5. Voorwaarden voor opwekinstallaties zonne-energie
Voorwaarden per trede
Voorwaarde 1: landschappelijke inpassing
Deze voorwaarde geldt voor:
-Trede 3 > 200 m2
-Trede 4: elke oppervlakte
Een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing heeft te maken met de wijze waarop een opwekinstallatie ruimtelijk logisch aansluiting vindt bij de bestaande kenmerken van de locatie zelf en van de directe omgeving. Dit vraagt telkens om andere oplossingen en een voor die locatie passend plan. Iedere locatie heeft daarbij zijn eigen kenmerken zoals bebouwingsstructuren, verkavelingspatronen en landschapselementen.
Zowel voor kleine als grootschalige opwekinstallaties in landelijk gebied moet het landschap leidend zijn voor de inrichting en vormgeving. Hiervoor bestaan op verschillende schaalniveaus ontwerpprincipes en –eisen voor een landschappelijke inpassing, te weten, het landschap, de kavel en het object.
Nieuwe ingrepen zullen het landschap wel veranderen maar mogen niet overheersen omdat andere belangen zoals toerisme, leefbaarheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol moeten blijven spelen. Dat uitgangspunt is wettelijk verankerd met het principe van de evenwichtige toedeling van functies aan de locaties (etfal) in de Omgevingswet.
Daarnaast moet een ontwerp gericht zijn op behoud en waar mogelijk verbetering van de bestaande kwaliteit van de locatie. Door bijvoorbeeld meervoudig ruimtegebruik en koppelkansen mee te nemen in het ontwerp krijgt het initiatief een meerwaarde voor de locatie en de omgeving.
De opwekinstallatie moet zowel visueel als vanuit de landschappelijke beleving zoveel mogelijk in de omgeving opgaan. Daarbij is extra aandacht voor stimuleren van de biodiversiteit en de berging en infiltratie van hemelwater ter plaatse een vereiste.
De opwekinstallatie voldoet aan onderstaande vereisten tot het moment van publicatie van het EcoCertified Solar Parks label,
Zodra het EcoCertified label beschikbaar komt (verwacht najaar 2025) gelden de voorwaarden uit het EcoCertified label.
Om een EcoCertified Solar Park te zijn, moet voldaan worden aan de in het label gestelde ondergrens voor onder- en bovengrondse biodiversiteit. Het streven is echter een zo hoog mogelijke puntenscore onder dit label.
Onderstaande eisen en thema's blijven wel van toepassing voor zover het EcoCertified label over die eisen en thema's niets regelt.
De eisen voor inpassing en beheer zijn de navolgende:
Inpassing en omgeving:
•Ontwerp van de opwekinstallatie en ruimtelijke inpassing daarvan door een gekwalificeerd landschapsontwerper.
•Rekening houden met en plaatsen binnen bepaalde bestaande landschapsstructuren (zoals kavelgrenzen, paden, steilranden, sloten, wadi’s en beplantingselementen).
•Rekening houden met de schaal van het landschap.
•Autonome vormen zijn mogelijk, mits goed ontworpen.
•Kansen benutten van het versterken of herstellen van (historische) landschapskarakteristieken.
•Rekening houden met zichtlijnen in het landschap vanaf huizen, wegen en paden. Bij voorkeur is de installatie niet zichtbaar vanaf de tegenoverliggende dalhelling. Voor agrarische gronden (trede 4) geldt een uitsluiting op de dalhellingen, deze zijn dus alleen toegestaan op de plateau’s. Als onzichtbaarheid naar inzicht van het College niet voldoende kan worden bewerkstelligd, dan kan het College besluiten de opwekinstallatie niet toe te staan.
•Omranding van de opwekinstallatie:
•een groene rand met natuurwaarde wordt toegepast aan de randen van de opstelling en moet als uitgangspunt minimaal 3 m breed zijn. Hiervan kan afgeweken worden als de specifieke eigenschappen van de locatie daar aanleiding toe geven;
•ii. de randstructuur speelt in op de lokale landschappelijke elementen, bijvoorbeeld lokaal aanwezige planten; riet bij lokaal aanwezige sloot, etc.
•Toepassen van materiaalkleuren die aansluiten bij de natuurlijke omgeving van de opwekinstallatie.
•Plaats de bijkomende elementen (omvormers, transformatoren, bewakingsmaatregelen, etc) in een logische en ordelijke wijze in het veld. Voorkom losstaande objecten aan de rand van de opwekinstallatie. Neem dit ook integraal mee in het beeldkwaliteitsplan.
•Zorg voor uniformiteit en voorkom variatie tussen delen die in verschillende fasen zijn gebouwd. Uitgangspunt is een rustig, uniform beeld.
•De initiatiefnemer legt de opwekinstallatie aan conform de NISP, “nature inclusive solar parks”, een richtlijn voor natuurinclusieve zonneparken en gelanceerd door Kiwa (richtlijn K11007) of vergelijkbaar.
•Houdt rekening met zichtlijnen naar monumentale gebouwen.
•Bestaande paden en wegen blijven begaanbaar en openbaar.
•Omheining:
•bij voorkeur geen hekwerk.
•indien een omheining (aantoonbaar) toch nodig is (bijvoorbeeld ter voorkoming van diefstal of vandalisme), dan een afstand van het hekwerk tot de openbare weg van minimaal 4 meter.
•ook het hekwerk past bij de omgeving; niet hoger dan nodig en zoveel mogelijk gebruik makend van natuurlijke materialen (bijvoorbeeld houten palen).
•hekwerk zoveel mogelijk camoufleren met gebiedspecifieke beplanting (struweel, haag, takkenril).
•zorg voor openingen (bijvoorbeeld aan de onderzijde), zodat veel voorkomende in het wild levende zoogdieren, amfibieën en reptielen erdoorheen kunnen.
•Minimale schittering of lichthinder van de opwekinstallatie voor omwonenden en/of gebruikers van de omgeving. Eén kleur paneel gebruiken, zo min mogelijk opvallend, en bij voorkeur effen (geen belijning).
•In beginsel geen landschapselementen aantasten (waaronder: bomen kappen). Hiervan is eventueel af te wijken als er sprake is van een totaalplan voor landschappelijke inpassing, waarbij er sprake is van per saldo natuurlandschappelijke versterking en waarbij waardevolle landschapselementen behouden blijven. De beoordeling van dat plan gebeurt door een specialist op het gebied van natuur en landschap.
•De kavel zoveel mogelijk opvullen en uitlijnen.
Bodem en begroeiing:
•Uitgangspunt is een geheel onverharde ondergrond van de opwekinstallatie, tenzij vanuit het oogpunt van brandveiligheid een zo klein mogelijk (half)verhard pad noodzakelijk is.
•Verdroging van de bodem tegen gaan door ten minste 25% onbedekt oppervlak tussen en rond de panelen met inheemse en kruidenrijke vegetatie.
•Landscape georiënteerde panelen met een minimale tussenruimte van 1 centimeter op het frame. Dit zorgt voor een betere regenwaterverdeling.
•Plaats de panelen niet direct tegen de bodem aan, maar zorg voor voldoende afstand tussen het maaiveld en de panelen, zodat voldoende licht en lucht de bodem en vegetatie kan bereiken waarbij de meest recente wetenschappelijke stand van zaken aan wordt gehouden.
•Bij wolkbreuken/piekbuien water zoveel mogelijk op eigen terrein opvangen, door vegetatie en waar nodig en mogelijk opvang. Daarnaast dient gekeken te worden naar de mogelijkheid om water op te vangen dat afkomstig is vanuit de omgeving. Als er een overcapaciteit is op het terrein, kan buffering van neerslag gezien worden als een koppelkans.
•Natuurlijke elementen blijven of nemen in omvang toe, en waardevol groen blijft bestaan.
•Op (voormalige) landbouwgronden moet overeenkomstig advies van de WUR (Wageningen University en Research)
6https://edepot.wur.nl/541057
minimaal de eerste 5 jaar worden gemaaid en het maaisel afvoeren, bij kleigrond 3x maaien per jaar en zandgrond 2x per jaar. Na verschraling landschap maaibeurten verminderen en extensief vegetatiebeheer van inheemse kruidenrijke vegetaties die zo laat en zo weinig mogelijk worden gemaaid of begrazing door grazers.
•Aanleg en beheerplan met monitoringsplan in samenwerking met lokale natuurorganisaties.
•Geen gebruik van pesticiden en herbiciden, geen drijfmest, kunstmest of andere vormen van chemische en/of intensieve bemesting of bestrijding.
•Behoud bijzondere habitats, en/of aanleg daarvan (poelen, takkenrillen, houtstapels of braakvegetatie).
Voorwaarde 2: financiële participatie en lokaal eigendom
Geldt voor:
-Trede 2, groter dan 200 m2
-Trede 3, groter dan 200 m2
-Trede 4, groter dan 200 m2
Een vast onderdeel van initiatieven in onze gemeente is financiële participatie voor initiatieven groter dan 200 m2. Naast het zo goed als mogelijk inpassen, zijn we ook een voorstander van lokaal eigendom van de energie-opwek.
Het uitgangspunt is dat door participatie het draagvlak voor een initiatief stijgt. De participatiegraad is onderdeel van de beoordeling van opwekinstallaties. De mate van participatie sluit aan bij de potentiële impact van het project.
Op basis van de lijst “Adviesrecht en verplichte participatie bij afwijken van het omgevingsplan” , paragraaf 4 (energieopwekking) moet – bij afwijken van het omgevingsplan – voor opwekinstallaties groter dan 1 ha advies worden ingewonnen bij de gemeenteraad.
Er zijn verschillende mogelijkheden voor financiële participatie, van een hogere mate van zeggenschap naar een lagere. Deze vormen kunnen naast elkaar cq in combinatie met elkaar bestaan, waarbij een voorkeur bestaat voor de eerste vorm (lokaal eigendom):
1Lokaal eigendom
Dat is de vorm van financiële participatie met de grootste mate van zeggenschap van de deelnemers. Onder lokaal eigendom verstaan wij: eigendom van lokale partijen, dat wil zeggen, partijen die gevestigd zijn in de lokale omgeving van het project, zoals hieronder uitgewerkt in uitgangspunt 5. Dit kunnen inwoners, bedrijven, lokale overheden, waterschappen of andere lokale partijen zijn, die individueel of gezamenlijk in collectief verband (mede-)eigenaar zijn van de opwekinstallaties. Als eigenaren hebben zij zeggenschap over de bedrijfsvoering en opbrengsten. De term ‘eigendom’ duidt op juridisch en/of economisch eigendom, het juridisch (mede-) bezitten van een energieproject.
2Financiële deelneming
Inwoners en partijen doen financieel mee met het park, waarvan door inwoners minimaal een deel wordt ingelegd. Dit kan bijvoorbeeld door obligaties te kopen maar ook door financiële deelneming via bijvoorbeeld crowdfunding of andere vorm van financiële inbreng in de realisatie en exploitatie in de opwekinstallatie voor zonne-energie. Middels deze vorm van financiële participatie krijgen zij geen zeggenschap over het park.
3Omgevingsfonds
Een deel van de opbrengst wordt in een fonds gestort dat ten goede komt aan de lokale omgeving, zoals bijvoorbeeld de lokale verenigingen, het aanleggen van een lokale speeltuin, het vergroenen van de buurt of verduurzamen van maatschappelijke gebouwen in de omgeving. Beheer van het fonds (wie en de wijze waarop) wordt vastgesteld in afstemming met de stakeholders van de opwekinstallatie en het omgevingsfonds. Dit wordt toegelicht in het participatie- en/of profijtplan. De gemeente wordt in elk geval betrokken bij de inventarisatie en vormgeving van een omgevingsfonds. De gemeente mag, indien zij dat wenst, samen met de andere partijen, een actieve rol nemen in de vormgeving en beheer van het omgevingsfonds.
4Omwonendenregeling
De omwonenden (zoals hierna bepaald onder uitgangspunt 3) worden individueel of als groep op één of andere manier gecompenseerd.
De uitgangspunten bij voornoemde vier vormen van financiële participatie zijn de volgende:
Uitgangspunt 1
Wij stellen (conform de POVI/POL) het streven naar minimaal 51% lokaal eigenaarschap als voorwaarde voor realisatie van opwekinstallaties groter dan 200 m2. Een initiatiefnemer heeft een inspanningsverplichting om te komen tot 51% lokaal eigendom. Dit eigenaarschap ziet op de opwekinstallatie zelf, op de opbrengsten daarvan, maar ook op de eventuele bijbehorende batterijopslag.
Initiatiefnemer dient met de omgeving (als bedoeld in uitgangspunt 3 hieronder) in gesprek te gaan over de vorm van financiële participatie voor het betreffende initiatief. Initiatiefnemer licht middels een communicatie- en participatieplan toe hoe hij de omgeving bepaalt, hen betrekt en hoe hij omgaat met de wensen van de omgeving om te komen tot een zo groot mogelijke mate van lokaal eigendom, met als streven 51% lokaal eigendom.
Er geldt een motiveringsplicht wanneer het percentage van 51% lokaal eigendom niet wordt gehaald. In dat geval zal de inspanning worden getoetst die is gepleegd om te komen tot 51% lokaal eigendom.
De invulling van het streven naar lokaal eigendom wordt uitgedrukt in een percentage van het totale eigendom van de opwekinstallatie.
Uitgangspunt 2
Wanneer 51% lokaal eigendom ondanks gepleegde inspanningen niet haalbaar blijkt, worden andere vormen van financiële participatie verkend en waar mogelijk ingezet met als streven een zo hoog mogelijke mate van lokaal zeggenschap en/of lokale (financiële) voordelen. Ook voor deze inspanning geldt een motiveringsplicht.
Uitgangspunt 3
Voor alle instrumenten (mede-eigenaarschap, financiële deelneming, omwonendenregeling, omgevingsfonds) hanteren we de volgende definities van ‘omgeving’:
Voor mede-eigenaarschap en financiële deelneming geldt Zuid-Limburg als bredere zone, maar met prioriteit voor de directe omgeving (straal van 1,25 km rondom de opwekinstallatie).
Voor het omgevingsfonds en de omwonendenregeling hanteren we, conform praktijk en RES-richtlijnen, een kleinere straal van 500m rondom de opwekinstallatie tot maximaal 1,25 km indien er binnen een staal van 500m geen of te weinig omwonenden zijn die willen deelnemen. Voor het omgevingsfonds kan gemotiveerd ook gekozen worden voor aansluiting bij een nabijgelegen dorpskern, wijk of (CBS-)buurt, ook indien deze (deels) buiten de genoemde straal is gelegen. De reden daarvoor is dat een omgevingsfonds collectief profijt nastreeft voor een nabijgelegen gebied, bijvoorbeeld in de vorm van een maatschappelijke voorziening voor die buurt, zodat het logisch kan zijn bij de afbakening de (hele) buurt te betrekken.
De nadruk bij het bepalen van de partijen in de omgeving die mogen participeren ligt op bewoners, lokale middenstanders (MKB) of een samenwerkingsverband daarvan zoals een lokale energiecoöperatie of -gemeenschap. De initiatiefnemer spant zich in om deze partijen te laten deelnemen. Dit voorkomt dat (alleen) grote regionale partijen participeren ten koste van bewoners dichtbij.
Uitgangspunt 4
Bij de vergunningsaanvraag wordt naast het communicatie- en participatieplan een profijtplan ingediend.
Een profijtplan wordt opgesteld in afstemming met de omgeving, waarin dient te worden beschreven hoe de omgeving (bijvoorbeeld financieel) kan meeprofiteren van de projectontwikkeling, waarbij men transparant en concreet is over:
•welke stakeholders participeren in het zonnepark; hoe worden deze bepaald, bereikt en geactiveerd worden;
•de wijze(n) van financiële participatie en de verdeling daarvan over het project;
•het proces en de zeggenschap (o.a. wie mag meepraten en wie beslist over opbrengsten verdeling);
•de informatieverstrekking naar deelnemers (hoe krijgt iedereen dezelfde informatie?);
•de mate waarin inzicht wordt gegeven in de boekhouding van het project (tenminste hoofdlijnen kosten / baten);
•de hoofdlijnen van de verdeling van baten tussen grondeigenaren, investeerders en omgeving;
Uitgangspunt 5
Om ook mensen met een kleine portemonnee mee te laten profiteren heeft het de voorkeur dat de initiatiefnemer de mogelijkheden voor omwonenden met een kleinere portemonnee samen met de omgeving verkent. Hij zal zijn daarop gerichte inspanningen inzichtelijk maken in het communicatie-, participatie- en/of profijtplan. De gemeente staat ook open voor andere creatieve oplossingen vanuit de initiatiefnemer waarmee de maatschappelijke baten van het initiatief (kunnen) worden vergroot.
Uitgangspunt 6
Voor de ontwikkeling van een initiatief op eigen gronden van de gemeente geldt dat de gemeente bij een gronduitgifte voornoemde criteria inzake financiële participatie als kwalitatief gunningscriterium opneemt.
Voorwaarde 3: netcongestie
Geldt voor: treden 1 en 2: voor opwekinstallaties > 200m2 en voor treden 3 en 4 (alle oppervlakten).
Om direct verbruik van opgewekte zonne-energie te bewerkstelligen, heeft de initiatiefnemer een inspanningsverplichting om de opwek zoveel mogelijk te koppelen aan energievragers. Bijvoorbeeld door de opwek achter de meter in te voeden, de locatie van de opwekinstallatie in de buurt van afnemers te realiseren, een directe lijn te realiseren, de opweklocatie te koppelen aan oplaadpunten voor auto’s en fietsers, etc.
Bij aansluiting op het net zonder (voldoende) directe afname is batterijopslag of andere buffering (bijvoorbeeld warmtebuffer) bij de opwekinstallatie gewenst. (Ook) daartoe zal de initiatiefnemer zich inspannen.
Bij aansluiting van de opwekinstallatie op het bestaande netwerk zijn afspraken met de netwerkbeheerder een essentieel onderdeel bij de aanvraag voor realisatie. De afspraken moeten de haalbaarheid van het initiatief in relatie tot netcongestie waarborgen.
Voorwaarde 4: inpassing in bebouwd gebied en bebouwde locaties in buitengebied
Geldt voor: trede 2, 3 > 200m2
Inpassing rekening houdend met en passend bij de directe omgeving. Verhoog indien mogelijk de esthetische omgevingskwaliteit, bijvoorbeeld door gebruik te maken van materiaal dat beter past bij de omgeving.
De opwekinstallatie gaat niet ten koste van, en bij voorkeur versterkt, de water- en groenvoorziening in het gebied, vermindert of in elk geval verergert hittestress niet en verbetert bij voorkeur klimaatadaptatie inclusief waterberging/-doorlatendheid. Waar mogelijk wordt de biodiversiteit vergroot. Voor trede 3 zijn deze eisen verder uitgewerkt in voorwaarde 1 ‘landschappelijke inpassing’.
Creëren van een groene zone of groene wal tussen direct aangrenzende woningen en de opwekinstallatie is wenselijk indien de direct aanwonenden daarop prijs stellen, tenzij dit redelijkerwijs niet uitvoerbaar is (bijvoorbeeld wegens ruimtegebrek of privaatrechtelijke belemmeringen), de kosten daarvan niet in redelijke verhouding staan tot de installatie en de exploitatie daarvan of om andere zwaarwegende redenen.
Voorwaarde 5: inpassing op verkeersgronden
Geldt voor: trede 3, op verkeersgronden gelegen naast verkeersinfrastructuur incl. restruimte van op- en afritten/krul op snelwegen.
De plaatsing van de opwekinstallatie houdt rekening met de inrichting van de infrastructuur en vindt plaats in afstemming met de eigenaar of beheerder van de verkeersinfrastructuur.
Gebruik restruimtes bij/in op- en afritten/krul op snelwegen heeft de voorkeur boven andere verkeersgronden. Dalhellingen, anders dan voor Rijksprogramma OER, zijn uitgesloten. Indien andere verkeersgronden aangewend worden, dan moet initiatiefnemer onderbouwen waarom realisatie op restruimtes van op- en afritten/krul op snelwegen niet mogelijk of nadeliger is dan andere verkeerslocaties.
Voorwaarde 6: ontmanteling
Geldt voor:
-trede 2 >200m2
-trede 3, alle groottes, maar voor installaties < 200 m2 geldt dit vereiste alleen bij verkeersgronden die groene ondergrond hadden voorafgaand aan plaatsing opwekinstallatie
-trede 4, met uitzondering van installaties geplaatst op agrarisch bouwvlak
Grondgebonden opstellingen hebben in beginsel een tijdelijk karakter. Dat betekent dat deze opwekinstallaties voor zonne-energie met de bijbehorende voorzieningen na afloop van de exploitatietermijn verwijderd dienen te worden. De verwijdering na de maximale gebruikstermijn moet juridisch en financieel zijn geborgd. Hierbij is het uitgangspunt dat de situatie van voor de realisatie van de installatie wordt hersteld met uitzondering van eventuele investeringen die ten behoeve van het versterken van de landschappelijk kwaliteit zijn gedaan. De verwijdering betreft dus in ieder geval de feitelijke opwekinstallatie voor zonne-energie met toebehoren, alsmede de bijbehorende gebouwen, bouwwerken en hekwerken. De verwijdering hoeft niet in te houden dat de maatregelen voor landschappelijke inpassing ongedaan worden gemaakt en het landschap weer terug wordt gebracht naar de oorspronkelijke staat, voordat de opwekinstallatie was gerealiseerd. Indien met de realisatie van de opwekinstallatie de landschappelijke kwaliteit is verbeterd of is versterkt, dient te worden geborgd dat deze landschappelijke verbeteringen gehandhaafd blijven.
Voorwaarde 7: extra onderbouwingsvereisten
Dit vereiste geldt voor:
-treden 2 en 3 kleiner dan 1 ha: ecologische quickscan;
-treden 2 en 3: groter dan 1 ha;
-trede 4: alle oppervlakten;
Voor de realisatie van opwekinstallaties op gronden (dus niet op gebouwen) zijn, naast de wettelijk en uit hoofde van het omgevingsplan benodigde stukken, voor de aanvraag van een omgevingsvergunning een beeldkwaliteitsplan en een ecologisch inrichtings- en beheerplan met de onderwerpen zoals hieronder aangegeven vereist. Bij treden 2 en 3 zal ook toetsing plaatsvinden door de Provincie op de wijze omschreven in POVI en POL. In deze plannen worden de voorwaarden in dit beleidskader die op de opwekinstallatie van toepassing zijn uitgewerkt.