Aanhef
Vastgesteld door burgemeester en wethouders van Valkenburg aan de Geul op 4 februari 2020
Hoofdstuk 3 Beleid
3.1 Beleidsregels:
Artikel 1: Begripsbepalingen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
•Aan- en uitbouw: een uit de gevel springend, in architectonisch opzicht ondergeschikt deel van een woning dat door haar indeling en inrichting bestemd is hoofdzakelijk te worden gebruikt ten behoeve van de woning;
•Achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant, van het hoofdgebouw;
•Achtergevel: het meest achterwaarts gelegen deel van een hoofdgebouw;
•Antenne-installatie: Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;
•Bebouwde kom: het op grond van een beoordeling van de feitelijke situatie en aard van de omgeving te begrenzen gebied met aaneengesloten bebouwing.
•Beleidsregel: de beleidsregel voor bouw- en gebruiksactiviteiten in strijd met het planologische regime (artikel 4 van bijlage II van het Bor) van de gemeente Valkenburg aan de Geul
•Beroepsmatig gebruik van een woning: het gebruik van (een beperkt gedeelte van) een woning en/of daarbij behorende aan- of uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen voor een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten door de hoofdbewoner op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende aan- of uitbouw en aangebouwd bijgebouw met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;
•Bestaand gebruik: het gebruik, incl. overgangsrecht, dat op grond van het bestemmingsplan is toegelaten en/of via een omgevingsvergunning is toegelaten.
•Bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd of ander bouwwerk met een dak;
•Bijgebouw: een al dan niet vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het hoofdgebouw en door zijn ligging, vorm, constructie of afmetingen onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw;
•Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond dat een eenheid vormt in gebruik, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegestaan;
•Bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels van een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;
•CIZ: Centrum Indicatiestelling Zorg;
•Daknok: hoogste punt van een schuin dak;
•Dakvoet: laagste punt van een schuin dak;
•Erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;
•Erker: een kleine grondgebonden uitbreiding van één bouwlaag aan de voorgevel van een woning;
•Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
•GGD: Gemeenschappelijke Gezondheid Dienst;
•Hoofdgebouw: een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming de belangrijkste is;
•Kleinschalig bedrijfsmatig gebruik van een woning: het gebruik van (een gedeelte van) een woning en/of daarbij behorende aan- of uitbouw en aangebouwd bijgebouw voor het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door de hoofdbewoner, in tegenstelling tot een beroepsmatig gebruik van een woning, gericht op consumentenverzorging geheel of overwegend door middel van handwerk, waarvan de omvang zodanig is dat de woonfunctie behouden blijft en waarvoor geen melding- of vergunningplicht op grond van de Wabo geldt;
•Mantelzorg: alle vormen van langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Bij de mogelijk hiervoor benodigde extra woonruimte dient er op het perceel in totaliteit sprake te zijn van bewoning door één huishouden;
•Mantelzorgcompliment: Een geldelijke blijk van waardering voor het bieden van Mantelzorg;
•Openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;
•Openbare weg: weg als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder b van de Wegenverkeerswet 1994;
•Overkapping: een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak, met maximaal één wand;
•Peil: voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk grenst aan een weg: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang. Bij ligging in het water: de gemiddelde hoogte van de aangrenzende oevers. In andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
•Permanente bewoning: van permanente bewoning is sprake indien hetzelfde huishouden de woonruimte meer dan 180 dagen in een aaneengesloten periode van 360 dagen bewoont;
•Recreatiewoning: een gebouw bestemd voor recreatief nachtverblijf voor personen die hun hoofdverblijf elders hebben; Recreatiewoningen zijn gelegen op een complex met verblijfsrecreatie als hoofdfunctie, bestaande uit meerdere recreatiewoningen voor tijdelijke verhuur door de exploitant of beheerder van het complex, eventueel in combinatie met andere vormen van recreatief verblijf (toeristische plaatsen, stacaravans, chalets);
•Uitbreiding: een aan- of uitbouw aan een hoofdgebouw;
•Vakantiewoning: een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat periodiek dient als verblijf voor personen die hun hoofdverblijf elders hebben en waar permanente bewoning door hetzelfde huishouden niet is toegestaan.
•Voorerfgebied: het erf dat buiten het achtererfgebied is gelegen;
•Voorgevel van een hoofdgebouw: het meest naar de wegzijde gekeerde deel van een hoofdgebouw;
•Voorgevelrooilijn: voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan of de beheersverordening;
•WMO: Wet Maatschappelijke Ondersteuning;
•Woning: een complex van ruimten, bedoeld voor de huisvestiging van één afzonderlijk huishouden;
•Woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst;
•Zijgevel: een gevel van een gebouw, die niet een voorgevel of een achtergevel is;
•Zijgevellijn: denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk tot aan de perceelsgrenzen.
Artikel 2
(Bor, bijlage II, artikel 4 lid 1):
Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan:
Dit artikel is niet van toepassing op vakantiewoningen.
Binnen de bebouwde kom
Een afwijking is mogelijk voor:
A: Bijbehorende bouwwerken bij woningen, met dien verstande dat:
1deze niet mogen worden gebouwd voor de voorgevelrooilijn;
2de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak voor hoofdgebouwen mag maximaal 80 m² bedragen, mits het perceel voor niet meer dan 50% bebouwd wordt;
3de op grond van het bestemmingsplan toelaatbare inhoud van de gebouwen (inclusief binnenplanse ontheffing) mag met niet meer dan 10% worden overschreden;
4de goothoogte maximaal 5 meter mag bedragen en bij een dakhelling van 0 graden (plat dak) de hoogte maximaal 0.3 meter boven de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer mag liggen;
5de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan minimaal 3 meter moet bedragen;
6indien de perceelsgrens grenst aan openbaar toegankelijk gebied, dient minimaal 2 meter uit deze perceelsgrens te worden gebouwd.
7bij vrijstaande woningen aan één zijde in of minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd en één zijdelingse perceelsgrens onbebouwd blijft;
8bij halfvrijstaande woningen in of minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd;
9de uitbreiding is bedoeld voor vergroting van het woongenot.
B: In afwijking van het bepaalde in A, lid 1 t/m 6 geldt voor erkers, luifels, balkons en ingangspartijen dat:
1de breedte maximaal 2/3 van de voorgevel van de woning mag bedragen en de breedte van hoekerkers maximaal 50%. Deze bouwdelen dienen minimaal 0.5 meter uit de zijgevel te zijn gesitueerd, met uitzondering van hoekerkers;
2de voorzijde maximaal 1 meter voor de voorgevelrooilijn van de woning mag liggen;
3de oppervlakte van een erker maximaal 4 m² mag bedragen;
4de hoogte niet meer mag bedragen dan de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag plus 0.3 meter en niet hoger zijn dan 4 meter en de woning, gemeten vanaf het aansluitend terrein;
5de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient 2 meter te zijn. Bij twee aan elkaar gekoppelde erkers, luifels, balkons en ingangspartijen bij een dubbel blok die tegelijk worden aangevraagd, is de voorgeschreven afstand van 2 meter tot de perceelsgrens niet van toepassing;
6maximaal 1 (hoek)erker per woning.
C: In afwijking van het bepaalde in A, lid 1/m 6 geldt voor overkappingen en carports dat:
1de hoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
2de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan minimaal 2 meter moet bedragen;
3de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 5 meter is;
4de oppervlakte maximaal 30 m² op het zij- en/of achtererf buiten het bebouwingsvlak mag zijn. Het erf mag in totaal niet voor meer dan 50% met een maximum van 30 m² worden bebouwd.
D: In afwijking van het bepaalde in A en C mag bij een hoekperceel één van de twee voorgevelrooilijnen worden overschreden, met dien verstande dat:
1Een bijbehorend bouwwerk voor de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd, mits;
a.het een hoeksituatie betreft waarbij sprake is van twee naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevels;
b.het bijbehorend bouwwerk ten minste 2 meter achter één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd;
c.ten hoogste één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt overschreden, welke gezien de ligging niet als logische voorgevelrooilijn kan worden aangemerkt;
d.het bijbehorende bouwwerk tenminste 2 meter uit het openbaar toegankelijk gebied wordt gebouwd, mits de voorgevelrooilijn van de aangrenzende percelen niet wordt overschreden;
e.de goothoogte maximaal 3 meter mag bedragen, met dien verstande dat bij een dakhelling van 0 graden (platte dakconstructie) de hoogte maximaal 0,3 meter boven de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer mag liggen;
f.de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan de oppervlakte genoemd in dit artikel onder A2 en niet meer dan 50% van het bij het oorspronkelijk hoofdgebouw behorende perceel bedraagt.
2Een carport voor de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd, mits:
a.het een hoeksituatie betreft waarbij sprake is van twee naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevels;
b.de carport ten minste 1 meter achter één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd;
c.ten hoogste één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt overschreden, welke gezien de ligging niet als logische voorgevelrooilijn kan worden aangemerkt;
d.de carport tenminste 2 meter uit het openbaar toegankelijk gebied wordt gebouwd, mits de voorgevelrooilijn van de aangrenzende percelen niet wordt overschreden;
e.de bouwhoogte van een carport ten hoogste 3 meter bedraagt;
f.de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, waaronder de carport ook valt, niet meer bedraagt dan de oppervlakte genoemd in dit artikel onder A2 en dat niet meer dan 50% van het perceel wordt bebouwd.
E: Voor een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning ten behoeve van bouwplannen die verband houden met uitbreidingen die als doel hebben het mogelijk maken van het verlenen van niet-professionele zorg aan mensen met een beperking en waarvoor op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) een noodzaak aanwezig is, bestaat de mogelijkheid om op grond hiervan ontheffing te verlenen, voor zover de noodzaak aangetoond is.
Per geval zal een afweging gemaakt worden. Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van het algemeen afwegingskader en de nadere beleidsregels die op grond van de WMO voor mantelzorgwoningen en bijzondere woonvormen zijn opgesteld.
F: Voor uitbreidingen bij andere gebouwen dan woningen geldt dat een afwijking van het bestemmingsplan alleen mogelijk is voor bouwwerken die voldoen aan de kenmerken van artikel 4, lid 1 van bijlage II van het Bor.
Daarbij geldt dat de oppervlakte van een perceel of van aaneengesloten en qua gebruik bij elkaar horende percelen die op grond van het bestemmingsplan bebouwd mag worden door de afwijking van het bestemmingsplan met niet meer dan 50% mag worden vergroot.
G: Voor het realiseren van een winterterras bij een horecabedrijf geldt dat een afwijking van het bestemmingsplan alleen mogelijk is als voldaan wordt aan de criteria vastgelegd in het gemeentelijke beleid voor terrassen en de gemeentelijke welstandsnota
Buiten de bebouwde kom:
Een afwijking is mogelijk voor:
A: Bijbehorende bouwwerken bij woningen die voldoen aan de kenmerken van artikel 4 lid 1 van het Bor, met dien verstande dat:
1deze niet mogen worden gebouwd voor de voorgevelrooilijn;
2de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak voor hoofdgebouwen mag maximaal 80 m² bedragen, mits het perceel voor niet meer dan 50% bebouwd wordt;
3de op grond van het bestemmingsplan toelaatbare inhoud van de gebouwen (inclusief binnenplanse ontheffing) mag met niet meer dan 10% worden overschreden;
4de goothoogte maximaal 5 meter mag bedragen en bij een dakhelling van 0 graden (plat dak) de hoogte maximaal 0.3 meter boven de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer mag liggen;
5de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan minimaal 3 meter moet bedragen;
6de afstand tussen vrijstaand bijgebouw en hoofdgebouw niet meer dan 20 meter mag bedragen (loodrecht gemeten);
7indien de perceelsgrens grenst aan openbaar toegankelijk gebied, dient minimaal 2 meter uit deze perceelsgrens te worden gebouwd;
8bij vrijstaande woningen aan één zijde in of minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd en één zijdelingse perceelsgrens onbebouwd blijft;
9bij halfvrijstaande woningen in of minimaal 2 meter uit de zijdelingse perceelsgrens wordt gebouwd;
10de uitbreiding is bedoeld voor vergroting van het woongenot.
B: In afwijking van het bepaalde in A, lid 1 t/m 6 geldt voor erkers, luifels, balkons en ingangspartijen dat:
1de breedte maximaal 2/3 van de voorgevel van de woning mag bedragen en de breedte van hoekerkers maximaal 50%. Deze bouwdelen dienen minimaal 0.5 meter uit de zijgevel te zijn gesitueerd, met uitzondering van hoekerkers;
2de voorzijde maximaal 1 meter voor de voorgevelrooilijn van de woning mag liggen;
3de oppervlakte van een erker maximaal 4 m² mag bedragen;
4de hoogte niet meer mag bedragen dan de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag plus 0.3 meter en niet hoger zijn dan 4 meter en de woning, gemeten vanaf het aansluitend terrein;
5de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens dient minimaal 2 meter te zijn. Bij twee aan elkaar gekoppelde erkers, luifels, balkons en ingangspartijen bij een dubbel blok die tegelijk worden aangevraagd, is de voorgeschreven afstand van 2 meter tot de perceelsgrens niet van toepassing;
6maximaal 1 (hoek)erker per woning is toegestaan.
C: In afwijking van het bepaalde in A, lid 1 t/m 6 geldt voor overkappingen en carports dat:
1de hoogte maximaal 3 meter mag bedragen;
2de afstand tot de voorgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan minimaal 1 meter moet bedragen;
3de afstand tot het openbaar toegankelijk gebied minimaal 3 meter moet bedragen.
D: In afwijking van het bepaalde in A en C mag bij een hoekperceel één van de twee voorgevelrooilijnen worden overschreden, met dien verstande dat:
1Een bijbehorend bouwwerk vóór de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan mag worden gebouwd, mits;
a.het een hoeksituatie betreft waarbij sprake is van twee naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevels;
b.het bijbehorend bouwwerk ten minste 3 meter achter één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd;
c.ten hoogste één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt overschreden, welke gezien de ligging niet als logische voorgevelrooilijn kan worden aangemerkt;
d.het bijbehorende bouwwerk tenminste 2 meter uit het openbaar toegankelijk gebied wordt gebouwd, mits de voorgevelrooilijn van de aangrenzende percelen niet wordt overschreden;
e.de goothoogte maximaal 3 meter mag bedragen, met dien verstande dat bij een dakhelling van 0 graden (platte dakconstructie) de hoogte maximaal 0,3 meter boven de bovenkant van de eerste verdiepingsvloer mag liggen;
f.de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken niet meer bedraagt dan de oppervlakte genoemd in dit artikel onder A2 en niet meer dan 50% van het bij het oorspronkelijk hoofdgebouw behorende perceel bedraagt.
2Een carport voor de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd, mits:
a.het een hoeksituatie betreft waarbij sprake is van twee naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevels;
b.de carport ten minste 1 meter achter een naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd;
c.ten hoogste één naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt overschreden, welke gezien de ligging niet als logische voorgevelrooilijn kan worden aangemerkt;
d.de carport tenminste 2 meter uit het openbaar toegankelijk gebied wordt gebouwd, mits de voorgevelrooilijn van de aangrenzende percelen niet wordt overschreden;
e.de bouwhoogte van een carport ten hoogste 3,00 m bedraagt;
f.de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken, waaronder de carport ook valt, niet meer bedraagt dan de oppervlakte genoemd in dit artikel onder A2 en dat niet meer dan 50% van het perceel wordt bebouwd.
E: Een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woning ten behoeve van bouwplannen die verband houden met uitbreidingen die als doel hebben het mogelijk maken van het verlenen van niet-professionele zorg aan mensen met een beperking en waarvoor op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) een noodzaak aanwezig is (mantelzorg), bestaat de mogelijkheid om op grond hiervan ontheffing te verlenen, voor zover de noodzaak aangetoond is.
Per geval zal een afweging gemaakt worden. Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van het algemeen afwegingskader en de nadere beleidsregels die op grond van de WMO voor mantelzorgwoningen en bijzondere woonvormen zijn opgesteld.
F: Voor uitbreidingen bij andere gebouwen dan woningen geldt dat een afwijking van het bestemmingsplan alleen mogelijk is voor bouwwerken die voldoen aan de kenmerken van artikel 4, lid 1 van bijlage II van het Bor, mits de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd.
Daarbij geldt dat de oppervlakte van een perceel of van aaneengesloten en qua gebruik bij elkaar
horende percelen die op grond van het bestemmingsplan bebouwd mag worden door de afwijking
van het bestemmingsplan met niet meer dan 50% mag worden vergroot.
Artikel 3
(Bor, bijlage II, artikel 4, lid 2):
Een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening:
Een afwijking van het bestemmingsplan is alleen mogelijk voor een gebouw ten behoeve van infrastructurele of openbare voorzieningen, als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a van bijlage II van het Bor, die voldoen aan de kenmerken van artikel 4 lid 2 van het Bor, mits zorgvuldig onderbouwd.
Artikel 4
(Bor, bijlage II, artikel 4, lid 3):
Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk:
Een afwijking van het bestemmingsplan voor bouwwerken geen gebouw zijnde die voldoen aan de kenmerken van artikel 4 lid 3 van bijlage II van het Bor. Voor het bouwen van erf- en terreinafscheidingen bij grondgebonden woningen en vakantie- en recreatiewoningen gelden de volgende bepalingen:
a.de hoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel c.q. het verlengde daarvan en niet grenzend aan de openbare ruimte mag maximaal 3 meter bedragen mits deze op minimaal 1 meter achter de naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt gebouwd;
b.de hoogte van erf- en terreinafscheidingen in zij- en achtertuinen bij hoekwoningen mag maximaal 2 meter bedragen mits:
•het een erf- of terreinafscheiding betreft die bestaat uit een open constructie;
•geen onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid plaatsvindt;
•dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld en
•de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
c.de hoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór de naar het openbaar gebied gekeerde gevels c.q. het verlengde daarvan mag maximaal 2 meter bedragen mits:
•de breedte maximaal 1,5 meter bedraagt en deze haaks op de voorgevel van de woning wordt geplaatst;
•de afstand tot de openbare ruimte minimaal 2 meter is;
•het een erf- of terreinafscheiding betreft die bestaat uit een open constructie;
•dit passend is in het straat- en bebouwingsbeeld en
•de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden aangetast.
d.een combinatie van de onder a. t/m c. genoemde bepalingen is mogelijk;
e.wanneer van een combinatie van de bepalingen onder a. en c. plaatsvindt dan mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor het tussenliggende perceelsgedeelte maximaal 2 meter bedragen mits deze op gelijke wijze wordt uitgevoerd.
Artikel 5
Bor, bijlage II, artikel 4 lid 4:
een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw:
Een afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend indien (bij een vergunningplicht voor de activiteit ‘bouwen’) voldaan wordt aan redelijke eisen van welstand, waarbij in elk geval zorgvuldig rekening wordt gehouden met precedenten bij naburige gebouwen of op naburige percelen tot een periode van 10 jaar geleden vanaf het moment van de aanvraag.
Voor het plaatsen van een dakopbouw op een woning gelden de volgende bepalingen:
a.de dakopbouw mag uitsluitend op het achterdakvlak worden geplaatst, mits dit achterdakvlak afgekeerd is van de openbare ruimte;
b.de dakopbouw mag de bestaande daknok van de woning met maximaal 1 meter overschrijden;
c.de dakopbouw dient ten minste 1 meter uit de zijdelingse dakrand te worden geplaatst.
Artikel 6
Bor, bijlage II, artikel 4, lid 5:
Een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m:
Een afwijking van het bestemmingsplan wordt alleen verleend indien aantoonbaar voldaan wordt aan het gemeentelijk antennebeleid.
Artikel 7
Bor, bijlage II, artikel 4, lid 6:
een installatie bij glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998:
Een afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend voor een installatie als bedoeld in bijlage II, artikel 4, lid 6 van het Bor, mits zorgvuldig onderbouwd.
Artikel 8
Bor, bijlage II, artikel 4, lid 7:
een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd:
Een afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend voor een installatie als bedoeld in bijlage II, artikel 4, lid 7 van het Bor, mits zorgvuldig onderbouwd.
Artikel 9
Bor, bijlage II, artikel 4, lid 8:
het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied
Een afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend, mits zorgvuldig onderbouwd.
Artikel 10
Bor, bijlage II, artikel 4, lid 9:
Het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein:
Het beleid geldt voor een aantal te onderscheiden categorieën .
1Gebouw, een woning of woongebouw zijnde:
Een afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend, mits de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd. In de onderbouwing dient in ieder geval aangetoond te worden dat:
•de nieuwe functie past binnen de omgeving;
•de nieuwe functie niet tot een toename van de verkeersbelasting en de parkeerdruk leidt met onevenredig negatieve ruimtelijke gevolgen voor de omgeving;
•de nieuwe functie geen onevenredig negatieve milieueffecten veroorzaakt voor de omgeving en een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is.
Ingeval sprake is van het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad moet aanvullend aangetoond worden dat voldaan wordt aan de uitgangspunten van het regionale en gemeentelijke woonbeleid.
2Gebouw, een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw aan een woning voor `mantelzorg zijnde:
Voor het gebruik van een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw als woonruimte ten behoeve van het bieden of ontvangen van mantelzorg gelden de volgende voorwaarden:
•afwijking wordt uitsluitend verleend voor percelen waarop een (bedrijfs-) woning aanwezig is, die krachtens het bestemmingsplan op de betreffende gronden toelaatbaar is;
•per bouwperceel is maximaal 1 aan- of uitbouw of aan de woning gebouwd bijgebouw als mantelzorgvoorziening toegestaan;
•er is op objectieve wijze vastgesteld dat er sprake is van mantelzorg, door middel van een indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) of een beschikking van de Gemeenschappelijke Gezondheid Dienst (GGD). In beide gevallen worden als toetsingscriteria de toetsingscriteria voor het landelijke Mantelzorgcompliment toegepast;
•de specifieke beleidsregels voor aan- of uitbouwen of bijgebouwen, zoals opgenomen onder artikel 2 en 3, worden in acht genomen;
•de afwijking heeft niet tot gevolg dat de belangen van derden onevenredig worden geschaad;
•er is aangetoond dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de betreffende aan- of uitbouw of aan de woning gebouwd bijgebouw (gezondheid, veiligheid, milieuhinder);
•er dient voldaan te worden aan de nieuwbouweisen zoals opgenomen in het bouwbesluit voor woonfuncties tenzij aan deze eisen in de specifieke omstandigheden in redelijkheid niet voldaan kan worden. In die situatie kan afwijking verleend worden tot het nivo van de eisen bestaande bouw voor woonfuncties.
3Gebouw, een woning, een aan- of uitbouw of aangebouwd bijgebouw voor de uitoefening van een aan- huis gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijnde:
•afwijking wordt uitsluitend verleend voor percelen waarop een (bedrijfs-) woning aanwezig is, die krachtens het bestemmingsplan op de betreffende gronden toelaatbaar is;
•de activiteiten mogen uitsluitend uitgeoefend worden door de hoofdbewoner(s);
•het vloeroppervlak ten behoeve van kantoor- en praktijkruimten en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mag niet groter zijn dan 25% van het vloeroppervlak van de woning inclusief aan- en uitbouwen met een maximum van 60 m²;
•ten behoeve van de kantoor- en praktijkruimten en de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten moet op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien;
•de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten mogen geen nadelige invloed hebben op de normale afwikkeling van het verkeer en niet gepaard gaan met horeca en detailhandel, uitgezonderd beperkte detailhandel die causaal verband houdt met en ondergeschikt is aan de uitoefening van de betrokken kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;
•op de bij de betreffende woning behorende gronden mag geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden;
•de afwijking mag niet tot gevolg hebben dat de belangen van derden onevenredig worden geschaad;
•aangetoond moet zijn dat geen sprake is van een verslechtering van het woon- en leefklimaat;
•voldaan dient te worden aan de nieuwbouweisen zoals opgenomen in het bouwbesluit voor de betreffende gebruiksfuncties tenzij aan deze eisen in de specifieke omstandigheden in redelijkheid niet voldaan kan worden. In die situatie kan afwijking verleend worden tot het nivo van de eisen bestaande bouw voor de betreffende gebruiksfuncties.
4Gebouw, geen woning of woongebouw zijnde:
Een afwijking van het bestemmingsplan wordt verleend, mits de overwegingen om af te wijken zorgvuldig zijn onderbouwd. In de onderbouwing dient in ieder geval aangetoond worden dat:
•de nieuwe functie past binnen de omgeving;
•de nieuwe functie niet tot een toename van de verkeersbelasting en de parkeerdruk leidt met onevenredig negatieve ruimtelijke gevolgen voor de omgeving;
•de nieuwe functie geen onevenredig negatieve milieueffecten veroorzaakt voor de omgeving en een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is.
Ingeval sprake is van het toevoegen van woningen aan de woningvoorraad moet aanvullend aangetoond worden dat voldaan wordt aan de uitgangspunten van het regionale en gemeentelijke woonbeleid.
5Bouwwerken geen gebouwen zijnde:
Er wordt geen afwijking van het bestemmingsplan verleend voor het veranderen van de bestaande functie van bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Artikel 11
Bor, bijlage II, artikel 4, lid 10:
Het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning:
Er wordt geen afwijking van het bestemmingsplan verleend voor het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning.
Artikel 12
Bor, bijlage II, artikel 4, lid 11
Ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar:
Een afwijking van het bestemmingsplan is mogelijk, mits zorgvuldig onderbouwd.
Artikel 13
Hardheidsclausule
Kortheidshalve wordt verwezen naar artikel 4.84 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin de hardheidsclausule voor beleidsregels is opgenomen.