Inhoudsopgave
Artikel 1. Begripsomschrijvingen 2
Artikel 2. Reikwijdte 3
Artikel 3. Bevoegdheden college 3
Artikel 4. Staatssteunregels 3
Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud 3
Artikel 6. Sturing en toezicht 4
Artikel 7 Meerjarige subsidies 4
Artikel 8. Aanvraag 4
Artikel 9. Aanvraagtermijn 4
Artikel 10. Beslistermijn 5
Artikel 11. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden 5
Artikel 12. Verantwoording 6
Artikel 13. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger 6
Artikel 14. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen 6
Artikel 15. Egalisatiereserve 6
Artikel 16 Administratie 7
Artikel 17 Toegankelijkheid accommodaties voor lichamelijk gehandicapten 7
Artikel 18. Wijze van verstrekken en eindverantwoording subsidies tot en met € 20.000 7
Artikel 19. Eindverantwoording subsidies tussen € 20.000 en € 75.000 7
Artikel 20. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 75.000 7
Artikel 21. Beslistermijn aanvraag subsidievaststelling 8
Artikel 22. Bevoorschotting 8
Artikel 23. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen 8
Artikel 24. Hardheidsclausule 8
Artikel 25. Slotbepalingen 9
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
•Awb: Algemene Wet Bestuursrecht
•Balans: een overzicht per bepaalde datum van de bezittingen (activa) en de schulden (passiva)
•Begroting: een overzicht van de geraamde baten en lasten voor een bepaalde periode en/of bepaalde activiteiten.
•College: het college van burgemeester en wethouders
•De-minimissteun: steun die wordt verstrekt op basis van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352), Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 352/9) en Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), of Verordening (EU) 2018/1923 van de Commissie van 7 december 2018 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PbEU L 313/2); dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;
•Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld, waaronder de Algemene Groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 2017/1084 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 156/1), de Landbouw vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 193/1); en de Visserij vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie , de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van get Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 369/37); dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;
•Onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent.
•Subsidie: eenmalig - subsidie ten behoeve van bijzondere incidentele projecten of activiteiten die niet behoren tot de reguliere bezigheden van de aanvrager;
•Subsidie: jaarlijks - subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt of voor een bepaald aantal kalenderjaren maar nooit meer dan voor een periode van maximaal vier kalenderjaren.
•-Staatsteun: financieel voordeel die een overheid aan een bepaalde onderneming toekent die deze niet onder normale marktomstandigheden zou hebben gekregen en die dreigt te leiden tot vervalsing van de mededinging en tot nadelige beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten.
•Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47).
Artikel 2. Reikwijdte
1Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is als bedoeld in artikel 4:23, derde lid Awb.
2Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.
Artikel 3. Bevoegdheden college
1Het college is bevoegd te besluiten over het verstrekken van subsidies met inachtneming van de in de begroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond en- indien de begroting nog niet is vastgesteld, dan wel goedgekeurd – onder voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
2Het college kan bij nadere regeling (subsidieregeling) vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.
Artikel 4. Staatssteunregels
1Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen.
2Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader.
3Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader.
4Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.
5Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.
Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
1Het college kan subsidieplafonds vaststellen. Een subsidieplafond kan niet hoger zijn dan de in de begroting voor het betreffende (deel-)beleidsterrein opgenomen financiële middelen.
2Het college kan bij subsidieregeling de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag bepalen.
3Het college kan subsidieplafonds verlagen als:
a.het plafond wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; en
b.de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd.
4Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.
5Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.
6Voor de verlening van subsidies in de vorm van garanties, borgstellingen en leningen stelt de raad een toetsingskader vast. Het college werkt dit kader uit in beleidsregels.
Artikel 6. Sturing en toezicht
1Het college legt vast welke verplichtingen in het kader van sturing en toezicht verbonden
kunnen worden aan de subsidieverlening.
2Het college legt vast wanneer er aanleiding is om verscherpt toezicht toe te passen en
wanneer verscherpt toezicht wordt beëindigd.
3Het college kan toezichthouders, als bedoeld in artikel 5:11 van de Algemene wet
bestuursrecht, aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van de aan de
subsidieontvanger opgelegde verplichtingen.
Artikel 7 Meerjarige subsidies
1Het tijdvak waarvoor een subsidie verleend kan worden, is maximaal vier jaar.
2Het college neemt in een beschikking tot subsidieverlening voor meer dan één jaar een begrotingsvoorbehoud, als bedoeld in artikel 5 lid 5 van deze verordening op.
3Gedurende de subsidieperiode wordt het jaarlijkse subsidiebedrag, voor aanvang van het betreffende subsidiejaar, met een afzonderlijke beschikking beschikbaar gesteld.
4Bij subsidies verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan in de verlening de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichtte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.
Artikel 8. Aanvraag
1Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college.
1Als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld geschiedt dit met gebruikmaking daarvan.
2Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over:
a.een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;
b.de doelen en resultaten die met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen of bijdragen aan de realisatie van de gemeentelijke beleidsdoelstellingen;
c.een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van overige aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;
d.een financieel overzicht en verantwoording van het laatst voorgaande boekjaar, inclusief balans;
e.een motivering van de aanvraag;
f.aanvragers van een subsidie van meer dan € 75.000 verstrekken in het kader van sturing en toezicht informatie over de bedrijfsvoering door middel van het invullen van een zelfscan. Het college verstrekt hiervoor een format.
g.als de aanvrager een onderneming is:
31° een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;
42° een verklaring als bedoeld in de verordening met betrekking tot de-minimissteun (de-minimisverklaring);
2Een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt, legt tevens over: een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten en een overzicht van de financiële situatie op dat moment.
3Bij subsidieregeling kan van de voorgaande leden worden afgeweken.
Artikel 9. Aanvraagtermijn
1Een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie wordt gedaan tussen 1 augustus en 1 oktober in het jaar voorafgaand aan het jaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft.
2Een aanvraag voor een eenmalige subsidie wordt ingediend uiterlijk 13 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.
3Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.
Artikel 10. Beslistermijn
1Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.
2Het college beslist op een aanvraag om een subsidie als bedoeld in artikel 9, tweede lid, binnen 8 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend.
3De in de vorige leden genoemde beslistermijnen kunnen eenmalig met 4 weken verdaagd worden.
4Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.
5Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen.
Artikel 11. Weigerings-, intrekkings- en terugvorderingsgronden
1Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht weigert het college de subsidie in ieder geval:
a.als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt.
b.als het een aanvrager betreft tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard.
2Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat:
a.subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader, of
b.de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader.
3Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren:
a.als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen;
b.als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;
c.als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;
d.als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;
e.de aanvrager zich richt op zaken die strijdig zijn met het gemeentelijk beleid en/of het collegeprogramma;
f.de gelden niet, of in onvoldoende mate, besteed zullen worden voor het doel waarvoor de subsidie beschikbaar wordt gesteld;
g.de aanvrager ook zonder subsidieverlening over voldoende gelden, uit eigen middelen of uit middelen van derden, kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken;
h.de aanvrager zich richt op het uitdragen van overtuigingen en denkbeelden van religieuze, levensbeschouwelijke of politieke aard;
i.in het beoogde doel/de voorgenomen activiteit(en) reeds op andere wijze in belangrijke mate is voorzien;
j.als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt;
k.als de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet passen binnen het gemeentelijke beleid;
l.als de activiteiten geheel of gedeeltelijk zijn verricht voordat de subsidie is aangevraagd dan wel voordat een besluit op de aanvraag is genomen;
m.de financiële middelen van de aanvrager, met inbegrip van de gevraagde subsidie, onvoldoende zijn om de voorgenomen activiteiten uit te voeren;
n.de activiteiten van de aanvrager onvoldoende zijn afgestemd op die van relevante instellingen en te weinig samenwerking wordt beoogd met die instellingen;
o.de voor de activiteiten benodigde gelden niet in de gemeentebegroting zijn opgenomen.
p.in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.
Artikel 12. Verantwoording
Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.
Artikel 13. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger
1Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college.
2Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:
a.beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;
b.relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;
c.ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen;
d.wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon.
Artikel 14. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
1Bij subsidies hoger dan € 75.000, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten.
2Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.
3Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.
4Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidie-ontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid Awb voordoet. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.
5Bij subsidies hoger dan € 20.000 wordt de verplichting opgelegd om toestemming te vragen voor de in artikel 4:71 Awb beschreven privaatrechtelijke rechtshandelingen zoals het oprichten van of deelnemen aan een rechtspersoon, het wijzigen van de statuten, het aangaan van leningen, het aanvragen van surseance van betaling of faillissement en deze rechtshandelingen niet te verrichten zonder dat hiervoor toestemming is verkregen.
Artikel 15. Egalisatiereserve
1Bij verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger van een per kalender- of boekjaar verstrekte subsidie die meer dan € 75.000 bedraagt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, eerste lid Awb vormt.
2De ontvanger van een andere subsidie dan bedoeld in het eerste lid kan het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. In dat geval is artikel 4:72 Awb van overeenkomstige toepassing.
Artikel 16 Administratie
1De subsidieontvanger voert een zodanig ingerichte administratie dat daaruit te allen tijde de voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde rechten en verplichtingen alsmede de betalingen en de ontvangsten kunnen worden nagegaan.
2De subsidieontvanger bewaart de administratie en de daartoe behorende bescheiden conform de wettelijke bewaarplicht.
Artikel 17 Toegankelijkheid accommodaties voor lichamelijk gehandicapten
Het college kan de subsidieontvanger verplichten ervoor te zorgen dat de gebruikte accommodatie bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar is voor lichamelijk gehandicapten.
Artikel 18. Wijze van verstrekken en eindverantwoording subsidies tot en met € 20.000
1Subsidies tot en met € 20.000 worden door het college direct vastgesteld, hiervan kan bij subsidieregeling of verleningsbeschikking worden afgeweken.
2Als bij verleningsbeschikking de subsidieontvanger wordt verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, vindt de vaststelling plaats binnen 13 weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.
3Bij de direct vastgestelde subsidies onder lid 1 kan bij verleningsbeschikking worden bepaald dat aangetoond moet worden dat de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.
Artikel 19. Eindverantwoording subsidies tussen € 20.000 en € 75.000
1Tenzij in de subsidiebeschikking of subsidieregeling een andere termijn is genoemd, dient de subsidieontvanger bij subsidies van meer dan € 20.000 doch ten hoogste € 75.000, een aanvraag tot vaststelling in:
a.bij een eenmalige subsidie: binnen 13 weken na beëindiging van gesubsidieerde activiteiten;
b.bij een jaarlijkse subsidie: uiterlijk voor 1 juli in het jaar na afloop van het subsidiejaar.
2De aanvraag tot vaststelling bevat:
a.een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;
b.een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (jaarrekening);
c.een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop.
3Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden vastgesteld of andere gegevens worden verlangd.
4Bij subsidieregeling kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.
Artikel 20. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 75.000
1Tenzij in de subsidiebeschikking of subsidieregeling een andere termijn genoemd is,
1dient de subsidieontvanger bij subsidies van meer dan € 75.000, een aanvraag tot
2vaststelling in:
a.bij een eenmalige subsidie: binnen 13 weken na beëindiging van gesubsidieerde activiteiten;
b.bij een jaarlijkse subsidie: uiterlijk voor 1 juli in het jaar na afloop van het subsidiejaar.
3De aanvraag bevat:
a.een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;
b.een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (jaarrekening);
c.een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; en
d.bij subsidies vanaf € 20.001 tot € 150.000: minimaal een samenstellingsverklaring;
e.bij subsidies vanaf € 150.001 tot € 250.000: minimaal een beoordelingsverklaring;
f.bij subsidies vanaf € 250.001: een controleverklaring;
g.de onder d., e. en f. genoemde verklaringen zijn opgesteld door een onafhankelijk accountant, één en ander zoals bepaald in artikel 393, boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
4Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen andere termijnen worden vastgesteld of een andere accountantsverklaring worden verlangd.
5Bij subsidieregeling kan worden bepaald dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.
6Het college is bevoegd controle uit te oefenen op de getrouwheid van de bedoelde gegevens in lid 2 van dit artikel en kan bepalen aanvullend onderzoek te (laten) verrichten om een oordeel te verkrijgen over de effectiviteit en efficiency van de subsidieontvanger en de rechtmatigheid van besteding van de toegekende subsidie.
Artikel 21. Beslistermijn aanvraag subsidievaststelling
1Het college stelt een subsidie van meer dan € 20.000 vast binnen 13 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald.
2Deze termijn kan eenmaal voor ten hoogste 13 weken worden verdaagd.
3Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.
4Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 19, eerste lid en 20, eerste lid, aanhef en onder a en b, is ingediend, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend dan kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling.
Artikel 22. Bevoorschotting
1Verleende subsidies tot en met € 20.000 worden in één keer bevoorschot.
2Subsidies van meer dan € 20.000 tot en met € 75.000 worden in twee termijnen bevoorschot.
3Subsidies van meer dan € 75.000 worden in vier termijnen bevoorschot.
4Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan het college afwijken van de in voorgaande leden vastgelegde wijze van bevoorschotting.
Artikel 23. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen
1Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, kan het college bij subsidieregeling een berekeningswijze voorschrijven.
2Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de bij subsidieregeling voorgeschreven definities.
3Bij subsidie waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen die tarieven en kostenbegrippen in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.
Artikel 24. Hardheidsclausule
Het college kan de bepalingen uit deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing, gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger, naar hun oordeel gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.
Artikel 25. Slotbepalingen
1Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening Velsen 2026.
2De verordening treedt in werking op de dag na publicatie onder gelijktijdige intrekking van de Algemene subsidieverordening Velsen 2023.
3Op subsidies die betrekking hebben op het subsidietijdvak 2026 en eerder blijft de Algemene subsidieverordening Velsen 2023 van toepassing, met uitzondering van de bepalingen in artikel 20 lid 2 met betrekking tot de in te dienen accountantsverklaring.
4De onderstaande subsidieregelingen berusten op artikel 3, lid 2 van deze verordening:
•Subsidieregeling Sociaal Domein Velsen 2025
•Subsidieregeling citymarketing Velsen 2018
•Subsidieregeling wijkwaardebonnen 2024
•Subsidieregeling energiebesparing bestaande woningen Velsen 2025-2026
•Subsidieregeling duurzaamheidsfonds toekomstbestendige bedrijventerreinen Velsen 2025-2026
•Tijdelijke subsidieregeling zonnepanelenfonds bedrijventerreinen Velsen 2026-2027
•Tijdelijke subsidieregeling toekomstbestendige bedrijventerreinen Velsen 2026-2027
•Subsidieregeling peuteropvang en voorschoolse educatie Velsen 2026
•Subsidieregeling 150 jaar IJmuiden
5De beleidsregels Sturing en Toezicht Velsen 2024 berusten op artikel 6 van deze verordening.