Tekst
1Het is de schipper verboden vanaf een afgemeerd binnentankschip een ladingtank te ontgassen met restladingdampen van:
a.benzeen (UN-nummer 1114);
b.ruwe aardolie (UN-nummer 1267) voor zover met meer dan 10% benzeen;
c.aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268);
d.brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863);
e.brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993); of
f.koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295)
met dien verstande dat:
1van een restladingladingsdamp sprake is bij een concentratie groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens van de desbetreffende stof.
2het verbod niet van toepassing is indien kan worden aangetoond dat de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als bedoeld onder a tot en met f dan wel indien kan worden aangetoond dat de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld onder a tot en met f.
3het verbod niet van toepassing is, wanneer het ontgassen plaatsvindt:
a.om redenen van drukverevening die in verband met de veiligheid moet plaatsvinden;
b.tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is.
2Het college kan van het onder 1 gestelde verbod ontheffing verlenen.