in het herstellend handhavingstraject – afhankelijk van de mate van herstel - over. In plaats van een aanwijzing wordt dan een voornemen tot last onder dwangsom of voornemen tot last onder bestuursdwang opgelegd.
Bijlage 1 Afwegingsmodel gastouderbureaus en voorzieningen gastouderopvang
1Registratie, wijzigingen en administratie
overtreding
artikel
prioriteit
Boete
Dwangsom per constatering
1.1 Registratie
a.
Een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang is in exploitatie zonder dat uit onderzoek is gebleken dat dit zal plaatsvinden in overeenstemming met de kwaliteitseisen.
Wko 1.45, lid 3 (gob, vgo)
Hoog
€ 20.750,--
€ 20.750,--
1.2 Wijzigingen
a.
De houder doet van een wijziging in aangewezen gegevens niet onverwijld mededeling aan het college.
Wko 1.47, lid 1 (gob)
Besluit lrk 7, lid 2 en 5, lid 1 en 2 (gob)
Hoog
€ 1.000,--
€ 1000,--
1.3 administratie
a.
Gastouderopvang geschiedt niet op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.
De overeenkomst voldoet niet aan de eisen.
Wko 1.56, lid 4 (gob)
Regeling Wko 11b en 11e (gob)
gemiddeld
€ 500,--
per overeenkomst
€ 500,--
per overeenkomst
b.
De administratie is niet zodanig ingericht dat op verzoek tijdig gegevens kunnen worden verstrekt.
Regeling Wko 11, lid 1 (gob)
Hoog
€ 8.000,--
€ 8.000,--
c.
De administratie is niet compleet.
Regeling Wko 11, lid 2 en 3 (gob)
Besluit go 7, lid 4 (gob)
Hoog
€ 500
per onderdeel
€ 500,--
per onderdeel
2Pedagogisch klimaat
2.1 Pedagogisch beleid
a.
De houder stelt geen pedagogisch beleidsplan vast.
Wko 1.56, lid 1 (gob)
Besluit go 11, lid 1 (gob)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
b.
Het pedagogisch beleidsplan is niet compleet.
Wko 1.56, lid 1 (gob)
Regeling go 12a, lid 1 (gob)
Gemiddeld
€ 500,--
per onderdeel
€ 500,--
c.
De houder informeert de vraagouder niet over de inhoud van het pedagogisch beleidsplan.
Regeling go 12a, lid 2 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
d.
De gastouder handelt niet overeenkomstig het pedagogisch beleidsplan.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Besluit go 16 (vgo)
Hoog
€ 200,--
€ 200,--
2.2 Pedagogische praktijk
a.
De houder draagt geen zorg voor het tot stand brengen en begeleiden van verantwoorde gastouderopvang.
Wko 1.49, lid 4 onder a en 1.56, lid 1 (gob)
Hoog
€ 10.000,--
€ 10.000,--
b.
De gastouder biedt geen verantwoorde gastouderopvang
Wko 1.49, lid 3 en 1.56b, lid 1 (vgo)
Hoog
€ 1.000,--
€ 1.000,--
3Personeel en eisen aan gastouder
3.1 Verklaring omtrent het gedragen personenregister kinderopvang
a.
Een vog-plichtige:
-is niet in het bezit van een geldige vog; of
voor zover het natuurlijke personen betreft
-is niet ingeschreven in het prk; of
-is niet gekoppeld aan de houder in het prk.
Een persoon die niet voldoet aan de vog/prk-eisen heeft zijn werkzaamheden aangevangen.
Wko 1.56, lid 3 en 1,50, lid 3 en 4 (gob), 1.56b, lid 3 (vgo) en 1.48d, lid 2 (gob, vgo) en 3 (gob)
Hoog
€ 3.000,--
per persoon
€ 3.000,--
per persoon
b.
De houder overlegt niet (tijdig) opnieuw zijn geldige vog, op verzoek van de toezichthouder.
Wko 1.56, lid 3 en 1.50, lid 6 (gob)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
c.
De houder verlangt niet dat een vog-plichtige (tijdig) opnieuw zijn geldige vog overlegt.
Wko 1.56, lid 3 en 1.50, lid 7 en 1.56b, lid 5 (gob)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
d.
De houder of gastouder overlegt niet (tijdig) de geldige vog van een persoon van 12 jaar of ouder, op verzoek van de toezichthouder.
Wko 1.56, lid 3 en 1.50, lid 8 (gob) en 1.56b, lid 7 (vgo)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
3.2 Deskundigheid gastouder
a.
De gastouder beschikt niet over een passende beroepskwalificatie.
Wko 1.56, lid 1 (gob) en 1.56b, lid 1 (vgo)
Besluit go 13, lid 1 onder a en 2 (vgo)
Regeling Wko 10, lid 1 en 2, 10a, lid 1 en 2, 10b, lid 1 en 2 (vgo)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
b.
De gastouder is niet in het bezit van een geldige kwalificatie voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Besluit go 13, lid 1 onder b en 3 (vgo)
Regeling Wko 10d (vgo)
Regeling ehbo 1 (vgo)
Hoog
€ 300,--
€ 300,--
3.3 Gebruik van de voorgeschreven voertaal
a.
De Nederlandse taal wordt niet als voertaal gebruikt.
Wko 1.55, lid 1 (vgo)
Hoog
€ 300,--
€ 300,--
b.
De houder heeft geen gedragscode vastgesteld of hier wordt niet naar gehandeld.
Wko 1.55, lid 2 (gob, vgo)
Hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
4Accommodatie
4.1 Eisen aan ruimtes
a.
Het opvangadres beschikt niet over voldoende speelruimte.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Besluit go 15, lid 1 (vgo)
Regeling go 14, lid 1 onder a (vgo)
hoog
€ 300,--
€ 300,--
b.
De voorziening voor gastouderopvang beschikt niet over voldoende buitenspeelmogelijkheden.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Besluit go 15, lid 1 (vgo)
Regeling go 14, lid 1 onder b (vgo)
Hoog
€ 200,--
€ 200,--
c.
De binnen- of buitenruimtes zijn niet:
-veilig;
-toegankelijk;
-passend ingericht.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Besluit go 15, lid 1 (vgo)
Hoog
€ 300,--
€ 300,--
d.
De voorziening voor gastouderopvang is niet voorzien van rookmelders die voldoen aan de eisen.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Regeling go 14, lid 1 onder c (vgo)
Hoog
€ 200,--
€ 200,--
e.
De voorziening voor gastouderopvang is niet altijd rookvrij.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Regeling go 14, lid 1 onder d (vgo)
Hoog
€ 200,--
€ 200,--
f.
Het opvangadres beschikt niet over voldoende (afzonderlijke) slaapruimte.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Besluit go 15, lid 1 (vgo)
Regeling go 14, lid 1 onder a (vgo)
Hoog
€ 200,--
€ 200,--
g.
De eisen aan ruimtes waar gastouderopvang plaatsvindt, worden niet jaarlijks door de houder getoetst op naleving tijdens een bezoek aan de voorziening voor gastouderopvang.
Wko 1.56, lid 1 (gob) Regeling go 14, lid 2 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,-- per vgo
€ 1.000,-- per vgo
4.2 Groepssamenstelling
a.
De maximale groepsgrootte wordt niet afgestemd op de leeftijd van de opvangkinderen.
Bij een gastouder worden meer dan 6 kinderen gelijktijdig opgevangen.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Besluit go 14, lid 1 (vgo)
Regeling go 13, lid 1 (vgo)
Hoog
€ 300,--
€ 300,--
b.
De houder draagt er geen zorg voor dat per voorziening voor gastouderopvang wordt beoordeeld of de samenstelling van de groep opvangkinderen verantwoord is.
Wko 1.56, lid 1 (gob)
Regeling go 11b, lid 1 (gob)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
5Veiligheid en gezondheid
5.1 Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid
a.
De houder voert geen beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de door de gastouder op te vangen kinderen zoveel mogelijk is gewaarborgd.
De houder legt niet in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s de opvang van kinderen met zich brengt.
Wko 1.51 (gob)
Besluit go 7, lid 1 (gob)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
b.
De houder inventariseert niet samen met de gastouder jaarlijks de veiligheids- en gezondheidsrisico’s die de opvang van kinderen in alle voor kinderen toegankelijke ruimtes met zich brengt.
De houder draagt er geen zorg voor dat daartoe elk opvangadres ten minste een keer per jaar wordt bezocht door een bemiddelingsmedewerker werkzaam bij het gastouderbureau.
Wko 1.51 (gob)
Besluit go 7, lid 2 (gob)
Hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
c.
De risico-inventarisatie is niet compleet.
Wko 1.51 (gob)
Besluit go 7, lid 3 en 5 (gob)
Regeling go 11, lid 1, 3 en 4 (gob, vgo)
Gemiddeld
€ 500,--
per onderdeel
€ 500,-- per onderdeel
d.
De gastouder neemt de risico-inventarisatie niet in acht.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Besluit go 12, lid 1 (vgo)
Regeling go 11, lid 2 (vgo)
Hoog
€ 200,--
€ 200,--
e.
De risico-inventarisatie is niet inzichtelijk voor vraagouders.
Besluit go 7, lid 3 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
f.
Er is geen ondertekend origineel van de risico-inventarisatie bij de voorziening voor gastouderopvang aanwezig.
Besluit go 12, lid 1 (vgo) Regeling go 11, lid 1 (vgo)
Gemiddeld
€ 100,--
€ 100,--
5.2 Meldcode huiselijk geweld
a.
De houder heeft voor de gastouders geen meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vastgesteld.
In de meldcode is niet stapsgewijs aangegeven hoe met signalen wordt omgegaan.
De meldcode draagt niet bij aan het zo snel en adequaat mogelijk bieden van hulp.
Wko 1.51a, lid 1 (gob)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
b.
De meldcode is niet compleet.
Wko 1.51a
Wko 1.51a, lid 1 (gob)
Besluit go 8, lid 1 en 2(gob)
Gemiddeld
€ 500,-- per onderdeel
€ 500,-- per onderdeel
c.
De houder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode niet.
Wko 1.51a, lid 4 (gob)
Hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
d.
De houder treedt niet, nadat hem bekend is geworden dat:
-een personeelslid; of
-een gastouder; of
-een meerderjarige als bedoeld in artikel 1.56b, lid 3, Wko
zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf of mishandeling jegens een opvangkind, onverwijld in overleg met een aangewezen deskundige.
Wko 1.51b, lid 1 (gob)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
e.
De houder doet niet onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar, nadat uit het overleg met de deskundige is geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf of mishandeling. De houder stelt de deskundige niet onverwijld in kennis van de aangifte.
Wko 1.51b, lid 2 (gob)
Hoog
€3.000,--
€ 3.000,--
f.
De gastouder treedt niet, nadat hem bekend is geworden dat de houder (een natuurlijk persoon) zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf of mishandeling jegens een opvangkind, onverwijld in overleg met een aangewezen deskundige.
Wko 1.51c, lid 1 (vgo)
Hoog
€ 300,--
€ 300,--
g.
De gastouder doet niet onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar nadat uit het overleg met de deskundige is geconcludeerd dat sprake is van een vermoeden dat de houder zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf of mishandeling.
Wko 1.51c, lid 2 (vgo)
Hoog
€ 300,--
€ 300,--
h.
De houder bevordert de kennis en het gebruik van de handelswijze met betrekking tot misdrijven niet.
Wko 1.51b, lid 5 en 1.51c, lid 3 (gob)
Hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
i.
De gastouder leeft de meldcode niet na.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Hoog
€ 200,--
€ 200,--
5.3 Bereikbaarheid gastouder en achterwacht
a.
De gastouder is telefonisch niet goed bereikbaar.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Besluit go 12, lid 2 (vgo)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
b.
De gastouder zorgt niet voor een adequate vervanging bij calamiteiten.
Wko 1.56b, lid 1 (vgo)
Besluit go 12, lid 2 (vgo)
Regeling go 12 (vgo)
Hoog
€ 1.000,--
€ 1.000,--
6Ouderrecht
6.1 Informatie
a.
De houder informeert de ouders en een ieder die daar om verzoekt niet over het te voeren beleid als bedoeld in paragraaf 2 ‘Eisen’ van de Wko.
Wko 1.54a, lid 1 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
b.
De houder informeert ouders, personeel en gastouders niet (juist) over het inspectierapport inzake zijn gastouderbureau of een aangesloten voorziening voor gastouderopvang.
Wko 1.54a, lid 2 en 3 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
6.2 Oudercommissie
a.
Er is geen oudercommissie ingesteld.
De houder spant zich niet voldoende in om een oudercommissie in te stellen.
Wko 1.58, lid 1 en 2 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
b.
De houder betrekt ouders niet voldoende.
De houder biedt ouders niet de gelegenheid om deel te nemen aan een oudercommissie.
Wko 1.58, lid 3 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
c.
De oudercommissie voldoet niet aan de eisen.
Wko 1.58, lid 4, 5 en 6 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
d.
De houder heeft geen reglement oudercommissie vastgesteld.
Wko 1.59, lid 1 (gob)
Gemiddeld
€ 500,--
€ 500,--
e.
Het reglement voldoet niet aan de eisen.
Wko 1.59, lid 2, 3, 4 en 5 (gob)
Laag
€ 500,--
€ 500,--
6.3 Klachten en geschillen
a.
De houder treft voor bepaalde zaken geen klachtenregeling voor ouders.
Wko 1.57b, lid 1 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
b.
De klachtenregeling is niet schriftelijk vastgelegd.
De klachtenregeling is niet compleet.
Wko 1.57b, lid 2 (gob)
Gemiddeld
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 500,--
€ 1.000,--
€ 500,--
c.
De houder brengt de klachtenregeling of wijzigingen hiervan niet onder de aandacht van ouders.
De houder handelt niet overeenkomstig de klachtenregeling.
Wko 1.57b, lid 3 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
d.
De houder draagt geen zorg voor een jaarlijks klachtenverslag.
Het klachtenverslag is niet compleet.
Wko 1.57b, lid 4 (gob)
Regeling Wko 11h (gob)
Laag
€ 500,--
€ 500,--
e.
Het klachtenverslag voldoet niet aan de eisen.
Wko 1.57b, lid 5 en 6 (gob)
Laag
€ 500,--
€ 500,--
f.
De houder zendt het klachtenverslag niet tijdig aan de toezichthouder en brengt het niet gelijktijdig (juist) onder de aandacht van de ouders.
Wko 1.57b, lid 8 (gob)
Laag
€ 500,--
€ 500,--
g.
De houder is niet aangesloten bij een erkende geschillencommissie voor het behandelen van geschillen.
Wko 1.57c, lid 1 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
h.
De houder brengt de geschillencommissie niet (juist) onder de aandacht van ouders.
Wko 1.57c, lid 2 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
7Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht
a.
De houder draagt geen zorg voor het doorgeleiden van de betalingen van ouders aan gastouders.
Wko 1.49, lid 4 onder b (gob)
Hoog
€ 1.000,-- per vgo
€ 1.000,-- per vgo
b.
De houder draagt er geen zorg voor dat de volgende gesprekken plaatsvinden:
-intakegesprek met de gast- en vraagouder;
-koppelingsgesprek met gast- en vraagouder;
-voortgangsgesprek met de gastouder.
De gesprekken vinden niet plaats bij de voorziening voor gastouderopvang.
De gesprekken worden niet gevoerd door een bemiddelingsmedewerker
Wko 1.56, lid 1 (gob) Regeling go 11a, lid 1 onder a, b, c, d en lid 2 (gob)
Hoog
€ 1.000,-- per gesprek
€ 1.000,-- per gesprek
c.
De houder draagt er geen zorg voor dat de gastouderopvang jaarlijks mondeling met de vraagouders wordt geëvalueerd.
De evaluatie wordt niet schriftelijk vastgelegd.
Wko 1.56, lid 1 (gob) Regeling go 11a, lid 1 onder e (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,-- per vgo
€ 1.000,-- per vgo
d.
De houder draagt er geen zorg voor dat een bemiddelingsmedewerker in ieder geval twee maal per jaar de adressen bezoekt waar opvang door de gastouder plaatsvindt.
Wko 1.56, lid 1 (gob) Regeling go 11a, lid 1 onder f (gob)
Hoog
€ 1.000,-- per vgo
€ 1.000,-- per vgo
e.
De houder maakt geen gebruik van het burgerservicenummer van de ouder.
Wko 1.56a (gob)
Laag
€ 500,-- per ouder
€ 500,-- per ouder
f.
De houder draagt er geen zorg voor dat per gastouder op jaarbasis tenminste 16 uur wordt besteed aan begeleiding en bemiddeling.
Wko 1.56, lid 1 (gob)
Regeling go 11b, lid 2 (gob)
Hoog
€ 3.000,-- per vgo
€ 3.000,-- per vgo
g.
De houder draagt er geen zorg voor dat het gastouderbureau goed bereikbaar is voor de vraagouder en de gastouder en verstrekt hen hierover geen informatie.
Wko 1.56, lid 1 (gob)
Regeling go 11b, lid 3 (gob)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
8Overig
a.
De houder of gastouder komt een:
-aanwijzing;
-bevel;
-vordering tot medewerking;
niet na.
Wko 1.65, lid 5 (gob, vgo)
Awb 5:20 (gob, vgo)
Hoog
€ 4.000
€ 4.000
b.
De houder of gastouder exploiteert een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang, ondanks een verbod hiertoe.
Wko 1.66 (gob, vgo)
Hoog
€ 20.750
€ 20.750
Bijlage 2 Afwegingsmodel kinderdagopvang en buitenschoolse opvang 2022
1Registratie, wijzigingen en administratie
1.1 Registratie
overtreding
artikel
prioriteit
boetebedrag
Dwangsom per constatering
a.
een kindcentrum is in exploitatie zonder dat uit onderzoek is gebleken dat dit zal plaatsvinden in overeenstemming met de kwaliteitseisen
Wko 1.45, lid 3 (dag,bso)
hoog
€ 20.750,--
€ 20.750,--
1.2 Wijzigingen
a.
De houder doet van een wijziging in aangewezen gegevens niet onverwijld mededeling aan het college
Wko 1.47, lid 1, (dag,bso)
Besluit lrk 7, lid 2 en 5, lid 1 en 2 (dag,bso)
hoog
€ 1.000,--
€ 1.000,--
1.3 Administratie
a.
Kinderopvang geschiedt niet op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder
Wko 1.52, lid 1 (dag,bso)
gemiddeld
€ 500,--
per overeenkomst
€ 500,--
per
overeenkomst
b.
De administratie is niet zodanig ingericht dat op verzoek tijdig gegevens kunnen worden verstrekt.
Regeling Wko 11, lid , (dag,bso)
hoog
€ 8.000,--
€ 8.000,--
c.
De administratie is niet compleet
Regeling Wko 11, lid 2 (dag,bso)
hoog
€ 500,--
per onderdeel
€ 500,--
per
onderdeel
2Pedagogisch klimaat
2.1 Pedagogisch beleid
a.
Het kindercentrum beschikt niet over een pedagogisch beleidsplan.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso)
Besluit ko 3, lid 1 (dag), 12, lid 1 (bso)
Besluit ve 4a, lid 2 (ve)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
De houder draagt er geen zorg voor dat conform het plan wordt gehandeld.
hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
De houder geeft geen uitvoering aan het pedagogisch beleidsplan wat ve betreft
hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
b.
Het pedagogisch beleidsplan is niet compleet.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso)
Besluit ko 3, lid 2 en 3 (dag), 12, lid 2 en 3 (bso)
Besluit ve 4a, lid 1 (ve)
gemiddeld
€ 500,--
per onderdeel
€ 500,--
per onderdeel
c.
De houder evalueert het pedagogisch beleidsplan niet jaarlijks en stelt deze niet zo nodig bij.
Besluit ve 4a, lid 2 (ve)
gemiddeld
€ 2.000
€ 2.000,--
2.2 Pedagogische praktijk
a.
De houder draagt geen zorg voor verantwoorde kinderopvang.
De houder houdt geen rekening met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden.
Wko 1.49, lid 1 en 1.50, lid 1 (dag, bso)
Besluit ko 2 (dag), 11 (bso)
hoog
€ 10.000
€ 10.000,--
2.3 Voorschoolse educatie
a.
Voorschoolse educatie omvat minder dan 16 uur per week.
Besluit ve 2 (ve)
Hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
b.
Voor de voorschoolse educatie wordt geen programma gebruikt.
Besluit ve 5 (ve)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
3Personeel en groepen
3.1 verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang
a.
Een vog-plichtige:
-is niet in het bezit van een geldige vog; of
voor zover het natuurlijke personen betreft
-is niet ingeschreven in het prk; of
-is niet gekoppeld aan de houder in het prk.
Een persoon die niet voldoet aan de vog/prk-eisen heeft zijn werkzaamheden aangevangen.
Wko 1.50, lid 3 en 4 en 1.48d, lid 2 en 3 (dag, bso)
hoog
€ 3.000,--
per persoon
€ 3.000,--
per persoon
b.
de houder overlegt niet (tijdig) opnieuw zijn geldige vog, op verzoek van de toezichthouder
Wko 1.50, lid 6 (dag, bso)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
c.
De houder verlangt niet dat een vog-plichtige (tijdig) opnieuw zijn geldige vog overlegt
Wko 1.50, lid 7 (dag, bso)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
d.
De houder overlegt niet (tijdig) de geldige vog van een persoon van 12 jaar of ouder, op verzoek van de toezichthouder
Wko 1.50, lid 8 (dag, bso)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
3.2. opleidingseisen en eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiairs
a.
Een beroepskracht of een pedagogisch beleidsmedewerker beschikt niet over een passende opleiding.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso)
Besluit ko 6, lid 1 en 3 (dag), 15, lid 1 en 3 (bso)
Regeling Wko 7, lid 1 en 2 (dag), 9a, lid 1 en 3 (bso)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
b.
Een beroepskracht meertalige bso beschikt niet over:
-een passende opleiding; of
-beheerst niet aantoonbaar ten minste niveau B2 voor gesprekken voeren, lezen, luisteren en spreken van de Duitse, Engelse of Franse taal.
Wko 1.50, lid 1 (bso)
Besluit ko 15, lid 1 (bso)
Regeling Wko 9a, lid 1 en 2 (bso)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
c.
Een beroepskracht ve:
-beschikt niet over een passende opleiding; of
-beheerst niet aantoonbaar ten minste niveau 3F voor mondelinge taalvaardigheid en lezen.
Besluit ve 4, lid 1, 2, 3 en 3a (ve)
Regeling Wko 10c (ve)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
d.
De inzet van een beroepskracht in opleiding of stagiair geschiedt niet overeenkomstig de cao.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso)
Hoog
€ 1.000,--
€ 1.000,--
Meer dan 1/3 van het minimaal aantal in te zetten beroepskrachten op het kindercentrum bestaat uit beroepskrachten in opleiding of stagiairs.
Regeling Wko 9 (dag) 9c (bso)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
e.
Bij de inzet van een beroepskracht in opleiding of stagiair is geen rekening gehouden met de opleidingsfase.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso)
Besluit ko 7, lid 8 (dag), 16, lid 7 (bso)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
f.
De houder stelt niet jaarlijks voor elke locatie een opleidingsplan vast.
Besluit ve 4, lid 4 (ve)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
De houder geeft geen uitvoering aan het plan.
Het plan is niet compleet.
De houder evalueert het plan niet jaarlijks en stelt deze niet zo nodig bij.
gemiddeld
€ 500,--
per onderdeel
€ 500,--
per onderdeel
3.3. aantal beroepskrachten
a.
De beroepskracht-kindratio wordt niet nageleefd.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso) Besluit ko 7, lid 1, 2, 4 en 7 (dag), 16, lid 1, 2 en 4 (bso) Besluit ve 3, lid 1 (ve)
hoog
€ 5.000,--(dag)
€ 2.500,-- (bso)
€ 5.000,--(dag)
€ 2.500,-- (bso)
b.
De houder informeert ouders niet over de tijden waarop wel en niet wordt afgeweken van de beroepskracht-kindratio.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso) Besluit ko 3, lid 4 (dag), 12, lid 4 (bso)
gemiddeld
€ 500,--
€ 500,--
c.
Er is geen volwassene beschikbaar in geval van een calamiteit.
De houder informeert zijn personeel niet over de naam en het telefoonnummer van deze persoon
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso) Besluit ko 7, lid 5 (dag), 16, lid 5 (bso)
hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
d.
Er is ter ondersteuning van de beroepskracht niet ten minste één andere volwassene in het kindercentrum aanwezig.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso) Besluit ko 7, lid 6 (dag), 16, lid 6 (bso)
hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
3.4 inzet pedagogisch beleidsmedewerkers
a.
De houder heeft het minimaal aantal uren waarvoor hij jaarlijks pedagogisch beleidsmedewerkers inzet, niet afgestemd op het aantal in te zetten beroepskrachten en het aantal kindercentra dat hij exploiteert.
Wko 1.50, lid 1 Besluit ko 8, lid 1 en 2 (dag), 17, lid 1 en 2 (bso)
hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
b.
De houder bepaalt de wijze waarop hij de uren (waarvoor hij pedagogisch beleidsmedewerkers inzet) verdeelt over zijn kindercentra, niet jaarlijks.
De houder legt de verdeling niet schriftelijk vast.
Wko 1.50, lid 1 Besluit ko 8, lid 3 (dag), 17, lid 3 (bso)
Hoog
€ 1.000,--
€ 1.000,--
De verdeling van de uren is niet zodanig dat iedere beroepskracht jaarlijks coaching ontvangt.
hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
3.5. stabiliteit van de opvang voor kinderen
a.
De opvang vindt niet plaats in stam- of basisgroepen.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso)
Besluit ko 9, lid 1 (dag), 18, lid 1 (bso)
Besluit ve 3, lid 2 (ve)
Hoog
€ 4.000,--(dag) € 2.000,-- (bso)
€ 4.000,--(dag) € 2.000,-- (bso)
Een kind wordt opgevangen in meer dan één stamgroep.
€ 3.000,--
De maximale (ve) groepsgrootte wordt overschreden.
€ 3.000,--
b.
De houder informeert de ouders en het kind niet over de stamgroep en de toegewezen beroepskrachten.
Wko 1.50, lid 1 (dag) Besluit ko 9, lid 3 (dag)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
c.
Aan een kind zijn teveel vaste beroepskrachten toegewezen.
Van een kind is geen vaste beroepskracht werkzaam op de stamgroep.
Wko 1.50, lid 1 (dag) Besluit ko 9, lid 4 (dag)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
d.
Een kind maakt gedurende de week gebruik van meer dan twee verschillende stamgroepruimtes.
Wko 1.50, lid 1 (dag) Besluit ko 9, lid 6 (dag)
Gemiddeld
€ 2.000,--
€ 2.000,--
e.
Aan een kind is geen mentor toegewezen.
De mentor is geen beroepskracht van het kind.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso) Besluit ko 9, lid 11 (dag), 18, lid 5 (bso)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
De mentor bespreekt de ontwikkeling van het kind niet periodiek met de ouders.
De mentor is voor de ouders geen aanspreekpunt bij vragen over het kind.
Gemiddeld
€ 500,--
€ 500,--
3.6. gebruik van de voorgeschreven voertaal
a.
De Nederlandse taal wordt niet als voertaal gebruikt.
Wko 1.55, lid 1 (dag, bso)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
b.
De houder heeft geen gedragscode vastgesteld of hier wordt niet naar gehandeld.
Wko 1.55, lid 2 (dag, bso)
Hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
4Veiligheid en gezondheid
4.1 Veiligheids- en gezondheidsbeleid
a.
De houder heeft geen veiligheids- en gezondheidsbeleid.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso) Besluit ko 4, lid 1 (dag), 13, lid 1 (bso)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
De houder draagt er geen zorg voor dat conform het beleid wordt gehandeld.
hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
b.
De houder heeft het beleid niet schriftelijk vastgelegd.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso) Besluit ko 4, lid 2 (dag), 13, lid 2 (bso)
Hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
De houder houdt het beleid niet actueel.
hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
c.
Het beleid is niet compleet.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso) Besluit ko 4, lid 3, 4 (dag), 13, lid 3 (bso)
gemiddeld
€ 500,--
per onderdeel
€ 500,--
per onderdeel
d.
Er is niet te allen tijde ten minste één volwassene aanwezig die gekwalificeerd is voor het verlenen van eerste hulp aan kinderen.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso)
Besluit ko 4, lid 5 (dag), 13, lid 4 (bso)
Regeling Wko 8 (dag), 9b (bso)
Regeling ehbo 1 (dag, bso)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
4.2 Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling
a.
De houder heeft voor het personeel geen meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vastgesteld.
In de meldcode is niet stapsgewijs aangegeven hoe met signalen wordt omgegaan.
De meldcode draagt niet bij aan het zo snel en adequaat mogelijk bieden van hulp.
Wko 1.51a, lid 1 (dag, bso)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
b.
De meldcode is niet compleet.
Wko 1.51a, lid 1 (dag, bso)
Besluit ko 5, lid 1 en 2 (dag), 14, lid 1 en 2 (bso)
gemiddeld
€ 500,--
per onderdeel
€ 500,--
per onderdeel
c.
De houder bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode niet.
Wko 1.51a, lid 4 (dag, bso)
hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
d.
De houder treedt niet, nadat hem bekend is geworden dat een personeelslid zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf of mishandeling jegens een opvangkind, onverwijld in overleg met een aangewezen deskundige.
Wko 1.51b, lid 1 (dag, bso)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
e.
De houder doet niet onverwijld aangifte bij een opsporingsambtenaar, nadat uit het overleg met de deskundige is geconcludeerd dat sprake is van een redelijk vermoeden dat de desbetreffende persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf of mishandeling. De houder stelt de deskundige niet onverwijld in kennis van de aangifte.
Wko 1.51b, lid 2 (dag, bso)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
f.
De houder bevordert de kennis en het gebruik van de handelswijze met betrekking tot misdrijven niet.
Wko 1.51b, lid 5 en 1.51c, lid 3 (dag, bso)
hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
5Accommodatie
a.
De binnen- of buitenruimtes zijn niet:
-veilig;
-toegankelijk;
-passend ingericht
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso) Besluit ko 10, lid 1 (dag), 19, lid 1 (bso)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
b.
Een stamgroep beschikt niet over een afzonderlijke vaste stamgroepruimte.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso) Besluit ko 10, lid 2 (dag), 19, lid 2 (bso)
Hoog
€ 2.000,--
per groep
€ 2.000,--
per groep
Per aanwezig kind is niet ten minste 3,5 m2 binnenspeelruimte beschikbaar.
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
c.
Per aanwezig kind is niet ten minste 3m2 vaste buitenspeelruimte beschikbaar.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso) Besluit ko 10, lid 3 (dag), 19, lid 3 (bso)
Hoog
€ 2.000,--
€ 2.000,--
De buitenspeelruimte is niet aangrenzend (dag). De buitenspeelruimte is niet in de directe nabijheid van het kindercentrum en veilig bereikbaar (bso).
gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
d.
Het kindercentrum beschikt niet over een afzonderlijke slaapruimte.
Wko 1.50, lid 1 (dag, bso) Besluit ko 10, lid 4 (dag)
hoog
€ 3.000,--
€ 3.000,--
6Ouderrecht
6.1 informatie
a.
De houder informeert de ouders en een ieder die daar om verzoekt niet over het te voeren beleid als bedoeld in paragraaf 2 ‘Eisen’ van de Wko.
Wko 1.54, lid 1 (dag, bso)
gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
c.
De houder informeert ouders en personeel niet (juist) over het inspectierapport.
Wko 1.54, lid 2 en 3 (dag, bso)
Gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
6.2. Oudercommissie
a.
Er is geen oudercommissie ingesteld.
De houder spant zich niet voldoende in om een oudercommissie in te stellen.
Wko 1.58, lid 1 en 2 (dag, bso)
gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
b.
De houder betrekt ouders niet voldoende.
De houder biedt ouders niet de gelegenheid om deel te nemen aan een oudercommissie.
Wko 1.58, lid 3 (dag, bso)
gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
c.
De oudercommissie voldoet niet aan de eisen.
Wko 1.58, lid 4, 5 en 6 (dag, bso)
gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
d.
De houder heeft geen reglement oudercommissie vastgesteld.
Wko 1.59, lid 1 (dag, bso)
Gemiddeld
€ 500,--
€ 500,--
e.
Het reglement voldoet niet aan de eisen.
Wko 1.59, lid 2, 3, 4 en 5 (dag, bso)
laag
€ 500,--
€ 500,--
6.3. Klachten en geschillen
a.
De houder treft voor bepaalde zaken geen klachtenregeling voor ouders.
Wko 1.57b, lid 1 (dag, bso)
gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
d.
De klachtenregeling is niet schriftelijk vastgelegd.
De klachtenregeling is niet compleet
Wko 1.57b, lid 2 (dag, bso)
gemiddeld
€ 500,-- per onderdeel
€ 500,-- per onderdeel
c.
De houder brengt de klachtenregeling of wijzigingen hiervan niet onder de aandacht van ouders.
De houder handelt niet overeenkomstig de klachtenregeling.
Wko 1.57b, lid 3 (dag, bso)
gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
d.
De houder draagt geen zorg voor een jaarlijks klachtenverslag.
Het klachtenverslag is niet compleet.
Wko 1.57b, lid 4 (dag, bso)
Regeling Wko 11h (dag, bso)
laag
€ 500,--
€ 500,--
e.
Het klachtenverslag voldoet niet aan de eisen.
Wko 1.57b, lid 5 en 6 (dag, bso)
laag
€ 500,--
€ 500,--
f.
De houder zendt het klachtenverslag niet tijdig aan de toezichthouder en brengt het niet gelijktijdig (juist) onder de aandacht van de ouders.
Wko 1.57b, lid 8 (dag, bso, gob)
laag
€ 500,--
€ 500,--
g.
De houder is niet aangesloten bij een erkende geschillencommissie voor het behandelen van geschillen.
Wko 1.57c, lid 1 (dag, bso)
gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
h.
De houder brengt de geschillencommissie niet (juist) onder de aandacht van ouders.
Wko 1.57c, lid 2 (dag, bso)
gemiddeld
€ 1.000,--
€ 1.000,--
7.Overig
a.
De houder komt een:
-aanwijzing;
-bevel;
-vordering tot medewerking;
niet na.
Wko 1.65, lid 5 (dag, bso)
Awb 5:20 (dag, bso)
hoog
€ 4.000,--
€ 4.000,--
b.
De houder exploiteert een kindercentrum, ondanks een verbod hiertoe.
Wko 1.66 (dag, bso)
hoog
€ 20.750
€ 20.750,--