Aanhef
1Het Onderwijskansenbeleid voor- en vroegschoolse educatie 2026-2029 vast te stellen;
Deze regeling treedt in werking 1 dag na bekendmaking en heeft terugwerkende kracht tot en met 1 april 2026.
Voorwoord
“Naar een goede start voor alle kinderen in Vijfheerenlanden”
Ieder kind heeft recht op een goede start. Onderwijs speelt daarin een sleutelrol: het biedt kinderen kennis, vaardigheden en waarden die hen helpen om hun potentieel te benutten en zich voor te bereiden op een betekenisvolle toekomst. Maar gelijke kansen ontstaan niet vanzelf. Ze vragen om samenwerking, visie en betrokkenheid van iedereen die een rol speelt in het leven van kinderen.
Met dit onderwijskansenbeleid geven we als gemeente invulling aan onze wettelijke opdracht én aan onze eigen ambitie om preventief te investeren in de ontwikkeling van kinderen. We doen dit samen met scholen, kinderopvangorganisaties en andere maatschappelijke partners. Door vroegtijdige ondersteuning willen we bijdragen aan een gezonde, veilige en kansrijke jeugd.
Dit onderwijskansenbeleid is méér dan een onderwijsdocument. Het raakt alle onderdelen van ons sociaal beleid en past bij onze brede kijk op hoe kinderen opgroeien in Vijfheerenlanden. Door kennis te bundelen en samen op te trekken, creëren we een stevige sociale basis waarin kinderen zich veilig, gezond en volwaardig kunnen ontwikkelen. In lijn met de kadernota 2026–2029 leggen we de focus op het bouwen aan een inclusieve samenleving waarin iedereen mee kan doen, ongeacht achtergrond of kwetsbaarheid. Dit beleid is een concrete stap in die richting: een gezamenlijke investering in gelijke kansen voor ieder kind.
Voor dit nieuwe beleidskader hebben wij dankbaar gebruikgemaakt van de kennis en ervaring van onze onderwijspartners. Hun inzichten vanuit de uitvoering leverden een belangrijke bijdrage aan de inhoud en richting van dit beleid. Ik bedank iedereen die hieraan heeft bijgedragen en zie uit naar de voortzetting van onze samenwerking in de uitvoering.
De jeugd heeft de toekomst. Laten we er samen voor zorgen dat die toekomst begint met een goede start voor alle kinderen in Vijfheerenlanden.
Kees Bel
(wethouder onderwijs)
3. Huidige situatie
3.2 Voorschoolse educatie
Huidig aanbod
Basisniveau
De afgelopen jaren werkten we hard aan de ambities op basisniveau, zoals goede voorschoolse voorzieningen, tijdige signalering, sluitende toeleiding en een doorgaande leerlijn. Dit alles valt binnen de wettelijke taak van de gemeente: het organiseren van een kwalitatief dekkend aanbod VVE.
Kinderopvang & peuteropvang
Vijfheerenlanden kent een groot aantal kinderdagverblijven en peuteropvang-locaties, waar veel kinderen gebruik van maken. Een beperkt aantal kinderen wordt daarnaast opgevangen door een gastouder.
De kinderdagopvang wordt primair gebruikt door kinderen van ouders die recht hebben op een kinderopvangtoeslag. Via de Wet kinderopvang is de kwaliteit van die voorzieningen geborgd. Omdat alle kinderen voor hun ontwikkeling baat hebben bij een voorschoolse voorziening heeft het Rijk de gemeenten verplicht om ook voor de kinderen, waarvan de ouders/verzorgers geen recht hebben op kinderopvangtoeslag, een voorschoolse voorziening beschikbaar te maken. Dat doen we in de vorm van peuteropvang.
Daar waar kinderdagopvang (en gastouderopvang) in zijn geheel gefinancierd wordt door ouders (en indirect door het Rijk via kinderopvangtoeslag), wordt de peuteropvang grotendeels gefinancierd door ouders en gemeente. De ouders betalen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage en de gemeente financiert de rest. Een gesubsidieerde plek in de peuteropvang bestaat uit twee dagdelen van vier uur. Een groep bestaat uit maximaal 16 kinderen.
Voorschoolse educatie (VE)
Peuters met een VVE-indicatie kunnen vanaf 2,5 jaar oud terecht op VVE-locaties van de peuteropvang en kinderdagverblijven. Deze locaties hebben VVE-opgeleide pedagogisch professionals en gebruiken een erkend VVE-programma. Deze locaties worden daar ook specifiek op gecontroleerd door de toezichthouder wet kinderopvang.
Deze kinderen komen in aanmerking voor opvang voor vier dagdelen van vier uur per week, zoals wettelijk is vastgelegd. In gemeente Vijfheerenlanden geldt daarnaast een extra regeling: kinderen van 2 tot 2,5 kunnen gebruik maken van een ingroeiregeling waarbij zij twee dagdelen per week vier uur naar de opvang mogen.
Om de toegang tot deze voorziening laag te houden betalen de ouders/verzorgers voor de deelname hetzelfde als bij deelname aan reguliere peuteropvang. Dat wil zeggen: de extra 2 dagdelen worden geheel vanuit gemeentelijk subsidie bekostigd. We proberen met elkaar een dekkend netwerk te realiseren van locaties met een VE-registratie. In dorpen/wijken waar dat niet het geval is, proberen we voor de kinderen met een VVE-indicatie een maatwerkoplossing te vinden, zoals het bieden van zorgvervoer.
Vanaf 1 januari 2022 is het wettelijk verplicht om voor elk kind met een VVE-indicatie tien uur per jaar ondersteuning en advisering van een HBO-beleidsmedewerker beschikbaar te hebben. Dit is ook verwerkt in het uurtarief voor een VE-plaats.
Plusniveau
Naast het reguliere voorschoolse aanbod is in Vijfheerenlanden de afgelopen jaren actief geïnvesteerd in aanvullend aanbod voor peuters met een verhoogde ondersteuningsbehoefte. Dit bovenwettelijke aanbod richt zich onder andere op kinderen vanaf 18 maanden, peuters die extra ondersteuning nodig hebben en het versterken van ouderbetrokkenheid. Met deze inzet wordt vroegtijdige ontwikkeling gestimuleerd en krijgen meer kinderen de kans op een goede start.
Opstapje
In Leerdam en Vianen wordt het programma “Opstapje” aangeboden. Al bij de eerste bezoeken aan de jeugdgezondheidszorg wordt vaak duidelijk welke kinderen een risico lopen op achterstanden. Het is in die gevallen niet wenselijk om hulp uit te stellen tot een kind naar de peuteropvang kan, maar om eerder steun te organiseren. Bij Opstapje komen ouders met kinderen (vanaf 16 maanden) bijeen om gezamenlijk te leren spelen als voorbereiding op de peuteropvang. Hierdoor begrijpen ouders beter het belang van de peuteropvang en is deelname daaraan hoger.
Instroomplaats
In Vijfheerenlanden krijgen kinderen vanaf twee jaar de kans om te starten op de voorschoolse voorziening. Dit gebeurt via een VE-instroomplaats: een aanbod van 8 uur opvang per week, verdeeld over minimaal twee dagdelen. Het is bedoeld voor kinderen van 2 tot 2,5 jaar die door de jeugdverpleegkundige of jeugdarts zijn geïndiceerd. De instroomplaats bereidt hen voor op een volledige VE-peuterplaats en draagt bij aan een goede start en optimale ontwikkelkansen.
Ouderkamer
Op locaties met een zeer hoog percentage doelgroepkinderen (80-100%) wordt extra ingezet op ouderbetrokkenheid. De ouders van deze kinderen krijgen via de Ouderkamer opvoedtips en professionele handvatten om hun kind(eren) ook in de thuissituatie ontwikkelingsstimulering te bieden. De bijeenkomsten sluiten aan bij de activiteiten van het VVE-thema, zodat er een doorgaande lijn is tussen het aanbod op de peuteropvang en in de thuissituatie. Het doel van dit aanbod is de basis te leggen voor een goede ouderbetrokkenheid, als aanvulling op het VVE-aanbod. Zodat kinderen optimaal ondersteund worden in hun ontwikkeling, gebaseerd op een gelijkwaardige samenwerking tussen professionele pedagogisch professionals en ouders.
Extra inzet pedagoog
De afgelopen beleidsperiode is met extra inzet van een pedagoog gewerkt om snel en laagdrempelig ondersteuning bij zorgvragen op de voorschoolse voorzieningen te bieden. Deze inzet maakt het mogelijk om vroegtijdig te signaleren en direct passende begeleiding te bieden aan kinderen die dat nodig hebben. Dit gaat verder dan de wettelijke norm, die uitgaat van 8 gesubsidieerde uren per VE-peuter per jaar.
Peuterplus
Voor kinderen die vanwege een complexere ondersteuningsvraag niet op de kinderdagverblijven of de peuteropvang terecht komen, maar waarvoor een medisch kinderdagverblijf te zwaar is, is er de Peuterplus. In deze voorziening worden hiervoor geïndiceerde peuters opgevangen in kleine groepen onder leiding van een pedagogisch professional en een jeugdzorgmedewerker.
Bibliotheek
De bibliotheek speelt een belangrijke rol in het bevorderen van taalontwikkeling bij jonge kinderen en hun ouders. Met een breed aanbod aan programma’s draagt de bibliotheek bij aan het voorkomen van taalachterstanden en het stimuleren van leesplezier bij jonge kinderen. Zo is er het BoekStart-programma, dat ouders en baby’s op de vestigingen verwelkomt met onder meer het BoekStart-koffertje. Ook bij het consultatiebureau is BoekStart zichtbaar, met een collectie in de wachtkamers en deskundigheidsbevordering voor GGD-teams.
Binnen de kinderopvang wordt BoekStart in de Kinderopvang ingezet, waarbij pedagogisch professionals worden geholpen om een taalrijke omgeving te creëren. Voor kinderen in de basisschoolleeftijd is er de Bibliotheek op school (dBos), een structurele samenwerking tussen bibliotheek en school gericht op taalontwikkeling, leesbevordering en mediawijsheid. Daarnaast is er de VoorleesExpress. Hierbij biedt een vrijwilliger twintig weken lang wekelijks gerichte ondersteuning aan kinderen van 2 tot 12 jaar met een taalachterstand door bij het gezin thuis voor te lezen. Met dit samenhangende aanbod levert de bibliotheek een waardevolle bijdrage aan de doorgaande ontwikkelingslijn en het vergroten van kansengelijkheid.
3.3 Vroegschoolse educatie
Huidig aanbod
Op basis van de Wet Primair Onderwijs (WPO) artikel 165 mogen gemeenten ook (mede)financier zijn van activiteiten tegen onderwijsachterstanden in scholen, zoals schakelklassen, zomerscholen en verlengde schooldagen. Dit is geen wettelijke verplichting, maar biedt wel mogelijkheden om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle kinderen.
Schakelklas: de Taaltuin
De Taaltuin zet zich in voor jonge leerlingen van 4 tot 7 jaar met een forse achterstand op taal. Het gaat hier om kinderen met een doorsnee intelligentie die geen gedragsstoornis hebben. Met één jaar schakelonderwijs kunnen leerlingen hun taalachterstand meestal goed inhalen. Daarna zijn ze klaar om succesvol mee te doen in het gewone basisonderwijs. Door in een vroeg stadium (groep 2 en 3 van de basisschool) directe en effectieve hulp te bieden wordt hun taalachterstand ingelopen. De leerlingen komen van basisscholen in Leerdam, Schoonrewoerd en Kedichem.
Nieuwkomers onderwijs
Voor jonge (4-12 jaar) kinderen van nieuwkomers (asielzoekers, statushouders, arbeidsmigranten en expats) wordt taalonderwijs gegeven in de bestaande Taalklassen, Gorinchem, Taalatelier in Nieuwegein (voltijd), deeltijd in Leerdam, Meerkerk .
Voor oudere (12-18 jaar) kinderen van nieuwkomers (asielzoekers, statushouders, arbeidsmigranten en expats) zijn er internationale schakelklassen. Deze zijn georganiseerd in Gorinchem en Utrecht. Indien nodig kan er opgeschaald worden in onze eigen gemeente. Schoolbesturen, samenwerkingsverbanden en de gemeente hebben hier al afspraken over gemaakt, vooralsnog is de vraag hier niet voldoende voor.
Het uiteindelijke doel is dat de leerlingen na hun jaar in het nieuwkomersonderwijs voldoende taalvaardigheid en zelfvertrouwen hebben, zodat ze succesvol kunnen deelnemen aan het reguliere onderwijs.
Bijlage: Wettelijk kader
WPO, WKO en AMvB
Het onderwijsachterstandenbeleid (OAB) wordt gekaderd door de eisen uit de wet op het Primair Onderwijs (WPO, artikelen 165 - 168), (aanpassingen op) de wet Kinderopvang (WKO) en Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB). Gemeenten in Nederland zijn wettelijk verantwoordelijk voor het organiseren van voldoende en een gespreid aanbod aan voorschoolse educatie.
5Wet op Primair Onderwijs (Wpo), artikel 166.
Om de voor- en vroegschool goed op elkaar aan te laten sluiten zijn de kinderopvang, het onderwijs en de gemeente gezamenlijk aan zet. In overleg met schoolbesturen en kinderopvangpartners maken gemeenten afspraken over deelname, aanbod, segregatie, resultaten etc.
6Wpo, artikel 167.
Daarnaast kunnen gemeenten het onderwijs (financieel) ondersteunen om onderwijsachterstanden in de schoolse periode te verminderen.
7Wpo, artikel 165.
Het tegengaan van (taal)achterstanden vraagt dus samenwerking van meerdere partijen die betrokken zijn bij kinderen met een (risico op) (taal)achterstand. De financiering van het onderwijsachterstandenbeleid loopt langs twee wegen: de gemeenten ontvangen een budget en de schoolbesturen ontvangen een budget. Dit budget wordt sinds 2019 vastgesteld op basis van een nieuwe verdeelsystematiek.
8https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/dossier-onderwijsachterstanden
Recente landelijke ontwikkelingen die vragen om mogelijke aanpassingen in het gemeentelijke beleid:
•De nieuwe verdeelsystematiek voor het vaststellen van OAB-budgetten voor gemeenten en onderwijs (van gewichtenregeling naar CBS-rekenmodel) vanaf 1 januari/1 augustus 2019
•De aangescherpte kwaliteitseisen voor de voorschoolse educatie/kinderopvang (o.a. wet IKK)
•De urenuitbreiding naar 960 uur voorschoolse educatie vanaf 1 augustus 2020
•De inzet van de pedagogisch beleidsmedewerker/coach in de voorschoolse educatie vanaf 1 januari 2022
•De extra aandacht voor resultaatafspraken vanuit de Onderwijsinspectie en het verdwijnen van de CITO- kleutertoetsen
•Het Nationaal Programma Onderwijs en de rol van de gemeente daarin.
9Gemeenten en het Nationaal Programma Onderwijs | Nationaal Programma Onderwijs
•Zaken die mogelijk voortkomen vanuit het nieuwe regeerakkoord
AVG
Sinds de invoering van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in mei 2018 is het verzamelen en delen van gegevens zorgvuldiger en transparanter geworden. Een belangrijk uitgangspunt voor professionals blijft van kracht: het belang van het kind staat altijd voorop. Deze opdracht is vastgelegd in artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK):
“Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.”
In het kader van de overgang naar het basisonderwijs vindt gegevensuitwisseling plaats op basis van het transparantiebeginsel, en niet op basis van expliciete toestemming. Deze werkwijze sluit aan bij de systematiek van de AVG. In tegenstelling tot wat soms wordt gedacht, vormt de AVG geen belemmering voor het delen van persoonsgegevens. Integendeel: de AVG is juist bedoeld om gegevensuitwisseling op een verantwoorde en zorgvuldige manier mogelijk te maken.
Het is van belang dat ouders vanaf het begin op de hoogte zijn van het doel van de voorschoolse voorziening: het bevorderen van een soepele en doorgaande ontwikkeling van hun kind. Door hen tijdig te informeren over het beleid rondom een kind- en oudervriendelijke overdracht, wordt het vanzelfsprekend dat er op termijn informatie wordt gedeeld. Wanneer een kind drie jaar wordt, is het raadzaam om het overdrachtsproces en de bijbehorende afspraken opnieuw met ouders te bespreken.
Bijlage: Kwaliteitseisen GGDru voorschoolse opvang
Er is een visie op de voorschoolse educatie en deze is te herkennen in het aanbod
De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de voor het kindercentrum kenmerkende visie op de voorschoolse educatie en de wijze waarop deze visie is te herkennen in het aanbod van activiteiten.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder a Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
De ontwikkeling van het jonge kind wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling
De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de wijze waarop de ontwikkeling van het jonge kind wordt gestimuleerd, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder b Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
De ontwikkeling van de peuters wordt gevolgd en aanbod wordt individueel afgestemd
De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de wijze waarop de ontwikkeling van peuters wordt gevolgd en de wijze waarop het aanbod van voorschoolse educatie hierop wordt afgestemd.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder c Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
Ouders worden betrokken bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen
De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de wijze waarop de ouders worden betrokken bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder d Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
De ruimte is passend ingericht en er is materiaal voor voorschoolse educatie beschikbaar
De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, op zo concreet en toetsbaar mogelijke wijze, de inrichting van een passende ruimte waarin voorschoolse educatie wordt verzorgd en de wijze waarop passend materiaal voor voorschoolse educatie beschikbaar wordt gesteld.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder e Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
Er vindt een zorgvuldige overgang van voor- naar vroegschoolse educatie plaats, waarbij wordt gewerkt aan inhoudelijke aansluiting
De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, de wijze waarop vorm wordt gegeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder f Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
Het kind in anderhalf jaar ten minste 960 uur voorschoolse educatie, vanaf de dag dat het tweeëneenhalf jaar oud is
De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, zo concreet en toetsbaar mogelijk, hoe het aanbod voorschoolse educatie zodanig is ingericht dat een kind vanaf de dag dat het tweeëneenhalf jaar oud wordt in anderhalf jaar ten minste 960 uur voorschoolse educatie kan ontvangen.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 onder g Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
De voorschoolse opvang evalueert zijn beleid jaarlijks en stelt waar nodig bij
De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden geeft uitvoering aan het pedagogisch beleidsplan wat de aanvullende onderwerpen voor voorschoolse educatie betreft, evalueert de uitvoering jaarlijks, en stelt het plan zo nodig aan de hand hiervan bij.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 2 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
Een groep bestaat uit hoogstens 16 aanwezige kinderen, waarbij er ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie per acht kinderen aanwezig is
De verhouding tussen het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie en het feitelijk aantal aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie per acht kinderen.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 3 lid 1 en 3 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
De groep bestaat uit ten hoogste 16 feitelijk aanwezige kinderen.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 3 lid 2 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
Alle beroepsgrachten zijn in het bezit van de juiste diploma’s en voldoen aantoonbaar aan de 3F taaleis
De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt geboden draagt er zorg voor dat beroepskrachten voorschoolse educatie in het bezit zijn van:
Een getuigschrift van een opleiding zoals opgenomen in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang.
OF
Een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van de door hen te verrichten beroepswerkzaamheden.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 1, 5 en 7 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie; art 10c Regeling Wet kinderopvang)
Onderdeel van een beroepsopleiding vormt ten minste een met gunstig gevolg afgesloten keuzedeel dat is gericht op het ontwikkelingsgericht werken in de voorschoolse educatie en dat ten minste kennis en vaardigheden omvat met betrekking tot:
a.het werken met programma’s voor voor- en vroegschoolse educatie,
b.het stimuleren van de ontwikkeling van het jonge kind, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling,
c.het volgen van de ontwikkeling van peuters en het hierop afstemmen van het aanbod van voorschoolse educatie,
d.het betrekken van de ouders bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen, en
e.het vormgeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie.
In afwijking hiervan is het keuzedeel niet vereist indien de genoemde kennis en vaardigheden al onderdeel zijn van de beroepsopleiding waarop de kwalificatie is gericht.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 2 en 3 onder a Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
OF
De bezitter van een getuigschrift dat niet een keuzedeel voorschoolse educatie in de beroepsopleiding omvat, maakt aantoonbaar dat met gunstig gevolg scholing is afgerond, bestaande uit ten minste 12 dagdelen, die specifiek is gericht op het verwerven van kennis en vaardigheden met betrekking tot voorschoolse educatie als genoemd in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 3 onder b Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
De beroepskracht voorschoolse educatie beheerst aantoonbaar ten minste niveau 3F op de onderdelen Mondelinge Taalvaardigheid en Lezen.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 3a Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, stelt jaarlijks voor elke locatie voorschoolse educatie een opleidingsplan vast dat in elk geval tot uitdrukking brengt op welke wijze de kennis en vaardigheden (als genoemd in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie) van de beroepskracht voorschoolse educatie worden onderhouden. De houder geeft op concrete en toetsbare wijze uitvoering aan het opleidingsplan, evalueert het plan jaarlijks en stelt het plan aan de hand van de evaluatie zo nodig bij.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 4 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
Er wordt een VE-erkend programma gebruikt
Voor de voorschoolse educatie wordt een programma gebruikt waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 5 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)