Aanhef
De raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025;
Gelet op:
•artikel 228a van de Gemeentewet;
BESLUIT
vast te stellen de:
Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing Utrechtse Heuvelrug 2026
(Verordening rioolheffing Utrechtse Heuvelrug 2026)
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Deze verordening verstaat onder:
a.gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
b.verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterleidingbedrijf betrekking heeft;
c.water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.
Artikel 2 Aard van de belasting
Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a.de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b.de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht
1De belasting wordt geheven van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.
2Met betrekking tot de belasting als bedoeld in het eerste lid, wordt als gebruiker aangemerkt:
a.gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 232, vierde lid, onderdeel a, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;
b.gebruik door de persoon aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven;
c.het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de persoon die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting
1Voorwerp van de belasting is een perceel.
2Als perceel wordt aangemerkt:
a.de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;
b.de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e.het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5 Maatstaf van heffing
1De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid wordt voor gebruikers van percelen die in hoofdzaak tot woning dienen geheven per perceel, en voor gebruikers van percelen die niet in hoofdzaak tot woning dienen naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.
2Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in het aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van 365 dagen, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald.
3Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:
a.watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of
b.bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.
4De op de voet van het tweede lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die aantoonbaar niet is afgevoerd.
5Indien voor de in het eerste lid bedoelde percelen die niet in hoofdzaak tot woning dienen, sprake is van het ontstaan van een belastingplicht op een nieuw verbruikersadres, voor het eerst bekend geworden na afloop van de verbruiksperiode en waarvan geen sprake is van bekend zijnde verbruiksgegevens, dan wel sprake is van een negatief waterverbruik of geen waterverbruiksgegevens bekend zijn, wordt: de hoeveelheid water op 1 januari van het belastingjaar of bij aanvang van de belastingplicht bepaald op basis van schatting, door vergelijking soort bedrijf en aantal medewerkers met bekend zijnde verbruiksgegevens.
Artikel 6 Belastingtarieven
1De belasting als bedoeld in artikel 3, bedraagt voor percelen die in hoofdzaak tot woning dienen:
a.€ 332,95 per perceel per belastingjaar,
b.vermeerderd met € 72,38 indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door meer dan één persoon.
2De belasting als bedoeld in artikel 3, is voor percelen die niet in hoofdzaak tot woning dienen, afhankelijk van het waterverbruik conform bijbehorende tarieventabel.
Artikel 7 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8 Wijze van heffing
De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
1De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4Indien het aantal personen dat gebruik maakt van een perceel in de loop van het jaar wijziging ondergaat, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar na de wijziging nog volle kalendermaanden overblijven. Deze ontheffing bestaat uit het verschil in tarief over die periode, tussen de eerder vastgestelde belastingschuld en de belastingschuld na wijziging.
5Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander eigendom in gebruik neemt.
5Aanslagen van € 10,00 of minder worden niet opgelegd. Voor de toepassing van de vorige volzin, wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één aanslag.
Artikel 10 Termijnen van betaling
1In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in maximaal tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 11 Kwijtschelding
Bij de invordering van rioolheffing kan uitsluitend kwijtschelding worden verleend voor rioolheffing voor huishoudens.
Artikel 12 Overgangsrecht
De verordening rioolheffing 2025 vastgesteld door de gemeenteraad van de Utrechtse Heuvelrug op 16 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 13, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 13 Inwerkingtreding
1Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
2De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
Artikel 14 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening rioolheffing Utrechtse Heuvelrug 2026’.
Tarieventabel
Behorende bij ‘Verordening rioolheffing Utrechtse Heuvelrug 2026’
Hoofdstuk 1 Maatstaven en tarieven
Het tarief in € als bedoeld in artikel 6, lid 2 bedraagt voor percelen die niet in hoofdzaak tot woning dienen bij een waterverbruik
van
1
t/m
100
m³
332,95
van
101
t/m
200
m³
405,33
van
201
t/m
300
m³
497,61
van
301
t/m
400
m³
580,80
van
401
t/m
500
m³
663,52
van
501
t/m
600
m³
746,73
van
601
t/m
700
m³
829,48
van
701
t/m
800
m³
912,46
van
801
t/m
900
m³
995,80
van
901
t/m
1.000
m³
1.078,41
van
1.001
t/m
2.000
m³
1.907,90
van
2.001
t/m
3.000
m³
2.737,99
van
3.001
t/m
4.000
m³
3.566,31
van
4.001
t/m
5.000
m³
4.396,03
van
5.001
t/m
6.000
m³
5.142,33
van
6.001
t/m
7.000
m³
5.889,09
van
7.001
t/m
8.000
m³
6.635,39
van
8.001
t/m
9.000
m³
7.381,17
van
9.001
t/m
10.000
m³
8.128,48
van
10.001
t/m
11.000
m³
8.808,78
van
11.001
t/m
12.000
m³
9.489,09
van
12.001
t/m
13.000
m³
10.169,20
van
13.001
t/m
14.000
m³
10.782,53
van
14.001
t/m
15.000
m³
11.425,10
van
15.001
t/m
16.000
m³
11.992,24
van
16.001
t/m
17.000
m³
12.563,19
van
17.001
t/m
18.000
m³
13.134,34
van
18.001
t/m
19.000
m³
13.705,49
van
19.001
t/m
20.000
m³
14.276,46
van
20.001
t/m
21.000
m³
14.780,05
van
21.001
t/m
22.000
m³
15.283,84
van
22.001
t/m
23.000
m³
15.787,23
van
23.001
t/m
24.000
m³
16.290,82
van
24.001
t/m
25.000
m³
16.794,43
van
25.001
t/m
26.000
m³
17.230,63
van
26.001
t/m
27.000
m³
17.666,66
van
27.001
t/m
28.000
m³
18.102,87
van
28.001
t/m
29.000
m³
18.538,89
van
29.001
t/m
30.000
m³
18.975,09
hoger dan
30.000
m³
19.410,87
Behoort bij raadsbesluit van 15 december 2025.
de griffier
W. Hooghiemstra