Gemeentelijke regelgeving

Nota Parkeernormenbeleid 2015

Gemeente Velsen · geldt sinds 29 december 2017

3 Procedure toepassen parkeernormen

3.1. Vaststellen parkeerbehoefte

Allereerst wordt aan de hand van de ingediende omgevingsvergunning de parkeerbehoefte vastgesteld. De parkeerbehoefte is de vraag naar parkeerplaatsen die het bouwplan naar verwachting genereerd. (En daarmee dus ook het aantal parkeerplaatsen dat de initiatiefnemer binnen het plangebied moet realiseren.) Het vaststellen van de parkeerbehoefte begint met het bepalen van de functie die wordt voorzien in de ontwikkeling. Vervolgens wordt het aantal eenheden (bv. aantal appartementen of aantal m2 bvo) van die functie vastgesteld en vermenigvuldigd met de bijbehorende parkeernorm, zoals die is beschreven in bijlage 1 (zie rekenvoorbeeld). De mogelijkheid tot dubbelgebruik van parkeerplaatsen en/of de parkeerbehoefte van de oude of bestaande functie kunnen vervolgens nog invloed hebben op het aantal parkeerplaatsen dat door een initiatiefnemer moet worden gerealiseerd.

Dubbelgebruik

Als er binnen een ontwikkelplan verschillende functies worden voorzien, dan is dubbelgebruik van parkeerplaatsen in bepaalde situaties mogelijk. Bij dubbelgebruik is het benodigde aantal parkeerplaatsen voor alle functies samen lager dan de parkeerbehoefte van de verschillende functies bij elkaar opgeteld. De gebruikers (parkeerders) van de verschillende functies benutten de parkeercapaciteit in dat geval op verschillende momenten. Zo maakt kantoorpersoneel hoofdzakelijk overdag op werkdagen gebruik van parkeerplaatsen, terwijl bewoners met name in de avond en de nacht gebruik maken van parkeerplaatsen. De vereiste parkeerbehoefte kan worden gevonden door het ‘maatgevend tijdstip’ te bepalen aan de hand van aanwezigheidspercentages. Deze aanwezigheidspercentages geven per functie voor verschillende momenten in de week een correctie op de benodigde parkeerbehoefte voor die functie. De aanwezigheidspercentages die hierbij worden gehanteerd zijn weergegeven in bijlage 2. Het maatgevend tijdstip is het moment in de week waarop de parkeerbehoefte van de verschillende functies samen het grootste is. Door rekening te houden met dubbelgebruik wordt voorkomen dat er te veel parkeerplaatsen worden aangelegd (zie rekenvoorbeeld). Dit zou immers tot onnodige kosten en onnodig ruimtegebruik leiden. Bij parkeerplaatsen die niet openbaar toegankelijk zijn (bv. parkeerplaatsen gekoppeld aan woningen) kan geen sprake zijn van dubbelgebruik.

Rekenvoorbeeld: dubbelgebruik

Een ontwikkeling voorziet in de realisatie van een gebouw met 10 appartementen (gestapelde woningen) met een bruto vloeroppervlakte van 80m2, en een huisartsenpraktijk met 6 behandelkamers op de begane grond. Voor de appartementen dienen [10*1,3pp] 13 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd en voor de huisartsenpraktijk [6*2,1pp] 12,6 parkeerplaatsen. Bij elkaar opgeteld komt de parkeerbehoefte daarmee op 25,6 parkeerplaatsen.

Er is echter dubbelgebruik van parkeerplaatsen mogelijk bij deze combinatie van functies. Aan de hand van de aanwezigheidspercentages blijkt dat het maatgevend tijdstip de werkdagochtend is. Op dat tijdstip is de gezamenlijke parkeerbehoefte van de functies het grootste, namelijk ‘slechts’ 15,1 parkeerplaatsen.

Parkeerbehoefte oude of bestaande functie

In bepaalde gevallen dient bij het vaststellen van de parkeerbehoefte van een ontwikkeling rekening te worden gehouden met de parkeerbehoefte die de oude (of bestaande) functie genereerde. Het kan immers zijn dat een deel van die parkeerbehoefte werd (of wordt) afgewikkeld op openbare parkeerruimte. Deze parkeerbehoefte kan eventueel in mindering worden gebracht op het aantal parkeerplaatsen dat ten behoeve van het bouwplan binnen het plangebied moet worden gerealiseerd.

Het college bepaalt hoeveel openbare parkeerplaatsen redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de oude (of bestaande) functie. Hiertoe wordt in eerste instantie gekeken naar de ruimtelijke situatie in de directe omgeving van de ontwikkellocatie. Met andere woorden hoeveel openbare parkeerplaatsen worden naar verwachting gebruikt ten behoeve van de oude (of bestaande) functie. Hierbij wordt rekening gehouden met de acceptabele loopafstand (zie loopafstanden op pagina 9) en de tijd die is verstreken sinds de oude functie daadwerkelijk een parkeerbehoefte genereerde (in het geval een ontwikkellocatie al jaren braak ligt of niet meer in gebruik is kan het college besluiten dat er geen aftrek van de parkeerbehoefte mogelijk is). Indien de ruimtelijke situatie onvoldoende duidelijkheid biedt worden de huidige parkeernormen als uitgangspunt gehanteerd. Tot slot wordt rekening gehouden met een eventueel verschil in maatgevend tijdstip tussen de oude (of bestaande) en nieuwe functie. Bij een functiewisseling van dagonderwijs naar wonen zal bijvoorbeeld geen aftrek van de parkeerbehoefte mogelijk zijn, omdat de maatgevende tijdstippen compleet verschillen.

Bij meer omvangrijke ontwikkelingen speelt de parkeerbehoefte van de oude (of bestaande) functie overigens vaak geen rol, omdat de openbare ruimte vaak onderdeel uitmaakt van het plangebied.

Zoals gezegd verwoordt de parkeerbehoefte de vraag naar parkeerplaatsen die een ontwikkeling naar verwachting genereert. Indien een initiatiefnemer kan onderbouwen dat een andere parkeerbehoefte meer in de lijn der verwachting ligt, behoudt het college zich het recht voor om hier al dan niet (gedeeltelijk) mee in te stemmen.

Bij sloop-nieuwbouw van sociale huurwoningen dient alleen voor de te realiseren extra wooneenheden (ten opzichte van het oude aantal) te worden voldaan aan de vigerende parkeernormen (zoals omschreven in bijlage 1). Dit betekent dat indien dezelfde hoeveelheid sociale huurwoningen wordt gebouwd als gesloopt geen extra parkeerplaatsen hoeven te worden gerealiseerd.

3.2.Vaststellen parkeercapaciteit

Na het vaststellen van de parkeerbehoefte is bekend hoeveel parkeerplaatsen er binnen het plangebied moeten worden gerealiseerd. Volgende stap is het vaststellen van de parkeercapaciteit die door de initiatiefnemer binnen het plangebied van de ontwikkeling is voorzien. Hierbij gaat het niet alleen om het simpelweg tellen van het aantal parkeerplaatsen. Om ervoor te zorgen dat de parkeersituatie na realisatie optimaal functioneert is namelijk niet alleen de kwantiteit, maar ook de kwaliteit van de parkeerplaatsen van groot belang. Daarom zijn de onderstaande eisen en regels van toepassing.

Maatvoering

Parkeervakken en parkeerterreinen die te krap bemeten zijn worden slecht gebruikt of helemaal niet gebruikt. De parkeervoorzieningen in een ontwikkelplan moeten dan ook voldoen aan de richtlijnen die hiervoor worden gegeven door het CROW en de NEN (Nederland Normalisatie-instituut). Indien een parkeervak (of het ontsluitende weggedeelte daarvan) niet voldoet aan deze richtlijnen wordt het vak niet meegeteld bij het bepalen van de parkeercapaciteit.

Loopafstanden

In de inleiding is al aangehaald dat iedere automobilist zijn of haar auto graag zo dicht mogelijk bij de bestemming parkeert. Nu is direct voor de deur natuurlijk niet altijd mogelijk, maar de loopafstanden tussen de parkeerplaatsen en de (hoofd)entree van de functie waarvoor ze bedoeld zijn moeten wel acceptabel zijn. In bijlage 3 zijn voor enkele functies indicaties gegeven voor deze acceptabele loopafstand. Indien de loopafstand tussen een parkeervak en de functie waarvoor deze bedoeld is naar het oordeel van het college te groot is, wordt het vak niet meegeteld bij het bepalen van de parkeercapaciteit.

Carports/opritten

In de praktijk blijkt dat de theoretische parkeercapaciteit op eigen terrein bij woningen vaak niet volledig wordt benut. Zo zijn garages regelmatig in gebruik als schuur of stallingsruimte. Ook worden langere opritten meestal maar gebruikt voor één auto om klemzetten van een andere auto te voorkomen. Om die reden wordt de theoretische capaciteit gecorrigeerd naar een praktische capaciteit zoals opgenomen in bijlage 4. De praktische capaciteit wordt meegeteld bij het bepalen van de parkeercapaciteit.

Openbaarheid

Een parkeerplaats wordt optimaal gebruikt als deze openbaar toegankelijk is voor alle parkeerders (zie dubbelgebruik op pagina 7). Met name bij woningbouw is het echter gebruikelijk om parkeerplaatsen te koppelen aan de woningen (bv. carports of garages). Daarom geldt de eis dat minimaal het bezoekersdeel van het parkeren (zie bijlage 1) openbaar toegankelijk is en kan worden gebruikt door alle parkeerders.

3.3.Beoordeling aanvraag omgevingsvergunning

Op het moment dat zowel de parkeerbehoefte als de parkeercapaciteit van een ontwikkelplan zijn vastgesteld kan de omgevingsvergunningaanvraag worden beoordeeld. Hierbij geldt de eis dat de parkeerbehoefte binnen het plangebied wordt opgelost. Bij kleine ontwikkelingen kan het plangebied zich beperken tot het eigen terrein, maar bij grote ontwikkelingen (bijvoorbeeld de nieuwbouw van meerdere woningblokken) kunnen ook delen van de openbare ruimte binnen het plangebied vallen. De grenzen van het plangebied worden door het college bepaald.

In het geval de parkeercapaciteit (aanbod) voldoet aan de parkeerbehoefte (vraag) betekent dit dat de parkeerbalans sluitend is en het ontwikkelplan wat betreft parkeren akkoord wordt bevonden. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat de parkeercapaciteit niet toereikend is om in de parkeerbehoefte te voorzien. Dit betekent dat de parkeerbalans niet sluitend is. Het ontwikkelplan wordt wat betreft parkeren niet akkoord bevonden. In dit geval heeft de initiatiefnemer de mogelijkheid om het ontwikkelplan aan te passen.

Aanpassing plan

Als blijkt dat het aantal parkeerplaatsen dat binnen het plangebied wordt gerealiseerd lager is dan de parkeerbehoefte kan de initiatiefnemer zijn ontwikkelplan aanpassen. Mogelijk kan het aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied worden vergroot (waarbij de richtlijnen ten aanzien van de maatvoering van de parkeervakken natuurlijk in acht moeten worden genomen). De initiatiefnemer kan ook besluiten om de parkeerbehoefte zodanig te verkleinen dat de voorziene parkeercapaciteit wel volstaat. Bijvoorbeeld door het aantal woningen of het aantal m2 bvo kantoorruimte in het ontwikkelplan te verkleinen.

Daarnaast kan de mogelijkheid worden onderzocht om, met toestemming van het college en op kosten van de initiatiefnemer, parkeercapaciteit in de omliggende openbare ruimte toe te voegen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de acceptabele loopafstand.

Indien aanpassing van het ontwikkelplan niet mogelijk of niet wenselijk is, betekent dit dat de parkeerbalans nog altijd niet sluitend is. Het ontwikkelplan zal wat betreft parkeren dan ook niet akkoord worden bevonden, tenzij het college besluit om ontheffing te verlenen van de verplichting om voldoende parkeergelegenheid te realiseren.

Ontheffing

Indien een ontwikkelplan (ook na een eventuele aanpassingen) geen sluitende parkeerbalans heeft, wordt deze wat betreft parkeren niet akkoord bevonden. In de bouwverordening is immers gesteld dat een ontwikkelplan in voldoende parkeergelegenheid moet voorzien (zie juridische grondslag op pagina 4). In bepaalde gevallen heeft het college echter de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen. De gronden waarop een ontheffing kan worden verleend zijn vastgelegd in artikel 2.5.30 lid 4 van de bouwverordening (zie kader). Het is evenwel belangrijk te beseffen dat het verlenen van een ontheffing het risico met zich meebrengt dat na realisatie parkeeroverlast ontstaat in de directe omgeving van de ontwikkeling.

Bouwverordening artikel 2.5.30, lid 4

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het bepaalde in het eerste en het derde lid:

1a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

2b. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien

Ontheffing in geval vanbeschikbare openbare parkeercapaciteit

Als de parkeerbalans van een ontwikkelplan een tekort van minder dan 5 parkeerplaatsen heeft kan het college ontheffing verlenen. Voorwaarde is hierbij wel dat de parkeerdruk in de directe omgeving van de ontwikkeling op het maatgevend tijdstip (het moment in de week waarop de ontwikkeling de grootste parkeerbehoefte genereert) na realisatie van de ontwikkeling niet hoger is dan 100%. De directe omgeving wordt bepaald aan de hand van de indicatieve loopafstand (zie loopafstanden op pagina 9). De parkeerdruk wordt door de gemeente bepaald op basis van resultaten van periodiek parkeeronderzoek dat het college laat uitvoeren naar de parkeerdruk.

Met deze mogelijkheid tot ontheffing wordt het mogelijk om (kleinschalige) ontwikkelingen op een beperkt kavel en/of in een dichtbebouwde omgeving toe te staan. In dergelijke situaties komt het namelijk regelmatig voor dat het praktisch onmogelijk is om de verplichte (aanvullende) parkeerbehoefte te realiseren. Bijvoorbeeld de ontwikkeling van een winkelpand naar een woongebouw met een klein aantal appartementen of het oprichten van een kinderopvang aan huis.

Rekenvoorbeeld: ontheffing op basis van beschikbare openbare parkeercapaciteit

Een ontwikkeling voorziet in de omzetting van een oud bedrijfspand naar een woongebouw met 3 appartementen (gestapelde woningen) met een bruto vloeroppervlakte van 80m2. Voor de appartementen dienen [3*1,3pp] 3,9 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. Het blijkt absoluut niet mogelijk om parkeercapaciteit binnen het plangebied te realiseren. Er is ook geen aftrek van het te realiseren aantal parkeerplaatsen mogelijk, omdat het bedrijfspand een ander maatgevend tijdstip kent dan de appartementen en bovendien al 10 jaar niet meer in gebruik is. In de directe omgeving blijken op het maatgevend tijdstip 13 van de 20 parkeerplaatsen bezet (een parkeerdruk van 65%). De theoretische parkeerdruk na realisatie van de ontwikkeling is 85% (16,9 bezet van de 20).

De gemeente heeft in dit geval de mogelijkheid om een ontheffing te verlenen. Het tekort op de parkeerbalans is immers kleiner dan 5 parkeerplaatsen én de parkeerdruk na realisatie van de appartementen is lager dan 100%.

Ontheffing wegens zwaarwegend maatschappelijk belang

Als er geen openbare parkeercapaciteit beschikbaar is en/of de parkeerbalans van een ontwikkeling een tekort van 5 of meer parkeerplaatsen heeft, is het verlenen van ontheffing door het college alleen mogelijk indien de ontwikkeling een zwaarwegend maatschappelijk belang vertegenwoordigt. Afhankelijk van de specifieke situatie kan dit zwaarwegend maatschappelijk belang bij de ontwikkeling van iedere functie een rol spelen. De mogelijke parkeeroverlast die in de directe omgeving kan ontstaan door het tekort aan parkeerplaatsen is in een dergelijk geval ondergeschikt aan de meerwaarde die realisatie van de ontwikkeling voor de samenleving vertegenwoordigt. Het verlenen van ontheffing op deze grond dient vanuit andere beleidsvelden zorgvuldig onderbouwd te worden om precedentwerking te voorkomen.

Mocht de ontwikkeling (ook na een eventuele aanpassing) niet voldoen aan de gestelde parkeerbehoefte en er is geen reden om ontheffing te verlenen, dan volgt een negatief advies voor wat betreft parkeren. Er wordt geen omgevingsvergunning verleend.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.