Aanhef
Inleiding 4
Hoofdstuk 1 Uitgangspunten 5
1.1 Situatie cliënt 5
1.2 Uitgangspunten bij het toekennen van een voorziening 7
Hoofdstuk 2 Toegangsprocedure 10
2.1 Melding 10
2.2 Spoedeisende hulp 10
2.3 Persoonlijk plan 11
2.4 Cliëntondersteuning 11
2.5 Het onderzoek en het gesprek 11
2.6 De aanvraag en het besluit 13
Hoofdstuk 3 Verstrekkingsvormen 14
3.1 Zorg in natura 14
3.2 Persoonsgebonden budget 14
Hoofdstuk 4 Huishoudelijke ondersteuning 19
4.1 Algemeen afwegingskader huishoudelijke ondersteuning 19
4.2 Huishoudelijke ondersteuning als algemene voorziening 20
4.3 Huishoudelijke ondersteuning als maatwerkvoorziening 22
4.4 Huishoudelijke ondersteuning met begeleiding als maatwerkvoorziening 22
4.5 In bijzondere situaties: zorg voor kinderen die tot het gezin behoren 23
4.6 Overgangsbepalingen 23
Hoofdstuk 5 Woonvoorzieningen 25
5.1 Afwegingskader 25
Hoofdstuk 6 Mobiliteitshulpmiddelen 28
6.1 Rolstoelen (in en om de woning) 28
6.2 Lokaal vervoer (binnen 25 km rondom woning) 28
6.3 Bovenregionaal vervoer (buiten 25 km rondom woning) en autoaanpassingen 31
Hoofdstuk 7 Sportvoorzieningen 32
7.1 Wijze van verstrekking 32
7.2 Algemeen gebruikelijke kosten 32
7.3 Hoogte pgb sportvoorzieningen 33
Hoofdstuk 8 Begeleiding 34
8.1 Dagbesteding 34
8.2 Ambulante begeleiding 36
Hoofdstuk 9 Kortdurend verblijf 39
9.1 Omvang kortdurend verblijf 39
Hoofdstuk 10 Wonen en zorg 40
10.1 Algemene voorzieningen 40
10.2 Maatwerkvoorzieningen 41
10.3 Uitstroom 48
10.4 Eenzijdige zorgbeëindiging vanuit de opvang en het beschermd wonen 48
Hoofdstuk 11 Toezicht en handhaving 51
Hoofdstuk 12 Slotbepalingen 53
Hoofdstuk 1 Uitgangspunten
1.1 Situatie cliënt
1.1.1 Beperking
De beperking van de inwoner dient objectiveerbaar te zijn. Dit betekent dat het mogelijk moet zijn om objectief vast te stellen dat iemand beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en/of participatie. Het is hiervoor niet altijd nodig om een medische diagnose te hebben; het gaat om de beperkingen, niet om de oorzaak ervan. Bijvoorbeeld het gegeven dat men oud is, is op zichzelf geen indicatie voor voorzieningen in het kader van de Wmo. Wel kunnen belemmeringen, die het gevolg zijn van slijtageprocessen, die onlosmakelijk verbonden zijn met het ouder worden, aanleiding zijn een maatwerkvoorziening te bieden.
1.1.2 Eigen kracht
De eigen kracht van de cliënt heeft betrekking op de mogelijkheden van de cliënt om zelf bij te dragen aan zijn zelfredzaamheid en participatie. De Wmo is uitsluitend bedoeld om mogelijkheden te bieden door middel van voorzieningen als het niet in iemands eigen vermogen ligt het probleem op te lossen. Deze eigen verantwoordelijkheid komt tijdens het gesprek aan de orde.
Voorbeeld
Uit het gesprek kan naar voren komen dat cliënt niet meer in staat is om zware taken in het huishouden te verrichten, maar dat de lichte taken nog wel zelfstandig uitgevoerd kunnen worden. Het zelfstandig kunnen uitvoeren van de lichte taken valt dan onder de eigen kracht en hiermee dient rekening gehouden te worden in de besluitvorming omtrent het eventueel verstrekken van een Wmo-voorziening.
1.1.2.1 Gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp valt onder de eigen kracht en is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van een huisgenoot, zoals de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (personen die deel uitmaken van de leefeenheid van cliënt). In alle gevallen geldt dat de personen in staat moeten zijn om ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie te bieden.
Gebruikelijke hulp wordt dus alleen verwacht als een persoon inwoont bij de cliënt. Of sprake is van inwoning wordt naar de concrete feitelijke situatie beoordeeld. Daarbij staat inwonend tegenover het hebben van een volledig eigen en zelfstandige huishouding, waarbij er geen zaken zoals huisnummer, kosten nutsvoorzieningen, voordeur en dergelijke door elkaar lopen.
We spreken van gebruikelijke hulp bij begeleiding door een volwassen huisgenoot:
•In kortdurende situaties (maximaal 3 maanden): als uitzicht op herstel (van de zelfredzaamheid) dusdanig is dat begeleiding daarna niet meer nodig zal zijn.
•In langdurige situaties;
-Bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie/vrienden, huisarts, enzovoort.
-Het geven van begeleiding op het terrein van de maatschappelijke participatie.
-Hulp bij overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden behoren zoals de administratie.
We spreken van gebruikelijke hulp bij het huishouden:
Bij gebruikelijke hulp wordt gekeken naar de leeftijd van de huisgenoot en de gezondheidssituatie. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij op huishoudelijk gebied hun bijdragen leveren. Bijvoorbeeld door het schoon houden van de eigen kamer en/of door het verrichten van hand- en spandiensten als het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, enzovoort. Van personen van 18 tot en met 23 jaar wordt verwacht dat zij een éénpersoonshuishouden kunnen voeren. Vanaf 23 jaar wordt er verwacht dat iemand een volledig huishouden kan voeren naast een volledige baan. Bijvoorbeeld van inwonende kinderen boven de 23 wordt verwacht dat ze huishoudelijke ondersteuning als gebruikelijke hulp verlenen; ook naast een studie, een bijbaan en sociale verplichtingen.
Alleen bij structurele daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten per week zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden.
Gebruikelijke hulp is uitgewerkt in de bijlage Protocol gebruikelijke hulp Gemeente Velsen bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Velsen 2025.
1.1.3 Sociaal netwerk
Indien de cliënt niet in staat is op eigen kracht een oplossing te realiseren wordt gekeken naar de mogelijkheden van zijn sociaal netwerk om te ondersteunen.
Het sociaal netwerk van een cliënt bestaat uit ‘de personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie een cliënt een sociale relatie onderhoudt’ (artikel 1.1.1 Wmo 2015).
Familieleden, huisgenoten, (voormalig) echtgenoot zijn voorbeelden van personen uit de huiselijke kring. Voorbeelden van andere personen waar de cliënt regelmatig contact kan hebben zijn buren, vrienden en medeleden van een vereniging.
1.1.3.1 Mantelzorgers en vrijwilligers
Mantelzorgers en vrijwilligers kunnen mogelijk ondersteunen bij de hulpvraag van de cliënt. Deze hulp is echter niet afdwingbaar. Een mantelzorger biedt ondersteuning aan een cliënt vanwege een bestaande sociale relatie tussen de twee. Het verschil met gebruikelijke hulp is dat een mantelzorger niet met de cliënt in een huis hoeft te wonen. Een vrijwilliger biedt ook ondersteuning, maar niet per se op basis van een bestaande sociale relatie. Het is belangrijk om rekening te houden met de belangen van de mantelzorger en diens dreigende overbelasting. In paragraaf 2.5 wordt aandacht besteed aan de wijze waarop de gemeente tijdens het onderzoek aandacht heeft voor de mantelzorger.
1.1.4 Algemene voorzieningen
Als een cliënt via zijn sociaal netwerk geen uitkomst kan vinden, wordt er gekeken naar algemene voorzieningen. Algemene voorzieningen zijn diensten of activiteiten die toegankelijk zijn voor alle inwoners.
Indien iemand gebruik kan maken van een algemene voorziening om deels, of volledig te voorzien in zijn ondersteuningsbehoeften wordt dit van de cliënt verlangd en gaat dit voor op een maatwerkvoorziening. Indien noodzakelijk kan aanvullend een maatwerkvoorziening worden verstrekt.
1.2 Uitgangspunten bij het toekennen van een voorziening
1.2.1 Goedkoopst adequaat
In beginsel betekent goedkoopst adequaat dat de voorziening passend moet zijn. Uit de alternatieven die als adequaat worden bestempeld, kan de gemeente de goedkoopste oplossing kiezen. Het begrip goedkoopst adequaat laat ruimte voor een afweging van de specifieke omstandig¬heden van de aanvrager. Uiteindelijk bepaalt immers de situatie van de aanvrager, zoals beoordeeld door de gemeente, wat in zijn omstandigheden passend is. Uitgangspunt is, dat van de mogelijke adequaatste oplossingen, de goedkoopste oplossing wordt gekozen.
Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten wordt bepaald. Zo kan mogelijk een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaan en dus uiteindelijk goedkoper zijn. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, mag het duidelijk zijn dat bij een verantwoord niveau dient te worden aangesloten. Het is mogelijk een ondersteunende voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen.
1.2.2 Langdurig noodzakelijk
Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat in beginsel wordt uitgegaan van een periode langer dan zes maanden dat de beperking aanhoudt. De staat van de medische toestand is op het moment van aanvraag onomkeerbaar en de cliënt is daardoor voor langere tijd aangewezen op de betreffende maatwerkvoorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkt is, dus korter dan zes maanden, niet voor een voorziening in aanmerking komt. De cliënt kan in dit geval een beroep doen op de thuiszorgwinkel voor maximaal zes maanden.
Soms komt het voor dat een cliënt als gevolg van een ernstig ongeval een lange revalidatie doormaakt maar uiteindelijk toch weer (nagenoeg) geheel zal herstellen. Als de herstelperiode bijvoorbeeld twee jaar zou zijn, dan moet het college toch een voorziening treffen.
In afwijking op het gestelde kunnen hulp bij het huishouden, ambulante begeleiding en dagbesteding wel voor een korte duur worden geïndiceerd. De minimale indicatietermijn is zes weken.
Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Bij een wisselend beeld, waarbij verbeteringen en situaties van terugval elkaar opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is.
1.2.3 Algemeen gebruikelijk
Het college dient voor iedere specifieke aanvrager te beoordelen of een voorziening algemeen gebruikelijk is. Uit de jurisprudentie volgt dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze:
-niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;
-daadwerkelijk beschikbaar is;
-een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is; en
-financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.
Toelichting op het laatste criterium: Het college moet toetsen of de voorziening financieel gedragen kan worden door iemand met een minimuminkomen, ongeacht of de betreffende cliënt zelf een minimuminkomen heeft.
De vraag of een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau moet volgens de CRvB zo worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten.
Om te weten of de voorziening financieel gedragen kan worden door iemand op bijstandsniveau, moeten we een bedrag berekenen. Hiervoor sluiten we aan bij de rekensom uit de uitspraak van de rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2021:2084): Als iemand op basis van 5% van de bijstandsnorm die voor de cliënt geldt de voorziening binnen 36 maanden kan terugbetalen, is de voorziening financieel te dragen. Dus: 5% x van toepassing zijnde bijstandsnorm x 36 maanden = het bedrag waarmee we de kosten van de voorziening vergelijken.
Het college kijkt dus niet óf de cliënt het binnen 36 maanden kan terugbetalen. Het kijkt alleen naar het bedrag dat uit de rekensom komt.
Het college mag ook rekening houden met beschikbare tweedehands voorzieningen.
Om te beoordelen of iets voor een cliënt algemeen gebruikelijk is dient een onderzoek uitgevoerd te worden. In de praktijk zijn een aantal voorbeelden te benoemen die in veel voorkomende gevallen als algemeen gebruikelijk kunnen worden gedefinieerd. Let op, per situatie moet gemotiveerd worden of iets algemeen gebruikelijk is.
De aanwezigheid van een centrale verwarming of een tweede trapleuning kan doorgaans als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Algemeen gebruikelijke voorzieningen worden niet vanuit de Wmo verstrekt. Indien er sprake is van het aanbrengen van een verwarming zien we dit in beginsel als het aanpassen van de woning aan de eisen van de tijd, hetgeen buiten de Wmo valt.
Op vervoersgebied kan men als voorbeeld van algemeen gebruikelijke voorzieningen noemen: een fiets met lage instap. Op het gebied van de woningaanpassingen kan worden gedacht aan: thermostaatkranen, éénhendelmengkranen, verhoogd toilet en douche- en toiletbeugels.
1.2.4 Samenhang met andere wet- of regelgeving
Indien een inwoner aanspraak heeft op een voorziening op basis van andere wet- of regelgeving (bijv. de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw)), dan wordt van die inwoner verwacht dat hij daar gebruik van maakt. Door gebruik te maken van de aanspraak op de andere wet- of regelgeving, lost de inwoner op eigen kracht zijn probleem op. Wel moet worden onderzocht of die voorziening voldoende compenserend is. Als dat het geval is, dan is dat een afwijzingsgrond om niet vanuit de Wmo een voorziening te verstrekken. Mocht de voorziening uit andere wet- of regelgeving niet volledig compenseren, dan kan alsnog aanvullende ondersteuning vanuit de Wmo worden toegekend.
Voorbeelden van samenhang tussen Wmo en andere wetgeving zijn:
-Arbeidsvoorzieningen op grond van Ziektewet (ZW), WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen), Wajong, Wet Sociale Voorziening (Wsw) en Participatiewet (Pw): het uitgangspunt is dat als aangepast werk of speciaal onderwijs op grond van genoemde regelingen niet mogelijk is dat dan dagbesteding vanuit de Wmo kan worden overwogen.
-Wlz of Zvw voor behandeling: alvorens begeleiding te verstrekken is het van belang dat wordt onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn. De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Dit kan enkel worden bepaald door een medisch adviseur. Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/ stoornis/beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek. Begeleiding en behandeling kunnen ook tegelijkertijd worden ingezet. Begeleiding kan dan worden ingezet om de tijdens de behandeling geleerde vaardigheden te oefenen. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden.
-Wlz: indien er permanent toezicht nodig is of 24-uurszorg in de nabijheid noodzakelijk wordt geacht, komt cliënt in aanmerking voor Wlz. Zodra de cliënt een Wlz-indicatie toegekend heeft is dit altijd voorliggend op de Zvw en Wmo. Er is dan geen indicatie hulp bij het huishouden en begeleiding/dagbesteding uit de Wmo mogelijk. Let op: een eventuele tijdelijke overbrugging is wel mogelijk. Voor begeleiding/dagbesteding en hulp bij het huishouden kan ter overbrugging een indicatie voor zes maanden worden toegekend. Dit zodat de cliënt in de gelegenheid wordt gesteld de ondersteuning aan te vragen bij de Wlz.
-Passend onderwijs: op basis van de wet passend onderwijs zijn scholen er voor verantwoordelijk alle leerlingen (dus ook leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben op het gebied van leren, gedrag of fysieke mogelijkheden) een passende onderwijsplek en ondersteuning te bieden. Soms is het nodig om daarnaast begeleiding vanuit de Jeugdwet of Wmo te indiceren.
Hoofdstuk 3 Verstrekkingsvormen
3.2 Persoonsgebonden budget
3.2.1 Beoordelingscriteria pgb
De beoordelingscriteria voor een pgb zijn:
•Is de cliënt zelf, of samen met zijn sociaal netwerk, in staat de eigen situatie te overzien en zelf de benodigde hulp te kiezen, te regelen en te sturen? Dit wordt vooraf beoordeeld door het college. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de handreiking 10 punten PGB vaardigheid opgesteld door het ministerie van VWS.
•Is de cliënt goed op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een pgb en kan hij hiermee omgaan? De besteding van het pgb dient verantwoord te worden. Is de cliënt in staat de opdrachtgeverstaak op zich te nemen, zoals een aanbieder uit te zoeken, sollicitatiegesprekken te voeren, contracten af te sluiten, facturen af te handelen, de kwaliteit te bewaken evenals de voortgang van de hulpverlening?
•Bij aanvragers met een zeer progressief ziektebeeld staat het vaak bij voorbaat al vast dat de voorziening binnen korte tijd vervangen of aangepast moet worden. Bij het verstrekken van voorzieningen in natura kan beter op de wisselende ondersteuningsbehoefte worden ingespeeld. Om deze reden heeft de gemeente de voorkeur voor verstrekking van de voorziening in natura.
•Bij kinderen is er bijna altijd sprake van voorzieningen die niet voor een langere periode kunnen worden ingezet. Het verstrekken van een persoonsgebonden budget zou de gemeente dan ook op onnodige kosten kunnen jagen.
3.2.2 Kwaliteit van de dienstverlening
In alle gevallen zijn de volgende kwaliteitseisen van toepassing:
•Het budgetplan moet zijn afgestemd op het gespreksverslag en moet leiden tot de daarin afgesproken resultaten.
•De zorgverlener stelt vóór het bieden van de ondersteuning een plan van aanpak op hoe de doelen en resultaten gehaald gaan worden en stelt dit plan periodiek bij met een evaluatie en eventueel nieuwe aanpak.
•Het college kan de voortgang en de mate waarin de resultaten worden bereikt periodiek toetsen.
•In het zorgplan is rekening gehouden met de eigen kracht, mantelzorgers, familieleden en andere informele ondersteuners van de cliënt en bevordert deze zoveel mogelijk.
•De zorgverlener zal waar mogelijk zorgdragen voor het realiseren van afschaling zodra dit verantwoord is. Met afschaling wordt bedoeld: een overgang naar een lichtere vorm van ondersteuning. Dit kan ook een voorliggende (algemene) voorziening zijn.
•Degene die ondersteuning verleent, neemt bij diens werkzaamheden de zorg voor een goede hulpverlening in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard en beroepscode.
•De zorgverlener draagt er zorg voor dat de cliënt ondersteuning ontvangt van zoveel mogelijk dezelfde medewerker en zoveel mogelijk op hetzelfde tijdstip behoudens ziekte of verlof van de betreffende medewerker.
•De zorgverlener heeft kennis (of ervaring) met betrekking tot de omgang met specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld mensen met een lichamelijke beperking, verstandelijke beperking, psychisch (sociale) problematiek, allochtone cliënten).
•Zorgverleners moeten op verzoek een VOG kunnen overleggen. De VOG mag niet ouder zijn dan 3 maanden.
•Om te beoordelen of iemand de gewenste kwaliteit kan leveren kan informatie worden opgevraagd inzake opleiding/registratie.
3.2.3 Aanvullende regels pgb diensten (hulp bij huishouden of begeleiding)
Indien een pgb wordt verstrekt voor het verwerven van hulp bij het huishouden of begeleiding, dan dient aan de volgende aanvullende voorwaarden te worden voldaan:
•De hulp of begeleiding wordt ingezet ten behoeve van het hoofdverblijf van de aanvrager, in de gemeente Velsen;
•Het budget wordt uitsluitend gebruikt voor betaling van de huishoudelijke hulp of begeleiding (welke in Nederland geleverd wordt);
•Doorbetaling van het budget in het buitenland is alleen mogelijk voor individuele begeleiding nadat het college onderzoek heeft gedaan en akkoord heeft gegeven voor doorbetaling van het pgb. De melding voor het onderzoek van de doorbetaling in het buitenland, dient minimaal 6 weken van tevoren gedaan te worden bij het college.
•De aanvrager sluit een schriftelijke overeenkomst, de zogenaamde zorgovereenkomst (deze wordt verstrekt via de SVB) met de zorgverlener of de zorgverlenende instantie;
•De SVB controleert de ontvangen zorgovereenkomst arbeidsrechtelijk en dient de zorgovereenkomst goed te keuren;
•De budgethouder spreekt met de zorgverlener af dat de uitbetaling plaatsvindt op basis van goedgekeurde declaraties;
•De aanvrager dient de declaraties van de zorgverlener minimaal 1 jaar na afloop van het kalenderjaar, waarin het pgb is verstrekt, te bewaren in verband met de steekproefsgewijze controle door de gemeente;
•Het pgb hoeft niet besteed te worden conform het aantal geïndiceerde uren en het vastgestelde tarief. Het is toegestaan om minder uren tegen een hoger tarief in te kopen, mits de kwaliteit goed is en hetzelfde resultaat kan worden behaald.
Uitbetaling van het pgb bij diensten
In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat gemeenten pgb’s uitbetalen via tussenkomst van de SVB, het zogenaamde trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het pgb niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op rekening van het servicecentrum pgb van de SVB. De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. De niet bestede pgb bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente.
Aanvullende regels PGB beheer
•De informele zorgverlener mag niet ook de pgb-vertegenwoordiger van de cliënt zijn.
•De zorgverlener mag geen onderdeel uit maken van hetzelfde huishouden als de pgb-vertegenwoordiger.
•Bij bijzondere omstandigheden kan de gemeente een uitzondering op de vorige twee regels maken.
3.2.4 Pgb informele en professionele zorgverlener
Informele zorgverlener
Een pgb kan worden ingezet voor hulp door een informele zorgverlener. Belangrijk bij de beoordeling van pgb door een informele zorgverlener is of de hulp passend en toereikend is.
Een pgb voor de inzet van hulp door een informele zorgverlener moet leiden tot minstens even goede en effectieve ondersteuning als de inzet van ondersteuning door een professional. Er mag geen belangenverstrengeling zijn.
Is de informele zorgverlener ook werkzaam als professionele hulpverlener dan is de sociale relatie hierin leidend en valt de hulpverlener onder het tarief voor pgb informele zorgverlener. Zie hiervoor o.a. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 september 2021 ECLINL:CRVB:2021:2175.
Kwaliteit informele zorgverlener
•De informele zorgverlener heeft de in relatie tot de behoeften, persoonskenmerken en de ondersteuningsvraag van de cliënt de benodigde expertise en ervaring.
•De informele zorgverlener is voldoende op de hoogte van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van de ondersteuning verbonden zijn.
•De informele zorgverlener moet de cliënt ondersteunen op basis van een zorgplan. Dat zorgplan maakt de zorgverlener in overleg met de cliënt.
•Bij de informele zorgverlener is geen sprake van (dreigende) overbelasting.
•De informele zorgverlener moet in de directe omgeving van de cliënt zorg kunnen bieden. Dit moet uit het zorgplan blijken. De woonplaats van de zorgverlener mag de ondersteuning niet in de weg zitten.
•De zorgverlener moet op verzoek een VOG kunnen overleggen. De VOG mag niet ouder zijn dan 3 maanden.
Kwaliteit professionele zorgverlener
Om te beoordelen of iemand (niet behorend tot informele zorgverlener) als professionele hulpverlener aangemerkt kan worden, kan gekeken worden naar de volgende toetsingsgronden:
•Staat de zorgverlener ingeschreven in de KvK (mogelijke indicatie);
•Staat de zorgverlener ingeschreven in het AGB-register;
•Heeft de zorgverlener een vastgestelde klachten- en privacyregeling;
•Is de zorgverlener in het bezit van relevante diploma’s;
•Heeft de zorgverlener werkervaring in de zorg;
•Is uit de praktijk gebleken dat de zorgverlener de juiste zorg kan bieden.
Wanneer niet aangetoond kan worden dat er sprake is van een professionele zorgverlener, valt de zorgverlener onder het tarief voor informele zorgverlener.
Aanvullende opleidingscriteria professionele zorgverleners
Begeleiding:
-Trede 1 licht: Begeleiding individueel licht wordt uitgevoerd door een professional met minimaal Mbo3 werk- en denkniveau.
-Trede 2 middelzwaar: Begeleiding individueel middelzwaar wordt uitgevoerd door een professional met minimaal Mbo 4 werk- en denkniveau.
-Trede 3 zwaar: Begeleiding individueel zwaar wordt uitgevoerd door een professional met minimaal Mbo4 +/Hbo werk- en denkniveau.
Dagbesteding:
-Trede 1 licht: Dagbesteding licht wordt aangeboden in een groep waarbij de verhouding tussen begeleiding en Cliënten is: 1 professional op 7 Cliënten. De begeleiding wordt uitgevoerd door een professional van minimaal Mbo 3/4 werk- en denkniveau.
-Trede 2 middelzwaar: Dagbesteding middelzwaar wordt aangeboden in een groep waarbij de verhouding tussen begeleiding en cliënten is: 1 professioneel op 6 cliënten. De begeleiding wordt uitgevoerd door een professional van minimaal Mbo 4 werk- en denkniveau.
-Trede 3 zwaar: Dagbesteding zwaar wordt aangeboden in een groep waarbij de verhouding tussen begeleiding en Cliënten is: 1 professional op 4-5 Cliënten. De begeleiding wordt uitgevoerd door een professional van Mbo 4+/Hbo werk- en denkniveau.
3.2.5 Aanvullende regels pgb voorzieningen (rolstoel, vervoermiddel, woonvoorziening of een andere type hulpmiddel)
Indien een pgb wordt aangewend voor het verwerven van een rolstoel, vervoermiddel en/of roerende woonvoorziening of een ander type hulpmiddel, gelden de volgende voorwaarden:
•De voorziening wordt verworven conform het functionele eisenpakket, opgesteld door de Wmo-consulent, eventueel na offerteaanvraag door de gemeente. De eisen waaraan de voorziening moet voldoen staan in de beschikking vermeld;
•De cliënt is binnen de economische levensduur verantwoordelijk voor onderhoud, reparatie en verzekering;
•Na aanschaf van de voorziening dient de aanvrager een kopie van de factuur bij de gemeente in te leveren. Aan de hand van de factuur en eventueel een huisbezoek wordt gecontroleerd of de aangeschafte voorziening conform het eisenpakket is aangeschaft. Indien dit niet het geval is, zal de gemeente het pgb terugvorderen;
•Indien de kosten van de voorziening het pgb overschrijden zijn deze voor rekening van de aanvrager. Indien de kosten lager zijn dan het pgb dient het verschil door de aanvrager aan de gemeente te worden terugbetaald;
•De cliënt sluit bij een pgb voor elektrische/motorische voorzieningen een WA-verzekering af voor de looptijd van het pgb;
•De cliënt kan het pgb ook besteden aan een andere voorziening dan de voorziening die het college heeft geïndiceerd. Mits met die voorziening hetzelfde doel en resultaat wordt bereikt en de voorziening van goede kwaliteit is. Cliënt dient vooraf dan wel aan te geven wat hij wil aanschaffen. Hierdoor kan getoetst worden of inderdaad voldaan wordt aan de functionele eisen en hetzelfde resultaat wordt bereikt. Eventuele meerkosten komen voor rekening van de cliënt.
Voor het bepalen van de hoogte van het pgb voor een voorziening die in ons kernassortiment zit, wordt uitgegaan van de kosten vergelijkbaar met een ZIN verstrekking. Voor overige voorzieningen kan een offerte aan één of meerdere leveranciers worden gevraagd. In de offerte dienen de volgende gegevens te worden opgenomen:
•de categorie-indeling (bijv. handbewogen rolstoel, elektrische rolstoel);
•een lijst met specificaties waaraan het hulpmiddel dient te voldoen, inclusief eventueel benodigde aanpassingen;
•de prijsklasse, waarbinnen het hulpmiddel te koop is;
•de te verwachten economische levensduur van het hulpmiddel;
•de gemiddelde kosten van onderhoud, reparatie en verzekering (instandhoudingskosten);
•een lijst met 3 – 5 mogelijke merken/typen, die voldoen aan de specificaties.
Uitbetaling van het pgb bij voorzieningen
Het pgb voor voorzieningen (de aanschaf, onderhoud- en reparatiekosten en verzekering) wordt in één keer uitbetaald na inlevering van de offerte of voor een voorziening uit het kernassortiment zonder offerte, en na ondertekening van de overeenkomst pgb.
Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren:
1de nota/factuur van de aangeschafte voorziening en;
2een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening of
3een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen.
Hoofdstuk 4 Huishoudelijke ondersteuning
4.6 Overgangsbepalingen
4.6.1 Verhuizing
Op het moment dat cliënt, met een lopende indicatie voor huishoudelijke ondersteuning, binnen de gemeente Velsen verhuist, wordt onderzocht in hoeverre de indicatie op dit moment nog passend is. Cliënt behoudt zijn indicatie voor een maatwerkvoorziening zoals eerder is afgegeven, alleen de hoogte van de indicatie kan wijzigen aan de hand van de nieuwe woonsituatie. Na afloop van de indicatie zal beoordeeld worden of een algemene voorziening of maatwerkvoorziening passend is.
Verhuist een cliënt vanuit een andere gemeente naar Velsen toe en doet hij een beroep op huishoudelijke ondersteuning, dan wordt de situatie beoordeeld op basis van het normenkader. Er wordt een nieuwe indicatie afgegeven.
Hoofdstuk 5 Woonvoorzieningen
Een woonvoorziening kan een hulpmiddel zijn voor de woning, zoals een tillift. Of een vaste aanpassing, zoals een verbouwing van de keuken of een traplift. Een woonvoorziening vanuit de Wmo is voor mensen die door een beperking een probleem hebben in de woning en geen mogelijkheden om het zelf op te lossen.
Voor de beoordeling of een woonvoorziening verstrekt wordt, is het belangrijk dat de cliënt in staat is tot het normaal gebruik van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft (of zal hebben). Het gaat dan om de ruimtes waarop de cliënt is aangewezen voor het verrichten van elementaire woonfuncties. Dat zijn onder andere:
-wonen, douchen en slapen;
-het gebruik maken van de keuken;
-het verrichten van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals het doen van de was en het strijken en opbergen ervan;
-het aan- en uitkleden, wassen, verschonen en de verzorging van een baby die van cliënt afhankelijk is;
-de veiligheid in en rond de woning en de toegankelijkheid van de woning.
Hobby- en studeerruimtes behoren niet tot de elementaire woonfuncties. Dit geldt ook voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals een dialyseruimte en therapeutisch baden. Hiervoor wordt geen woonvoorziening verstrekt.
De criteria om in aanmerking te komen voor een woonvoorziening worden in de verordening in artikel 11 en 17 uiteengezet.
Hoofdstuk 6 Mobiliteitshulpmiddelen
6.1.1 Afwegingskader rolstoelen
1Allereerst beoordeelt het college wat de mogelijkheden van de cliënt zijn ten aanzien van verplaatsingen in en om de woning en verplaatsingen om te voorzien in primaire levensbehoeften.
2Daarna beoordeelt het college alle algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen die beschikbaar zijn en of en in welke mate deze een oplossing bieden. Zo is een transportrolstoel ter beschikking via een algemene voorziening als de thuiszorgwinkel of rolstoelpoel.
3Het college beoordeelt dan of alle uitsluitingsgronden zijn meegenomen. Denk aan de Wajong, WIA, Zvw en Wlz etc.
4Als er een noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks gebruik, kan via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld.
5Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.
6Aanpassingen en accessoires voor de rolstoel die niet noodzakelijk zijn worden in principe niet verstrekt.
7De kosten van onderhoud en verzekering vallen onder de verstrekking.
8Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die cliënt zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen.
9Er zal door het college rekening worden gehouden met de belangen van eventuele mantelzorgers. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verstrekt kan worden.
6.3 Bovenregionaal vervoer (buiten 25 km rondom woning) en autoaanpassingen
6.3.1 Autoaanpassingen
Autoaanpassingen zijn aanpassingen die het algemeen gebruikelijk karakter van de auto te boven gaan. Het betreft autoaanpassingen die functioneel noodzakelijk zijn voor mensen met een beperking.
Faciliteiten die veelal standaard in auto’s zijn ingebouwd kunnen ook door valide personen worden gebruikt. Deze faciliteiten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om een uitneembare hoedenplank, derde of vijfde deur, elektrisch bedienbare portierruiten, verstelbare lendesteunen van de bestuurdersstoel, neerklapbare achterbank, rembekrachtiging, een schakelautomaat, airconditioning, stuurbekrachtiging, cruise control, inparkeerfunctie, achteruitrij-camera, et cetera.
6.3.2 Afwegingskader autoaanpassingen
1Cliënt heeft aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of beperking die het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken hiervan onevenredig moeilijk maken; en
2Cliënt kan geen gebruik maken van het collectief vervoerssysteem, taxi of rolstoeltaxi, waardoor cliënt is aangewezen op het gebruik van de eigen auto; en
3De aanpassing is medisch noodzakelijk en niet algemeen gebruikelijk; en
4De auto wordt merendeel gebruikt voor het participeren. Wordt de auto voornamelijk gebruik voor vervoer van en naar werk dan kan er een aanpassing vanuit het UWV worden verstrekt.
Voor het vaststellen van de hoogte van de pgb wordt uitgegaan van de werkelijke kosten van de autoaanpassing.
Nadere voorwaarden aan het verlenen van aanpassing aan een eigen auto:
1De auto moet in goede staat verkeren en mag maximaal vijf jaar oud zijn; en
2Er moet een redelijke verhouding zijn tussen de kosten van de aanpassing en de redelijkerwijs te verwachten resterende levensduur van de auto. Indien de aanpassing tegen geringe kosten is te herplaatsen in een andere auto (bijvoorbeeld bij een aangepaste autostoel) kan deze voorwaarde vervallen. In die gevallen komt men de eerstvolgende zeven jaar na deze autoaanpassing alleen voor de kosten van herplaatsing van die voorziening in aanmerking.
Hoofdstuk 7 Sportvoorzieningen
7.3 Hoogte pgb sportvoorzieningen
7.3.1 Hoogte pgb sportrolstoel
Voor de sportrolstoel geldt een bedrag in pgb zoals opgenomen in artikel 12 van de nadere regels. Dit is voor aanschaf en onderhoud. De minimale levensduur is zeven jaar. Bij aantoonbaar noodzakelijke meerkosten kan een hoger budget toegekend worden, indien aanvullende financiering via Uniek Sporten niet mogelijk is.
Hoofdstuk 8 Begeleiding
8.1 Dagbesteding
8.1.1 Intensiteitstreden
Er zijn drie intensiteiten van dagbesteding: licht, middelzwaar en zwaar.
Dagbesteding licht
Dagbesteding licht is het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, het uitvoeren van regie en/of het ondersteunen bij praktische vaardigheden/handelingen dan wel arbeidsmatige werkzaamheden. Eventueel worden (tijdelijk) taken overgenomen die de cliënten zelf niet meer kan. Cliënten die in aanmerking komen voor deze dagbesteding hebben lichte beperkingen die geen intensief toezicht vereisen op het functioneren. Wanneer mogelijk richt de begeleiding zich op door- en uitstroom naar reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie.
Dagbesteding middelzwaar
Dagbesteding middelzwaar richt zich op behoud of versterking van de zelfredzaamheid. Er wordt geoefend met het aanbrengen van structuur en/of uitvoeren van handelingen/vaardigheden. Wanneer mogelijk richt de begeleiding zich op door- en uitstroom naar reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie.
Cliënten die in aanmerking komen voor deze dagbesteding zijn vanwege beperkingen (fysiek en/of mentaal) (nog) niet in staat om deel te nemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag of aan de lichte vorm van dagbesteding. Het gedrag van de cliënten is voorspelbaar en de risico’s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten. Er is in beperkte mate toezicht nodig op het functioneren van de cliënten.
Deze middelzware vorm van dagbesteding kan voor een deel van de cliënten een tussenfase zijn naar de zwaardere trede, terwijl voor andere cliënten deze middelzware vorm een tussenfase in afbouw naar de lichtste vorm van dagbesteding.
Dagbesteding zwaar
Dagbesteding zwaar is bedoeld voor de meest complexe situaties waarin sprake is van complexe problematiek/ziektebeelden. Te denken valt hierbij aan ernstige gedragsstoornissen, instabiele ziektebeelden en multi-probleemsituaties. De ondersteuningsvraag op basis van ziektebeeld en/of beperkingen is leidend voor de begeleiding. Doel is het voorkomen of vertragen van verergering van problematiek. Deze vorm van dagbesteding biedt voornamelijk dagopvang met dagprogramma voor dagstructurering en (intensieve) begeleiding en toezicht. Doel van de dagbesteding is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie en handhaving.
8.1.2 Dagbesteding jongvolwassenen
Voor jongvolwassenen van 18 tot en met 23 jaar, die niet vallen onder de reikwijdte van de (verlengde) Jeugdwet, is het mogelijk om dagbesteding van een jeugdhulpaanbieder in te zetten via de Wmo. Hierdoor kunnen jongvolwassenen die niet of niet langer onder de Jeugdwet vallen toch passende ondersteuning ontvangen.
Bij dagbesteding voor jongvolwassenen wordt de ontwikkeling van de jongvolwassene zodanig gestimuleerd dat hij zo zelfstandig mogelijk kan functioneren. De jongvolwassene wordt ondersteund door het aanbieden van een zinvolle dagbesteding. Deze bestaat uit een gestructureerd en gevarieerd dagprogramma waarbij de jongvolwassene gestimuleerd en begeleid wordt in zijn ontwikkeling. Ook voor dagbesteding voor jongvolwassenen geldt dat het groepsbegeleiding betreft dat programmatisch (vast dag- en/of weekprogramma) en methodisch (een methode voor werken met de doelgroep als basis) met een welomschreven doel is.
Het vraagt actieve betrokkenheid van de cliënt. Het gaat dus om structurele activiteiten onder professionele begeleiding en is nadrukkelijk iets anders dan algemene welzijnsactiviteiten.
We onderscheiden twee intensiteiten voor dagbesteding jongvolwassenen: A en B.
Dagbesteding A
Jongvolwassenen die in aanmerking komen voor deze dagbesteding zijn in enige mate beperkt in hun ontwikkeling en de mate van zelfredzaamheid. Het gedrag van deze jongvolwassenen is voorspelbaar en risico`s als gevolg van de problematiek zijn goed in te schatten. De jongvolwassenen groeien op in een veilige omgeving.
Dagbesteding B
De jongvolwassene wordt begeleid bij het omgaan met zijn gedragsproblemen. Jongvolwassenen die in aanmerking komen voor deze dagbesteding zijn in hoge mate beperkt in hun ontwikkeling en mate van zelfredzaamheid. De jongvolwassenen hebben te maken met complexe (gedrags)problematiek waarvan de achterliggende oorzaak veelal onbekend is. De jongvolwassenen groeien op in een onveilige omgeving, of er is sprake van een (dreigende)crisis.
8.1.3 Omvang dagbesteding
Dagbesteding wordt geïndiceerd in dagdelen. Een dagdeel staat gelijk aan maximaal 4 aaneengesloten uren. Het maximum is 9 dagdelen, dit staat gelijk aan een in Nederland gebruikelijke 36-urige werkweek.
Het aantal dagdelen dagbesteding dat wordt geïndiceerd is afhankelijk van:
-De noodzaak (hoeveel structuur, activering, toezicht etc. is nodig? Wat biedt het eigen netwerk of de voorliggende voorzieningen, hoe belast is de mantelzorg etc.);
-De ondersteuningsbehoeften en mogelijkheden van de cliënt (hoeveel kan de cliënt fysiek en mentaal aan?);
-Het doel dat dagbesteding voor deze specifieke cliënt heeft (als het doel is: een zinvolle dagbesteding, ter vervanging van arbeid, dan worden bijvoorbeeld 8 of 9 dagdelen geïndiceerd).
8.1.4 Vervoer naar de dagbesteding
Uitgangspunt is dat mensen zelf of met hulp van hun netwerk dan wel andere informele oplossingen naar de betreffende zorglocatie komen. Wanneer eigen oplossingen niet mogelijk zijn en er sprake is van een door de toegang vastgestelde (medische) noodzaak, dient in vervoer voorzien te worden (maximaal 1 retourrit per dag).
8.2 Ambulante begeleiding
8.2.1 Intensiteitstreden
Er zijn drie intensiteiten van ambulante begeleiding: licht, middelzwaar en zwaar.
Lichte ondersteuning
Lichte ambulante begeleiding is gericht op het stimuleren en behouden van de huidige situatie van zelfredzaamheid en participatie en het voorkomen van achteruitgang.
Met de inzet van deze begeleiding wordt:
-Het uitvoeren van praktische vaardigheden en handelingen gestimuleerd, geoefend, ondersteund en/of overgenomen;
-Het aanbrengen van (dag)structuur en het voeren van regie gestimuleerd, geoefend, ondersteund en/of overgenomen.
Cliënten die in aanmerking komen voor deze vorm van begeleiding hebben beperkingen die geen intensief toezicht vereisen op het functioneren.
Middelzware ondersteuning
Middelzware ondersteuning kan worden ingezet wanneer er sprake is van:
-Complexe ziektebeelden: er zijn zodanige stoornissen en beperkingen dat kennis van het ziektebeeld en deskundigheid in de omgang hiermee noodzakelijk is;
-Complexe activiteiten: er is bijvoorbeeld toezicht en sturing nodig op het psychisch of lichamelijk functioneren van de cliënt. Of de cliënt is leerbaar en er kan geoefend worden met het aanbrengen van structuur en/of uitvoeren van handeling/vaardigheden;
-Ontwikkelmogelijkheden richting door- en uitstroom naar reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie en zelfstandigheid met minder of zonder ondersteuning.
Bij middelzware ondersteuning is er meer focus op trainen en coachen, waardoor gericht aan uitstroom kan worden gewerkt. Het te behalen resultaat kan zijn (gedeeltelijk) herstel, behoud of vertraging in mogelijke achteruitgang van de zelfredzaamheid.
Zware ondersteuning
Net als bij lichte en middelzware ondersteuning wordt geoefend, ondersteund en overgenomen. Het is verschil is dat zware ondersteuning wordt ingezet in de meest complexe situaties. Hierbij valt te denken aan ernstige gedragsstoornissen, risicovolle instabiele ziektebeelden en multi-probleemsituaties. Er is veelal sprake van langdurig tekortschietende zelfregie over het dagelijks leven. Doel is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie en handhaving.
Ambulante begeleiding in groepsverband
Ambulante begeleiding kan op onderdelen ook in groepsverband plaatsvinden. Bijvoorbeeld samen boodschappen doen, koken en samen eten. Bij een gezamenlijk (ontmoetings)moment kunnen ook vragen worden gesteld en kan ondersteuning worden geboden die anders in individueel verband aan de orde is (bijvoorbeeld over post die iemand heeft ontvangen).
8.2.2 Ambulante begeleiding jongvolwassenen
Voor jongvolwassenen (leeftijd van 18 tot en met 23 jaar) is het mogelijk om ambulante begeleiding van een jeugdhulpaanbieder in te zetten via de Wmo. Hierdoor kunnen jongvolwassenen die niet of niet langer onder (verlengde) Jeugdwet vallen toch passende ondersteuning ontvangen. Hierbij onderscheiden we drie soorten ambulante begeleiding: A, B en C. Deze drie soorten komen overeen met de intensiteitstreden van ambulante begeleiding: licht, middel en zwaar.
Variant A
Begeleiding ambulant A is bestemd voor jongvolwassenen die beperkingen in de zelfredzaamheid ondervinden, waarbij het gedrag en de risico’s als gevolg van de problematiek goed zijn in te schatten en de jongvolwassenen groeien op in een veilige omgeving.
Variant B
Begeleiding ambulant B is bestemd voor jongvolwassenen voor wie de begeleiding variant A niet toereikend is. Er is onder meer sprake van complexe problematiek waarvan de achterliggende oorzaak veelal bekend is. Zonder begeleiding kan het gezin niet zelfstandig blijven functioneren.
Variant C
Begeleiding ambulant C is bestemd voor jongvolwassenen voor wie de begeleiding variant A en B niet toereikend is. Er is onder meer sprake is van complexe (multi)problematiek waarvan de achterliggende oorzaak veelal onbekend is. Ook is er sprake van een onveilige omgeving, (ernstige) opvoedproblemen en/of een (dreigende) crisis. Zonder begeleiding kan het gezin niet zelfstandig blijven functioneren. Er kan sprake zijn van zorgmijding.
8.2.3 Omvang ambulante begeleiding
Ambulante begeleiding wordt vastgesteld in uren/minuten, dit betreft maatwerk. De omvang van de indicatie is gebaseerd op de te behalen resultaten en de daarbij horende doelen.
Hoofdstuk 9 Kortdurend verblijf
10.1 Algemene voorzieningen
10.1.1 Kortdurende opvang dak- en thuisloze personen
Kortdurende dak- en thuislozen opvang is opvang voor feitelijk dakloze personen uit IJmond, Zuid-Kennemerland en Haarlemmermeer, die beperkt zelfredzaam zijn op meerdere leefgebieden.
Kortdurende opvang is tijdelijk en gericht op het werken aan een uitstroomperspectief. Als de kans op herstel groter is in een andere regio of gemeente, dan wordt die (centrum)gemeente volgens het convenant landelijke toegankelijkheid maatschappelijke opvang verzocht om opvang te bieden. Hierbij organiseert Haarlem een warme overdracht.
De verblijfsduur in de kortdurende opvang voor rechthebbende dak- en thuisloze personen is in beginsel drie maanden. Het verblijf kan worden verlengd indien:
-Er ondanks inspanningen van de dakloze persoon nog geen sprake is van een uitstroomplek; of
-Het ondanks inspanningen van de dakloze persoon nog niet gelukt is om basiszaken op te starten; of
-Als de dakloze persoon nog in afwachting is van een besluit op een aanvraag voor beschermd wonen of op de wachtlijst voor beschermd wonen staat. In het laatste geval kan ter overbrugging begeleiding beschermd wonen ingezet worden op een opvanglocatie, waaronder de locatie(s) waar kortdurende opvang geboden wordt.
Om gebruik te kunnen (blijven) maken van de kortdurende opvang:
-Werkt de dakloze persoon actief mee aan het organiseren van - en accepteert - alternatieve verblijf- of woonoplossingen die voorzien in het beëindigen van dakloosheid. Waaronder indien mogelijk verblijf in eigen netwerk of woonoplossingen buiten de regio, bijvoorbeeld door zich in te schrijven in tenminste drie regio’s naar keuze waar de wachttijd niet langer is dan twee jaar en daar wekelijks op minimaal drie woningen te reageren;
-Werkt de dakloze persoon mee aan het onderzoek om zijn/haar ondersteuningsbehoefte te kunnen bepalen;
-Geeft de dakloze persoon inzicht in de eigen financiële situatie;
-Werkt de dakloze persoon actief mee aan het op orde krijgen van basiszaken als een inkomen, uitkering, verzekeringen, herstel van netwerk;
-Betaalt de dakloze persoon de eigen bijdrage;
-Houdt de dakloze persoon zich aan de huisregels van de locatie; en
-Weigert de dakloze persoon geen woning waarop is gereageerd. Het weigeren van de woning heeft tot gevolg dat de desbetreffende persoon geen toegang meer heeft tot de opvang.
Bij de opvang van dakloze personen wordt bij plaatsing in de opvanglocaties, een onderscheid gemaakt in volwassenen, gezinnen met kinderen, en jongvolwassenen:
a.Dakloze volwassenen: Cliënten van 23 jaar of ouder die dakloos zijn.
b.Dakloze gezinnen met kinderen: Dakloze gezinnen met één of twee meerderjarige ouders met één of meer minderjarige kinderen.
c.Dakloze jongvolwassenen: Dit zijn dakloze jongeren van 18 tot 23 jaar.
Dak- en thuisloze personen die buiten slapen of geen gebruik willen maken van de opvang, kunnen trajectbegeleiding ontvangen vanuit Vangnet en Advies van de GGD, tenzij al een andere ketenpartner begeleiding/behandeling biedt.
10.1.2 Winternoodopvang
Gedurende de periode van 1 december tot 1 april zijn er jaarlijks extra bedden beschikbaar (Winternoodopvang fase I).
In geval van extreme koude (een gevoelstemperatuur beneden de -10) zijn er extra bedden beschikbaar. Bij fase II worden dakloze personen die buiten slapen actief benaderd om gebruik te maken van de opvang.
Voor de winternoodopvang gelden dezelfde voorwaarden als voor de kortdurende opvang dak- en thuisloze personen. Voor winternoodopvang fase 2 wordt echter geen eigen bijdrage gevraagd.
10.2 Maatwerkvoorzieningen
10.2.1 Maatschappelijke opvang
Centrumgemeente
De gemeente Haarlem is centrumgemeente voor de maatschappelijke opvang in de regio's Haarlemmermeer, IJmond en Zuid-Kennemerland. Dit betreft altijd een tijdelijke en kortdurende opvangplek in combinatie met individuele begeleiding gericht op herstel van de zelfredzaamheid en participatie in de samenleving.
Doelgroep
1Personen die in aanmerking komen voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang zijn feitelijk dakloos en kunnen niet worden ondersteund door hun netwerk of andere voorzieningen en hebben te maken met een combinatie van zeer complexe problematiek op het gebied van:
psychiatrie, verslaving, ernstige somatiek (bijvoorbeeld: niet aangeboren hersenletsel, verwaarloosde wonden, ernstige ondervoeding, of ernstige immobiliteit), lichtverstandelijke beperking en recidiverende dakloosheid.
2De maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang wordt bij de problematiek zoals genoemd in het eerste lid alleen verstrekt indien het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, geen noodzakelijke hoofddoel is in de ondersteuning én de cliënt zijn hulpvraag kan uitstellen.
Toegang: melding en onderzoek
Het college conformeert zich aan het convenant “Landelijke toegankelijkheid Maatschappelijke Opvang” van de VNG. Dat betekent dat dakloze cliënten - ongeacht uit welke gemeente zij komen - zich bij de centrumgemeente kunnen melden. Als uit onderzoek blijkt dat opvang het beste in een andere centrumgemeente kan plaatsvinden, wordt de cliënt warm overgedragen. Het kan nodig zijn de cliënt in afwachting van de overdracht kortdurend opvang te verlenen. Dat kan in de algemene voorziening kortdurende opvang voor dakloze personen.
De Brede Centrale Toegang (BCT) verzorgt de toegang voor alle dak- of thuislozen. De BCT geeft informatie en advies bij (dreigende) dakloosheid, voert het eerste gesprek binnen het onderzoek uit, en geeft (in mandaat) de beschikking af voor maatschappelijke opvang.
Wanneer iemand zich meldt voor opvang wordt in een eerste screening gekeken of er voor betrokkene een acute noodzaak is tot opvang en of betrokkene recht heeft op opvang, doordat de persoon feitelijk dakloos is (geen plek om te verblijven, ook niet in netwerk, en niet in staat zich op eigen kracht of met gebruikelijke hulp te handhaven in de samenleving) én ingezetene is van Nederland. Is hiervan sprake dan kan voor een tijdelijke opvangplek gebruik gemaakt worden van de kortdurende opvang voor dakloze personen, waar nader onderzoek gedaan wordt naar de ondersteuningsbehoefte en het uitstroomperspectief. Dit onderzoek moet binnen maximaal zes weken worden afgerond, waarna binnen twee weken daarna een beslissing dient te worden genomen (toekenning of afwijzing van een maatwerkvoorziening).
Bij het onderzoek/de informatieverzameling worden betrokken relevante netwerkpartners zoals welzijnsorganisaties, aanbieders opvang, toegangsmedewerkers beschermd wonen, medewerkers werk en inkomen, etc.
Uit het onderzoek volgt een toewijzingsbeschikking of afwijzingsbeschikking voor verblijf en trajectbegeleiding.
Feitelijk dakloze personen met een beschermd wonen (BW) indicatie die op de wachtlijst voor beschermd wonen staan, krijgen begeleiding maatschappelijke opvang of begeleiding beschermd wonen in een opvanglocatie, totdat verhuizing naar een beschermd wonen locatie mogelijk is.
Afgifte en duur beschikking
De termijn van de beschikking kan variëren en is maatwerk. De maximale duur van een eerste beschikking is zes maanden en voor iedere verlenging is de maximale duur van de beschikking 0 maanden.
Voorwaarden voor verblijf in de maatschappelijke opvang
Voorwaarden voor verblijf in combinatie met begeleiding zijn:
a) de cliënt werkt constructief mee aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte;
b) de cliënt dient zelf alles in het werk te stellen om zo snel mogelijk een oplossing te vinden voor zijn opvang- en woonproblematiek. De cliënt werkt mee aan een traject dat is gericht op het zich op eigen kracht handhaven in de samenleving, waaronder het zoeken naar, inschrijven voor en accepteren van:
i.een woning of woonplek binnen of buiten de regio; of
ii.een verblijf in een meer passende voorziening binnen of buiten de regio;
c) de cliënt is verplicht de van toepassing zijnde eigen bijdrage te betalen zoals opgenomen in de beschikking, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn waarom deze bijdrage niet voldaan kan worden. Als cliënt geen inkomen heeft en (nog) niet in staat is de eigen bijdrage te betalen, dan spreekt de BCT een betalingsregeling af. Heeft de cliënt een inkomen maar betaalt de eigen bijdrage niet, dan kan de toegang tot de opvang worden beëindigd;
d) de cliënt houdt zich aan de huisregels van de opvanglocatie;
e) de cliënt werkt constructief mee aan een eventuele verhuizing naar een andere opvanglocatie als dat gezien zijn situatie wenselijk is.
Begeleiding
De begeleiding die binnen de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang wordt geboden, vindt plaats in nauwe samenwerking met specialistische partijen met expertise op het gebied van geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg en bemoeizorg. De begeleider vanuit de opvangvoorziening is regievoerder op de ondersteuning richting voornoemde zorg en andere zorg.
De begeleiding is gericht op herstel van zelfredzaamheid en uitstroom. Uitstroom kan ook naar eigen netwerk of een vervolgplek buiten de regio IJmond, Zuid-Kennemerland of Haarlemmermeer zijn. Cliënten hebben zelf een actieve inspanningsverplichting om uit te stromen, waarbij de begeleiding ondersteunend is.
Het ondersteuningsplan loopt af uiterlijk een maand nadat de opvang is beëindigd (wanneer cliënt zelfstandig gaat wonen), zodat aansluitend begeleiding georganiseerd en geboden kan worden. Indien de cliënt doorstroomt, naar bijvoorbeeld beschermd wonen, dan wordt het ondersteuningsplan, met instemming van de cliënt, overgedragen.
Plaatsing in en gebruik van de maatschappelijke opvang
Als er geen plek beschikbaar is in de opvang komt de cliënt op de reservelijst. De reservelijst wordt door de BCT beheerd. De BCT kan aan cliënt of trajecthouder informatie geven over de plek op de wachtlijst, maar cliënt kan hier geen rechten aan ontlenen. Cliënten op de wachtlijst kunnen als dat noodzakelijk is, tijdelijk worden ondergebracht in alternatieve opvangmogelijkheden.
a.Wachtlijst en prioritering wachtlijst opvanglocatie dak- of thuisloze jongeren
Voorrang op de wachtlijst is in principe niet mogelijk. Alle jongeren die op de wachtlijst staan verkeren in een noodsituatie waarbij zij geen toereikende, veilige vorm van huisvesting hebben. Het is in het belang van al deze jongeren dat de periode waarop zij op de wachtlijst staan zo kort mogelijk duurt. Het komt echter voor dat een situatie dusdanig schrijnend/onstabiel is dat een zo snel mogelijke plaatsing wenselijk is. Hiervan is sprake als de huidige situatie leidt tot een zeer groot risico:
•op ernstige mate van fysieke of psychische verwaarlozing;
•op suïcide of een zware vorm van automutilatie;
•dat bij voorbaat aannemelijk is dat de veiligheid van een jongere of hotelgasten/personeel in het geding komt;
•op hoge maatschappelijke kosten bij het vasthouden aan de wachtlijst. Bijvoorbeeld dat een jongere volledig uit zicht verdwijnt en niet meer in contact is met de hulpverlening. Of dat er een grote kans is dat een jongere gedetineerd raakt;
•een cliënt een ex-bewoner is. Het kan voorkomen dat een jongere in de periode na de opvang een terugval heeft. Bijvoorbeeld als de vervolgplaatsing niet naar wens verloopt of het een slechte match blijkt te zijn. Deze jongeren kunnen tot 6 maanden na het verblijf in de opvanglocatie met voorrang op de wachtlijst worden geplaatst, op voorwaarde dat zij de periode tot plaatsing in de woonvoorziening van herkomst kunnen overbruggen.
b.Afwezigheid
Afspraken termijn garantie op bed bij terugkeer na afwezigheid
Reden afwezigheid
Termijn garantie op bed na afwezigheid
Opname kliniek 28 nachten
Detentie 28 nachten
Verlof 14 nachten
Vermist 2 nachten*
Schorsing 28 nachten
*termijn geldt 2 nachten na constatering van vermissing
c.Afspraken termijn openhouden traject
Het traject van begeleiding stopt niet bij afwezigheid van de cliënt, maar blijft tijdelijk openstaan.
Reden
Termijn openhouden traject
Opname kliniek 28 dagen
Detentie 28 dagen
Verlof 14 dagen
Vermist 14 dagen*
Schorsing 28 dagen
*termijn geldt 14 nachten na constatering van vermissing
De termijnen kunnen worden verlengd als dit in het belang is van het herstel van een cliënt. Dit is maatwerk.
10.2.2 Beschermd wonen
De gemeente Haarlem is tot invoering van de Wet woonplaatsbeginsel beschermd wonen, als centrumgemeente namens de regio Haarlemmermeer (gemeente Haarlemmermeer), regio IJmond (gemeenten: Beverwijk, Heemskerk en Velsen) en de regio Zuid-Kennemerland (gemeenten: Bloemendaal, Haarlem, Heemstede en Zandvoort) verantwoordelijk voor het organiseren van beschermd wonen.
Voor de uitvoering van het beschermd wonen heeft de regio het Gemeenschappelijke Orgaan Beschermd Wonen (GO BW) opgericht. Via het GO BW zijn de gemeenten in de regio gezamenlijk verantwoordelijk voor de uitvoering van het beschermd wonen. Onderdeel van het GO BW is dat (op termijn) onderdelen van het BW uitgevoerd gaan worden door de individuele gemeenten.
Aanbod maatwerkvoorzieningen beschermd wonen binnen de regio
De volgende maatwerkvoorzieningen voor beschermd wonen kunnen worden verstrekt:
a.Beschermd Thuis
Het uitgangspunt bij Beschermd Thuis is dat mensen zoveel mogelijk in eigen omgeving worden ondersteund. De ondersteuning wordt geboden in de vorm van begeleiding.
De begeleiding richt zich op het individu en op de ondersteuning in het behalen van persoonlijke doelstellingen. Bij de start wordt een ondersteuningsplan opgesteld dat de inwoner hierbij houvast biedt. Het ondersteuningsplan is een dynamisch document. De inhoud kan steeds wijzigen. Zowel de inwoner als de begeleider kunnen gedurende het traject wijzigingen in het ondersteuningsplan opnemen.
De doelstellingen zijn gericht op: het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen. Inclusie, volwaardig burgerschap, participatie, zelfredzaamheid en informele steun in de lokale omgeving zijn belangrijke uitgangspunten. Er is aandacht voor verbinding met de wijk, opbouwen van een netwerk en het voorkomen van escalatie of afglijden naar intensievere ondersteuning.
De begeleider van de cliënt coördineert samen met de cliënt de hulpverlening die wordt ingezet rondom een cliënt, organiseert gesprekken met andere disciplines en zorgt voor afstemming tussen de betrokkenen. Hierbij behoudt de cliënt zoveel mogelijk zelf de regie.
b.Beschermd Wonen (met verblijf)
De ondersteuning binnen Beschermd Wonen wordt geboden in de vorm van onderdak, individuele begeleiding (zoals hierboven beschreven) en daarnaast woonbegeleiding op de locatie van een aanbieder. Het gaat bij beschermd wonen om verblijf in een intramurale setting.
Aanbod buiten de regio
Het is mogelijk dat er geen passend aanbod beschermd wonen (bijvoorbeeld crisisplek of een specifieke ondersteuning) aanwezig is binnen de regio. Het college neemt in die situaties een besluit over een (tijdelijk) passend alternatief als maatwerkoplossing voor beschermd wonen.
Afwegingscriteria beschermd wonen en beschermd thuis
Om in aanmerking te komen voor één van de maatwerkvoorzieningen binnen Beschermd Wonen, moet een cliënt voldoen aan onderstaande voorwaarden.
Algemene kenmerken
In aanvulling op het bepaalde in de verordening komen inwoners van de regio Kennemerland (bestaande uit de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerk, Heemstede, Velsen en Zandvoort), óf personen die een sterke regionale binding hebben met deze regio, óf personen die gegronde en aanwijsbare redenen hebben om buiten de regio van herkomst Beschermd te willen gaan Wonen, in aanmerking voor beschermd wonen of beschermd thuis indien:
a.de cliënt is gediagnostiseerd met psychische/psychosociale problemen en/of een licht verstandelijke beperking (LVB) en met beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie;
b.dit noodzakelijk is om de zelfredzaamheid en participatie van een cliënt te versterken, om het psychisch en psychosociaal functioneren en het weer zelfstandig wonen te verbeteren en om deel te nemen aan de maatschappij;
c.de indicatie voor Beschermd Thuis/ Beschermd Wonen een positieve invloed heeft op de ontwikkeling van een cliënt en zal bijdragen aan het:
a.versterken van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie,
b.het psychisch of psychosociaal functioneren,
c.voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast;
d.de cliënt met behulp van ondersteuning van de aanbieder werkt aan doelen gericht op (weer) zo zelfstandig mogelijk te gaan wonen, al dan niet met behulp van voorzieningen zoals extramurale begeleiding;
e.de cliënt behoefte heeft aan de begeleiding die geboden wordt. Er is geen sprake van bemoeizorg. De begeleiding draagt bij aan de ontwikkeling van een cliënt richting zelfstandig wonen; en
f.de cliënt de begeleiding die geboden wordt accepteert en gemotiveerd is om de doelen te behalen die nagestreefd worden met behulp van de begeleiding. Zonder deze motivatie en acceptatie is er sprake van bemoeizorg en kan er geen maatwerkvoorziening beschermd Wonen of beschermd thuis worden vastgesteld.
Op basis van het onderzoek kijkt de casemanager samen met de cliënt naar de best passende aanbieder. Voor de gecontracteerde aanbieders geldt een gezamenlijke plaatsingsplicht.
Voorliggende voorzieningen en redenen om beschermd wonen of beschermd thuis te weigeren
Er zijn redenen om geen maatwerkvoorziening Beschermd Thuis/ Beschermd Wonen toe te kennen. Dat kan te maken hebben met contra-indicaties of voorliggende voorzieningen waarvan eerst gebruik moet worden gemaakt. Hieronder zijn deze redenen omschreven.
Een cliënt komt niet in aanmerking voor een indicatie Beschermd Thuis/ Beschermd Wonen wanneer:
a.een cliënt in staat is om zich in een eigen woning te handhaven met voldoende ambulante begeleiding (lokale Wmo) en/of ambulante behandeling;
b.er nog onvoldoende gebruik is gemaakt van voorliggende voorzieningen, in de gemeente van herkomst, bijvoorbeeld wanneer een cliënt nog nooit ambulante begeleiding heeft ontvangen of te weinig om de ondersteuningsvraag te kunnen beantwoorden;
c.de cliënt slachtoffer is van mensenhandel en/of van mishandeling. In dat geval verwijst de politie naar Veilig Thuis, de vrouwenopvang of de regionaal coördinator mensenhandel. De opvang van slachtoffers van mensenhandel is landelijk geregeld. Slachtoffers van huiselijk geweld kunnen in eerste instantie terecht bij Veilig Thuis Kennemerland om daar verdere ondersteuning te krijgen;
d.er sprake is van ernstige gedragsproblematiek tijdens de onderzoeksperiode die kan leiden tot ontwrichting of extreme overlast op een locatie voor Beschermd Wonen. Indien de inwoner niet meewerkt aan het onderzoek kan de mate van motivatie niet worden vastgesteld tijdens het onderzoek;
e.de cliënt in crisis is als gevolg van een psychiatrische decompensatie. Dan is behandeling vanuit de Zvw voorliggend;
f.de cliënt dakloos is. Als cliënt dakloos is en niet voldoet aan de voorwaarden als genoemd in dit afwegingskader, wordt nagegaan of een opvangvoorziening passend is;
g.de client een justitiële titel opgelegd heeft gekregen én een forensische indicatie heeft om te kunnen verblijven in een beschermende woonvorm. In dat geval is de indicatie en plaatsing de verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie & Veiligheid; of
h.het CIZ een indicatie voor de Wlz heeft afgegeven. In dat geval is het aan het Zorgkantoor om de ondersteuning te organiseren.
Voorrang bij plaatsing
Op grond van een crisissituatie kan het college voorrang geven bij plaatsing op de wachtlijst van een aanbieder voor beschermd wonen.
Voorwaarden bij gebruik van Beschermd Thuis/ Beschermd Wonen
Aan het gebruik van de voorziening Beschermd Thuis/ Beschermd Wonen zijn voor de cliënt de volgende voorwaarden verbonden:
a.Een cliënt kan een passende plek Beschermd Wonen in principe niet weigeren. Als een cliënt tweemaal een aangeboden passende plek weigert dan meldt de aanbieder dat bij het college. Het college kan het besluit waarin de maatwerkvoorziening wordt verstrekt dan intrekken;
b.De cliënt moet zich houden aan de huisregels die gelden bij de aanbieder;
c.De cliënt werkt naar eigen kunnen optimaal mee aan het zo snel mogelijk weer op eigen kracht kunnen deelnemen aan de samenleving;
d.De cliënt werkt mee aan een noodzakelijke verhuizing naar een andere locatie of aanbieder; en
e.De cliënt betaalt de eigen bijdrage behorende bij de indicatie.
10.2.3 Opvang slachtoffers huiselijk geweld
Resultaten vrouwenopvang
Vrouwenopvang is gericht op één of meer van de volgende resultaten ten behoeve van het zo snel mogelijk toe leiden naar zelfstandigheid:
a) de cliënt heeft tijdelijke opvang en wordt begeleid naar zelfredzaamheid; en
b) de cliënt wordt begeleid bij het aanvragen van een woonurgentie in de gemeente van keuze, waarbij het herstel van (duurzame) veiligheid voor de cliënt zoveel mogelijk wordt gewaarborgd.
Aanvullend afwegingskader toegang vrouwenopvang
Bij besluitvorming over vrouwenopvang staat veiligheid voorop. Het gaat om situaties van direct gevaar en/of structurele onveiligheid. Uitgangspunten zijn:
•ambulant aanbod indien de veiligheid gewaarborgd is; en
•opvang indien die om veiligheidsredenen noodzakelijk is.
Bij de bepaling van het aanbod wordt systeemgericht gekeken. De belangen van cliënt, kinderen en het gezinssysteem (en eventuele andere betrokkenen) worden op een zorgvuldige wijze tegen elkaar afgewogen waarbij de veiligheid van cliënt en eventueel meegekomen kinderen voorop staat, alsmede het herstel van de (directe) veiligheid. Er vindt met alle kinderen in de opvang een gesprek plaats (zodra zij daartoe in staat zijn) over welbevinden en veiligheid.
Algemene uitgangspunten vrouwenopvang
1Wanneer er directe dreiging is kan niet alleen de opvanginstelling, maar ook Veilig Thuis of de politie een slachtoffer met of zonder kinderen onderbrengen op een noodbed. Het noodbed wordt in beginsel voor maximaal 72 uur gebruikt en is gericht op bescherming.
2Wanneer het niet mogelijk is om op andere manier in opvang te voorzien is crisisopvang elders beschikbaar. Hier wordt huisvesting geboden en intensieve begeleiding. In beginsel is het de bedoeling dat deze opvang niet langer dan 6 weken duurt.
3Na de crisisopvang kan een slachtoffer indien nodig wonen in de opvang met begeleiding. Het is de bedoeling dat de cliënt na 6 maanden uitstroomt naar een zelfstandige woning in of buiten de regio door middel van woonurgentie. Wanneer mogelijk vindt warme overdracht richting een Sociaal Wijkteam of andere begeleiding plaats. In de regio wordt bovendien nazorg geboden door de opvanginstelling zelf.
4Zo snel de cliënt daartoe in staat wordt geacht, maakt de instelling met de cliënt een plan om te werken aan directe veiligheid, het reduceren van het risico op het opnieuw ontstaan van een onveilige situatie en herstel.
De cliënt is verplicht met de toegekende woonurgentie een passend woonaanbod te accepteren. Bij weigering vervalt de woonurgentie. Het college kan in een dergelijke situatie besluiten dat geen beroep meer gedaan kan worden op opvang met begeleiding zoals genoemd onder punt 3.