Gemeentelijke regelgeving

Gemeenschappelijke regeling Regio Noord-Limburg

Gemeente Venlo · geldt sinds 1 januari 2026

Aanhef

Burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo;

gezien het voorstel van 9 december 2025;

gelet op artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

mede gelet op de door de gemeenteraad verleende toestemming d.d. 19 november 2025;

overwegende dat:

•de regio Noord-Limburg de afgelopen jaren belangrijke stappen heeft gezet in het vergroten van de regionale samenwerking;

•de raden van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray in 2020 daartoe de ‘Regiovisie Noord-Limburg 2040’ hebben vastgesteld en voornoemde Regiovisie is vertaald in een uitvoeringsprogramma met concrete opgaven en middelen;

•op basis van deze gezamenlijke koers twee Regio Deals (I en II) en een regionale investeringsagenda zijn overeengekomen met het Rijk en de provincie Limburg, waarmee een totale publieke waarde van circa €95 miljoen is gemobiliseerd;

•de colleges van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray reeds in 2019 een bestuursconvenant zijn overeengekomen over de hoofdlijnen van de samenwerking, de organisatie, de uitvoering, de financiële aspecten, de monitoring en de evaluatie van de Regiovisie, het Uitvoeringsprogramma, de Regio Deals en de Investeringsagenda;

•het college en de burgemeester van de gemeente Venlo feitelijk en juridisch optreden als penvoerder, kassier en vertegenwoordiger van de samenwerking en een mandaat, volmacht en machtiging heeft om namens het college en de burgemeester van de overige deelnemers besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen, en feitelijke handelingen te verrichten ter uitvoering van besluiten die worden genomen op de wijze zoals is bepaald in het bestuursconvenant, of op basis van besluiten die genomen zijn door het burgemeestersoverleg van de regio;

•het vanuit het oogpunt van collectief eigenaarschap, het bereiken van rechtmatigheid en transparantie, democratische legitimiteit (vooral met inbegrip van de raden) en het vergroten van de regionale slagkracht nu opportuun is om qua inhoud en vorm een volgende stap te zetten in de samenwerking binnen de regio Noord-Limburg;

•de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen extra waarborgen biedt om de kaderstellende en controlerende rol van gemeenteraden te versterken ten opzichte van een openbaar lichaam;

Gemeenschappelijke regeling Regio Noord-Limburg

De colleges van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray,

BESLUITEN:

ieder voor zover het hun eigen bevoegdheden betreft,

de gemeenschappelijke regeling Regio Noord-Limburg met ingang van 1 januari 2026 te treffen, waardoor deze als volgt komt te luiden:

HOOFDSTUK 1 – ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.college: een college van burgemeester en wethouders van een deelnemer;

b.deelnemende gemeente(n): de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas, Venlo en Venray;

c.deelnemer: een college dat deelneemt aan deze gemeenschappelijke regeling;

d.gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg;

e.investeringsfonds: fonds voor de investering in concrete projecten die passen bij de thema's van het uitvoeringsprogramma, eventueel in combinatie met middelen van andere overheden en private partijen;

f.raad: de gemeenteraad van een deelnemende gemeente;

g.regeling: de onderhavige gemeenschappelijke regeling Regio Noord-Limburg;

h.regiovisie: de Regiovisie 2040, dan wel de meest actuele versie daarvan, welke is vastgesteld door de raden van de deelnemende gemeenten;

i.samenwerkingsverband: het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2 van deze regeling;

j.stimuleringsfonds: fonds dat middels cofinanciering het stimuleren en/of aanjagen van projecten van derden die de economische structuur in de regio versterken en die passen binnen de kaders van het uitvoeringsprogramma, tot doel heeft;

k.thema: de in het uitvoeringsprogramma door de gemeenten benoemde maatschappelijke thema's waarop structureel wordt samengewerkt;

l.uitvoeringsprogramma: programma waarin de Regiovisie wordt uitgewerkt en waarin de activiteiten van het samenwerkingsverband, alsmede de benodigde financiële en personele middelen, worden aangegeven;

m.wet: de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 2 Openbaar lichaam

1Er is een openbaar lichaam, genaamd “Gemeenschappelijke regeling Regio Noord-Limburg”.

2Het openbaar lichaam bezit rechtspersoonlijkheid en is gevestigd in de gemeente Venlo.

Artikel 3 Bestuursorganen

1Het samenwerkingsverband kent de volgende bestuursorganen:

a.het algemeen bestuur;

b.het dagelijks bestuur;

c.de voorzitter.

2De bestuursorganen kunnen zich in hun taakuitoefening laten bijstaan door commissies van advies en bestuurscommissies als bedoeld in artikel 16 en 17 van deze regeling.

HOOFDSTUK 2 – OPENBAAR BELANG, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN VAN DE REGIO NOORD-LIMBURG

Artikel 4 Te behartigen openbaar belang

De regeling wordt getroffen in het belang van:

•het op interregionaal, nationaal en internationaal niveau positioneren, handhaven en uitbouwen van het profiel van de regio Noord-Limburg als gezondste regio;

•het creëren van een optimale, regionale (beleids)afstemming tussen de gemeenten;

•het stimuleren van het vestigings- en verblijfsklimaat voor inwoners en bedrijven in de regio Noord-Limburg;

•het organiseren van een adequate vorm van samenwerking tussen overheid en maatschappelijke partners ter behartiging van de gezamenlijke belangen op de thema's zoals die nader worden uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma.

Artikel 5 Taken

Het samenwerkingsverband heeft de volgende taken:

a.het uitvoeren van de Regiovisie;

b.het op basis van de Regiovisie vaststellen van een uitvoeringsprogramma;

c.het organiseren van de inzet van de gemeenten op de thema's van het uitvoeringsprogramma;

d.het gezamenlijk optrekken op de thema's van het uitvoeringsprogramma naar de provincie Limburg, Rijksoverheid, Europese en nationale instellingen, bedrijven en overheden;

e.het regisseren van de uitvoering en monitoren van de opgaven uit het uitvoeringsprogramma;

f.het signaleren van en inspelen op ontwikkelingen die van meerwaarde zijn voor de regio Noord-Limburg;

g.het faciliteren van overleg, kennisdeling en ontmoeting in de regio;

h.het optreden als kassier van de Regio Deal(s) met het Rijk en de Investeringsagenda met de provincie Limburg;

i.het beheren en inzetten van investerings- en stimuleringsfondsen binnen de thema's van het uitvoeringsprogramma.

Artikel 6 - Bevoegdheden

1De deelnemers dragen geen bevoegdheden over aan het samenwerkingsverband, met uitzondering van de bevoegdheid van de colleges tot:

a.het vaststellen van subsidieregelingen voor investerings- en stimuleringsfondsen en het op basis daarvan verlenen van subsidies, en;

b.het vaststellen en actualiseren van een uitvoeringsprogramma.

2De bevoegde organen van de deelnemende gemeenten verlenen ieder afzonderlijk de voor de uitvoering van deze regeling benodigde mandaten, volmachten en machtigingen aan het samenwerkingsverband.

HOOFDSTUK 3 – NADERE UITWERKING TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

Artikel 7 Uitvoeringsprogramma

1Het algemeen bestuur stelt na aanvang van een nieuwe bestuursperiode een uitvoeringsprogramma vast voor een periode van vier jaren, waarin wordt vastgelegd:

•het gezamenlijke toekomstbeeld van de regio;

•de thema's waarop wordt samengewerkt, alsmede de van het toekomstbeeld afgeleide strategie op de thema's;

•de regionale opgaven, die op de thema's in gezamenlijkheid worden opgepakt en door de gemeenten worden uitgevoerd.

2Het uitvoeringsprogramma is voorts richtinggevend bij het bovenregionaal positioneren van de regio Noord-Limburg.

Artikel 8 Stimuleringsfonds en investeringsfondsen

1Voor het stimuleringsfonds geldt het volgende:

a.het stimuleringsfonds strekt tot cofinanciering van projecten van derden, die bijdragen aan de economische structuurversterking van de regio en die passen binnen de kaders van de Regiovisie en het uitvoeringsprogramma;

b.het stimuleringsfonds kan behalve als projectfinanciering in voorkomende gevallen ook ingezet worden als programmafinanciering;

c.het algemeen bestuur stelt voor de wijze van verdeling van de beschikbare middelen een subsidieregeling vast;

d.het stimuleringsfonds wordt gevoed door een gemeentelijke bijdrage op basis van het inwonertal van de deelnemende gemeenten van het jaar, voorafgaand aan dat, waarvoor de bijdrage verschuldigd is en door eventuele bijdragen van derde partijen. Artikel 1 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing;

e.de bijdrage wordt jaarlijks bij de vaststelling van de begroting voor het daaropvolgende begrotingsjaar vastgesteld door het algemeen bestuur.

2Voor investeringsfondsen geldt, in afwijking van lid 1, het volgende:

a.het algemeen bestuur stelt voor de inrichting, beheer en voor de wijze van verdeling van de beschikbare middelen van een investeringsfonds een subsidieregeling vast;

b.Onverminderd de bevoegdheid om voor de voeding van een investeringsfonds jaarlijks de bijdrage vast te stellen bij de vaststelling van de begroting voor het daaropvolgende begrotingsjaar, is het dagelijks bestuur bevoegd om voor de voeding van het fonds samenwerkingsovereenkomsten met de deelnemende gemeenten en derden te sluiten.

HOOFDSTUK 4 – HET ALGEMEEN BESTUUR

Artikel 9 Samenstelling en zittingsduur

1Iedere deelnemer wijst uit zijn eigen midden één lid aan als lid van het algemeen bestuur, alsmede diens plaatsvervanger.

2De leden van het algemeen bestuur van deze regeling hebben zitting gedurende dezelfde periode als de zittingsduur van de colleges. Indien zij in de nieuwe zittingsperiode opnieuw deel uitmaken van het college kunnen zij terstond opnieuw worden aangewezen.

3Het lidmaatschap eindigt zodra een lid ophoudt collegelid van de desbetreffende gemeente te zijn.

4De leden van het algemeen bestuur, die tussentijds ontslag nemen, stellen de voorzitter van het algemeen bestuur hiervan op de hoogte. Het ontslag gaat in zodra onherroepelijk in hun opvolging is voorzien.

Artikel 10 Werkwijze en vergaderorde

1Het algemeen bestuur vergadert in beginsel zes maal per jaar en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig acht, of ten minste twee leden dit vragen onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen.

2De leden streven in hun besluitvorming naar consensus. Als ten aanzien van een agendapunt geen consensus kan worden bereikt, wordt het betrokken agendapunt aangehouden tot de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur. In die vergadering vindt de besluitvorming plaats op basis van een gekwalificeerde meerderheid van stemmen, waarbij:

(ii) er sprake dient te zijn van een gewone meerderheid van stemmen van het ter vergadering aantal aanwezige leden. Ieder lid van het algemeen bestuur heeft in dat verband één stem, en;

(ii) het aantal aanwezige leden dat vóór het voorstel stemt, gezamenlijk minimaal 50% van het inwonertal van de deelnemende gemeenten dient te vertegenwoordigen. Voor de berekening van het aantal inwoners wordt uitgegaan van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek opgemaakte bevolkingscijfers per 1 januari van het betreffende jaar.

3Op de vergaderingen van het algemeen bestuur is artikel 22 van de wet van toepassing.

4Het algemeen bestuur stelt voor zijn werkzaamheden een reglement van orde vast.

Artikel 11 Taken en bevoegdheden

1Aan het algemeen bestuur behoren de taken en bevoegdheden toe die in de wet aan het algemeen bestuur zijn opgedragen, alsmede alle bevoegdheden die voorts in deze regeling aan dit orgaan worden opgedragen en niet aan het dagelijks bestuur of de voorzitter zijn opgedragen.

2Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur bevoegdheden overdragen met uitzondering van de bevoegdheid tot:

a.het vaststellen en wijzigen van de begroting;

b.het vaststellen van de jaarrekening;

c.het vaststellen van het uitvoeringsprogramma;

d.het vaststellen van een subsidieregeling;

e.het instellen van bestuurscommissies, en;

f.het oprichten van of deelnemen in stichtingen, vennootschappen, en coöperatieve en andere verenigingen passend binnen de te behartigen belangen, de taken en de bevoegdheden van het samenwerkingsverband dan wel het ontbinden van die rechtspersonen of het beëindigen van de deelneming.

HOOFDSTUK 5 – HET DAGELIJKS BESTUUR

Artikel 12 Samenstelling en zittingsduur

1Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en twee andere leden, allen door het algemeen bestuur uit zijn midden aan te wijzen.

2De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop zij aftreden uit het algemeen bestuur van de regeling. Zij kunnen, indien zij opnieuw zijn aangewezen tot lid van het algemeen bestuur, terstond opnieuw worden benoemd.

3Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid niet langer het vertrouwen geniet van het algemeen bestuur.

4Tussentijds verlies van het lidmaatschap van het algemeen bestuur brengt direct het verlies van het lidmaatschap van het dagelijks bestuur met zich mee.

5Een lid van het dagelijks bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan het algemeen bestuur en aan het college dat het aangaat. Het ontslag gaat in zodra onherroepelijk in de opvolging is voorzien.

Artikel 13 Werkwijze en vergaderorde

1Het dagelijks bestuur vergadert in beginsel zes maal per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of tenminste één lid van het dagelijks bestuur zulks schriftelijk, onder opgave van de te behandelen onderwerpen verzoekt, in welk laatste geval de vergadering binnen twee weken plaatsvindt.

2In de vergadering van het dagelijks bestuur hebben alle leden één stem.

3Besluiten van de vergaderingen van het dagelijks bestuur vinden plaats op basis van gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

4De artikelen 54, 56, 58 en 59 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

5Het dagelijks bestuur kan een of meer van zijn bevoegdheden opdragen aan een of meer van zijn leden, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet.

6Het dagelijks bestuur stelt voor zijn werkzaamheden een reglement van orde vast. Dit reglement wordt ter kennis gebracht van het algemeen bestuur.

Artikel 14 Taken en bevoegdheden

Tot de taken en de bevoegdheden van het dagelijks bestuur van de regeling behoren naast de

bevoegdheden als genoemd in artikel 33b van de wet:

a.het voorstaan van de belangen van het samenwerkingsverband bij andere overheden, instellingen en diensten waarmee, of personen met wie contact met het samenwerkingsverband van belang is;

b.het beheer van activa en passiva van het samenwerkingsverband, waaronder het voorbereiden van de ontwerpbegroting en het opstellen van de voorlopige jaarrekening;

c.de zorg, voor zover deze niet aan anderen toekomt, voor de controle op het geldelijke beheer en de boekhouding;

d.het verlenen van subsidies, en;

e.het aannemen, schorsen en ontslaan van personeel, dit met uitzondering van de secretaris.

HOOFDSTUK 6 – DE VOORZITTER

Artikel 15 Taken en bevoegdheden

1De voorzitter wordt door het algemeen bestuur uit zijn midden aangewezen.

2Hij is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

3Bij afwezigheid van de voorzitter wordt hij vervangen door een lid van het dagelijks bestuur, door dat bestuur aan te wijzen.

4Hij tekent de stukken, die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan.

5De voorzitter vertegenwoordigt het samenwerkingsverband in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.

HOOFDSTUK 7 – DE COMMISSIES

Artikel 16 Commissies van advies

1Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter kunnen commissies van advies instellen, zulks met inachtneming van artikel 24 en artikel 24a van de wet.

2Het algemeen bestuur stelt op voorstel van de raden in ieder geval een raadsadviescommissie in die belast is met de advisering van het algemeen bestuur en van de raden. Artikel 24a van de wet is van toepassing op de raadsadviescommissie.

Artikel 17 Bestuurscommissies

1Het algemeen bestuur kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen, voor zover deze niet zijn voorbehouden aan het algemeen bestuur.

2Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

3Het algemeen bestuur regelt, met inachtneming van artikel 25 van de wet, hun bevoegdheden en samenstelling.

HOOFDSTUK 8 – INLICHTINGEN, VERANTWOORDING EN ONTSLAG

Artikel 18 Het dagelijks bestuur en de voorzitter ten opzichte van het algemeen bestuur

1De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

2Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

3Zij geven – tezamen dan wel afzonderlijk – aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen.

4Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

5Het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.

Artikel 19 Het dagelijks bestuur en algemeen bestuur ten opzichte van raden

1Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur geven aan de raden van de deelnemende gemeenten alle informatie die de raden nodig hebben voor de uitvoering van hun taken.

2Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden worden verlangd.

Artikel 20 Leden algemeen bestuur ten opzichte van het college van burgemeester en wethouders

1Een lid van het algemeen bestuur verschaft de deelnemer die dit lid heeft aangewezen met inachtneming van artikel 16 en artikel 18 van de wet alle inlichtingen, die door de deelnemer worden verlangd en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van de deelnemer aangegeven wijze.

2Een lid van het algemeen bestuur is de deelnemer die dit lid heeft aangewezen met inachtneming van artikel 16 en artikel 18 van de wet verantwoording verschuldigd voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van die deelnemer aangegeven wijze.

3Met inachtneming van artikel 19 lid 1 van de wet, is het bepaalde in het eerste en het tweede lid van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de gemeenteraden.

HOOFDSTUK 9 – ZIENSWIJZEN EN INSPRAAK

Artikel 21 Zienswijzen

1Besluiten van het algemeen bestuur worden alleen aan zienswijzen onderworpen indien de wet of deze regeling dat expliciet voorschrijft.

2Het algemeen bestuur kan besluiten tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang. Het besluit wordt niet genomen dan nadat de raden van de gemeenten een ontwerpbesluit is toegezonden en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur van het openbaar lichaam te brengen.

3Het algemeen bestuur besluit niet tot het vaststellen van uitvoeringsprogramma's dan nadat de raden van de deelnemende gemeenten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk hun zienswijzen op het concept bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen.

4Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden van de deelnemende gemeenten om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste een vijfde van de raden het dagelijks bestuur hierom verzoekt. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte.

5Indien het tweede, derde of vierde lid wordt toegepast, dan hebben de raden twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven zijn, stelt het dagelijks bestuur de raden en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

Artikel 22 Inspraak

1Ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden kunnen via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten betrokken worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid.

2In afwijking van het eerste lid kan het dagelijks bestuur besluiten dat bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid met ingrijpende gevolgen een apart participatietraject wordt doorlopen.

3Het tweede lid vindt ook toepassing wanneer ten minste een vijfde van de raden het dagelijks bestuur hierom verzoeken.

4Het dagelijks bestuur informeert de deelnemers zo spoedig mogelijk omtrent zijn voornemen tot het mogelijk maken van inspraak als bedoeld in het tweede of het derde lid en de wijze waarop deze inspraak voor ingezetenen van de gemeenten en belanghebbenden zal worden vormgegeven.

HOOFDSTUK 10 – ORGANISATIE EN PERSONEEL

Artikel 23 Secretaris

1Tot het personeel van het samenwerkingsverband behoort de secretaris. Het algemeen bestuur beslist omtrent benoeming, schorsing en ontslag van de secretaris.

2De secretaris is tevens als directeur belast met de dagelijkse leiding van het samenwerkingsverband, waarvoor hij de verantwoording draagt.

3Het dagelijks bestuur stelt de taken van de secretaris vast in een directiestatuut. Het directiestatuut wordt ter kennis gesteld van het algemeen bestuur.

4De secretaris is het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij de hun opgedragen taak behulpzaam.

5De secretaris is in de vergaderingen van het algemeen en van het dagelijks bestuur aanwezig. De secretaris heeft in de vergaderingen uitsluitend een adviserende rol.

6Door de secretaris worden alle stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan medeondertekend.

7Het dagelijks bestuur kan in spoedeisende gevallen overgaan tot schorsing van de secretaris en doet hiervan terstond mededeling aan het algemeen bestuur. De schorsing vervalt wanneer het algemeen bestuur deze niet in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigt.

Artikel 24 Inrichting organisatie en personeel

1Het dagelijks bestuur stelt de inrichting en werkwijze van de organisatie vast.

2Op het personeel van de organisatie is de Cao Samenwerkende gemeentelijke organisaties van toepassing alsmede de binnen de organisatie vastgestelde personele regelingen, inclusief alle toekomstige wijzigingen daarvan.

3De secretaris kan namens het dagelijks bestuur worden belast met het aannemen, het schorsen en het ontslaan van personeelsleden van het samenwerkingsverband.

HOOFDSTUK 11 – VERGOEDINGEN

Artikel 25 Regeling inzake vergoeding van werkzaamheden

1Het algemeen bestuur kan met inachtneming van de artikelen 21, 24 en 25 van de wet voor de leden van een commissie als bedoeld in artikel 16 en 17 van deze regeling, die niet de functie van burgemeester, wethouder of secretaris vervullen, een regeling inzake de vergoeding van hun werkzaamheden respectievelijk voor het bijwonen van vergaderingen een tegemoetkoming in de kosten vaststellen.

2Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing op ambtenaren werkzaam bij één of meer van de deelnemende gemeenten, die als zodanig tot lid van een commissie zijn benoemd. Deze ambtenaren hebben geen recht op vergoeding.

3De in het eerste en tweede lid bedoelde regelingen worden aan gedeputeerde staten gezonden.

HOOFDSTUK 12 – FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 26 Bijdragen van de gemeenten

1De kosten van het samenwerkingsverband worden door de deelnemers in beginsel gedragen naar rato van het aantal inwoners per deelnemer op 1 januari van het jaar voorafgaand aan dat, waarop die kosten betrekking hebben. Het aantal inwoners wordt gebaseerd op de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

2In de begroting wordt aangegeven welke bijdragen de deelnemers, afzonderlijk of tezamen, verschuldigd zijn voor het jaar waarop de begroting betrekking heeft.

3De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks voor 15 januari en voor 15 juli telkens de helft van de voor dat jaar geraamde bijdrage.

4In de jaarrekening wordt het door elk van de deelnemende gemeenten, afzonderlijk of tezamen, over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen, waarna er, indien nodig, een nacalculatie plaatsvindt.

5De deelnemers dragen er zorg voor dat het samenwerkingsverband te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al haar verplichtingen te kunnen voldoen.

Artikel 27 Begrotingsprocedure

1Het dagelijks bestuur zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient de algemene financiële en beleidsmatige kaders aan de raden van de deelnemende gemeenten.

2Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting met de daarbij behorende toelichting ten minste twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, doch uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de ontwerpbegroting geldt, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.

3De ontwerpbegroting wordt door de colleges voor eenieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, ook algemeen verkrijgbaar gesteld.

4De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

5Het dagelijks bestuur stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het vierde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

6Het algemeen bestuur stelt de begroting uiterlijk vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. Hierbij wordt rekening gehouden met de door de raden uitgebrachte zienswijze.

7Nadat de begroting is vastgesteld zendt het algemeen bestuur de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

8Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór de in artikel 34, tweede lid, van de wet genoemde datum aan gedeputeerde staten.

Artikel 28 Begrotingswijziging

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 35, zesde lid, van de wet, is artikel 27 niet van toepassing op wijzigingen van de begroting die niet leiden tot een overschrijding van de jaarlijkse bijdragen van de deelnemers of tot een afwijking van de bestuurlijk vastgestelde uitgangspunten van financieel beleid. Omtrent dergelijke begrotingswijzigingen besluit het algemeen bestuur.

Artikel 29 Jaarrekening

1Het dagelijks bestuur zendt voor 30 april van het jaar na het jaar waarvoor de jaarrekening dient, een voorlopige jaarrekening en het jaarverslag aan de raden van de deelnemende gemeenten. De voorlopige jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid en rechtmatigheid, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

2Het dagelijks bestuur draagt er zorg voor dat medewerking wordt verleend aan door of namens de accountant(s) van de deelnemende gemeenten in te stellen onderzoeken naar de door de accountant, bedoeld in het eerste lid, verrichte (controle)werkzaamheden.

3Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.

4Bij vaststelling van de jaarrekening vloeit een positief saldo naar rato terug naar de deelnemende gemeenten, tenzij de vastgestelde maximale algemene reserve van € 100.000 nog niet bereikt is. Een negatief saldo wordt naar rato bijgestort door de deelnemende gemeenten.

5Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten en de raden van de deelnemende gemeenten.

6Het dagelijks bestuur stelt de in het eerste lid bedoelde stukken algemeen verkrijgbaar.

HOOFDSTUK 13 – ARCHIVERING

Artikel 30 Archiefbepaling

1Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband.

2De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

3Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband, die niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.

4Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van de gemeente van de plaats van vestiging.

5Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van de gemeente van de plaats van vestiging.

6De archivaris van de gemeente van de plaats van vestiging brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de

1bestuursorganen van het samenwerkingsverband, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

7Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de bestuursorganen van het samenwerkingsverband.

Artikel 31 Terbeschikkingstelling

1De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken.

2In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd.

3In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling.

HOOFDSTUK 14 – TOETREDING, UITTREDING EN OPHEFFING

Artikel 32 Toetreding tot de regeling

1Een college kan tot de regeling toetreden na verkregen toestemming van de raad, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.

2Toetreding tot de regeling kan slechts plaatsvinden indien ten minste drie vierde van de deelnemers daartoe een gelijkluidend besluit nemen, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.

3Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding van een nieuwe deelnemer.

4Het algemeen bestuur kan aan de toetreding voorwaarden verbinden.

Artikel 33 Uittreding uit de regeling

1Een deelnemer kan uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van de betreffende deelnemer, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.

2Uittreding kan plaats vinden niet eerder dan 5 jaren na toetreding tot de regeling, met in acht name van een opzegtermijn van tenminste twee jaar. Deze opzegtermijn vangt aan op 1 januari van het jaar volgend op dat waarin tot uittreden besloten is.

3Een deelnemer zendt, na toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen.

4Het dagelijks bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in een uittredingsplan zoals bedoeld in artikel 34.

5Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan vast. De daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen zijn bindend.

6Nadat het uittredingsplan is vastgesteld, is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor de uittredende deelnemer omschreven financiële verplichtingen aan de regeling te voldoen.

Artikel 34 Procedure voor vaststelling uittredingsplan

1Het in artikel 33 bedoelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die gedurende een periode van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer.

2Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan wijst het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aan die in opdracht van het algemeen bestuur het uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.

3Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval de vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer.

4Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in het eerste lid en op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 5% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.

5Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.

Artikel 35 Wijziging

1Het dagelijks bestuur en de deelnemers kunnen aan het algemeen bestuur voorstellen tot wijziging doen.

2Indien het algemeen bestuur instemt met een wijzigingsvoorstel, doet het een daartoe strekkend voorstel aan de deelnemers.

3Een wijzigingsbesluit komt vervolgens tot stand, indien ten minste drie vierde van de deelnemers een gelijkluidend besluit daartoe genomen hebben, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de wet.

Artikel 36 Opheffing en liquidatie

1De regeling kan worden opgeheven bij een daartoe strekkend besluit van alle deelnemers minus één. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden van de deelnemende gemeenten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college naar voren te brengen.

2In geval van een opheffingsbesluit draagt het algemeen bestuur zorg voor de opstelling en vaststelling van een liquidatieplan. Alvorens dit plan vast te stellen legt het algemeen bestuur dit voor aan de deelnemers die daarover hun zienswijzen kenbaar kunnen maken.

3De deelnemers verbinden zich in het geval van opheffing van het samenwerkingsverband in het liquidatieplan de verplichting op te nemen dat zij alle rechten en verplichtingen van het samenwerkingsverband over de deelnemende gemeenten verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

4Het dagelijks bestuur zal als vereffenaar optreden en belast worden met de uitvoering van het liquidatieplan.

5Het samenwerkingsverbanden zijn bestuur blijven na het opheffingsbesluit bestaan voor zover dit voor de vereffening van het vermogen van het samenwerkingsverband nodig is.

HOOFDSTUK 15 – SLOTBEPALINGEN

Artikel 37 Geschillen

Geschillen omtrent de toepassing, in de ruimste zin, van een regeling tussen besturen van

deelnemende gemeenten of tussen besturen van een of meer deelnemende gemeenten en het bestuur van het samenwerkingsverband worden overeenkomstig artikel 28 van de wet, door gedeputeerde staten beslist.

Artikel 38 Duur van de regeling

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 39 Evaluatie en bekendmaking

1De werking van de regeling zal voor het eerst twee jaar na oprichting van het samenwerkingsverband geëvalueerd worden, of in overige gevallen indien twee deelnemers hierom verzoeken. Het dagelijks bestuur zal dan een onderzoeksvoorstel aan de deelnemers voorleggen.

2Het college van de gemeente Venlo maakt een volledig ondertekend exemplaar van deze regeling alsmede besluiten tot wijziging, tot uittreding van, van toetreding tot en tot opheffing van deze regeling tijdig in alle deelnemende gemeenten bekend in het door de gemeente Venlo uitgegeven Gemeenteblad.

3Het dagelijks bestuur is belast met de registratie van de regeling overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de wet.

Artikel 40 Citeertitel

De regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Regio Noord-Limburg.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.