Gemeentelijke regelgeving

Verordening van de gemeenteraad van Venray houdende regels voor de heffing en invordering van verblijfsbelasting 2026

Gemeente Venray · geldt sinds 16 december 2025

Aanhef

de raad van Venray,

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 28 oktober 2025;

gelet op artikel 224 van de Gemeentewet;

mede gezien het advies van de commissie Werken en Besturen van 19 november 2025;

besluit:

vast te stellen de volgende verordening:

VERORDENING VAN DE GEMEENTERAAD VAN VENRAY HOUDENDE REGELS VOOR DE HEFFING EN INVORDERING VAN VERBLIJFSBELASTING 2026

(Verordening verblijfsbelasting 2026)

Artikel 1 Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.vakantieonderkomens: woningen en andere verblijven, zoals vakantiebungalows, vakantiewoningen en vakantieappartementen welke al dan niet zijn verbonden aan een (vakantie)park, welke in hoofdzaak zijn bestemd voor dan wel worden gebezigd als verblijf voor vakantie- en andere recreatieve doeleinden en niet zijnde mobiele kampeeronderkomens, chalets of stacaravans;

b.mobiele kampeeronderkomens: tenten, vouwwagens, kampeerauto's, toercaravans en soortgelijke onderkomens dan wel soortgelijke voertuigen welke bestemd zijn dan wel gebezigd worden als verblijf voor vakantie en andere recreatieve doeleinden;

c.stacaravans: caravans welke zo groot zijn, dat deze niet zeer regelmatig over de weg door een personenauto of bestelbus vervoerd kunnen en mogen worden en in hoofdzaak zijn bestemd dan wel worden gebezigd als verblijf voor vakantie en andere recreatieve doeleinden;

d.chalet: een met een stacaravan vergelijkbaar onderkomen al dan niet verbonden aan een camping;

e.seizoen: de periode van openstelling van het terrein waarop de seizoenplaats aanwezig is;

f.jaar: een kalenderjaar;

g.kampeerterrein: terrein of terreingedeelte, geheel of gedeeltelijk ingericht, en volgens die inrichting bestemd, om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van mobiele onderkomens, vakantieonderkomens, chalets en/of stacaravans die geheel of nagenoeg geheel worden gebezigd ten behoeve van recreatief nachtverblijf;

h.arrangement: periodes in het belastingjaar zoals weergegeven in artikel 6, lid 3.

Artikel 2 Belastbaar feit

1Onder de naam verblijfsbelasting wordt een directe belasting geheven voor het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente tegen een vergoeding in welke vorm dan ook door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven.

2Het houden van verblijf met overnachting binnen de gemeente door personen die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen zijn ingeschreven, indien deze personen gedurende hun verblijf beroeps- of bedrijfsmatige werkzaamheden verrichten voor of in opdracht van anderen.

Artikel 3 Belastingplicht

1Belastingplichtig is degene die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf als bedoeld in artikel 2 in hem ter beschikking staande ruimten dan wel op hem ter beschikking staande terreinen.

2De belastingplichtige is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene, ter zake van wiens verblijf de belasting verschuldigd wordt.

3Indien met toepassing van het eerste lid geen belastingplichtige is aan te wijzen, is belastingplichtig degene die overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 verblijf houdt.

4De belastingplichtige die gelegenheid biedt tot het houden van verblijf als bedoeld in artikel 2, in hem daartoe ter beschikking staande ruimten, dan wel ter beschikking staande terreinen kan ter zake van elk van die ruimten en/of terreinen afzonderlijk in de heffing worden betrokken.

Artikel 4 Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven ter zake van het houden van verblijf:

1door degene, die:

a.als verpleegde of verzorgde in een inrichting tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of van ouden van dagen verblijft;

b.verblijf houdt in een gemeubileerde woning indien hij ter zake van het verblijf in of het ter beschikking houden van die woning forensenbelasting is verschuldigd;

2van een vreemdeling, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die regelmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, letters c, d, f, g en h van voornoemde wet, en voor zover deze persoon verblijf houdt in een gelegenheid als bedoeld in artikel 2 van de verordening, onder verantwoordelijkheid van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers.

3op vaartuigen waarvoor waterverblijfsbelasting is verschuldigd.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

1De belasting wordt geheven naar het aantal overnachtingen in het belastingjaar. Het aantal overnachtingen wordt gesteld op het aantal overnachtende personen vermenigvuldigd met het aantal nachten.

2In afwijking van het eerste lid, wordt met toepassing van artikel 6 lid 2 en 3 de belasting geheven naar een vast bedrag per arrangement.

3Op een door de belastingplichtige bij de aangifte gedaan verzoek wordt de maatstaf van heffing als bedoeld in het tweede lid vastgesteld op het werkelijk aantal overnachtingen als bedoeld in het eerste lid, als blijkt dat dit resulteert in een lager aanslagbedrag.

Artikel 6 Belastingtarief

1Het tarief bedraagt per overnachting per persoon € 2,00.

2In afwijking van het eerste lid kan de belasting voor het houden van verblijf in een vakantieonderkomen, in een mobiel kampeeronderkomen of in een stacaravan of chalet op een kampeerterrein die gedurende de gehele arrangementsperiode wordt gebruikt door dezelfde persoon of personen, bij de aangifte gebruik worden gemaakt van de in lid 3 opgenomen tarieven per arrangement;

3Het tarief bedraagt, per arrangement bij verblijf in vakantie-onderkomens, mobiele kampeeronderkomens, stacaravans en chalets gedurende:

a.een seizoen: € 244,00;

b.een jaar: € 288,00;

Artikel 7 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9 Voorlopige aanslag

1Na de aanvang van het belastingjaar kan aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag over dat jaar vermoedelijk zal worden vastgesteld.

2Een voorlopige aanslag kan met inachtneming van het in het eerste lid bepaalde, door een of meer voorlopige aanslagen worden aangevuld.

3De voorlopige aanslagen worden met de aanslag verrekend.

Artikel 10 Aanslaggrens

Geen belastingaanslag wordt opgelegd indien het aantal overnachtingen, waartoe gelegenheid wordt of is gegeven, gedurende het belastingjaar minder dan tien zal of heeft belopen.

Artikel 11 Termijnen van betaling

1In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

2De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.

Artikel 12 Aanmeldingsplicht en aangifte

1De belastingplichtige bedoeld in artikel 3, eerste lid, is gehouden, voordat hij voor de eerste maal na het in werking treden van deze verordening gelegenheid tot overnachten verschaft, zulks schriftelijk te melden aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 231, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de Gemeentewet.

2De verplichting als bedoeld in het voorgaande lid geldt niet voor de belastingplichtige die met betrekking tot het jaar voorafgaand aan het belastingjaar in de heffing van de verblijfsbelasting betrokken is.

3De belastingplichtige die niet binnen een maand na afloop van het belastingjaar is uitgenodigd tot het doen van aangifte of aan wie niet binnen twee maanden na afloop van het kalenderjaar een aanslag is opgelegd, is gehouden binnen 14 dagen na afloop van die periode aan de door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren, bedoeld in artikel 231, tweede lid, aanhef en onder b en c, van de Gemeentewet, een verzoek in te dienen om te worden uitgenodigd tot het doen van aangifte.

4De belastingplichtige doet aangifte van het aantal overnachtingen bij de heffingsambtenaar middels een aan hem uit te reiken aangiftebiljet. In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt de aangifte binnen twee weken na het uitnodigen daartoe gedaan.

5Het aangiftebiljet wordt vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders.

6De gemeente behoudt zich te allen tijde het recht voor alsnog een uitnodiging tot het doen van aangifte te verzenden, dan wel, bij gebrek aan een (tijdige) aangifte door belastingplichtige, de grondslag voor de berekening van de verblijfsbelasting te schatten en de belasting middels een ambtshalve aanslag op te leggen.

7Indien beschikbaar zal de grondslag voor de aanslag als bedoeld in het voorgaande lid tenminste gelijk zijn aan de grondslag van het voorgaande belastingjaar.

Artikel 13 Kwijtschelding

Bij de invordering van de verblijfsbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 14 Inwerkingtreding

1De ‘Verordening verblijfsbelasting 2025’ van 10 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

3Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

Artikel 15 Citeerartikel

Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening verblijfsbelasting 2026'.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.