Aanhef
Regionaal modelbeleid bluswater en bereikbaarheid
Voorwoord
Voldoende bluswater en een goede bereikbaarheid bij brand zijn belangrijk voor een goede bestrijding van de brand. Op basis van de Wet veiligheidsregio’s ligt de verantwoordelijkheid hiervoor bij gemeenten. Mede door de saneringen van het drinkwaternet door de Waterleiding Maatschappij Limburg en de regionalisering van de brandweerzorg is de behoefte ontstaan aan regionaal uniforme uitgangspunten die beter aansluiten op de repressieve mogelijkheden van de brandweer.
Bluswaterbehoefte en bereikbaarheid zijn immers niet gemeente specifiek en in vergelijkbare situaties zal de brandweer op een gelijke wijze optreden.
Het “Regionaal modelbeleid bluswater en bereikbaarheid” is tot stand gekomen in samenwerking tussen de Veiligheidsregio Limburg-Noord, een vertegenwoordiging van diverse gemeenten binnen de regio en Waterleiding Maatschappij Limburg. Het modelbeleid geeft een nadere praktische en inhoudelijke invulling aan de wettelijke eisen die er gelden ten aanzien van bluswater en bereikbaarheid. Het is bedoeld als toetsingskader voor situaties zoals nieuwbouw projecten, saneringen van waterleidingen en verkeersbesluiten.
Het modelbeleid is vastgesteld door de bestuurscommissie Veiligheid van de Veiligheidsregio Limburg-Noord. De veiligheidsregio zal haar adviezen richting gemeenten baseren op de uitgangspunten in dit modelbeleid. Aan gemeenten wordt gevraagd het beleid lokaal vast te stellen.
Dit zorgt voor voorspelbaarheid en rechtszekerheid bij initiatiefnemers: welke voorzieningen moet ik bij welke ontwikkelingen realiseren?
2. Bluswatervoorzieningen
2.4 Primaire, secundaire en tertiaire voorzieningen
2.4.1 Primaire bluswatervoorziening
Primaire voorzieningen zijn voorzieningen die door de eerste brandweereenheid zelfstandig opgebouwd en gebruikt kunnen worden. De brandweer beschikt over materieel en middelen om de bluswatervoorziening in stand te houden, zodat de continuïteit van de blussing is gegarandeerd. Het water wordt geleverd door brandkranen of alternatieve voorziening zoals een geboorde put. In bijlage 2 is een voorbeeldbestek van een geboorde put opgenomen.
Uitvoering
Eisen
Minimale
opbrengst
5Voor bepaalde objectsoorten kan volstaan worden met een lagere opbrengst (zie paragraaf 2.7).
Brandkraan aangesloten op een waterleidingnet.
•Voldoet aan de NEN 947.
•Op maximaal 15 meter van de brandkraan is een opstelplaats voor de TS.
•Is niet gelegen in een parkeerplaats of op een andere plaats die mogelijkerwijs geblokkeerdis.
•Ligt in beginsel op 40 meter van een object. Bij een aantal objectsoorten kan deze afstand vergroot worden tot 100 meter.
•De voorziening kan door één brandweereenheid opgebouwd en onderhouden kan worden.
•Heeft een onbeperkte levertijd.
60m3/uur
Gesloten geboorde put (put met vaste aansluiting voor zuigslang brandweervoertuig).
•Op maximaal 8 meter van de geboorde put is een opstelplaats voor de TS.
•Aanzuighoogte maximaal 8 meter.
•Is niet gelegen in een parkeerplaats of op een andere plaats die mogelijkerwijs geblokkeerdis.
•Afhankelijk van de lokale situatie kan het noodzakelijk zijn om te voorzien in een diepwelpomp. Dit is in nader overleg met de VRLN te bepalen. De pomp heeft een uittrededruk tussen 0,5 en 1 bar (druk gemeten aan perskoppeling).
•Ligt op maximaal 40 meter van het object.
•De voorziening kan door één brandweereenheid opgebouwd en onderhouden worden.
•Heeft een onbeperkte levertijd.
60m3/uur
2.4.2 Secundaire bluswatervoorziening
Een secundaire voorziening kan binnen 30 minuten opgebouwd en gebruikt worden. De brandweer beschikt over materieel en middelen om de bluswatervoorziening in stand te houden, zodat de continuïteit van de blussing gegarandeerd is. Het water wordt geleverd door een brandkraan of door alternatieve voorziening zoals een geboorde put of open water.
Uitvoering
Eisen
Minimale
opbrengst
6Voor bepaalde objectsoorten kan volstaan worden met een lagere opbrengst (zie paragraaf 2.7).
Brandkraan aangesloten op een waterleidingnet.
•Voldoet aan de NEN 947
•Op maximaal 15 meter van de brandkraan is een opstelplaats voor de TS.
•Is niet gelegen in een parkeerplaats of op een andere plaats die mogelijkerwijs geblokkeerdis.
•Ligt op maximaal 200 meter van een object.
•Heeft een onbeperkte levertijd.
90m3/uur
Gesloten geboorde put (put met vaste aansluiting voor zuigslang brandweervoertuig).
•Op maximaal 8 meter van de geboorde put is een opstelplaats voor de TS.
•Aanzuighoogte maximaal 8 meter.
•Is niet gelegen in een parkeerplaats of op een andere plaats die mogelijkerwijs geblokkeerdis.
•Afhankelijk van de lokale situatie kan het noodzakelijk zijn om te voorzien in een diepwelpomp. Dit is in nader overleg met de VRLN te bepalen. De pomp heeft een uittrededruk tussen 0,5 en 1 bar (druk gemeten aan perskoppeling).
•Ligt op maximaal 200 meter van een object.
•Heeft een onbeperkte levertijd.
90m3/uur
Open geboorde put.
•Op maximaal 2 meter van de geboorde put is een opstelplaats voor de TS.
•Aanzuighoogte maximaal 8 meter.
•Is niet gelegen in een parkeerplaats of op een andere plaats die mogelijkerwijs geblokkeerdis.
•Ligt op maximaal 200 meter van een object.
•Heeft een onbeperkte levertijd.
90m3/uur
Open water.
•Op maximaal 2 meter van het open water is een opstelplaats voor de TS
•Aanzuighoogte maximaal 8 meter.
•Waterspiegel vrij te bereiken
•Minimale waterdiepte 0,5 meter.
•Ligt op maximaal 200 meter van een object.
•Minimale levertijd van 4 uur.
90m3/uur
2.4.3 Tertiaire bluswater voorziening.
De voorziening kan binnen 60 minuten opgebouwd en gebruikt worden. De brandweer beschikt over materieel en middelen (zoals grootschalige watertransportsystemen) om de bluswatervoorziening in stand te houden, zodat de continuïteit van de blussing gegarandeerd is. Deze voorziening is meestal “open water” of een blusvijver, maar kan ook ingevuld worden door een brandkraan of geboorde put met voldoende capaciteit.
Uitvoering
Eisen
Minimale opbrengst
7Voor bepaalde objectsoorten kan volstaan worden met een lagere opbrengst (zie paragraaf 2.7).
Open water
•Op maximaal 30 meter van het open water is een opstelplaats voor de TS.
•Aanzuighoogte maximaal 15 meter.
•Waterspiegel vrij te bereiken.
•Minimale waterdiepte 0,5 meter.
•Ligt op maximaal 1.000 of 2.500 meter (te bepalen in overleg met VRLN).
•Onbeperkte levertijd.
240m3/uur
Standaard afwijking
Bij grote compartimenten (zoals industriehallen) of objecten waar een snelle branduitbreiding mogelijk is zijn tertiaire voorzieningen noodzakelijk om bij een “standaard afwijking” (zie paragraaf 2.1) overslag naar een volgend compartiment te voorkomen. De tertiaire voorzieningen zijn in dat geval noodzakelijk op relatief korte afstand tot het object (maximaal 1.000 meter). De brandweer zal het water ontsluiten met een WTS1000 grootwatertransportsysteem.
Escalatie scenario
Tertiaire voorzieningen zijn ook nodig om bij “escalatie scenario’s” (wanneer een brand overslaat naar een volgend compartiment zoals een naastgelegen woning) een grootschalig brandweeroptreden mogelijk te maken. Deze voorzieningen zijn dan gelegen op “strategische locaties”. Wanneer de tertiaire voorziening ingevuld wordt doormiddel van open water, dan is de maximale afstand tot een object 2.500 meter. De brandweer zal het water ontsluiten met een WTS2500 grootwatertransportsysteem. Wanneer de tertiaire voorziening ingevuld wordt doormiddel van een geboorde put en/of brandkraan, dan moet deze voorziening binnen een rijafstand van maximaal 5 minuten liggen. De brandweer zal bij escalatie scenario’s dan gaan pendelen met waterwagens.
2.5 Onderhoud
2.5.1 Openbare bluswatervoorzieningen
Brandkranen
Om de goede werking van bluswatervoorzieningen bij een incident te garanderen moeten ze periodiek geïnspecteerd en onderhouden worden. Voor brandkranen die zijn aangesloten op het drinkwaternet hebben gemeenten een huur- en onderhoudsovereenkomst afgesloten met WML. Op basis van de “Overeenkomst Gemeenten en Nutsbedrijven in de provincie Limburg” (OGN) worden deze brandkranen periodiek door WML geïnspecteerd en onderhouden. WML rapporteert haar inspectiebevindingen aan de gemeente. Terugkomende bevindingen - zoals overgroeide of onvindbare brandkranen - kunnen zo structureel opgepakt worden door de gemeente, bijvoorbeeld door deze voorzieningen op te nemen in gemeentelijk snoeiprogramma of door het aanleggen van omliggende bestrating.
Het verdient de aanbeveling om de onderhoudsfrequentie in afstemming tussen de gemeenten, WML en de VRLN vast te stellen, op basis van de resultaten van het periodiek uitgevoerd onderhoud.
Geboorde putten
Nadat een put geslagen is moet hij periodiek getest en onderhouden worden door een ter zake kundige partij. Dit om te voorkomen dat de capaciteit van de put afneemt, bijvoorbeeld door verzanding. Geadviseerd wordt om hierbij een minimale frequentie van 1 keer per 2 jaar aan te houden. Hierbij moet ook gekeken worden naar de bereikbaarheid van de voorziening voor brandweervoertuigen.
Bluswatervijvers
Openbare bluswatervijvers moeten periodiek geïnspecteerd worden met een minimale frequentie van 1 keer per 2 jaar. Hierbij dient specifiek gekeken te worden naar het waterpeil en naar de bereikbaarheid van de bluswatervijver voor brandweervoertuigen.
2.5.2 Bluswatervoorzieningen op eigen terrein
Wanneer een bluswatervoorziening is aangelegd op het eigen terrein, dan zal de eigenaar op basis van het “zorgplicht beginsel” er voor moeten zorgen dat de voorziening ten alle tijden functioneert en de benodigde bluswatercapaciteit levert. Een gemeente kan in de vergunning voorschrijven dat een voorziening periodiek getest en onderhouden wordt door een ter zake deskundige partij. Geadviseerd wordt om hier – bij geboorde putten - een minimale frequentie van 1 keer per 2 jaar voor aan te houden (behoudens afwijkende richtlijnen van de leverancier). Deze frequentie geldt ook voor reeds bestaande voorzieningen op privaat terrein. Voor brandkranen op privaat terrein wordt geadviseerd om tenminste de inspectie- en onderhoudsfrequentie aan te houden zoals vastgesteld in de OGN.
2.5.3 Melden defecte bluswatervoorzieningen
Wanneer de brandweer bij een oefening of inzet te maken krijgt met een defecte brandkraan of geboorde put, dan meldt zij dit defect bij de betreffende gemeente. Bij een defecte put zal de gemeente zelf het defect (laten) herstellen. Bij een defecte brandkraan zal de gemeente aan WML de opdracht geven om de defecte brandkraan te herstellen. Er bestaat daarmee géén directe lijn tussen brandweer en de WML.
2.7 Bluswaterbehoefte per object- of gebiedstype
2.7.1 Woningbouw
Onder deze categorie worden bouwwerken verstaan welke gebruikt worden voor bewoning. Er wordt onderscheid gemaakt tussen 4 subcategorieën. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar bouwjaar omdat volgens het Bouwbesluit 2012 - ongeacht het bouwjaar - minimaal voldaan moet worden aan het brandveiligheidsniveau "bestaande bouw”. Het voldoen aan dit niveau is bepalend voor de kans op branduitbreiding naar andere woningen of objecten en daarmee de bluswaterbehoefte.
Woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer lager dan 6 meter boven het meetniveau, zoals vrijstaande woningen, geschakelde woningen, rijtjeswoning en/of gestapeld woningbouw.
Opstelplaats
Primaire voorziening
Secundaire voorziening
Tertiaire voorziening
Max. afstand tot object (m)
Max. afstand tot opstel- plaats (m)
Debiet (m3/uur)
Max. afstand tot object (m)
Debiet (m3/uur)
Escalatie: 90 m3/uur
•Bij open water maximaal 2.500 meter.
•Bij geboorde put en/of brandkraan op maximale rijafstand van 5 minuten.
40
100
30
200
30
Voorbeelden
Woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer tussen 6 meter en 20 meter boven het meetniveau, zoals portiekwoningen en lage flats.
Opstelplaats
Primaire voorziening
Secundaire voorziening
Tertiaire voorziening
Max. afstand tot object (m)
Max. afstand tot opstel- plaats (m)
Debiet (m3/uur)
Max. afstand tot object (m)
Debiet (m3/uur)
Escalatie: 90 m3/uur
•Bij open water maximaal 2.500 meter.
•Bij geboorde put en/of brandkraan op maximale rijafstand van 5 minuten.
15
100
30
200
60
Voorbeelden
Woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer tussen 20 meter en 70 meter boven het meetniveau, zoals flatgebouwen.
Opstelplaats
Primaire voorziening
Secundaire voorziening
Tertiaire voorziening
Max. afstand tot object (m)
Max. afstand tot opstel- plaats (m)
Debiet (m3/uur)
Max. afstand tot object (m)
Debiet (m3/uur)
Escalatie: 90 m3/uur
•Bij open water maximaal 2.500 meter.
•Bij geboorde put en/of brandkraan op maximale rijafstand van 5 minuten.
15
40
30
200
60
Voorbeelden
Woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer 70 meter boven het meetniveau, zoals woontorens.
Hier zijn tenminste de voorzieningen noodzakelijk zoals beschreven in de tabel “Woongebouwen met de hoogste verblijfsvloer tussen 20 meter en 70 meter”. Afhankelijk van het risicoprofiel van het object kunnen aanvullende voorzieningen noodzakelijk zijn (maatwerk). Deze worden bepaald in overleg tussen gemeente, initiatiefnemer en VRLN.
Voorbeelden
2.7.2 Historische stads- en dorpscentra
Onder deze categorie worden gebieden verstaan met oude vooroorlogse bebouwing. De gebieden worden gekenmerkt door een aaneenschakeling van bouwwerken, waarbij bouwconstructies zoals houten draagbalken doorlopen en smalle verbindingssteegjes en straten aanwezig zijn. De aaneenschakeling van bouwwerken maakt het complex om snel de begrenzing van een bouwwerk en daarmee het brandcompartiment inzichtelijk te krijgen. De doorlopende constructieonderdelen en het grote aantal verbindingen met andere brandcompartimenten maakt de kans op branduitbreiding groot. Het benaderen van de brandlocatie is vaak lastig door de smalle straten.
Historische dorps- en stadscentra (vóór 1945).
Opstelplaats
Primaire voorziening
Secundaire voorziening
Tertiaire voorziening
Max. afstand tot object (m)
Max. afstand tot opstel- plaats (m)
Debiet (m3/uur)
Max. afstand tot object (m)
Debiet (m3/uur)
Standaard afwijking: 120 m3/uur
•Bij open water maximaal 1.000 meter.
•Bij geboorde put en/of brandkraan maximaal 1.000 meter.
15
40
60
200
90
Voorbeelden
2.7.3 Utiliteitsbouw, niet industrie
Hieronder worden alle bouwwerken verstaan welke geen woonfunctie of industriefunctie zijn. Denk hierbij aan winkels, hotels, scholen en kantoren, zorgfuncties zoals verpleegtehuizen en ziekenhuizen, bioscopen en sportgebouwen. In het regionaal modelbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen onderstaande 3 subcategorieën.
Utiliteitsbouw niet industrie: enkel laags.
Brandcompartiment met een vloeroppervlakte <1.000 m2 en enkellaagse bouw. Compartimentering conform Bouwbesluit 2012.
Opstelplaats
Primaire voorziening
Secundaire voorziening
Tertiaire voorziening
Max. afstand tot object (m)
Max. afstand tot opstel- plaats (m)
Debiet (m3/uur)
Max. afstand tot object (m)
Debiet (m3/uur)
Escalatie: 120 m3/uur
•Bij open water maximaal 2.500 meter.
•Bij geboorde put en/of brandkraan op maximale rijafstand van 5 minuten.
40
40
60
200
60
Voorbeelden
Utiliteitsbouw niet industrie: meerlaags.
Brandcompartiment met een vloeroppervlakte <1.000 m2 en gestapelde bouw met de hoogste verblijfsvloer lager dan 20 meter. Compartimentering conform Bouwbesluit 2012.
Opstelplaats
Primaire voorziening
Secundaire voorziening
Tertiaire voorziening
Max. afstand tot object (m)
Max. afstand tot opstel- plaats (m)
Debiet (m3/uur)
Max. afstand tot object (m)
Debiet (m3/uur)
Escalatie scenario: 120 m3/uur
•Bij open water maximaal 2.500 meter.
•Bij geboorde put en/of brandkraan op maximale rijafstand van 5 minuten.
15
40
60
200
90
Voorbeelden
Utiliteitsbouw niet industrie: op basis van gelijkwaardigheid.
Brandcompartiment met een vloeroppervlakte >1.000 m2 en/of gestapelde bouw met de hoogste verblijfsvloer hoger dan 20 meter. Toepassing grotere brandcompartimenten conform artikel 1.3 Bouwbesluit 2012.
Hier zijn tenminste de voorzieningen noodzakelijk zoals beschreven in de tabel “Utiliteitsbouw niet industrie: meerlaags”. Afhankelijk van het risicoprofiel van het object kunnen aanvullende voorzieningen noodzakelijk zijn (maatwerk). Deze worden bepaald in overleg tussen gemeente,
initiatiefnemer en de VRLN.
Voorbeelden
2.7.4 Utiliteitsbouw, industrie
Hieronder worden bouwwerken verstaan welke gebruikt worden voor het bedrijfsmatig bewerken of opslaan van materialen en goederen, of voor agrarische doeleinden. Het gaat hierbij om gebouwen die een industriefunctie hebben. Onder deze categorie vallen ook agrarische inrichtingen zoals boerderijen en stallen. In het regionaal modelbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen onderstaande 2 subcategorieën.
Utiliteitsbouw industrie.
Brandcompartiment met een vloeroppervlakte <2.500 m2 en maximale hoogte van het gebouw lager dan 20 meter. Compartimentering conform Bouwbesluit 2012.
Opstelplaats
Primaire voorziening
Secundaire voorziening
Tertiaire voorziening
Max. afstand tot object (m)
Max. afstand tot opstel- plaats (m)
Debiet (m3/uur)
Max. afstand tot object (m)
Debiet (m3/uur)
Standaard afwijking: 240 m3/uur
•Bij open water maximaal 1.000 meter.
•Bij geboorde put en/of brandkraan maximaal 1.000 meter.
40
100
60
200
90
Voorbeelden
Utiliteitsbouw industrie: op basis van gelijkwaardigheid (incl. opslag van (brand)gevaarlijke stoffen). Brandcompartiment met een vloeroppervlakte >2.500 m2 en/of maximale hoogte van het gebouw is hoger dan 20 meter. Toepassing grotere brandcompartimenten conform artikel 1.3 Bouwbesluit 2012.
Hier zijn tenminste de voorzieningen noodzakelijk zoals beschreven in de tabel “Utiliteitsbouw industrie”. Afhankelijk van het risicoprofiel van het object kunnen aanvullende voorzieningen noodzakelijk zijn (maatwerk). Deze worden bepaald in overleg tussen gemeente, initiatiefnemer en de VRLN.
Voorbeelden
2.7.5 Gebouwen met grote inzetdiepten of gelijkwaardigheid
Wanneer er vanwege een grote inzetdiepte (> 60 meter) of een vorm van gelijkwaardigheid een droge blusleiding vereist is, dan dient binnen 40 meter van de opstelplaats van eerste tankautospuit een bluswatervoorziening van 30 m3/uur aanwezig te zijn bij woningen en 60 m3/uur bij overige bouwwerken.
2.7.6 Buitengebied
Voor objecten die zijn gelegen in het buitengebied kan de bluswaterbehoefte bepaald worden met de hierboven beschreven bluswatertabellen. Vanwege de geringe capaciteit van het drinkwaternet in het buitengebied, kan de gevraagde waterhoeveelheid soms niet geleverd worden door brandkranen. In die gevallen kan de bluswaterbehoefte ingevuld worden met alternatieve voorzieningen zoals geboorde putten. Waarbij het soms mogelijk is om een gemeenschappelijke voorziening te treffen voor meerdere gebruikers. Daarbij zal afgewogen moeten worden of de investering in relatie staat tot het doel, namelijk het voorkomen van uitbreiding van een brand naar een volgend compartiment.
Waterwagens
De brandweer beschikt over een aantal waterwagens met bluswater (zie paragraaf 2.2). Een waterwagen levert bluswater als overbrugging bij het opbouwen van de vaste watervoorziening, of wanneer er – vanuit een historische situatie – onvoldoende bluswater aanwezig is. Waterwagens kunnen in nieuwe situaties daarom niet beschouwd worden als een alternatieve primaire of secundaire bluswatervoorziening.
Gebruik van beregeningsputten
In veel gevallen beschikken agrarische ondernemers over een beregeningsput voor hun gewassen. Deze voorziening kan, na toestemming van de eigenaar
8Dit in verband met eventuele directe of indirecte (gevolg)schade bij foutief gebruik van de voorziening door de brandweer.
, gebruikt worden om de bestaande bluswatersituatie te verbeteren. De voorziening moet dan wel voldoen aan de gestelde eisen uit paragraaf 2.4. Omdat agrarische voorzieningen in veel uitvoeringsvarianten voorkomen, zal de eigenaar zélf moeten voorzien in een verloopstuk waarmee de brandweer kan aansluiten op de put (deze verloopstukken liggen niet standaard op de voertuigen van de brandweer). Dit verloopstuk dient zodanig te zijn uitgevoerd dat het brandweervoertuig kan aansluiten op een Stortz koppeling 4”-nok 133 aluminium (zie voorbeeldbestek in bijlage 2).
Figuur 4. Gesloten put voor agrarisch gebruik.
2.7.7 Infrastructuur
De bluswaterbehoefte bij (spoor)wegen is sterk afhankelijk van het type incident. Een autobrand of toiletbrand in een passagierstrein is een standaard incident dat bestreden wordt met het water uit de tank van een tankautospuit, eventueel aangevuld met een waterwagen. Voor de effectieve bestrijding van incidenten met gevaarlijke stoffen op (spoor)wegen zijn bluswatervoorzieningen noodzakelijk.
Hoewel de kans op een incident tijdens het vervoer van gevaarlijke stoffen klein is, kunnen de gevolgen groot zijn. Relevante scenario’s zoals een dreigende BLEVE
9Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion.
, een plasbrand of het uitdampen van een giftige stof kunnen binnen een kort tijdsbestek verstrekkende gevolgen hebben voor de omgeving en vergen grote hoeveelheden bluswater. Zeker wanneer het incident in dicht bebouwd gebied plaatsvindt.
In onderstaande tabel is voor verschillende scenario’s aangegeven welke bluswaterhoeveelheid noodzakelijk is om als brandweer repressief te kunnen optreden. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen weg en spoor. Nut en noodzaak voor het daadwerkelijk realiseren van voorzieningen hangt af van onder meer de transportfrequentie, personendichtheden en aanwezigheid van kwetsbare objecten in de directe omgeving van de transportas en is daarmee niet in standaard beleidsregels te vangen.
Een gemeente zal per situatie hierin een afweging moeten maken, bijvoorbeeld bij verantwoording van het groepsrisico in het kader van Externe Veiligheid.
Scenario
Bluswaterbehoefte
Weg
Spoor
Ongeval met brandbare vloeistoffen, plasbrand.
2x90m3/uur
2x90m3/uur
Ongeval met brandbare gassen, BLEVE
2x90m3/uur
4x 90m3/uur
10Door de omvang van de transporteenheid is er voor het koelen van een spoorketelwagon meer water nodig dan voor het koelen van een tankwagen.
Ongeval met toxische vloeistof, toxische wolk
2x90m3/uur
2x90m3/uur
Ongeval met toxisch gas, toxische wolk
2x90m3/uur
2x90m3/uur
2.7.8 Kampeerterreinen
In maart 2009 zijn, in overleg tussen de VRLN en de branchevereniging voor recreatieondernemers (RECRON), de Brandveiligheidsvoorwaarden kampeerterreinen Regio Limburg-Noord vastgesteld. Dit beleid heeft betrekking op kampeerterreinen, niet zijnde tijdelijke overnachtingsplaatsen bij evenementen
11Bij evenementen worden de voorwaarden namelijk vastgelegd in de evenementenvergunning.
. In de brandveiligheidsvoorwaarden 2009 is ten aanzien van bluswatervoorzieningen het volgende opgenomen:
Artikel 1.1
De bij de inrichting behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen moeten worden vrijgehouden en bereikbaar zijn voor blusvoertuigen en wel zodanig dat hiervan onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.
Artikel 3.1
Op het terrein moet de bluswatervoorziening zodanig zijn dat een kampeermiddel maximaal 100 meter verwijderd ligt van een bluswatervoorziening. Bij een bluswatervoorziening valt te denken aan een brandkraan, een geboorde put, een blusvijver, een zwembad e.d.
Artikel 14.1
Tenminste eenmaal per 2 jaar moet door een deskundige het nodige onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en goede werking van, zover van toepassingen zijnde, onderstaande voorzieningen:
•brandslanghaspels NEN-EN 671-1:2001;
•draagbare blustoestellen (NEN 2559);
•brandkranen en andere bluswatervoorzieningen;
•overige brandbestrijdingsmiddelen.
Er wordt uitgegaan van een primaire bluswatervoorziening van tenminste 30 m3/uur.
De hierboven genoemde brandveiligheidsvoorwaarden zijn niet van toepassing op bungalowparken (huisjes chalets etc.). Vanwege het type bebouwing zijn hier de bluswatertabellen uit paragraaf 2.7.1 van toepassing (woningbouw).
Bijlage 1. Uitwerking wettelijk kader
Wet veiligheidsregio’s
Op basis van de Wet veiligheidsregio’s (artikel 2) ligt de verantwoordelijkheid voor de brandweerzorg bij de gemeente en de uitvoering van de brandweertaak bij de Veiligheidsregio. Een goede bereikbaarheid en bluswatervoorziening zijn randvoorwaardelijk voor de kwaliteit van de brandweerzorg. Het college van Burgemeester en Wethouders (college van B&W) is, in het kader van het uitvoeren van haar verantwoordelijkheid voor de brandweerzorg in de breedste zin, primair verantwoordelijk voor de bereikbaarheid en bluswatervoorziening
15Op basis van de Wet veiligheidsregio’s en de brief van de minister van Veiligheid en Justitie aan Brandweer Nederland (22 oktober 2010).
.
Bouwbesluit 2012
Bij bouwwerken kunnen eisen ten aanzien van bereikbaarheid en bluswater opgenomen worden op basis van het Bouwbesluit 2012. Hierin staat opgenomen dat een bouwwerk over een “toereikende bluswatervoorziening” beschikt (artikel 6.30). Tevens staan in Artikel 6.37. generieke eisen opgenomen ten aanzien van bereikbaarheid van het bouwwerk voor hulpverleningsdiensten. Op basis van artikel 1.3 (gelijkwaardigheid) kan hiervan afgeweken worden, onder andere door het vaststellen van lokale beleidsregels. In het regionale modelbeleid wordt voor een aantal objectsoorten bijvoorbeeld afgeweken van het bluswater afstand eis van maximaal 40 meter. Op basis van het Bouwbesluit 2012 kunnen gemeenten in specifieke gevallen aanvullende bluswatervoorzieningen eisen bij initiatiefnemers wanneer de openbare voorzieningen niet toereikend zijn.
Lokale beleidsregels
In regionaal verband is model beleid ontwikkeld die een nadere inhoudelijke uitwerking geeft van de hierboven genoemde wettelijke eisen. Met het opstellen van “regionaal modelbeleid”wil de Veiligheidsregio een goede bereikbaarheid voor de hulpdiensten en een adequate bluswatervoorziening borgen, zodat de Veiligheidsregio in staat wordt gesteld een adequate rol in de brandweerzorg te spelen. Gemeenten kunnen het regionaal model beleid lokaal vaststellen. Door de beleidsregels lokaal vast te stellen, wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die het Bouwbesluit 2012 biedt om (gemotiveerd) invulling te geven aan de beleidsruimte voor het bevoegd gezag.
Beleidsregels vormen, juridisch gezien, een (lokaal) verplicht toetsingskader voor de initiatiefnemer en de behandelend ambtenaar. Ze bieden zodoende rechtszekerheid bij initiatiefnemers. Het gemotiveerd afwijken van deze richtlijnen is een bevoegdheid van het college van B&W. De Veiligheidsregio kan hierin adviseren. De rol van de Veiligheidsregio (brandweer) is en blijft die van adviseur van het bevoegde gezag.
Wet ruimtelijke ordening
Vroegtijdige structurele aandacht voor veiligheid voorkomt onveilige situaties. Al in de prilste fase van grote projecten worden keuzes gemaakt die gevolgen hebben voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van een calamiteit binnen een bepaald gebied. Het is daarom verstandig om in een vroegtijdig stadium gezamenlijk van gedachten te wisselen over zaken als infrastructuur, type van ontwikkeling en bijvoorbeeld de beschikbaarheid van bluswater. In de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) wordt bepaald dat de gemeente bestemmingsplannen
16In de nieuwe Omgevingswet wordt het omgevingsplan geïntroduceerd als een nieuw kerninstrument. Het omgevingsplan bevat regels over de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is een breder begrip dan de goede ruimtelijke ordening waar het bestemmingsplan betrekking op heeft.
maakt en toeziet op het uitvoeren van deze plannen. De gemeente stelt in het bestemmingsplan regels over het gebruik van grond en de zich daar bevindende bouwwerken.
In de Wro is ook bepaald dat de gemeente een exploitatieplan maakt voor de gronden die in het bouwplan zijn aangewezen. In het exploitatieplan wordt o.a. rekening gehouden met de kosten voor aanleg van nutsvoorzieningen en de inrichting van het openbaar gebied. Verder is het college van Burgemeester en Wethouders in deze wet aangewezen als bestuursrechtelijk handhavingsorgaan.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) regelt de omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is één geïntegreerde vergunning voor bouwen, wonen, monumenten, ruimte, natuur en milieu. Er is geregeld dat - behoudens enkele uitzonderingen - de Burgemeester en Wethouders belast zijn met het verlenen van deze vergunningen. Via het Besluit Omgevingsrecht is geregeld dat de veiligheidsregio adviseert aan het bevoegd gezag. Op basis van de Wet milieubeheer kunnen in de omgevingsvergunning eisen gesteld worden aan bereikbaarheid en bluswater in het belang van bescherming van de omgeving.
Drinkwaterwet
Voor de bluswatervoorziening wordt over het algemeen gebruik gemaakt van brandkranen die zijn aangesloten op het drinkwaterleidingnet. Drinkwaterbedrijven kennen geen wettelijke verplichting voor het leveren van bluswater. Gedreven door onder meer de nieuwe Drinkwaterwet, zijn de Waterbedrijven steeds meer gefocust op de kwaliteit van het drinkwater. Het leveren van bluswater heeft daar een negatieve invloed op. Allereerst is iedere brandkraan een potentiële bron voor besmetting van het drinkwater, daarnaast kan de waterkwaliteit achteruitgaan in leidingen met grote diameters, omdat daarin niet voldoende doorstroming zit bij beperkte afname van het reguliere drinkwater.
(Nieuwe) omgevingswet.
In toekomst zal bluswater en bereikbaarheid via de nieuwe Omgevingswet en het onderliggende Besluit kwaliteit leefomgeving geregeld worden. In dit besluit zijn de eisen enkel op hoofdlijnen beschreven en wordt verwezen naar de handreiking van Brandweer Nederland. Deze handreiking sluit echter beperkt aan op de situatie in de VRLN. Een nadere inhoudelijke uitwerking in regionaal uniform gemeentelijk beleid is daarom wenselijk.
Bijlage 2. Voorbeeldbestek geboorde put
In het onderstaande bestek is de technische uitvoering van een geboorde put beschreven. De maatvoering van het boorgat en de stijgbuis is afhankelijk van de te behalen capaciteit, grondwaterstand en bodemgesteldheid. Dit dient met de leverancier van de geboorde put afgestemd te worden.
Bijlage 3. Afkortingen en begrippen
Aflegsysteem
Systeem voor de taakverdeling van een bluseenheid bij het leggen van slangleidingen van de waterwinplaats naar het te blussen object / blusvoertuig.
BLEVE
Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion. Een soort explosie die kan voorkomen als een houder (tank) met een vloeistof onder druk openscheurt.
Brandcompartiment
Compartiment zoals bedoeld in artikel 1.1 van het Bouwbesluit 2012: Gedeelte van een of meer bouwwerken bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand.
Brandweereenheid
Basisbrandweereenheid zoals bedoeld in artikel 3.2.1 van het Besluit veiligheidsregio’s: tankautospuit met bemanning.
Droge blusleiding
Een droge blusleiding wordt toegepast in grote of hoge (flat)gebouwen als blusvoorziening voor de brandweer. De leiding bestaat in de regel uit een verzinkte stalen pijp met voedings- en aansluitpunten
Inzetvoorstellen
Afhankelijk van melding/scenario (bijvoorbeeld brand woning, hulpverlening personenauto met beknelling) is bepaald welke slagkracht en dus welke combinatie van materieel ingezet moet worden.
KAR
Korte Afstand Radio. Systeem waarmee voorrangsvoertuigen verkeersregelinstallaties kunnen beïnvloeden. Hiermee worden verkeerslichten op groen gestuurd waardoor de doorstroming en verkeersveiligheid vergroot wordt.
Meetniveau
Hoogte van het aansluitende terrein, gemeten ter plaatse van de toegang van het gebouw (maatvoering volgens definities Bouwbesluit 2012).
OGN
Overeenkomst Gemeenten en Nutsbedrijven in de provincie Limburg
Redvoertuig
Brandweervoertuig dat ingezet wordt voor het redden van personen op grotere hoogte (ladderwagen of hoogwerker).
Primaire bluswatervoorziening
Voorziening die door de eerste brandweereenheid zelfstandig opgebouwd en gebruikt kan worden. Water wordt geleverd door brandkraan of alternatieve voorziening zoals een geboorde put.
Secundaire bluswatervoorziening
Voorziening die door de brandweer binnen 30 minuten opgebouwd en gebruikt kan worden. Water wordt geleverd door brandkranen of alternatieve voorziening zoals een geboorde put of open water.
Tankautospuit
Brandweervoertuig dat ingezet wordt als basis blusvoertuig.
Tertiaire bluswatervoorziening
Voorziening die binnen 60 minuten opgebouwd en gebruikt kan worden. De voorziening is meestal “open water” of een blusvijver, maar kan ook ingevuld worden door een brandkraan of geboorde put met voldoende capaciteit
VRLN
Veiligheidsregio Limburg-Noord.
WML
Waterleiding Maatschappij Limburg.
WTS
Watertransportsysteem (ook wel Groot Watertransport genoemd). Systeem waarmee de brandweer over grote afstanden bluswater kan transporteren. Er zijn 3 varianten: WTS200, WTS1000 en WTS2500.
Colofon
Dit modelbeleid is opgesteld door de Veiligheidsregio Limburg-Noord in samenwerking met een vertegenwoordiging van de gemeenten binnen de veiligheidsregio en Waterleiding Maatschappij Limburg.
adres
Nijmeegseweg 42
5916 PT Venlo
post
Postbus 11
5900 AA Venlo
t
088- 11 90 000
e
info@vrln.nl
i
www.vrln.nl
Versie 1.0
Datum 31 maart 2017