Gemeentelijke regelgeving

Nota Risicomanagement en weerstandsvermogen Vijfheerenlanden 2023-2026

Gemeente Vijfheerenlanden · geldt sinds 7 maart 2023

3. Het risicomanagementproces

3.2 Het proces: wat gaat goed en wat kan nog beter

3.2.1 Proces: een tweetal aandachtspunten

1.Risico’s in beeld brengen die samenhangen met een doel.

Het huidig risicoprofiel bevat mogelijk nog risico’s waaruit het verband met de te realiseren (strategische) doelen (nog) niet voldoende blijkt. Deze samenhang moet verduidelijkt worden; ontbreekt het verband dan is het risico voor de gemeente niet relevant. In dat geval dient het risico niet meer in het risicoprofiel te worden opgenomen. Overigens is het voor verduidelijking van de samenhang wel van belang dat de te realiseren doelen voldoende concreet (SMART) zijn geformuleerd. Bij elke volgende risico-inventarisatie zal hierop een screening moeten plaatsvinden.

2.Eigenaarschap verduidelijken en concretiseren.

In de nota van 2020 zijn de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden inzake het risicomanagement al beschreven. Het regelmatig verduidelijken van ieders rol verdient extra aandacht om daarmee het eigenaarschap te laten beklijven. Verbreding van het gebruik van de hiervoor aangekochte applicatie kan hiervoor een extra impuls geven. Ook kennisverbreding via o.a. de 5HL-Academie is een geeigend middel.

Voor ieders duidelijkheid, de taak- en rolverdeling voor het risicomanagement is bij deze herziening niet gewijzigd en ziet er als volgt uit:

-Gemeenteraad stelt de kaders en strategie vast en ziet erop toe dat het college van B&W hier uitvoering aan geeft.

-Het College van B&W is eindverantwoordelijk voor de uitvoering van het vastgestelde beleid, bepaalt de te nemen beheersmaatregelen en verantwoord zich aan de raad bij begroting en jaarrekening over de toprisico’s.

-De ambtelijke organisatie (teams en projecten) voert onder de integrale verantwoordelijkheid van de Directie het risicomanagement uit. Periodiek (minimaal 2 x per jaar bij begroting en jaarstukken) wordt hierover gerapporteerd aan het College van B&W. Hiervoor is een aangeschafte applicatie beschikbaar die zelf door de aangewezen risico-eigenaar (verantwoordelijke team of project) dient te worden beheerd. Team Control ondersteunt hierbij en monitort o.a. de werking van het systeem.

3.2.2 Het proces: nadere concretisering

De praktijk van de afgelopen twee jaar laat ook zien dat het proces op enkele onderdelen nog verder geconcretiseerd en uitgewerkt kan worden (schuin gearceerd weergegeven inclusief reden):

➢ Voor grote strategische projecten en grondexploitaties dient een afzonderlijke risicoanalyse c.q. gevoeligheidsanalyse te worden opgesteld. De risico’s worden voortschrijdend voor een periode van vier jaar in de weerstandsbehoefte meegenomen. Dergelijke ingrijpende projecten moeten afzonderlijk in cyclische rapportages worden toegelicht.

Reden: deze “specials” verdienen extra aandacht omdat de mogelijke impact van risico’s bij dergelijke projecten veel groter is.

➢ Privacygevoelige informatie in risico’s wordt geanonimiseerd en in algemene zin beschreven. De als vertrouwelijk aangewezen risico’s worden niet in het risicoprofiel opgenomen en onder geheimhouding met de gemeenteraad gedeeld.

Reden: in verband met privacyregels worden risico’s anoniem opgenomen. Vertrouwelijke risico’s worden niet in het risicoprofiel opgenomen om te voorkomen dat de positie van de gemeente geschaad wordt.

➢ Ook risico’s met niet-financiële gevolgen of kansen (opportunity’s) worden geïnventariseerd en vastgelegd in de NARIS-applicatie. Beiden tellen niet mee bij de bepaling van het benodigde weerstandsvermogen.

Reden: niet bij alle risico’s die daadwerkelijk optreden is sprake van nadelige financiële gevolgen. In eerste instantie kan er alleen sprake zijn van vertraging, minder kwaliteit, imagoschade e.d.. Alhoewel dergelijke risico’s op de lange termijn ook financiële schade zullen opleveren, tellen ze echter nog niet mee bij de bepaling van de benodigde weerstandsbehoefte. Hetzelfde geldt ook voor mogelijke kansen of opportunity’s.

Vanuit het voorzichtigheidsprincipe is het niet toegestaan om met dergelijke mogelijk optredende voordelen rekening te houden. Voordelen mogen uitsluitend ingeboekt worden wanneer deze daadwerkelijk zijn gerealiseerd. Dan spreken we over een “meevaller”. Het is natuurlijk wel van belang om niet alleen zicht op risico’s maar juist ook op mogelijke kansen te hebben.

➢ Elk financieel risico wordt gekwantificeerd. Onderliggende berekeningen en onderbouwingen worden vastgelegd in de aangeschafte applicatie. Financiële risico’s lager dan € 50.000 worden geaccepteerd; mochten deze risico’s toch daadwerkelijk optreden, dan komen deze ten laste van de exploitatie.

Reden: een verdere inkadering is gewenst. Focus komt dan te liggen bij de risico’s met een hoge verwachte impact en een hoge mate van waarschijnlijkheid van optreden. Door mogelijk impact en waarschijnlijkheid van optreden zo goed mogelijk te bepalen, kan er ook een betere prioritering worden aangebracht. Anders zijn er simpelweg teveel risico’s om optimaal te beheersen.

➢ Financiële risico’s met een waarschijnlijkheidspercentage van 90% of meer zijn geen risico maar een werkelijkheid en worden als nadeel meegenomen ten laste van de exploitatie. Bij een risico met een waarschijnlijkheidspercentage van 75% of hoger wordt eerst overwogen of vorming van een voorziening aan de orde kan zijn.

Reden: een risico met een 90% of hogere waarschijnlijkheid van optreden komt vrijwel zeker voor en is daarmee niet echt een risico maar min of meer een zekerheid. Een zekerheid moet direct opgevangen worden. In de praktijk is voor een dergelijk risico een voorziening gevormd; is deze niet voorhanden dan komt dit nadeel direct ten laste van de exploitatie. Bij een risico met een waarschijnlijkheidspercentage vanaf 75% wordt eerst overwogen of vorming van een voorziening aan de orde kan zijn. Het is dan wel nodig dat het risico goed te kwantificeren is, anders is het vormen van een voorziening niet mogelijk.

➢ In het risicoprofiel wordt standaard een post onvoorzien van € 1 miljoen netto opgenomen.

Reden: voor risico’s met een geringe verwachte impact (onder de € 50.000) en niet voorziene risico’s wordt voorzichtigheidshalve een risico van € 1 miljoen netto opgenomen.

➢ Voor financiële risico’s met een structureel karakter wordt in beginsel een buffer opgenomen van 200% van het jaarrisico. Dit vanuit het uitgangspunt dat een dergelijk risico in een periode van 4 jaar stapsgewijs wordt afgebouwd: van 100% in het eerste jaar, 67% in het tweede jaar, 33% in het derde jaar en 0% in het vierde jaar. Van dit beginsel wordt afgeweken bij structurele risico’s waarbij beargumenteerd bepaald kan worden dat een andere of geen verhogende opslagfactor aan de orde is. Bij risico’s op grondexploitaties wordt ook geen opslagfactor toegepast.

Reden: Risico’s met structurele gevolgen moeten in drie jaar nadat zij zich gemanifesteerd hebben, zijn geminimaliseerd of zijn opgevangen binnen de exploitatie. In de eerste jaar telt het risico voor 100% mee, in het tweede jaar voor 67% en in het derde jaar voor 33%. Daarna, in het vierde jaar, moeten de gevolgen volledig zijn opgevangen binnen de exploitatie of door getroffen maatregelen zijn teruggebracht tot nihil. De percentages opgeteld geeft een uitkomst van 200% ofwel een factor 2 van het jaarbedrag. Van dit beginsel kan worden afgeweken bij structureel financiële risico’s waarbij een beargumenteerde afweging gemaakt kan worden of er een verhogende factor aan de orde is en hoe hoog die is. Bepalend hierbij is onder andere de tijd die nodig is om het risico te beheersen.

Ook bij grondexploitaties wordt geen verhogende factor toegepast, omdat hier het onderscheid tussen risico’s met een incidenteel en structureel karakter ontbreekt.

➢ De uit de frauderisico-analyse naar voren komende risico’s worden als een totaal in het ricicoprofiel opgenomen.

Reden: Fraude is iedere opzettelijke handeling – of het nalaten te handelen – met de bedoeling de ander te misleiden, met als gevolg dat die ander schade leidt en/of de fraudeur voordeel heeft. Bij fraude bevoordeelt iemand zichzelf en/of een ander (persoon of organisatie) en wordt er misbruik van vertrouwen gemaakt. Gelet op het bijzondere karakter is er een afzonderlijke frauderisico-analyse voor 2022 opgesteld. Deze analyse die door het college van B&W wordt vastgesteld, is ter informatie als bijlage bij deze nota gevoegd. Beheersing van frauderisico’s en de preventie maken namelijk integraal onderdeel uit van het risicomanagement. Het totale restrisico, zoals dat uit de frauderisico-analyse naar voren komt, maakt onderdeel uit van het totale risicoprofiel.

➢ Om de financiële schade op te vangen van niet beïnvloedbare externe ontwikkelingen (klimaatverandering, economische recessie, vergrijzing, stikstofproblematiek, pandemie e.d.) en “zwarte zwanen” wordt een buffer gerealiseerd door een weerstandsratio van 2,5 als norm te hanteren met een onder- en bovengrenns van respectievelijk 1,5 en 3,5.

Reden: verschillende door gemeente niet te beinvloeden externe ontwikkelingen (klimaatverandering, vergrijzing, energiecrisis als gevolg van de oorlog in Oekraïne, de coronapandemie, de verslechterde economische situatie e.d.) en zogenaamde “zwarte zwanen” kunnen een aanzienlijke financiële impact hebben waarvan de omvang niet te bepalen valt.

De “zwarte zwaan” is bedacht als metafoor voor wat niet zeker is en ook niet kunnen weten. Het gaat hier dan om gebeurtenissen die niemand kent en niemand ziet aankomen. De coranacrisis is hier een mooi voorbeeld van. Zwarte zwanen worden ook wel de onbekende onbekenden genoemd.

In het Coalitieakkoord 2022-2026 is een weerstandsratio van 2,5 als norm opgenomen. Hiermee wordt een buffer gerealiseerd om de mogelijk aanzienlijke financiële schade van deze externe ontwikkelingen en zwarte zwanen te beperken. In deze nota wordt voorgesteld om aan deze streefnorm van 2,5 ook een ondergrens van 1,5 en een bovengrens van 3,5 te koppelen.

5 WEERSTANDSVERMOGEN

5.2 Weerstandsbehoefte

5.2.1 Netto verwacht gevolg risico (het restrisico)

Dit is het initiële risico waarvan de effecten van de beheersmaatregelen, compensatie door derden, dekking uit voorziening of verzekering e.d. zijn afgetrokken. Voor risico’s met een structureel karakter wordt er een buffer van 200% maal het jaarrisico opgenomen. Het moet namelijk mogelijk zijn om in een periode van vier jaar een volledige dekking te realiseren. De factor 200% (X 2) is de optelsom van 100% in het 1e jaar, 67% in het 2e jaar en 33% in het derde jaar en 0% in het vierde jaar. Zie hiervoor bijlage 1.

De impact van risico’s binnen grondexploitaties en grote investeringsprojecten en een economische recessie op de reguliere exploitatie worden op een specifieke manier berekend:

Grondexploitaties en grote investeringsprojecten.

In het vorige hoofdstuk is al aangegeven dat grondexploitaties en grote (investerings)-projecten vanwege de grote impact (op financiën, maatschappelijk, politiek e.d.) speciale aandacht krijgen.

Voor grondexploitaties en projecten dient een afzonderlijke risicoscan vanuit verschillende invalshoeken te worden gemaakt met een berekening van de mogelijke financiële risico’s. De risico’s worden voortschrijdend voor een periode van vier jaar in de weerstandsbehoefte meegenomen.

Bij grondexploitaties is naast de projectgebonden risico’s sprake van economische risico’s. Om deze economische risico’s in te schatten, dient op totaalniveau van de grondexploitaties een gevoeligheidsanalyse gemaakt te worden op basis van de volgende vier variabelen: stijging van de rente, stijging van de kosten, daling van de opbrengsten en afzet-/programmeringsrisico’s.

Gelet op de specifieke risico’s bij grondexploitaties en projecten is er een afzonderlijke reserve grondexploitatie gevormd.

Impact van een niet beinvloedbare ontwikkelingen (zoals een economische recessie, vergrijzing, stikstofproblematiek e.d.).

Momenteel heeft de gemeente te maken met allerlei externe ontwikkelingen, die niet zelf beïnvloedbaar zijn, die naar verwachting grote financiële gevolgen voor de gemeente kunnen hebben. Externe ontwikkelingen, zoals de energiecrisis als gevolg van de oorlog in Oekraïne, stikstofproblematiek, klimaatverandering, vergrijzing e.d.. Economen verwachten zelfs dat er een wereldwijde economische recessie op handen is.

In de huidige nota van 2020 is nog een berekening met de nodige variabelen opgenomen om de mogelijke impact van een economische recessie op de inkomsten en uitgaven van de gemeente te bepalen. Door de vele variabelen is echter een goede en betrouwbare kwantificering niet of nauwelijks mogelijk. Toch is het gewenst dat er binnen het weerstandsvermogen rekening wordt gehouden met de mogelijke impact van dergelijke ontwikkelingen. Verschillende gemeenten doen dit door hiervoor een stelpost van enkele miljoenen op te nemen.

Overeenkomstig het Coalitieakkoord 2022-2026 is in deze herziene nota ervoor gekozen om de extra buffer te realiseren door een weerstandsratio van 2,5 als norm te hanteren. Een extra buffer van 1,5 boven het minimumniveau van 1,0. Verderop in deze notitie wordt dit verder toegelicht.

5.2.2 Waarschijnlijkheid van optreden.

Er wordt een schatting gemaakt van de kans van optreden van het risico: van zeer klein (vanaf 5%) tot zeer groot (vanaf 90%). Risico’s waarvan op voorhand bekend is dat deze gaan optreden (dus 100% zeker) worden in ieder geval niet meegenomen. Ook risico’s die vrijwel zeker gaan optreden (vanaf 90%) worden niet meer in het risicoprofiel opgenomen. Ook deze risico’s worden als zekerheden aangemerkt en als verplichtingen opgenomen waarvoor dekking vanuit de exploitatie of voorziening benodigd is.

Dit waarschijnlijkheidspercentage kan overigens in de tijd fluctueren. Minimaal 2 keer per jaar dient een risico, niet alleen qua impact maar juist ook op waarschijnlijkheid van optreden, tegen het licht te worden gehouden.

5.2.3 Risicosimulatie.

De gemeente Vijfheerenlanden maakt al enige jaren gebruik van een bij Naris (oorspronkelijk Nederlands Adviesbureau Risicomanagement) aangeschafte applicatie Naris GRC (Governance, Risk & Compliance). Deze risicomanagementsoftware wordt gebruikt voor o.a. de registratie, analyse, bewaking van risico’s en kan tevens als rapportagetool worden gebruikt. Deze applicatie heeft als prettige bijkomstigheid dat het ook een betrouwbare risicosimulatie kan uitvoeren. Een dergelijke simulatie is noodzakelijk om de benodigde weerstandscapaciteit beter te kunnen berekenen. Een goede risicosimulatie houdt er namelijk rekening mee dat alle risico’s zich nooit op één moment en allemaal tegelijk en allemaal in hun maximale omvang voordoen.

De applicatie Naris GRC bevat een simulatietool waarbij het risicoprofiel van de gemeente vele malen (100.000 trekkingen) gesimuleerd kan worden. Het resultaat van deze simulaties is een verdelingsfunctie op basis waarvan een zekerheidspercentage bepaald worden. Hierbij is het gebruikelijk om een zekerheidspercentage van 90% aan te houden. Het bedrag die uit de simulatie bij een zekerheidspercentage van 90% voortvloeit, is dan het benodigde reëele weerstandsvermogen.

5.2.4 De weerstandsbehoefte

Alle geïnventariseerde risico’s worden in het risicoprofiel opgenomen. Vervolgens wordt over het volledige risicoprofiel de Naris-simulatie op toegepast. De uitkomst op basis van een zekerheids-percentage van 90% geeft de benodigde totale weerstandsbehoefte weer en wordt afgezet tegenover de in de hierna in paragraaf 5.3 bepaalde aanwezige/beschikbare weerstandscapaciteit.

De risicomatrix maakt onderdeel uit van de verplichte paragraaf weerstandsvermogen zoals die in de begroting en jaarstukken wordt opgenomen.

5.3 Beschikbare weerstandscapaciteit

5.3.1 Algemene reserves

Alleen de vrij aanwendbare algemene reserves worden tot de beschikbare weerstandscapaciteit gerekend. Dit zijn de algemene reserves van Vijfheerenlanden die voldoen aan de volgende criteria:

•Aan de algemene reserves is nog geen bestemming gegeven, dat wil zeggen er staan nog geen geplande (en door de raad) goedgekeurde uitgaven tegenover.

•De rente over de reserve wordt niet (structureel) ingezet als dekkingsmiddel in de exploitatie.

In het navolgende overzicht zijn de reserves opgenomen die in de balans van de jaarrekening 2021 onder de algemene reserves zijn gerubriceerd. Voor deze reserves is aan de hand van bovenstaande twee criteria bepaald of deze reserves tot de weerstandscapaciteit mogen worden gerekend. Wanneer voldaan wordt aan de critarie is per reserve aangegeven welk bedrag dan beschikbaar is. De bedragen zijn gebaseerd op de stand per 31-12-2021 (jaarrekening 2021) na resultaatbestemming.

Reserve

Bestemd?

Dekkings-middel in exploitatie?

Onderdeel beschikbare weerstands-capaciteit?

Bedrag beschikbaar (begroting 2023)

Algemene reserves

-Algemene reserve (AR) (*1)

Nee

Nee

Ja

€ 40.150.000

-Grondexploitatie (AGR) (*2)

Nee

Nee

Ja

€ 1.717.000

-Sociaal domein (ASD) (*3)

Nee

Ja

Nee

nihil

TOTAAL BESCHIKBAAR BINNEN ALGEMENE RESERVES

€ 41.867.000

*1) Gebaseerd op de stand na jaarrekening 2021 na resultaatbestemming, vermeerderd en verminderd met de voor 2022 voorziene mutaties op basis van raadsbesluiten.

*2) De algemene reserve grondexploitatie heeft momenteel een omvang van € 3.346.000. Hiervan is € 1.629.000 al geoormerkt waardoor er per saldo € 1.077.000 beschikbaar is als weerstandscapaciteit.

*3) De onder de algemene reserves gerubriceerde reserve sociaal domein wordt in 2023 aangewend voor o.a. motieplan Uitvoering Armoede en Schulden en projecten beschermd wonen. De reserve sociaal domein wordt om die reden niet meegeteld in de bepaling van de aanwezige weerstandscapaciteit.

De bepaling van de beschikbare weerstandscapaciteit van Vijfheerenlanden gebeurt in zijn geheel door de vrij aanwendbare algemene reserves bij elkaar op te tellen. Dit zijn momenteel alleen de algemene (risico)reserve en de reserve grondexploitatie. Deze reserves maken onderdeel uit van de incidenteel aanwezige weerstandscapaciteit.

De onder de algemene reserves gerubriceerde reserve sociaal domein en alle andere bestemmings- en dekkingsreserves tellen hiervoor niet mee.

Op basis van de saldi bij de jaarrekening 2021 na resultaatbestemming en de voor 2022 voorziene mutaties is er naar verwachting begin 2023 een weerstandscapaciteit beschikbaar binnen de vrij aanwendbare algemene reserves van € 41,87 miljoen.

5.3.2 Onbenutte belastingcapaciteit

De onbenutte belastingcapaciteit is het verschil tussen de huidige inkomsten uit algemene belastingen en heffingen en de maximaal mogelijke inkomsten. Deze extra opbrengsten – die pas tot stand komen door een raadsbesluit tot tariefsverhogingen – horen tot de potentiële beschikbare weerstandscapaciteit.

Aangezien volledige kostendekking al als beleidslijn wordt gehanteerd bij de afvalstoffenheffing, rioolrechten en andere retributies en leges is er alleen bij de OZB sprake van aanwezige onbenutte belastingcapaciteit.

In het vervolg van deze paragraaf wordt alleen de onbenutte belastingcapaciteit binnen de OZB bepaald.

Onbenutte capaciteit OZB.

Naast de vraag van de politieke wenselijkheid, zijn voor bepaling van de potentiële capaciteit binnen de OZB ook de wettelijke kaders van belang. Daarbij wordt gekeken naar de in artikel 12 Financiële Verhoudingswet (FVW) opgenomen saneringssteun regeling.

Om als gemeente tot deze regeling te mogen toe treden moet naast 100% kostendekking bij de rioolheffing en afvalstoffenheffing, het OZB-tarief op het gewogen landelijk gemiddelde met een opslag van 20% bevinden. Voor 2022 is het redelijk tarief OZB: 0,1800%.

Dit redelijk tarief wordt vermenigvuldigd met de WOZ-waarde woningen + 2 x WOZ-waarde niet-woningen. Voor 2022 komt de totale waarde uit op afgerond € 10 miljard. Dit vermenigvuldigt tegen het redelijk tarief van 0,1800% geeft een totale belastingcapaciteit van in totaal € 10 miljard waarde x 0,1800% = € 18 miljoen.

Vervolgens worden de werkelijke verwachte opbrengsten hierop in mindering gebracht. Voor 2022 is dit in de begroting 2022 becijferd op afgerond € 13,5 miljoen voor woningen en niet-woningen.

Dit resulteert in een onbenutte belastingcapaciteit OZB aanwezig is van € 4,5 miljoen (€ 18 miljoen minus € 13,5 miljoen). Dehalve nog een aanzienlijke aanwezige onbenutte capaciteit OZB. Om deze potentieel aanwezige capaciteit te kunnen meenemen, dient het beleid van de gemeente aangepast te worden. De gemeente hanteert nu immers de beleidslijn om de OZB-tarieven alleen voor compensatie van inflatie te verhogen. De totale woonlasten in onze gemeente liggen al ruim boven het landelijk gemiddelde. Aangezien op dit moment geen aanpassing van dit beleid wordt voorzien, telt de onbenutte belastingcapaciteit niet mee voor de bepaling van het weerstandsvermogen.

Dit sluit tariefsverhogingen niet uit als middel om nadelen op te vangen. Het inzetten van weerstandscapaciteit is immers slechts een van de opties (naast bijvoorbeeld beleidsaanpassingen en bezuinigingen) om onverwachte tegenvallers op te vangen.

Doordat 100% kostendekking als beleidslijn wordt gehanteerd, is er geen onbenutte belastingcapaciteit op de rioolheffing, de afvalstoffenheffing en de retributies (begrafenisrechten, leges omgevingsvergunningen, leges Burgerzaken en marktgelden).

De onbenutte belastingcapaciteit op het gebied van OZB is het verschil tussen de OZB opbrengst op basis van het gewogen landelijk gemiddelde met een opslag van 20% en de OZB opbrengst bij het daadwerkelijk toegepaste stijgingspercentage. Voor 2022 bedraagt de omnbenutte belastingcapaciteit ozb € 4,5 miljoen.

De potentieel beschikbare weerstandscapaciteit wordt niet meegenomen bij de bepaling van het weerstandsvermogen omdat hiervoor het beleid aangepast moet worden.

5.3.3 Post onvoorzien.

De begroting en meerjarenraming bevatten een structurele post onvoorzien van € 50.000. Een dergelijke post onvoorzien is een verplichting onder het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Deze post behoort tot het weerstandsvermogen, aangezien hier op voorhand geen geplande uitgaven tegenover staan.

De post onvoorzien behoort tot de beschikbare weerstandscapaciteit. Dit bedrag telt vier maal mee voor de beschikbare weerstandscapaciteit. De post onvoorzien draagt daarmee voor € 200.000 bij aan de beschikbare weerstandscapaciteit (vier x € 50.000).

5.3.4 Totale beschikbare weerstandscapaciteit

De gemeente Vijfheerenlanden rekent enkel de vrij aanwenbare algemene reserves tot de beschikbare incidentele weerstandscapaciteit. Op basis van de stand jaarrekening 2021 na resultaatbestemming komt de beschikbare incidentele capaciteit uit op € 41,87 miljoen.

De in de begroting 2022 opgenomen post onvoorzien valt onder de aanwezige structurele weerstandscapaciteit en bedraagt in totaal € 200.000.

De potentiële weerstandscapaciteit door de onbenutte belastingcapaciteit OZB komt uit op € 4,5 miljoen. Potentieel omdat de gemeenteraad eerst tot tariefsverhoging moet besluiten. Voorstellen daartoe worden nu niet voorzien, waardoor deze potentiële aanwezige weerstandscapaciteit wordt dan ook niet niet meegenomen bij de bepaling van het weerstandsvermogen.

6. RELATIE TOT WEERSTANDSPARAGRAAF

6.3 Schuld- en solvabiliteitspositie, verplichte financiële kengetallen

6.3.1 Solvabiliteit

Het kengetal solvabiliteit geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Hoe hoger dit percentage, hoe gunstiger dit is voor de financiële weerbaarheid van de gemeente. Dit cijfer geeft dus een soort toekomstvisie weer.

Het kengetal geeft ook weer hoe het gemeentelijke bezit is gefinancierd. Het percentage geeft aan welk deel van het gemeentelijk bezit uit eigen middelen is gefinanciërd. De wetgever en VNG adviseren een minimumnorm van 20% te hanteren. Deze minimumnorm is ook als uitgangspunt in het Coalitieakkoord 2022-2026 opgenomen.

Daalt het kengetal onder deze norm van 20% dan moeten maatregelen getroffen gaan worden, zoals afbouw schuldpositie of versterking eigen vermogen, om weer boven de 20% uit te komen. Het percentage is niet op een zich zelf staand gegeven, maar zal in samenhang met de andere kengetallen (zoals de netto schuldquote) moeten worden beoordeeld.

In verband hiermee wordt overeenkomstig het Coalitieakkoord 2022-2026 inzake de solvabiliteit de volgende beleidslijn gehanteerd:

De norm voor de solvabiliteit wordt op minimaal 20% gesteld.

Indien het percentage beneden deze norm uitkomt dan zal het college van B&W een voorstel aan de gemeenteraad voorleggen over de gevolgen van de onderschrijding en de eventueel te nemen acties om uiterlijk binnen vijf jaar weer boven de norm van 20% te komen.

In ieder geval zullen optredende voordelen worden ingezet voor versterking van het eigen vermogen.

BIJLAGEN

Bijlage 1: Jaarlijkse cyclus risicomanagement in zes stappen

Risicomanagementproces

Het sturen op en beheersen van risico’s is de spil van het risicomanagementproces. Dit proces wordt binnen Vijfheerenlanden jaarlijks in een zestal stappen doorlopen, wat uiteindelijk resulteert in een resterend risico dat wordt afgedekt via de beschikbare weerstandscapaciteit. De zes stappen zijn:

1Doelen bepalen

2Risico’s en kansen identificeren

3Risico’s en kansen classificeren

4Maatregelen bepalen en implementeren

5Maatregelen evalueren

6Communiceren en rapportage

Stap 1: Doelen bepalen

Bij deze stap worden de beoogde doelen in beeld gebracht. De beoogde doelen kunnen allerlei zijn: van strategische beleidsdoelen, kernwaarden, operationele teamdoelen tot projectresultaten. Voorbeelden van doelstellingen bij de gemeente zijn: beleidsdoelstellingen in de programma’s bij de begroting; binnen de afgesproken budgetten blijven; realiseren van projecten; rechtmatig handelen bij uitvoering van beleid etc. Zonder een duidelijke doelstelling is het moeilijk risico’s te bepalen.

Vijfheerenlanden heeft grote ambities op allerlei terreinen, zoals woningbouw, sociale participatie van alle inwoners, veiligheid etc. Deze grote ambities brengt ook grote uitgaven met zich mee en daarmee (financiële) risico’s.

Ook wordt in deze stap gekeken naar de omgeving waarin de gemeente opereert. Deze omgeving is dynamisch, complex, ambigu waardoor gemeenten in toenemende mate met onzekerheden te maken krijgen. De context is van invloed op de risico’s die de gemeente loopt. Het gaat bij stap 1 om vragen als: welke doelstellingen wil de gemeente behalen? Waar staat de gemeente nu? Wat is de maatschappelijke en economische omgeving? Hoeveel risico zijn we bereid om te nemen? Het inzichtelijk maken van deze context maakt het eenvoudiger om in stappen 2 en 3 de risico’s en kansen te identificeren en te classificeren.

Stap 2: Identificatie van risico’s en kansen.

Bij het identificeren van risico’s en kansen gaat het om het in kaart brengen van:

•Factoren die de realisatie van de bestaande beleidsdoelstellingen in de weg kunnen staan (bedreigingen) of versterken (kansen). Risico’s kunnen hierbij zowel het beleid als de uitvoering daarvan betreffen.

•Nieuwe ontwikkelingen die op de gemeente af komen (bijvoorbeeld nieuwe/gewijzigde wetgeving).

Risicomanagement is hiermee nadrukkelijk gekoppeld aan het beleid dat de gemeente voert of in de toekomst gaat voeren. Logischerwijs is risicomanagement daarmee ook gekoppeld aan de verantwoordelijke organisatieonderdelen (teams, projecten). Daar worden immers het beleid en de plannen ontwikkeld, voorbereid en uitgevoerd. Bij risico’s gaat het overigens altijd om onzekere gebeurtenissen. Gebeurtenissen waarvan op basis van ervaringen op voorhand bekend is dat ze zullen optreden, dus niet onzeker zijn, worden bij de identificatie niet meegenomen. Voorbeelden zijn planschades en nadeelcompensatie. Dergelijke kosten dienen integraal onderdeel te zijn van besluitvorming.

Identificatie: focus op risico’s met nadelige financiële gevolgen.

De focus bij de identificatie ligt ook in deze bijgestelde nota in eerste instantie op de risico’s met mogelijke negatieve financiële gevolgen voor de gemeente. Mogelijke gebeurtenissen met louter niet-financiële schade (zoals imagoschade, vertraging, kwaliteitsverlies e.d.) worden niet meegeteld bij de bepaling van de benodigde weerstandsbehoefte.

Het is echter wel van belang om dergelijke risico’s te inventariseren en vast te leggen. Dergelijke risico’s kunnen op termijn wel nadelige financiële gevolgen hebben.

Ook kansen identificeren en vastleggen.

Onzekere gebeurtenissen kunnen ook positieve (financiële) gevolgen hebben. Dergelijke ‘kansen’ moeten ook geïdentificeerd worden. Dergelijke kansen zijn in het kader van risicomanagement belangrijk. Vanuit het voorzichtigheidsprincipe (“winsten” mogen pas ingeboekt worden als deze daadwerkelijk zijn gerealiseerd) mogen dergelijke kansen voor de bepaling van de benodigde weerstandscapaciteit niet meegenomen worden. Het is wel van belang om dergelijke kansen te inventariseren en in de Naris GRC applicatie vast te leggen en aan een risico-eigenaar toe te wijzen.

Stap 3: Risico’s en kansen classificeren

Bij stap 3 dienen de verantwoordelijke teams en projecten allereerst de in kaart gebrachte risico’s te classificeren. Daartoe moeten de geïnventariseerde risico’s op basis van een nadere analyse worden gecategoriseerd naar mate van beïnvloedbaarheid. Hiervoor is een door de verantwoordelijke teams in te vullen format ontwikkeld (bijlage 2 bij deze nota). Uiteindelijk levert dit een aanzienlijke lijst met vele tientallen aan geïdentificeerde en geclassificeerde risico’s en kansen op. Dit zijn er teveel om optimaal te beheersen. Er moet dan ook een ordening en prioritering in de lijst met risico’s aangebracht worden, zodat de verantwoordelijke organisatieonderdelen de meeste tijd en energie steken in de beheersing van en sturing op de risico’s die de grootste impact kunnen hebben op de organisatie en de gestelde doelstellingen. Deze ordening wordt gerealiseerd door de risico’s financieel te kwantificeren.

Beide deelstappen worden hierna uitgebreider beschreven.

Deelstap 3.1 Risico’s en kansen categoriseren

Risico’s worden gecategoriseerd om o.a. vergelijkbare risico’s die binnen verschillende organisatieonderdelen spelen in kaart te brengen. Ook helpt categorisering bij het maken van afspraken over hoe met verschillende typen risico’s wordt omgegaan. Dit doen we door de geïnventariseerde risico’s op basis van de mate van beïnvloedbaarheid te verdelen over de volgende drie groepen: 1. externe risico’s, 2. strategische risico’s en 3. interne risico’s (risico’s op de normale bedrijfsvoering).

1.Externe risico’s

Het gaat hier om bedreigingen en kansen die ontstaan vanuit vrijwel onbeïnvloedbare ‘externe ontwikkelingen’. De volgende drie caterorieën worden onderscheiden: a. economisch/markt, b. politiek/maatschappelijk en c. natuur/demografisch.

Bij deze drie categoriëen externe risico’s liggen de oorzaken buiten de invloedssfeer van de gemeente. Dit betekent echter niet zonder meer dat de gemeente ook geen bijsturingsmogelijkheden heeft. Door middel van het temporiseren van projecten, het strak sturen op uitgaven en andere operationele maatregelen kunnen de gevolgen over het algemeen wel beperkt worden.

1aEconomisch/markt

Onder de categorie ‘economisch/markt’ vallen risico’s die verband houden met macro economische ontwikkelingen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van de economie (recessie), fluctuaties in de rentestand, de ontwikkeling van de werkloosheid; de ontwikkeling van de vastgoedmarkt en krapte op de arbeidsmarkt.

1bPolitiek/maatschappelijk

Onder de categorie ‘politiek/maatschappelijk’ vallen risico’s die verband houden met beleid en besluitvorming van hogere overheden (de provincie, het Rijk, de Europese Unie) en gemeenschappelijke regelingen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de gevolgen van (nieuwe) wetgeving. Onder deze categorie vallen ook risico’s die verband houden met ontwikkelingen in de maatschappij, zoals bijvoorbeeld terrorisme dreiging en gevolgen van sociale onrust. Gebeurtenissen en ontwikkelingen bij regionale samenwerkings-verbanden en leveranciers vallen ook onder deze categorie.

1cNatuur/demografisch

Onder de categorie ‘natuur/demografisch’ vallen risico’s die verband houden met zaken als het weer, het klimaat, de aarde, bevolkingssamenstelling, besmettelijke ziekten onder mensen (zoals het Coronavirus en de Mexicaanse griep), dieren (zoals de Q-koorts) en planten (zoals de kastanjeziekte).

2.Strategische risico’s

Onder de categorie ‘strategisch’ vallen de risico’s die verband houden met grote projecten, grondexploitaties e.d. waarmee de gemeente het maximale uit haar beleid wil halen. Deze beleidsmatige risico’s vragen om een adequate beheersing omdat dergelijke projecten veelal een verwachte grote financiële impact, complexiteit en politieke gevoeligheid speciale aandacht vanuit risicomanagement verdienen.

Bijvoorbeeld in het geval van een grote investering, project, grondexploitatie e.d. moet altijd afgewacht worden of deze daadwerkelijk de verwachte resultaten op gaat leveren. Hetzelfde geldt voor beleidsmatige besluiten. Risico’s inzake grondexploitaties en grote projecten vragen om een adequate beheersing en krijgen om die reden extra aandacht.’

3.Interne Risico’s (risico’s op de normale bedrijfsvoering)

Dit zijn risico’s die samenhangen met het reguliere dagelijkse werk van de gemeente. Handelingen van het ambtelijk apparaat en bestuurders of het juist het uitblijven daarvan vallen onder deze categorie.

Deze bedrijfsvoeringrisico’s kunnen nader worden nader gesplitst in oorzaken voor de risico’s: a. organisatie, b. bestuur, c. uitvoering, d. middelen, e. personeel, f. juridisch.

Deze bedrijfsvoeringrisico’s zijn ook te categoriseren als ‘te voorkomen risico’s’.

De gevolgen van de risico’s zijn meestal beperkt en doorgaans ook goed beheersbaar. Maar juist dat zorgt ervoor dat ze veel emotie en media-aandacht kunnen oproepen. ‘Zoiets had toch makkelijk voorkomen kunnen worden!’ is dan een veelgehoorde reactie.

3aOrganisatorisch

Onder de interne categorie ‘organisatorisch’ vallen risico’s die verband houden met de wijze waarop de gemeentelijke organisatie is ingericht en de afspraken (richtlijnen, regelgeving, spelregels, administratieve organisatie, interne controle, gedragscodes, protocollen etc.) die we met elkaar gemaakt hebben over hoe we dingen doen.

Het gaat hierbij om risico’s die veroorzaakt worden doordat dergelijke zaken verouderd, onvolledig, onjuist zijn. Risico’s die verbonden zijn aan ‘het niet houden’ aan vallen onder de categorie ‘uitvoering’ dan wel ‘personeel’ (zie de omschrijvingen aldaar).

3bPolitiek/bestuurlijk (inclusief compliance)

Onder de interne categorie ‘politiek/bestuurlijk’ vallen risico’s die verband houden met de lokale politiek en het lokale bestuur en het gekozen beleid. Hieronder vallen ook de zogenaamde compliance risico’s: risico’s vanwege het niet voldoen aan wet- en regelgeving door besluitvorming in strijd met wet- en regelgeving, onbevoegde besluitvorming en strijdige gemeentelijke regelgeving.

3cUitvoering

Onder deze categorie vallen risico’s die verband houden met de uitvoering van gemeentelijk beleid. Hieronder vallen zowel activiteiten in de exploitatie- als de investeringssfeer. Denk bijvoorbeeld aan onjuiste ramingen of aannames waardoor de uitvoering afwijkt van de planning, het bewust (opzettelijk) of onbewust (niet opzettelijk) niet houden aan richtlijnen e.d. (zie interne categorie ‘organisatorisch’), het veroorzaken van bodemverontreiniging, bedrijfsongevallen en risico’s rond documentaire informatievoorziening (archivering en dergelijke).

3dMiddelen

Onder de interne categorie ‘middelen’ vallen de risico’s die verband houden met de bedrijfsmiddelen en de eigendommen van de gemeente. Het gaat dan om bijvoorbeeld de financiële middelen, ICT, wagenpark, machines, inventaris en gebouwen die in eigendom of beheer zijn van de gemeente. Het personeel valt hier juist niet onder.

Gemeentelijke eigendommen kunnen tegelijkertijd bedrijfsmiddelen zijn en omgekeerd. Dit hoeft echter niet, vandaar dat beide apart genoemd worden. Bij gemeentelijke eigendommen gaat het bijvoorbeeld om investeringen in de openbare ruimte, panden en gronden, aandelen en deelnemingen.

Denk bij risico’s rond bedrijfsmiddelen bijvoorbeeld aan onvolledige, ontbrekende of onjuiste administratie, open eind situaties bij financiering, subsidies en participaties (zoals gemeenschappelijke regelingen), het uitvallen van de ICT en schade toegebracht aan/met het gemeentelijk wagenpark.

Denk bij risico’s rond gemeentelijke eigendommen bijvoorbeeld aan risico’s rond verbonden partijen, gevolgschade van achterstallig onderhoud en brand.

3ePersoneel

Onder de interne categorie ‘personeel’ vallen risico’s die de werknemers van de gemeente betreffen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan onvoldoende gekwalificeerd personeel (dat wil zeggen onvoldoende opgeleid, getraind voor de betreffende taken), integriteit, staking en onvoldoende capaciteit door bijvoorbeeld een hoog ziekteverzuim.

3fJuridisch

Onder de interne categorie ‘juridisch’ vallen risico’s die verband houden met juridische procedures of de mogelijkheid daartoe. Denk hierbij bijvoorbeeld aan aansprakelijkheid uit (on)rechtmatige overheidsdaad (door een handeling dan wel het nalaten van een handeling), bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan voor beschikkingen en (tariefs)verordeningen en contracten (lacunes in contractvorming, contractbreuk, ontbreken van contracten).

Stap 3.2 : kwantificeren risico’s

Om ordening en prioritering in de lijst met risico’s aan te brengen, worden de risico’s financieel gekwantificeerd. Daartoe dienen de teams en projecten via het in te vullen format de navolgende vragen te beantwoorden:

-A) Wat is de mogelijk omvang (netto gevolgschade) van het risico?

-B) hoe groot is de waarschijnlijkheid (kans) dat het risico realiteit worden?

Op basis van de antwoorden op vragen A en B wordt de impact van risico’s (C) bepaald door de scores op A en B te vermenigvuldigen. Dit levert als antwoord de risicoscore op.

A.Netto verwachte omvang risico (netto gevolgschade)

Bij het bepalen van de omvang van de financiële impact van een risico wordt uitgegaan van een situatie dat het risico zich daadwerkelijk voordoet. Dan wordt een zo goed mogelijke schatting gemaakt. Als het bedrag niet goed te schatten valt, dan wordt het bedrag dat de gemeente ten minste kwijt is (de ondergrens) en ten hoogste (bovengrens) kwijt is, opgenomen.

Voor het schatten van de omvang van de gevolgschade passen we de methode van intersubjectiviteit toe. De keuze wordt hierbij gebaseerd op consensus binnen een groep van medewerkers die goed op de hoogte is van het betreffende onderwerp.’’

De risico’s worden op basis van de verwachte omvang ingedeeld in risicoklassen. Deze indeling in klassen is bedoeld voor ordening van de risico’s en prioritering van te nemen maatregelen. De netto gevolgschade van het risico (het restrisico) wordt bepaald via navolgende berekening:

Bruto bedrag gevolg van een risico: + € ……………

-/- reductie door genomen beheersmaatregelen (zie hierna): -/- €…………….

-/- compensatie door derden (verzekering, Rijk, Provincie e.d.): -/- €…………….

-/- reeds gedekt/voorzien (reserve, voorziening, stelpost etc.) -/- € ……………

Netto gevolg (= nog te dekken restrisico): €………….

Vervolgens worden de risico’s op basis van het netto gevolg ingedeeld in een van de volgende risicoklassen. Voor risico’s met structurele gevolgen telt de verwachte omvang in een aflopend percentage mee, namelijk 100% in het eerste jaar, 67% in het tweede jaar, 33% in het derde jaar en 0% in het vierde jaar (totaal 200% ofwel factor X2).

Dit op basis van het uitgangspunt dat de gevolgen van het structurele risico zijn geminimaliseerd en binnen een periode van 4 jaar volledig worden opgevangen binnen de begroting.

Risico-

Klasse

omvang

Netto verwachte omvang (gevolgschade)

Risicoscore

op omvang

1

€ 50.000 < X > € 100.000

1

2

€ 100.000 < X > € 250.000

2

3

€ 250.000 < X > € 500.000

3

4

€ 500.000 < X > € 1.000.000

4

5

X > € 1.000.000

5

B.Waarschijnlijkheid/kans dat een risico zich voordoet

Na bepaling van de netto gevolgschade dient een inschatting gemaakt te worden van de waarschijnlijkheid dat het risico zich daadwerkelijk zal voordoen. Indien nodig, wordt ook voor het inschatten van de waarschijnlijkheid van het risico ook hiervoor al beschreven methode van intersubjectiviteit gehanteerd. De keuze wordt dan gebaseerd op consensus binnen een groep van medewerkers die goed op de hoogte is van het betreffende onderwerp.

Ook voor de mate van waarschijnlijkheid worden vijf klassen gehanteerd:

Risico-

Klasse

kans

waarschijnlijkheid

Risicoscore

op kans

1

Zeer klein (10%)

1

2

Klein (25%)

2

3

50/50

3

4

Groot (75%)

4

5

Zeer groot (90%)

5

Toelichting op de klassen:

Zeer klein: dit wordt gehanteerd voor risico’s waarvan het onwaarschijnlijk is dat ze zich in het komende jaar daadwerkelijk zich voor zullen doen. Het zijn risico’s die – op basis van ervaringscijfers- slechts 1 keer in de 20 jaar voordoen of aan risico’s waarvan de kans op optreden erg laag is (vuistregel 5 tot 10%). Hierbij werd tot op heden het voorbeeld van een grootschalige uitbraak van de Q-koorts als voorbeeld aangehaald. Gelet op de uitbraak van het Coronavirus is nu eigenlijk wel de vraag of een dergelijke pandemie niet thuis hoort in klasse 2 Klein.

Klein: dit wordt gehanteerd voor risico’s waarvan het onwaarschijnlijk is dat ze zich in het komende jaar daadwerkelijk zich voor zullen doen. Het zijn risico’s die – op basis van ervaringscijfers- slechts 1 keer in de 4/5 jaar voordoen of aan risico’s waarvan de kans op optreden erg laag is (vuistregel 25%). Hierbij kan gedacht worden aan het uitvallen van een verkeerscomputer.

50/50: wordt gehanteerd voor risico’s die beide kanten op kunnen. Het kan zijn dat het risico zich komend jaar voordoet, het kan ook zijn van niet. Denk hierbij aan risico’s die zich op basis van ervaringscijfers eens in de twee jaar voordoen of aan risico’s waarvan de kans van optreden gemiddeld is, ofwel 50%, denk bijvoorbeeld aan ontwikkelingen van de rentestand.

Groot: dit wordt gehanteerd voor risico’s waarvan het waarschijnlijk is dat ze zich in het komende jaar daadwerkelijk zich voor zullen doen. Het zijn risico’s die – op basis van ervaringscijfers- jaarlijks voordoen of aan risico’s waarvan de kans op optreden groot is (vuistregel 75%). Denk bijvoorbeeld aan tegenvallende inkomsten uit kaartverkoop in tijden van economische recessie. Bij dergelijke risico’s met 75% kans van optreden dient te worden bezien of hiervoor een voorziening kan worden gevormd.

Zeer groot: deze categorisering wordt gebruikt voor risico’s waarvan het zeer waarschijnlijk is dat ze zich in het komende jaar daadwerkelijk zich voor zullen doen. Het zijn risico’s die – op basis van ervaringscijfers-meerdere keren per jaar voordoen of aan risico’s waarvan de kans op optreden zeer groot is (vuistregel 90%).

Denk bijvoorbeeld aan lagere inkomsten uit het gemeentefonds in tijden van landelijke bezuinigingen. Risico’s die in deze klasse vallen, dienen als claim ten laste van de exploitatie of een gevormde voorziening worden gebracht. Deze risico’s komen daardoor niet in het risicoprofiel meer voor.

Uit de toelichting van de klassen blijkt dat risico’s zich vaak over de tijd ontwikkelen. Vaak afhankelijk of we in een recessie of in periode van economische groei bevinden. Risico’s kunnen hierdoor verschuiven tussen de verschillende klassen. Minimaal eens per jaar moet de indeling weer worden nagelopen.

C.Impact van de risico’s (de risicoscore)

Door het vermenigvuldigen van de scores op netto verwachte omvang en waarschijnlijkheid kan per risico een risicoscore worden uitgerekend. Een risico met een financieel gevolg van € 375.000 (klasse 3) en een kans van optreden van 75% (klasse 4) krijgt een risicoscore van 12 (= 3 x 4). Elk risico krijgt zo een relatieve omvang tussen 1 en 25. Waarbij een risico met score 1 minder belangrijk is dan een risico met een score van 25.

Op basis van deze risicoscores, kunnen risico’s worden gerangschikt. Hoe hoger de risicoscore, hoe belangrijker het is om het risico aan te pakken. Hoe donkerder de kleur in onderstaande kaart, hoe groter de potentiële impact en hoe hogere prioriteit de aanpak van het risico heeft.

Matrix 1: Risicokaart (scores)

Risico’s met een score van 10 en hoger meldt het College van B&W via de cyclische producten altijd aan de raad (via de auditcommissie). Risico’s met een score van 5 punten of hoger meldt de Directie te allen tijde aan het College van B&W.

De overige risico’s worden ambtelijk afgehandeld, waarbij de gebruikelijke regels bij mandaat van toepassing zijn. Dat wil zeggen: het verantwoordelijk team maakt een inschatting, koppelt dit terug aan bestuurder, die vervolgens afweegt of het College van B&W al dan niet geïnformeerd moet worden.

Dit kan betekenen dat vanuit politiek-bestuurlijke gevoeligheid, financieel kleine risico’s toch aan B&W moeten worden voorgelegd. Vanzelfsprekend dienen integrale risico-overzichten te allen tijde beschikbaar te zijn voor College van B&W en gemeenteraad.

Stap 4: Maatregelen bepalen en implementeren

Tijdens het eerste deel van stap 4 wordt bepaald welke reactie volgt op een geïdentificeerd risico. Bij stap 3 zijn de risico’s gekwantificeerd en aan de hand van de risicoscore ingedeeld in risicoklassen. Hoe hoger de risicoscore, hoe urgenter gereageerd moet worden.

Periodiek (3 x per jaar) dient overwogen te worden om een ambtelijke stuurgroep risicomanagement aangevuld met de wethouder Financiën bij elkaar te laten komen om een selectie te maken uit de risico’s met de grootste impact en/of urgentie waarvoor (aanvullende) maatregelen ontworpen moeten worden.

De volgende reacties/maatregelen zijn mogelijk:

•Het risico reduceren: beheersing van het risico door de kosten te verminderen, budgetten te herverdelen, processen te herontwerpen en AO/IC maatregelen te treffen.

•Het risico delen: een risico kan verzekerd worden, outsourcen, contracten kunnen gesloten worden en/of een partnerschap kan worden aangegaan.

•Het risico accepteren: het risico is laag dus aanvaardbaar. In de nota is daartoe een grens van € 50.000 of lager opgenomen. Risico’s lager dan dit bedrag worden geaccepteerd. Mochten deze risico’s zich toch voordoen, dan komen deze ten laste van de exploitatie of desnoods ten laste van het weerstandsvermogen.

•Het risico vermijden: dit kan door het stoppen van de activiteit of door (enkele) doelstellingen te veranderen. Kernwoorden hierbij zijn afstoten en verandering. Risico’s zijn te vermijden door drastische maatregelen te treffen: bijvoorbeeld bij brandgevaar al het houten meubilair te vervangen door staal.

De rubricering van risico’s in interne en externe risico’s is hier vooral van belang. Op interne risico’s zijn door de gemeente over het algemeen bijsturingsmaatregelen te nemen. Dit neemt niet weg dat ook bij externe risico’s bijsturingsmaatregelen getroffen kunnen worden. Deze beperken zich vaak enkel tot allerlei operationele maatregelen. Bijvoorbeeld door het temporiseren van projecten, strak sturen op uitgaven en andere operationele maatregelen om de gevolgen te beperken.

Dit moet zich niet beperken tot alleen hard controls (procedures, verzekeren, verwerken in de begroting, handboeken, gedragscodes etc.) maar ook soft controls (risicobewustzijn, integriteit en vertrouwen) moeten meegenomen worden.

Wel belangrijk is om altijd een kosten/baten analyse te maken. De maatregelen moeten niet kostbaarder zijn dan de gevolgen van het risico zelf.

Voor het uiteindelijk netto van materiële betekenis zijnde restrisico zal het weerstandsvermogen ingezet moeten worden. Het weerstandsvermogen is dan het sluitstuk (vangnet) van het risicomanagement.

Nadat de maatregelen zijn bepaald, dienen deze natuurlijk ook geimplementeerd te worden. Voor de urgente geselecteerde risico’s wordt in het tweede deel van deze stap een beheerstrategie (PLAN) bepaald en uitgevoerd (DO). Daarbij worden taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden toegewezen, wordt functiescheiding toegepast en wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de aangeschafte applicatie Naris GRC.

Het risicomanagement wordt zodoende geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. Wanneer deze processen nageleefd worden, kunnen vele risico’s worden uitgesloten of worden verminderd.

Processen dienen wel regelmatig geactualiseerd te worden en dient er enig toezicht te zijn. Wanneer een nieuw project wordt opgezet, is het van belang dat er een procedure beschikbaar is waardoor medewerkers bewust kijken naar de risico’s die hierbij spelen.

Stap 5 Evaluatie maatregelen

In deze stap evalueren we het proces en de uitkomsten daarvan. Op basis van de evaluatie wordt er bijgestuurd en start het cyclisch proces van risicomanagement opnieuw. Stap 5 bestaat uit het beoordelen van de effectiviteit van de beheersmaatregelen (CHECK) en deze zonodig bijstellen om geconstateerde afwijkingen te herstellen en voor de toekomst te voorkomen (ACT). We evalueren ook welke risico’s zich daadwerkelijk hebben voorgedaan en welke onverwachte nadelen we in bestuursrapportages zien, waarvoor we geen risico geïdentificeerd hadden. Dit geeft weer input voor de nieuwe cyclus.

Stap 6 Communicatie en rapporteren.

Stap 6 is als laatste stap van het proces van risicomanagement opgenomen, maar wordt eigenlijk continu toegepast door relevante informatie te identificeren, op te slaan en te communiceren op een wijze die betrokkenen in staat stelt om hun werkzaamheden uit te voeren.

Hiervoor wordt gebruikt gemaakt van de bij stap 3 gemaakte indeling in 5 risicoklassen die ook het meldingsniveau bepalen:

Risico’s met een minimale en lage risicoscore (van 0 tot 5 punten) worden enkel binnen de interne organisatie en Directie gerapporteerd. Risico’s met een gemiddelde score (tot aan 10 punten) worden richting College gerapporteerd. De risico’s met een hoge of urgente risicoscore (de maximaal 30 toprisico’s) worden aan de gemeenteraad gerapporteerd. De budgetcyclus gebruiken we hiervoor als vaste risicocommunicatiestructuur.

Communicatie Risicomanagement in de budgetcyclus.

Twee maal per jaar, in de begroting en jaarrekening, is een verplichte paragraaf weerstandsvermogen opgenomen waarin de grootste risico’s worden weergegeven. Daarnaast worden in andere verplichte paragrafen (grondbeleid, onderhoud kapitaalgoederen en verbonden partijen) nog enkele risico’s beschreven. Door het toevoegen van het onderdeel risico’s aan de bestuursrapportage wordt de raad actiever geïnformeerd over de risico’s die de gemeente Vijfheerenlanden loopt.

De “risico-eigenaar” dient voor deze rapportage per risico aan te geven wat de laatste stand van zaken is. Daarnaast moeten nieuwe risico’s worden benoemd. Met toevoeging van deze derde rapportagemoment wordt de actualiteit van het risicoprofiel gewaarborgd. Binnen de jaarlijkse P&C-cyclus zijn er dus vanaf het jaar 2023 dan drie momenten waarin de risico’s worden beschreven:

Mei

Jaar-

stukken

Vorig boekjaar

-Welke materiële risico’s hebben zich voorgedaan?

-Welke risico’s lopen we? (alleen belangrijkste risico’s)

-Actualiseren van de risico’s (risicoscore verhogen of verlagen)

Juli/augustus

Bestuurs-

rapportage

Lopend boekjaar

-Welke risico’s lopen we? (alleen belangrijkste risico’s)

-Terugkijkend; Welke materiële risico’s hebben zich voorgedaan?

-Welke risico’s lopen door in het volgend boekjaar?

November

Begroting

Volgend boekjaar

-Welke risico’s uit lopend jaar lopen door naar het volgend jaar?

-Welke nieuwe risico’s worden volgend jaar verwacht?

-Actualiseren van de risico’s (risicoscore verhogen of verlagen)

Deze rapportages geschieden via de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing.

Aandachtspunten bij rapportages:

Bij het rapporteren dient aanvullend wel rekening te worden gehouden met enkele specifieke aandachtspunten:

➢ Vertrouwelijkheid

➢ Zogenaamde “Zwarte zwanen”

➢ Ingrijpende projecten

Vertrouwelijkheid.

Niet alle risico’s zijn openbaar. Sommige dienen als geheim aangemerkt te worden. Dit is afhankelijk van de aard van het risico. Dergelijke risico’s worden dan onder geheimhouding met de gemeenteraad gedeeld.

Zwarte zwanen risico (‘tail risks’)

De hiervoor beschreven toe te passen methodiek zorgt er helaas voor dat de zogenaamde ‘zwarte-zwaan risico’s’ buiten beeld blijven. Zwarte-zwaan risico’s hebben namelijk veelal een groot gevolg, maar een kleine waarschijnlijkheid.

Bijvoorbeeld: een aannemer dreigt met een claim van € 10 miljoen, maar de kans van optreden wordt ingeschat op 5%. Volgens de tabel is de risicoscore dan 5 (immers: gevolgklasse 5, kansklasse 1). Daarmee is het een College-risico en hoeft de gemeenteraad niet op de hoogte te worden gesteld. Dit is onwenselijk. Daarom zal er aan risicorapportages dergelijke ‘zwarte-zwaan risico’s’ worden toegevoegd. Daartoe dient de raad te worden geïnformeerd over risico’s met een gevolg groter dan € 2,5 miljoen, ongeacht de kans van optreden.

Ingrijpende projecten.

De risicobeheersing bij grote grondexploitaties, investeringen en overige ruimtelijke en sociale projecten vraagt extra aandacht. De impact van risico’s van dergelijke projecten is vaak ingrijpend, niet alleen financieel maar ook qua imago.

Investeringen, grondexploitaties en andere projecten kunnen als ingrijpend project worden aangemerkt als het voldoet aan het merendeel van de onderstaande indicatoren:

•Budget van € 1 miljoen of meer

•Grote impact op gemeentelijke bedrijfsvoering en/of samenleving

•Lange doorlooptijd, organisatorisch complex

•Betrokkenheid van meerdere externe partijen

•Politieke gevoeligheid

•Toepassing nieuwe technologieën of financieringsconstructies

•Substantiële gemeentelijke verantwoordelijkheid.

Het College neemt het besluit om een project als ingrijpend aan te merken waardoor dit project onder deze regeling valt en afzonderlijk in de cyclische rapportages moet worden toegelicht. De gemeenteraad kan dit op eigen initiatief ook van toepassing verklaren. De gemeentesecretaris en de concerncontroller kunnen in elke fase van het project het college adviseren om het etiket ‘ingrijpend project’ toe te passen.

Bijlage 2: Informatie per risico

Per risico wordt minimaal vastgelegd:

•Het programma en de doelstelling waarop het risico betrekking heeft.

•Een korte omschrijving/toelichting van het risico.

•De risicocategorie. De keuzemogelijkheden hierbij zijn:

1Extern:

■ Economisch/markt (recessie, fluctuaties in rentestand, ontwikkeling werkloosheid, ontwikkeling vastgoedmarkt, krapte arbeidsmarkt)

■ Maatschappelijk (nieuw beleid/wetgeving hogere overheden, terrorisme dreiging, sociale onrust, gebeurtenissen bij regionale partners/leveranciers)

■ Natuur (klimaat, aarde, het weer, besmettelijke ziekten)

2Strategisch:

■ Nieuw beleid

■ Grote investeringen

■ Projecten

3Intern:

■ Organisatorisch (inrichting van organisatie, procedures)

■ Politiek/bestuurlijk (besluitvorming al of niet in strijd met de wet)

■ Uitvoering (onjuiste aannames, niet houden aan richtlijnen, bedrijfsongevallen)

■ Middelen (gemeentelijke eigendommen/bedrijfsmiddelen)

■ Personeel (werkdruk, ziekte, opleidingsniveau, integriteit)

■ Juridisch (aansprakelijkheid, bezwaar en beroep, contracten)

•De minimale, verwachte en maximale omvang (bruto bedragen) en of de gevolgschade incidenteel of structureel is.

•Risicoscore op omvang. De vijf keuzemogelijkheden zijn:

1€ 50.000 tot € 100.000 (score = 1)

2€ 100.000 tot € 250.000 (score = 2)

3€ 250.000 tot € 500.000 (score = 3)

4€ 500.000 tot € 1 miljoen (score = 4)

5> € 1 miljoen (score = 5)

•Risicoscore op waarschijnlijkheid. De vijf keuzemogelijkheden zijn:

1Zeer klein (10%); 1 x in de 20 jaar (score = 1)

2Klein (25%) 1 x 4/5 jaar (score = 2)

3Mogelijk (50%): 1 x per 2 jaar (score = 3)

4Groot (75); 1 x per jaar (score = 4)

5Zeer groot (90%); meerdere x per jaar (score = 5)

•Risicoscore op impact: dit is de vermenigvuldiging van de score op opvang en de score op waarschijnlijkheid.

•De gekozen aanpak om te sturen op het risico. De keuzemogelijkheden zijn:

■ Vermijden

■ Verminderen

■ Overdragen

■ Accepteren

•Een toelichting op de genomen maatregelen. Welke acties zijn concreet genomen c.q. zullen nog worden ondernomen.

•Het effect van de genomen maatregelen c.q. van de voorgenomen maatregelen.

•De netto verwachte omvang = bruto omvang minus effect (voor)genomen maatregelen.

•De ontwikkeling van het risico over de tijd.

•Is het risico geheim?

Bijlage 3: Taak-/bevoegdheidsverdeling

Actor

Taken en verantwoordelijkheden

Wanneer

Gemeenteraad

Vaststellen kaders risicobeleid

(nota Risicomanagement en Weerstandsvermogen)

Eens in de 4 jaar bij nieuw raadsperiode (volgende 2026)

Vaststellen en jaarlijks updaten normen financiële kengetallen

Jaarlijks bij begroting

Vaststellen paragraaf weerstandsvermogen

Tweemaal per jaar (bij begroting en jaarrekening)

Actor

Taken en verantwoordelijkheden

Wanneer

College van B&W

Opstellen nota Risicomanagement en Weerstandsvermogen

Eens in de 4 jaar bij nieuwe raadsperiode (volgende 2026)

Risicoscan toevoegen aan beleidsnota’s en voorstellen

Continu

Bepalen van toprisico’s, gemeenteraad informeren over toprisico’s en ontwikkeling en effectiviteit maatregelen

Tweemaal per jaar (bij begroting en jaarrekening)

Actor

Taken en verantwoordelijkheden

Wanneer

Directie (incl. concerncontroller)

Op afroep: netwerkmanager/

businesscontrol

Verantwoordelijk voor behalen doelstellingen risicomanagement

Continu

Prioritering risico’s

Elk halfjaar

Monitoren risicoprofiel

Minimaal elk kwartaal

Rapporteren aan college over gemeentebrede toprisico’s met een risicoscore > 8 (zie bijlage 1)

Via cyclische rapportages

Actor

Taken en verantwoordelijkheden

Wanneer

Netwerk van Teams (directeur, netwerkmanagers en business-controller)

Op afroep: teamcontroller

Doorlopen risicomanagementproces

Minimaal elk kwartaal

Risicoprofiel rapporteren aan Directie en bijwerken in applicatie (bv NARIS)

Elk kwartaal

Team Control/concerncontroller

Actor

Taken en verantwoordelijkheden

Wanneer

Team (concern) Control

Toetsen werking risicomanagement proces en opstellen paragraaf Weerstandsvermogen

Twee keer per jaar (bij begroting en jaarrekening)

Bijlage 4: financiële kengetallen

Onderstaand worden allereerst de zes verplicht in de begroting en jaarstukken op te nemen financiële kengetallen beschreven. In een afzonderlijke notitie omtrent de houdbaarheid van onze gemeentefinanciën stellen we voor om deze kengetallen met een nieuw kengetal uit te breiden: de houdbaarheidsquote.

1.Netto schuldquote

Dit cijfer geeft inzicht in het niveau van de gemeentelijke schuldenlast ten opzichte van de eigen middelen. Het geeft dus een indicatie van de mate waarin de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie drukken. Een laag percentage is gunstig.

2.Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen.

Omdat bij door de gemeente verstrekte leningen onzekerheid kan bestaan of ze allemaal worden terugbetaald, wordt dit kengetal zowel berekend inclusief als exclusief de doorgeleende gelden. Zo wordt duidelijk wat het aandeel van de verstrekte leningen in de exploitatie is en wat dit betekent voor de schuldenlast. Hoe lager de percentages, hoe beter.

3.Solvabiliteit

Dit cijfer geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Hoe hoger dit percentage, hoe gunstiger dit is voor de financiële weerbaarheid van de gemeente. Dit cijfer geeft dus een soort toekomstvisie weer.

4.Grondexploitatie

De boekwaarde van de voorraden grond moet worden terugverdiend bij de verkoop. Kenmerkend voor grondexploitaties is dat de looptijd meerdere jaren is. Naarmate de inkomsten verder in de toekomst liggen, brengt dit meer rentekosten en risico’s met zich mee.

5.Structurele exploitatieruimte

Dit kengetal geeft aan hoe groot de structurele exploitatieruimte is. Daartoe worden de structurele baten en lasten vergeleken met de totale baten. Een positief percentage betekent dat de structurele baten toereikend zijn om de structurele lasten (waaronder de rente en aflossing van de leningen) te dekken.

6.Belastingcapaciteit

Dit cijfer geeft inzicht in hoe de belastingdruk in de gemeente zich verhoudt ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Als dit percentage hoog ligt, betekent het dat de gemeente meer inkomsten uit belastingen zou kunnen verwerven. Of dit wel of niet gebeurt, is een beleidskeuze.

Bijlage 5: Begrippenlijst

Aanvullen

Verhogen van de beschikbare weerstandscapaciteit zodat het

weerstandsvermogen weer voldoende wordt

Aanwezige weerstandscapaciteit

Het aandeel van de beschikbare weerstandscapaciteit dat daadwerkelijk aanwezig is op de balans of in de exploitatie

Afromen

Verlagen van de beschikbare weerstandscapaciteit zodat het weerstandsvermogen niet groter is dan noodzakelijk.

Balans

Overzicht van de bezittingen en schulden van de gemeente op een bepaald moment.

Belastingen

Gemeentelijke heffingen die geen rechtstreeks verband houden met de door de gemeente geleverde producten en diensten.

De gemeente mag de tarieven zelf bepalen (met uitzondering van de tarieven onroerende-zaakbelastingen).

Nog niet ingevulde begrotingsruimte

Middelen die in de begroting nog niet bestemd zijn voor specifieke doeleinden, maar zijn ingezet voor een algemeen risicoband.

Omvang/gevolg

Een inschatting van de in geld uitgedrukte gevolgen van eenrisico op het moment dat het risico zich daadwerkelijk voordoet. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:

➢ Minimale omvang/gevolg: inschatting welke financiële gevolgen het risico (als het zich echt voordoet) in ieder geval heeft

➢ Verwachte omvang/gevolg: inschatting welke financiële gevolgen het risico (als het zich echt voordoet) waarschijnlijk heeft

➢ Maximale omvang/gevolg: inschatting welke financiële gevolgen het risico (als het zich echt voordoet) ten hoogste heeft.

Ook wordt onderscheid gemaakt tussen:

➢ Bruto omvang: inschatting welke financiële gevolgen het risico heeft (als het zich echt voordoet), zonder dat rekening gehouden wordt met maatregelen die al getroffen zijn om deze gevolgen af te dekken

➢ Netto omvang: inschatting welke financiële gevolgen het risico heeft (als het zich echt voordoet), waarbij gecorrigeerd is voor de maatregelen die al getroffen zijn om deze gevolgen af te dekken. De netto verwachte omvang is de basis voor de bepaling van het benodigde weerstandsvermogen.

Onbenutte belastingcapaciteit

Het verschil tussen de werkelijke inkomsten uit belastingen en retributies en de mogelijke inkomsten.

Paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing

Onderdeel van de programmabegroting en –verantwoording, waarin ingegaan wordt op het weerstandsvermogen en de risico’s.

Post onvoorzien

Middelen die in de begroting nog niet zijn bestemd voor specifieke doeleinden, maar beschikbaar zijn voor onvoorziene uitgaven. De post onvoorzien maakt deel uit van het programma algemene uitgaven en inkomsten.

Potentiële weerstandscapaciteit

Het aandeel van de beschikbare weerstandscapaciteit dat in potentie beschikbaar is. De middelen kunnen pas ingezet worden voor het opvangen van risico’s, nadat hiervoor eerst besluitvorming heeft plaatsgevonden en/of aanvullende acties zijn genomen. De ‘onbenutte belastingcapaciteit OZB’ is hier een voorbeeld van.

Reserves

De reserves zijn een onderdeel van de balans. Reserves behoren tot het eigen vermogen van de gemeente, wat wil zeggen dat gemeenten in beginsel zelf mogen bepalen waaraan dit geld uitgegeven wordt.

Retributies

Gemeentelijke heffingen die rechtstreeks verband houden met door de gemeente geleverde producten of diensten. De opbrengsten mogen de kosten niet overstijgen.

Risico

Een onzekere gebeurtenis met oorzaken, een kans van optreden en effecten op de doelstellingen.

Risicomanagement

Het geheel aan activiteiten en maatregelen gericht op het expliciet en systematisch omgaan met en het beheersen van risico’s.

Risicoscore

Score van het individuele risico op basis van de netto verwachte omvang en waarschijnlijkheid: score op impact = score op omvang x score op waarschijnlijkheid

Risicosimulatie

Computersimulatie waarin wordt onderzocht wat de op basis van statische technieken de verwachte gevolgen zijn van alle geïnventariseerde risico’s samen in een willekeurig jaar.

Stille reserves

Het verschil tussen de marktwaarde van gemeentelijke bezittingen (panden, aandelen e.d.) en de waarde waarvoor deze op de balans zijn opgenomen. Hierop komt in mindering de gederfde toekomstige exploitatieresultaten (zoals wegvallend dividend).

Verwachte impact

Mate waarin het risico meetelt voor de bepaling van het benodigde weerstandsvermogen: verwachte impact = netto verwachte omvang/gevolg x waarschijnlijkheid.

Waarschijnlijkheid

Inschatting van de kans dat het risico zich zal voordoen.

Weerstandsbehoefte (risicobedrag)

De hoeveelheid middelen die benodigd zijn om risico’s op te kunnen vangen.

Weerstandsvermogen Weerstandsratio)

Het weerstandsvermogen (weerstandsratio) is de mate waarin de gemeente in staat is om de gevolgen van risico’s op te vangen, zonder dat het beleid of de uitvoering daarvan in gevaar komt. De maatstaf wordt als volgt berekend:

Weerstandsvermogen = aanwezige weerstandcapaciteit

(weerstandsratio) weerstandsbehoefte

De term weerstandsvermogen verwijst (in tegenstelling tot de term weerstandscapaciteit) niet naar geld, maar is een kengetal/ waarderingscijfer van <0,4 (slecht) tot >2,0 (uitstekend). O.b.v. het Coalitieakkoord 2022-2026 wordt een weerstandsratio van 2,5 als norm gehanteerd.

Bij bepaling van dit kengetal kijken we naar de situatie op basis van het huidig beleid. Om die reden nemen wij alleen de daadwerkelijk aanwezige weerstandscapaciteit mee.

De potentiële weerstandscapaciteit (door onbenutte belastingcapaciteit of stille reserves) nemen we niet mee omdat hiervoor besluitvorming door de gemeenteraad benodigd is of pas bij verkoop gerealiseerd wordt.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.