Aanhef
Plaatsingscriteria ondergrondse containers voor de inzameling van restafval en grondstoffenfracties (Kunststof verpakkingen, oud papier en karton, textiel en glas.
Tekst
Bij het bepalen van de locaties voor de plaatsing van nieuwe ondergrondse containers, moet met een groot aantal factoren rekening worden gehouden. Zo mag de loopafstand voor de inwoners niet te groot zijn, moeten de locaties goed te bereiken zijn met de kraanwagen en moet de veiligheid te allen tijde worden gegarandeerd. Hieronder worden de criteria benoemd, waaraan nieuwe containerlocaties moeten voldoen.
Algemene criteria
1Ondergrondse containers, zoals bedoeld in deze plaatsingsrichtlijnen, kunnen geschikt zijn voor verschillende fracties van afval en grondstoffen, te weten: restafval, kunststof verpakkingen, glas, textiel en oud papier- en karton. Voor restafval zijn de ondergrondse containers voorzien van een systeem voor toegangscontrole en registratie, waarbij inwoners de container alleen kunnen openen met een gemeentelijke afvalpas.
2Er wordt gestreefd naar een maximale loopafstand tussen woning en ondergrondse container van 125 meter (enkele reis) en 250 meter (heen en terug).
3Het handhaven van de beoogde loopafstand naar een reservelocatie (bij storing, uitval, etc.) is geen voorwaarde.
4Er worden minimaal 25 aansluitingen bediend per ondergrondse container, tenzij niet anders mogelijk.
5Er worden maximaal 50 aansluitingen per ondergrondse container toegewezen (uitgaande van een legingsfrequentie van minimaal 1x per week. Lediging van restafval o.b.v. dynamisch inzamelen).
6Een beoogde locatie voor een ondergrondse container ligt bij voorkeur op openbare gemeentegrond.
7Er wordt rekening gehouden met een omvang van 2,5 bij 2,5 meter voor de grootte van een ondergrondse container, in te passen op een locatie.
8De ondergrondse containers hebben een capaciteit van 5 m3.
9Plaatsing van een nieuwe ondergrondse container gaat in beginsel niet ten koste van parkeerplaatsen, tenzij écht niet anders mogelijk.
10Er mag bij aanleg en gebruik van de ondergrondse containers geen schade aan een naastgelegen perceel ontstaan.
11De locatie van een ondergrondse container is dusdanig dat mogelijke overlast door gebruik en/of lediging tot een minimum beperkt blijft.
12Voor het plaatsen van de ondergrondse container is het niet wenselijk om kabels en/of leidingen te verplaatsen. Er worden geen containers geplaatst op of direct naast riolering.
13De afstand tussen twee naast elkaar geplaatste ondergrondse containers bedraagt minimaal 30 cm.
Criteria ten aanzien van de bereikbaarheid voor het inzamelvoertuig
14Er dient voldoende opstelruimte voor het inzamelvoertuig op de locatie te zijn (uitgaande van 12 x 2,65m excl. stempels).
15Het straatwerk op de opstelplaats dient bestand te zijn tegen de stempeldruk (afstand stempels maximaal +1,65 meter vanaf voertuig) van het voertuig. Hiervoor wordt waar nodig een gefundeerde verharding aangebracht van 25 cm menggranulaat met 5 cm brekerzand en daarop betonstraatstenen.
16De afstand tussen inzamelvoertuig en hijsinstallatie van de ondergrondse container, gemeten vanuit de hartlijn van het inzamelvoertuig bedraagt niet meer dan 4 meter.
17De locatie is vooruitrijdend te bereiken en te verlaten voor het inzamelvoertuig, tenzij niet anders mogelijk. Bij doodlopende straten, waar vooruit ingereden wordt, worden de containers zoveel mogelijk aan de rechterkant van de weg geplaatst.
18Ondergrondse containers worden niet geplaatst naast hoge objecten zoals bomen, lichtmasten en daken. Hierbij wordt een minimale afstand van 1,5 meter gehanteerd in verband met het uitzwenken van de kraan van het inzamelvoertuig en de nodige manoeuvreerruimte.
19De containers worden waar mogelijk zodanig geplaatst dat op ledigingsmomenten verkeershinder en –oponthoud beperkt blijft. In nauwe straten kan het voorkomen dat bestuurders achter het voertuig moeten wachten.
20De onder doorrijhoogte op de route naar de locatie is minimaal 4 meter.
21De locatie van de ondergrondse container is goed bereikbaar voor inzamelvoertuigen met een breedte van 3,10 inclusief spiegels en een lengte tot 12 meter.
22De bochtstraal van het wegontwerp bedraagt minimaal 8,5 meter met eventueel een draaicirkel van circa 21 meter.
23Het inzamelvoertuig moet op een gefundeerde weg zowel links als rechts kunnen afstempelen.
24De locatie van de ondergrondse container is dusdanig gesitueerd dat de afstand van het hart van de ondergrondse container als ook die van het inzamelvoertuig tot overige objecten ten minste 2 meter bedraagt.
25De locatie van de ondergrondse container is dusdanig dat het inzamelvoertuig veilig kan stoppen. Er kunnen geen verkeersgevaarlijke situaties ontstaan tijdens het ledigen (voldoende afstand kruising / verkeersdrempels enz.).
26De locatie van de ondergrondse container is zodanig dat er geen voertuigen kunnen parkeren tussen ondergrondse container en inzamelvoertuig.
27Het legen van de ondergrondse container kan bij voorkeur aan de rechterzijde van het voertuig (van toepassing bij éénrichtingsverkeer).
Criteria ten aanzien van groen en beplanting
28Plaatsing van een ondergrondse container vindt niet plaats binnen de kwetsbare zone van een bestaande boom (=kroonprojectie + 1,5 meter), mits in uitzonderlijke gevallen er geen andere opties mogelijk zijn.
29Plaatsing vindt niet plaats nabij bomen binnen de zone die gevormd wordt door de (te verwachten) kroonprojectie + 1,5 meter.
30Plaatsing vindt niet plaats nabij bomen die uitgroeien tot een zuilvorm binnen de zone die gevormd wordt door de (te verwachten) kroonprojectie + 3 meter.
31In uitzonderlijke situaties, waar geen alternatief mogelijk is, vervalt aanwezige beplanting voor plaatsing van een ondergrondse container.
32Mocht onverhoopt een ondergrondse container toch in het plantsoen geplaatst moeten worden, dan wordt het ontstaan van ‘snippergroen’ (kleine versnipperde oppervlakten groen) voorkomen.
33Indien op basis van de groennorm sprake is van een te lage hoeveelheid groen per woning, mag geen groen verwijderd worden.
34De locatie van een ondergrondse container is dusdanig dat bij het ledigen geen schade aan (volwassen) bomen kan ontstaan.
35De afstand tussen de locatie van een ondergrondse container en een watergang is minimaal 3 meter.
Criteria ten aanzien van de (verkeers-)veiligheid
36De container is rondom vrij toegankelijk voor minder validen (rolstoel, rollator). Eventuele aanpassingen worden op de werktekening vermeld.
37Verlaagd trottoir aan beide zijden van de rijbaan ingeval oversteken rijbaan nodig is. Locatie is dusdanig gesitueerd dat gebruikers zo min mogelijk de weg over hoeven te steken.
38Vrije doorgang langs de inwerpzuil van minimaal 1,20 meter. De ondergrondse container wordt tenminste op 50 cm afstand van de trottoirband geplaatst.
39De minimale ruimte vóór de inwerpopening is 1,20 meter
40Bij voorkeur niet nabij een school of speelplaats.
41Geen fietspad tussen container en voertuig tijdens lediging, tenzij niet anders mogelijk.
42Geen zichthinder door de inwerpzuil voor verkeer.
43Bij voorkeur op een locatie waar sociale controle mogelijk is (zicht, verlichting). Extra verlichting wordt niet geplaatst.
44Geen geparkeerde auto tussen containerplatform en voertuig tijdens lediging. Minimale afstand van parkeerplaats is 60 cm. Op locaties waar parkeren dicht bij de ondergrondse container mogelijk blijft, locatie afzetten met paaltjes om ledigingsproblemen te voorkomen. De locatie van een ondergrondse container moet dusdanig zijn uitgevoerd dat het bij het parkeren van een voertuig naast de ondergrondse container geen bumper kan uitsteken over de ‘tranenplaat’.
45De locatie van de ondergrondse container is dusdanig dat er tot 10 meter boven de locatie geen kabels en leiding aanwezig zijn.
46De locatie van de ondergrondse container is zodanig gesitueerd dat het zicht op verkeersborden, wegbewijzering en verkeerslichten niet wordt belemmerd.
47De locatie bevindt zich niet direct naast een bushalte of officiële busbaan.
48De locatie voor een ondergrondse container bevindt zich niet op een laad- en losplaats.
49Rekening houden met ruimtebehoefte van evenementen (kermis, markt).
50De ondergrondse container wordt zo geplaatst dat de inwerpopening van de rijbaan af gericht is om veiligheid bij aanbieden te verhogen. Dit mag niet ten koste gaan van de bereikbaarheid van de ondergrondse container.
51De locatie voor een ondergrondse container bevindt zich niet op een parkeerplaats voor invaliden of arts. In het geval er geen andere optie is, dan de voornoemde parkeerplaats opschuiven.
52Aan de straatzijde van de ondergrondse container is het instellen van een parkeerverbod mogelijk.
53De locatie bevindt zich niet voor een inrit, carport of garage.
Criteria ten aanzien van woningen en gebouwen
54Minimumafstand tot balkon (hoogbouw) is 1,80 meter.
55Minimumafstand tot bebouwde erfgrens of erfafscheiding is 2,0 meter, tenzij niet anders mogelijk.
56Niet plaatsen op een beeldbepalende plek of waardevolle zichtlocatie, tenzij niet anders mogelijk.
57Niet direct plaatsen op de looplijn hoofdentrée gebouw, tenzij niet anders mogelijk.
58Bij grondgebonden woningen de containerzuil niet direct (binnen 1 meter) voor een woonkamerraam of keukenraam plaatsen (dit geldt niet wanneer de container tegenover in de straat staat).
Voor de fractie glas geldt een afstand van 2 meter.
59Plaatsing wordt zoveel mogelijk in lijn met andere objecten in de openbare ruimte uitgevoerd, voor zover mogelijk.
60De afstand van het hart van de locatie (de ondergrondse container) tot aan de erfgrens van een woning is minimaal 2 meter, maar zo mogelijk groter.
Voorkeursvolgorde bij inpassing in de openbare ruimte
A
Bestaande stoep, plein, gazon of groenvoorziening.
B
Parkeervak (compensatie afhankelijk van parkeerdruk).
C
Verwijderen boom indien geen andere opties beschikbaar zijn. In geval van verwijdering altijd herplant in de directe omgeving! Beschermde bomen worden nooit gekapt.
D
Verleggen kabels en leidingen.