2. Ontwikkelingen in het sociaal domein
Sociaal Wijkteam
Met het Sociaal Wijkteam organiseren we zorg eenvoudig en dichtbij, zoeken we naar de oplossingen in de eigen leefomgeving en versterken we de eigen kracht van burgers. Het Sociaal Wijkteam biedt zelf hulp en ondersteuning, en kan Velsenaren doorgeleiden naar langdurige of specialistische hulp. Ook de langdurige en specialistische hulp heeft het versterken van de zelfredzaamheid en het benutten van eigen kracht hoog op de agenda staan.
Binnen het Sociaal wijkteam wordt intensief samengewerkt tussen verschillende professionals.
Alle vormen van samenwerking tussen de professionals binnen het wijkteam en die tussen het Sociaal wijkteam en externe partijen brengen ook allerlei vormen van gegevensverwerking met zich mee. Daarmee wordt de bescherming van de privacy van de burger/cliënt een belangrijk aandachtspunt.
CJG IJmond
Het Centrum voor Jeugd en Gezin IJmond (CJG IJmond) is het regionale punt voor opvoed- en opgroei-ondersteuning. Dit team levert de benodigde jeugdhulp in de gezinnen. Het team schakelt indien nodig specialistische jeugdhulp in, regelt de zorgcoördinatie, mobiliseert 'eigen kracht' en zorgt voor afstemming van de jeugdhulp met andere bij de transities in het sociaal domein betrokken partijen.
GR IJmond Werkt
De toegang tot de dienstverlening van Werk en Inkomen (bijstand en re-integratie) is via de gemeenschappelijke regeling IJmond Werkt.
3. Uitgangspunten voor beleid nader uitgewerkt/toegelicht
3.1 Hulpverleningsperspectief in veel gevallen leidend
3.1.1 Geheimhoudingsplicht
Een geheimhoudingsplicht is er sowieso voor alle ambtenaren, of deze nu de rol van handhaver of hulpverlener vervullen. Dit maakt ook onderdeel uit van de eed of gelofte die zij afleggen in het kader van de Ambtenarenwet. Daarin staat dat de ambtenaar verplicht is tot geheimhouding van hetgeen hem in verband met zijn functie ter kennis is gekomen.
Belangrijk is wel dat het hulpverleningsperspectief een extra dimensie toevoegt aan deze plicht, hetgeen alles te maken heeft met bovengenoemde vertrouwensrelatie. Bij veel van de samenwerkingspartners werken professionals die als beroepsbeoefenaar vallen onder de Wet BIG, waarbij het niet zorgvuldig omgaan met geheimhouding kan leiden tot een klacht bij het medisch tuchtcollege. Hierdoor wordt de verantwoordelijkheid van het hulpverlenerschap nog meer gevoeld. Maar ook niet-BIG-geregistreerden dienen zich te realiseren dat het onzorg-vuldig omgaan met persoonsgegevens neer kan komen op plichtsverzuim. Daarom wordt bij autorisaties van medewerkers in verband met toegang tot cliëntsystemen uitdrukkelijk gewezen op de geheimhoudingsplicht en de consequenties van overtreding c.q. plichts-verzuim.
3.1.2 Hulpverlening versus toezicht/handhaving
Het bieden van hulp op basis van vertrouwen kan onder druk komen te staan als gegevens worden gedeeld met instanties/medewerkers die in de eerste plaats toezicht of handhaving als taak hebben, zoals politie/OM, leerplichtambtenaren en medewerkers in het domein Werk en Inkomen (die onder andere bezig zijn met het opsporen van bijstandsfraude). Samenwerking van hulpverleners met genoemde toezichthouders/handhavers kan op zich nuttig zijn en ook voordeel opleveren voor betrokkene, als tenminste het hulpverleningsperspectief niet uit het oog wordt verloren. Vooral ligt de vraag voor wat te doen als een hulpverlener erachter komt dat een cliënt in strijd handelt met bepaalde regels of zelfs strafbare feiten op het spoor komt of daarover vermoedens heeft, zonder dat dit nog bij handhavers bekend is.
In dat geval zal de hulpverlener betrokkene hiermee dienen te confronteren. Dat doet hij vanuit zijn relatie als hulpverlener. Dat wil zeggen dat hij zich rekenschap geeft van de gevolgen voor de hulpverleningsrelatie. Bijvoorbeeld kan de vraag spelen wie hier verder nog bij betrokken dient te worden mede met het oog op het vervolg, zeker als een strafrechtelijk traject te verwachten is. Die confrontatie biedt betrokkene bovendien de gelegenheid er eerst zelf wat aan te doen. Als daarmee echter de veiligheid van hemzelf en/of anderen in gevaar wordt gebracht, dan kan het zijn dat de hulpverlener die stap overslaat en aangifte doet bij de politie. Of dat hij melding doet bij Veilig Thuis (AMHK) indien sprake is van huiselijk geweld of kinder-mishandeling (die dan meteen ook kan adviseren over de vraag of hij al dan niet aangifte zou moeten doen).
Juist ook met oog op die confrontatie, is het belangrijk om meteen zo duidelijk mogelijk te zijn over bepaalde zaken. In dat licht moet bijvoorbeeld de bepaling met betrekking tot terugvor-dering worden gelezen in de verordeningen Jeugdhulp en Wmo: het opzettelijk verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens kan leiden tot een vordering van de geldwaarde van de ten onrechte genoten voorziening of het ten onrechte genoten pgb. Voor fraude met uitkerin-gen geldt hetzelfde verhaal. Sterke vermoedens daarover dient ment dus niet voor zich te houden.
3.1.3 Verstrekkingen van politie uitgaande van hulpverleningsperspectief
Uitgaande van het hulpverleningsperspectief (‘voor het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven’) is het voor de politie mogelijk om informatie aan de gemeente te verstrekken. Zoals in de bijlage onder het kopje ‘Wet politiegegevens’ is aangegeven, is de politie hierbij wel gebonden aan de in deze wet opgenomen bepalingen. De geautomatiseerde zorgmeldin-gen aan het AHMK zijn een voorbeeld van een verstrekking door de politie vanuit het hulpverlenersperspectief. Maar ook gegevensuitwisseling over problematische jeugdigen.
Afgezien van de gegevensuitwisseling in het gedwongen kader (zie par. 3.1.5), kan uitwis-seling ook essentieel zijn om te komen tot een zogenaamde ‘sluitende aanpak’ in gevallen waarbij niet alleen sprake is van gezinsproblematiek maar ook van problematiek in een bredere omgeving gelet op de gevolgen van overlastgevend en/of crimineel gedrag van jeugdigen. Dit vereist een ketenaanpak van diverse partijen. Waarbij het uit oogpunt van veiligheid noodzakelijk en gerechtvaardigd kan zijn om zonder toestemming van betrokkenen gegevens uit te wisselen. Wat overigens niet betekent dat betrokkenen hierover niet geïnfor-meerd worden en de eigen verantwoordelijkheid van de hulpverlener/professional onverlet laat. Aan die professionals dient echter wel meer houvast geboden te worden, ook om te voorkomen dat in gelijke gevallen verschillend gehandeld wordt.
Afgezien van de politie is ook het Openbaar Ministerie (vallend onder de Minister van Justitie en Veiligheid) een belangrijke partij voor de gemeente om gegevens uit te wisselen, zeker nu ook de zorg voor de uitvoering van jeugdreclassering een gemeentelijke verantwoordelijkheid is geworden. Zie verder ook nog de toelichting op de uitzonderingen op het toestemmings-vereiste onder het kopje ‘Veiligheid’ in paragraaf 3.3.2.
3.1.4Hulpverlening aan en verwerking van gegevens van minderjarigen/wilsonbekwame meerderjarigen
Bij hulp aan minderjarigen en wilsonbekwame meerderjarigen moet de hulpverlener zich altijd (ook) zelfstandig afvragen wat uit oogpunt van zorgverlening het beste is voor het kind of de meerderjarige die niet meer in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen. Om die reden kan bijvoorbeeld aan een ouder inzage worden geweigerd als deze het dossier wil inzien in het geval hulpverlening wordt geboden zonder toestemming van de ouders. Daar gebeurt dan overigens wel op basis van een zorgvuldige belangenafweging, waarbij het belang en de veiligheid van het kind worden afgewogen tegen het recht van ouders om geïnformeerd te worden en invulling te geven aan het ouderlijk gezag. Tegelijkertijd geldt dat tot het kind 16 jaar is rekening gehouden dient te worden met de wensen van ouders/
wettelijke vertegenwoordigers.
Is een kind onder de 12 jaar dan treedt de met het gezag belaste ouder/wettelijk vertegen-woordiger in beginsel zelfs volledig in de rechten van het kind als patiënt, zij het dat het kind wel geïnformeerd dient te worden op een wijze die past bij zijn bevattingsvermogen. Is het kind tussen 12 en 16 jaar, dan moet nadrukkelijk ook rekening worden gehouden met de wensen van het kind en zal bijv. medeondertekening van toestemmingsverklaringen noodzakelijk zijn.
Verder is het belangrijk voor de hulpverlener zich van te voren goed te vergewissen over de gezagsrelatie tussen ouder en kind, zeker als er verschil van mening is tussen beide ouders.
In dat geval is namelijk voor behandeling de geïnformeerde toestemming van beide gezag-hebbende ouders nodig. Zie verder de betreffende bepalingen in de Jeugdwet en de Wbpo in de bijlage over het wettelijk kader en ook par. 3.4.3 over wilsonbekwaamheid vanuit het uitgangspunt ‘zorg voor betrokkenheid cliënt’.
3.1.5 Gedwongen kader
Zoals hiervoor al aangegeven, kan er ook sprake zijn van hulpverlening met een gedwongen karakter. Zo zijn er voor jeugdigen aparte vormen van toezicht in de wet geregeld, die door de rechter ingesteld kunnen worden. Dit wordt ook wel het gedwongen kader genoemd. Als gemeente hebben wij hierover afspraken gemaakt met de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instellingen. Deze afspraken betreffen onder andere de uitwisseling van gegevens. Voor de uitwisseling van deze gegevens is geen toestemming van betrokkene nodig zolang maar duidelijk is dat dit noodzakelijk is ter uitvoering van de wettelijke taak en ook principes van proportionaliteit en subsidiariteit in acht zijn genomen.
De wetgever heeft de mogelijkheid geboden aan de Minister om hierover nadere regels vast te stellen. Het bovenstaande geldt ook voor jeugdreclassering, zoals hiervoor al in paragraaf 3.1.3 is toegelicht met betrekking tot uitwisseling van gegevens met het Openbaar Ministerie.
Overigens wordt met gedwongen kader ook wel bedoeld de maatregelen die in het kader van de Wet BOPZ (Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen) kunnen worden genomen. Zo kan de burgemeester (of een wethouder van het college namens hem) op basis van een advies van een onafhankelijke arts/psychiater een last afgeven tot inbewaringstelling.
Onder verantwoordelijkheid van de gemeente wordt hiervoor een registratie bijgehouden. Dit gebeurt in een geautomatiseerd bestand waarvoor Velsen net als vele andere gemeenten in Nederland een bewerker hebben gecontracteerd.
3.2 Gegevensverwerking op basis van ‘need to know’
3.2.1 Signalering
In het visiestuk van het Rijk worden drie vormen van signalering worden besproken, die alle drie ook voor Velsen opgaan:
1Signalering door professionals of vanuit de omgeving van betrokkene(n)
2Geautomatiseerde signalering
3Signalering door vergelijking van bestanden.
Werken met een meldcode en een verwijsindex heeft pas echt zin als er de overtuiging is bij het management en de professionals dat hiermee verschil gemaakt kan worden dat ertoe doet. Aandachtsfunctionarissen spelen hierbij een belangrijke rol. Dit zijn personen die als een trekker/facilitator binnen de organisatie fungeren voor de implementatie, bijvoorbeeld door te zorgen dat professionals bepaalde trainingen/cursussen volgen. Het is immers noodzakelijk dat professionals bekwaam zijn in het goed herkennen van signalen en vervolgens ook in staat zijn om over gaan tot de juiste acties.
Er bestaat geen meldplicht, maar wel een plicht om adequate actie te ondernemen bij een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling. De meldcode en de verwijsindex gaan ervan uit dat professionals hierbij komen tot een goede oordeelsvorming vanuit het hulp-verleningsperspectief. Met gebruikmaking van taxatie-instrumenten die hiervoor in de loop der tijd zijn ontwikkeld en in gebruik genomen. Ook bevorderen het gebruik van deze instrumenten een meer gerichte afstemming en samenwerking tussen professionals.
3.2.2 Aandachtspunten bij signalering
Bij signalering zijn vooral de volgende twee aandachtspunten van belang:
-Signalen zijn nuttig als er iets mee gedaan wordt. Als dat om voor wat reden dan ook niet gebeurt, dan moeten we uit oogpunt van privacy deze signalen niet (te lang) bewaren.
-Afspraken met ketenpartijen die leiden tot het automatisch afgeven van een signaal, hebben het risico in zich dat er te veel en soms onnodige informatie wordt verwerkt, waardoor de proportionaliteit van de gegevensverwerking in gevaar kan komen.
Deze aandachtspunten spelen bijvoorbeeld bij het maken van afspraken met derden over signalering, waaronder met name politie (zorgmeldingen), woningcorporaties (woninguitzet-tingen) en energie- en waterleveranciers (afsluitingen). Dat houdt concreet in dat in de afspraken van de gemeente met deze partijen scherpe criteria worden geformuleerd met betrekking tot de vraag welke gevallen door de gemeente als overheid kunnen worden opgepakt en dat dit ook van tijd tot tijd geëvalueerd dient te worden.
3.2.3 Bewaartermijnen
Voor registraties van persoonsgegevens gelden wettelijke bewaartermijnen. Zowel de Wmo 2015, de Jeugdwet als de Participatiewet geven richtlijnen voor de bewaartermijnen van gegevens. Voor zover de materiewetten hier niet in voorzien wordt een bewaartermijn gehan-teerd van 5 jaar nadat de laatste wijziging of registratie heeft plaats gevonden. Daarna wordt het dossier of plan uit het systeem verwijderd en vernietigd. De genoemde bewaartermijnen zijn zowel een maximum als een minimum. De hulpverlener kan en moet het dossier langer bewaren ‘indien dat redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit’. Uit oogpunt van privacybescherming is het echter een maximum.
3.2.4 Triage/vraagverheldering
Triage is het proces van verhelderen, routeren en escaleren van vragen en casussen. Elk moment dat er een afweging gemaakt wordt over de routering van een vraag of casuïstiek kan gezien worden als een triagemoment. Triage kan op drie momenten in het sociaal domein (zie figuur) plaatsvinden.
Triage
Waarom is triage belangrijk voor privacy?
Met betrekking tot gegevensverwerking betekent triage dat er een stapsgewijs proces plaats vindt waarin de afweging wordt gemaakt of gegeven de situatie, bredere of diepgaandere gegevensverweking noodzakelijk is, of niet , en zo ja met welk doel. Triage draagt bij aan een zorgvuldige gegevensverwerking. Het is niet per definitie onwenselijk dat gegevens binnen en over verschillende domeinen en samenwerkingsverbanden worden gedeeld. Sterker nog, soms is dit noodzakelijk voor een adequate hulpverlening.
Triage is een proces dat soms intuïtief verloopt en soms rationeel via een stappenplan. Professionals laten zich enerzijds leiden door rationele afwegingen, vaak gebaseerd op feiten en cijfers. Anderzijds doen zij ook een beroep op hun professionele intuïtie. Hierbij wordt de ruimte voor de professionele afweging ingebed in een zorgvuldig afwegingsproces ten aanzien van noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit van gegevensverwerking en uitwisseling van informatie tussen professionals. Proces en samenwerkingsafspraken zijn geborgd in conve-nanten en overeenkomsten.
Noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit
Noodzaak
In het triageproces besluit men over de route van een casus en bepaalt men het doel waarvoor informatiedelen noodzakelijk is. Het bepalen van het doel van informatiedeling is een belangrijke legitimering voor het delen van informatie en het waarborgen van de privacy. De professionals gaan hierbij na in hoeverre het delen van informatie echt noodzakelijk is en waarom. De bedoeling is dat personen, instellingen en domeinen selectief informatie delen: zoveel als moet, zo weinig als mogelijk.
Proportionaliteit
Naast noodzaak is ook proportionaliteit van de gegevensverwerking van belang: hoe verhouden het doel en de daarvoor noodzakelijke gegevensuitwisseling zich tot de schending van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene en zijn omgeving?
Subsidiariteit
De gegevensverwerking moet ook voldoen aan de eis van subsidiariteit. De vraag: is het doel ook te bereiken met een minder ingrijpende methode? Wanneer men besluit over de route van een vraag/casus maakt men meteen de afweging wat de noodzakelijke gegevensverwerking is die daarbij hoort. Het is van belang om deze afweging vast te leggen in het dossier. Zo is het voor de burger ook goed inzichtelijk te maken wat er met zijn/haar gegevens gebeurt en waarom.
3.2.5 Toegankelijkheid van informatie, beveiliging
We willen voorkomen dat wij als gemeente burgers onnodig lastig vallen met het vragen naar informatie waarover wij al in onze systemen beschikken. Dat vergt het nodige van onze systemen waarin wij gegevens van burgers verwerken. Het betekent dat we reeds verstrekte/
verwerkte informatie van betrokkene gemakkelijk zouden moeten kunnen vinden. Zo waarbor-gen we de toegankelijkheid van persoonsgegevens. Als gemeente denken we daarom ook na over de gewenste architectuur van onze informatiesystemen. Tegelijkertijd realiseren we ons dat als we diverse systemen met elkaar verbinden, de kans op datalekken groter wordt.
Dat mag dus geen doel op zich worden. Eén groot systeem wordt niet nagestreefd. Wel een manier van verwerking van gegevens die voor gebruikers gegevens gemakkelijk vindbaar maakt en tegelijkertijd goed te beveiligen is. Waarbij aparte bestanden worden gecreëerd met inachtneming van het vereiste van doelbinding en er sprake is van een goed doordacht toe-zicht op basis van autorisaties.
Er worden afdoende maatregelen genomen op basis van te stellen beveiligingseisen. Deze eisen zijn afhankelijk van de onderkende risico’s met betrekking tot processen en systemen. Hierbij wordt aangesloten bij de door Baseline Informatiebeveiliging Nederlandse Gemeenten (BIG). De BIG helpt gemeenten bij het borgen van goede, zorgvuldige en veilige gegevens-uitwisseling en procesuitvoering.
Van de ketenpartijen waarmee de gemeente samenwerkt, verwacht de gemeente dat zij de-zelfde eisen stelt aan beveiliging als hierboven aangegeven, waar het gaat om de verwerking van de cliëntgegevens in hun systemen. Indien derden als bewerkers in de zin van de Wbp in opdracht van de gemeente gegevens van cliënten verwerken, zal de gemeente afspraken met deze bewerkers maken over de beveiliging van deze gegevens.
3.3 Gegevensverwerking op basis van ‘toestemming, tenzij’
3.3.1 Gebruik toestemmingsverklaringen
Het Sociaal Wijkteam en het CJG IJmond zullen bij hun intake werken met toestemmings-verklaringen, in die gevallen dat voor de totstandkoming van een ondersteuningsplan gege-vens van betrokkenen dienen te worden opgevraagd bij derden (met name behandelaars) of indien met derden gegevens dienen te worden uitgewisseld (bijvoorbeeld in verband met een casusoverleg). Daaronder zijn ook begrepen de gevallen waarbij extra deskundigheid wordt ingeschakeld met het oog op bijvoorbeeld het stellen van een diagnose of het uitvoeren van een medische keuring. Overigens betekent het opvragen van informatie voor het ondersteu-ningsplan niet automatisch dat degene bij wie dit opgevraagd wordt, vervolgens ook toegang heeft tot dit ondersteuningsplan. Ook daarvoor is toestemming nodig van betrokkene.
Die opvraging moet gericht zijn en duidelijk, hetgeen zorgvuldigheid vergt van zowel de ver-strekker als de opvrager. Het opvragen van een heel dossier zal in de regel niet nodig zijn. Omgekeerd getuigt het ook niet van zorgvuldigheid om het gehele dossier te verstrekken, als slechts een deel hiervan relevant is gelet op het verzoek. In principe heeft daarbij ‘warme overdracht’ de voorkeur, omdat dan de context van de vraag kan worden verhelderd (met dien verstande dat daarna wel vastlegging dient plaats te vinden in het kader van zorgvuldige dossiervoering). Vooral moet voorkomen worden dat een toestemmingsverklaring een eigen leven gaat leiden en de persoon te veel buiten beeld raakt. Die persoon kan zich immers op elke moment bedenken en alsnog de toestemming intrekken.
Belangrijk bij het vragen van toestemming is vooral inzichtelijkheid over het proces: wat gebeurt er met de gegevens, wie doen daar wat mee. Het helpt als dat in een schriftelijke toestemmingsverklaring is opgenomen. Maar genoeg is het niet. Het vergt daarnaast ook nadere uitleg van de professional die daadwerkelijk moet checken of de informatie begrepen is. Dit is een uitvloeisel van de wettelijk vastgelegde informatieplicht.
3.3.2 Uitzonderingen op toestemmingsvereiste
1Veiligheid
Indien de veiligheid van andere personen (waaronder met name andere gezinsleden) in het geding is, kan er reden zijn om tegen de wil van betrokkene in te handelen (ook de veiligheid/
gezondheid van betrokkene zelf (lees ook: bedreiging in de ontwikkeling van de jeugdige) kan dat overigens zijn, zoals hierna nog wordt toegelicht onder de punten 2, 3 en 5). Maar, zoals hiervoor al aangeven, ook in die gevallen heeft de hulpverlener nog wel een inspanningsplicht om betrokkene zo ver te krijgen dat hij meewerkt aan de gewenste oplossing: als het maar enigszins kan probeert hij hierover in gesprek te blijven met betrokkene. Het sluit ook aan bij de zorgvisie om in de eerste plaats de eigen kracht van betrokkene en de mensen daarom heen te benutten om tot een oplossing te komen. Met name bij huiselijk geweld problematiek is dit een belangrijk gegeven. Soms echter kan het wel nodig zijn contact hierover met betrok-kene (in dit geval de pleger) uit te stellen, omdat anders een snelle oplossing voor het veilig-heidsprobleem in gevaar komt. Dat is zo ook in de wet vastgelegd voor meldingen over huiselijk geweld en kindermishandeling.
Leden van het Sociaal Wijkteam die gevraagd worden dossierinformatie te geven in het kader van een onderzoek door iemand van het Advies- en Steunpunt Huiselijk Geweld en Kindermis-handeling (AHMK) kunnen die informatie zonder toestemming van betrokkene verstrekken.
Ook bij een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming ter voorbereiding van beslis-
singen van de rechter over te nemen dwangmaatregelen, geldt dat de informatie zonder toe-stemming van betrokkene kan verstrekt worden. Voor wat hierover in verschillende wetten is opgenomen wordt verwezen naar wat hierover is vermeld in de bijlage.
Vooral bij jeugdigen kan overlast (waarbij veiligheid in het geding is) voor de politie, gemeente en/of jongerenwerkers een aanleiding zijn om informatie hierover te delen met het Sociaal wijkteam en het CJG IJmond. Het delen van informatie vindt dan plaats vanuit de aanname dat dergelijke overlast vaak een uitvloeisel is van multiproblematiek waarbij een gecoördineerde aanpak het meest gewenste effect sorteert. Hierbij komt het aan op goede, afspraken/regels over gestructureerde gegevensuitwisseling tussen Sociaal Wijkteam, politie en de andere betrokken partijen. Eerder is al opgemerkt dat deze afspraken/regels zullen worden verwerkt in convenanten/overeenkomsten als bedoeld in hoofdstuk 4.
Ten slotte kunnen nog de volgende convenanten genoemd worden, waarin met het oog op veiligheid/overlast en een gecoördineerde aanpak, regels/afspraken zijn vastgelegd over de gegevensuitwisseling:
-Convenant ten behoeve van aanpak georganiseerde criminaliteit: ‘RIEC-convenant’;
-Convenant ten behoeve van aanpak hennepteelt huurwoningen: ‘Hennepconvenant’;
-Convenant Groepsaanpak; dit richt zich op overlastgevende jeugd.
2Bemoeizorg
In het kader van bemoeizorg (zorg die geboden wordt aan zorgwekkende zorgmijders) is het toegestaan om in eerste instantie zonder toestemming van betrokkene gegevens te verwer-ken, met als doel een effectieve hulpverleningsrelatie tot stand te brengen. Zodra het contact met de zorgmijder is gelegd en een vertrouwensrelatie tot stand is gebracht, geldt wel weer onverkort het toestemmingsvereiste. Ook hierbij geldt dat het noodzakelijk is om afspraken te maken met diverse betrokken partijen over gestructureerde gegevensuitwisseling.
3Melding in Verwijsindex
Bij jeugdigen is er de mogelijkheid om zonder toestemming (maar wel met medeweten van betrokkene) signalen af te geven in de verwijsindex. Omdat dit in het algemeen een positief effect heeft op de afstemming rond de hulpverlening, is dit een in de wet geregelde en geoor-loofde inbreuk op de privacy. Vooral ook omdat die inbreuk niet disproportioneel is: het betreft een ‘dat-gegeven’.
4Volksgezondheid
Het algemeen belang van de volkgezondheid kan meebrengen dat zonder toestemming gegevens dienen te worden verstrekt. Met name in het kader van de in de bijlage genoemde Wet publieke gezondheid hebben artsen de plicht om bepaalde ziektegevallen te melden bij de GGD. Ook de uitvoering van gezondheidsenquêtes bij leerlingen in het kader van de jeugd-gezondheidszorg dienen het algemeen belang van de volksgezondheid. Om die reden hoeft niet bij elke ouder van tevoren toestemming worden gevraagd. Wel is het recht om van tevo-ren bezwaar te maken, omdat het onderzoek op vrijwillige basis is.
5Conflict van plichten
Dit heeft betrekking op een niet in de wet geregelde uitzondering voor hulpverleners/medici:
de plicht om te zwijgen moet in uiterste gevallen soms wijken voor de plicht om te spreken. Acute, levensbedreigende situaties kunnen dan een reden vormen om het beroepsgeheim te doorbreken. Daaronder valt bijvoorbeeld ook het geval dat betrokkene dreigt zichzelf van het leven te beroven.
3.3.3 Zorgvuldigheid
Zorgvuldigheid is in al die gevallen van groot belang, al helemaal als gegevens worden verstrekt aan derden zonder medeweten van betrokkene. Het is dan belangrijk om over de verstrekking aan een derde in het dossier een aantekening te maken en bij voorkeur degene die de informatie ontvangt dit nog eens te laten bevestigen. Men hoeft dan niet te vrezen voor een verzoek om inzage door betrokkene: indien de veiligheid van anderen nog (steeds) in het geding is, kan die dossierinformatie afgeschermd worden.
Andere eisen die van belang zijn voor gevallen waarin een professional zonder toestemming van betrokkene het beroepsgeheim doorbreekt:
-Vragen van toestemming is in verband met de situatie (spoed, gevaar) niet goed mogelijk;
-Men is wel zo open mogelijk jegens de betrokkene;
-Proportionaliteit en subsidiariteit wordt in acht genomen;
-Het moet gaan om objectieve informatie, uit eigen waarneming. Zo niet, dan moet dat uitdrukkelijk worden vermeld.
3.3.4 Informatie voor onderzoek, beleidsinformatie
Cliëntinformatie wordt veel gebruikt voor onderzoek en beleidsontwikkeling. Ook daarbij geldt als hoofdregel ‘toestemming, tenzij’. In paragraaf 3.3.2 is onder punt 4 al een ‘tenzij’ aange-geven voor schoolgericht onderzoek in het kader van de jeugdgezondheidszorg. In de nieuwe Wmo is een aparte bepaling gewijd aan de mogelijkheid van het verstrekken van gegevens voor statistiek en wetenschappelijk onderzoek, zoals in de bijlage is vermeld.
3.4 Zorg voor betrokkenheid cliënt
3.4.2 Casusregiesysteem
Uitwisseling in het casusoverleg is vertrouwelijk, er vinden daarover in principe alleen registra-ties plaats in het casusregiedossier. Deelnemers van het casusoverleg moeten zich realiseren dat als hun informatie eenmaal in dit casusregiedossier komt, hierop alle privacyrechten van toepassing zijn: betrokkene kan op elk moment inzage vragen. Het is dus in principe niet mogelijk om een stuk over betrokkene aan dit dossier toe te voegen dat voor betrokkene geheim moet blijven. In principe, omdat de wet wel toestaat dat bij een verzoek om inzage gegevens worden afgeschermd ‘in het belang van de bescherming van de betrokkene of de rechten en vrijheden van anderen’. Bijv. het belang van de partner/achterblijver om zich veilig te voelen na het instellen van een tijdelijk huisverbod. Of omdat dit ernstig nadeel voor de behandeling van betrokkene zou opleveren.
De casusregisseur is namens het college van Burgemeester en Wethouders verantwoordelijk voor het beheer van het casusregiedossier en de afhandeling van privacyverzoeken in het kader van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Alleen andere hulpverleners die bij de casus zijn betrokken hebben ook toegang tot dit dossier. De bevoegdheid om te beslissen op privacyverzoeken in het kader van de Wbp is bij mandaatbesluiten geregeld. Let wel, dit geldt dus niet voor privacyverzoeken die zich richten op de (medische) dossiers van behan-delaars!
In veel gevallen zal bij de intake van een volwassene een zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) worden ingevuld, die informatie bevat over betrokkene op verschillende leefgebieden. Deze ingevulde matrix vormt aldus een belangrijke basis voor het ondersteuningsplan en maakt daarom ook deel uit van het dossier dat de casusregisseur beheert.
3.4.3 Wilsonbekwaamheid
De cliënt zo veel mogelijk betrekken wordt lastig als betrokkene niet goed meer in staat is om zijn eigen belangen goed te behartigen of als er sprake is van wilsonbekwaamheid. In de wet is hiervoor cliëntondersteuning geregeld. Ook kan het zijn dat er een bewindvoerder, een mentor of zelfs een curator door de rechter is aangesteld. Deze vormen van vertegenwoordi-ging zijn in de praktijk redelijk goed geregeld, met adequaat toezicht op de kwaliteit. Een veel lichtere vorm van vertegenwoordiging is een getekende volmacht. Een volmacht kan bijvoor-beeld iemand het recht geven om deel te nemen aan een casusoverleg over betrokkene.
Werken vanuit het hulpverleningsperspectief kan lastig worden als er twijfel is aan de goede bedoelingen van de gemachtigde. Vooral bij ouderenmishandeling komt dit nogal eens voor.
Hierbij is het dus zaak goed op te letten en wantrouwend te worden als de indruk ontstaat dat de volmachtgever elk contact met betrokkene belet. Soms kan het dan noodzakelijk zijn om aan te sturen op een uitspraak van de rechter voor het instellen van een vorm van bescher-mingsbewind. Belangrijk is dan om betrokkene als het even kan zelf hierover vooraf goed te informeren, ook al is er sprake van (een zekere mate van) wilsonbekwaamheid en wordt dit tegengewerkt door de gemachtigde.
In de Jeugdwet en is met betrekking tot toestemming, dossier en privacy een aantal specifieke bepalingen opgenomen. Ook in de Wmo zijn soortgelijke bepalingen opgenomen, met name waar het gaat om de rechten van personen over wie een Veilig Thuis (AMHK) melding wordt gedaan. Dit alles is na lezen in de bijlage over het wettelijk kader.