Aanhef
Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug houdende regels omtrent het standplaatsenbeleid
Bijlage 1: Toelichting weigeringsgronden APV
De APV kent zeven gronden om een standplaatsvergunning te weigeren. De weigeringsgronden zijn limitatief opgesomd en het gaat hierbij vooral om de te waarborgen openbare belangen. NB: deze weigeringsgronden zijn alleen van toepassing op kramen die geen inrichting als bedoelt in de Wet Milieubeheer.
Artikel 1:8 APV vermeldt de volgende weigeringsgronden:
a.de openbare orde;
b.de openbare veiligheid;
c.de volksgezondheid;
d.de bescherming van het milieu
Artikel 5:18 APV vermeldt de volgende weigeringsgronden:
e.vanwege strijd met het geldend bestemmingsplan;
f.eisen redelijke welstand;
g.gevaar redelijk verzorgingsniveau voor de consument
Ad a en b: de openbare orde en veiligheid
De eerste weigeringsgrond die in artikel 1:8, onder a, is geformuleerd, heeft betrekking op de openbare orde. Deze weigeringsgrond sluit nauw aan bij de weigeringsgrond zoals opgenomen in artikel 1:8, onder b, de openbare veiligheid. Beide weigeringsgronden worden dikwijls gehanteerd in combinatie, bijvoorbeeld in het kader van:
•Brandveiligheid: kramen moeten bijvoorbeeld op een afstand van tweeënhalve meter van puien en luifels van panden geplaatst worden. Voor bak- en braadkramen moet dit een afstand van vijf meter zijn;
•Sociale veiligheid: in het belang van de sociale veiligheid dient de openbare ruimte zoveel mogelijk open en controleerbaar te zijn. Een standplaats mag daarom niet op een zodanige locatie worden geplaatst dat aan deze uitgangspunten afbreuk wordt gedaan;
•Het beperken van overlast, verkeersvrijheid en –veiligheid, het ordelijke en veilige verloop van de verkeersbewegingen: verkoopwagens en kramen mogen een vlotte doorstroom van voetgangers, rolstoelen, scootmobielen, fietsers etc. niet beletten. Een standplaats mag geen verkeer- of parkeerhinder tot gevolg hebben, bijvoorbeeld wanneer zij het zicht op naderend verkeer ontneemt. Ook mag de standplaats niet leiden tot een verhoogde parkeerdruk en moet rekening gehouden worden met de toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten in geval van calamiteiten.
Ad c en d: de volksgezondheid en milieu
In de standplaatsvergunning zijn voorschriften opgenomen over het schoonhouden van de standplaats en het voorkomen van ‘overlast’. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval en dergelijke. Deze weigeringsgrond is vooral van toepassing op standplaatshouders die snacks/etenswaren verkopen.
Ad e: vanwege strijd met het geldend bestemmingsplan
Bij de aanvraag wordt beoordeeld of het ter plaatse geldende bestemmingsplan zich daartegen verzet.
Ad f: eisen redelijke welstand
Wanneer een standplaats, door het gebruikte middel of de situering van de standplaats zelf, het uiterlijk aanzien van de omgeving, het straatbeeld of het stedenbouwkundig concept van de omgeving zodanig verstoort dat daardoor het karakter van de omgeving wordt aangetast, kan de gemeente een standplaats weigeren. Voor karakteristieke locaties kan bepaald worden dat (of onder bepaalde voorwaarden) standplaatsen niet mogen worden ingenomen ter bescherming van het aanzien. Hiervoor kan overleg worden gepleegd met de welstandscommissie.
Ad g: gevaar redelijk verzorgingsniveau voor de consument
Het bepalende element om tot het niet verstrekken van een vergunning over te gaan is het verzorgingsniveau voor de consument. In beginsel is de concurrentiepositie van een gevestigde winkelier geen reden om een standplaatsvergunning te weigeren.
Weigeren van een vergunning voor het innemen van een standplaats in verband met het in gevaar komen van het verzorgingsniveau voor de consument kan volgens jurisprudentie slechts geaccepteerd worden in twee situaties:
•Wanneer er een nieuw winkelcentrum opgezet wordt is er de mogelijkheid om winkeliers gedurende een bepaalde periode te beschermen tegen concurrentie door standplaatshouders;
•Als er binnen het verzorgingsgebied nog slechts één winkel gevestigd is in een bepaalde branche én deze winkel dreigt te verdwijnen door verlening van de vergunning waardoor het verzorgingsniveau ter plaatse in het gedrang komt.
Of sprake is van een redelijk verzorgingsniveau en of dit in gevaar komt, wordt bekeken vanuit de positie van de consument en niet vanuit de positie van winkeliers. Een vergunning kan slechts op deze grond geweigerd worden als de winkelier, mede aan de hand van de boekhouding, aantoont dat het voortbestaan van de winkel in gevaar komt als vanaf een standplaats dezelfde goederen worden aangeboden.
Bijlage 2: Vergunningsvoorschriften
Inname standplaats
1De vergunninghouder is persoonlijk verantwoordelijk voor de invulling van de standplaats; hij mag deze niet aan een ander afstaan of in gebruik geven; de vergunninghouder mag zich laten bijstaan door personeel.
2De vergunninghouder moet de vergunning en de daarbij behorende voorschriften en situatietekening bij zich hebben op het moment dat hij de standplaats inneemt.
3Het is de vergunninghouder verboden:
a.een andere standplaats in te nemen dan in de vergunning is omschreven;
b.meer ruimte in beslag te nemen dan in de vergunning is vermeld;
c.andere goederen of waren in voorraad te hebben, uit te stallen, te koop aan te bieden of af te leveren dan die waarvoor de vergunning is verleend;
d.goederen of waren te koop aan te bieden op andere tijden dan die in de vergunning zijn vermeld;
e.op de standplaats gebruik te maken van luidsprekers, versterkers, radiotoestellen en andere middelen voor de weergave of versterking van geluid.
4Waar gebruik wordt gemaakt van de elektrische voorzieningen die door de gemeente beschikbaar zijn gesteld, zullen de kosten daarvan aan de standplaatshouder worden doorberekend.
5De vergunninghouder mag maximaal één uur voor de aanvang van het tijdstip waarop met de verkoop mag worden begonnen de standplaats innemen en de verkoopinrichting plaatsen.
6De vergunninghouder heeft de standplaats volledig ontruimd, maximaal één uur na het tijdstip waarop de verkoop stopt.
7De vergunninghouder zorgt zelf voor de inzameling en afvoer van het afval. De standplaatslocatie en de omgeving daarvan wordt na afloop schoon achtergelaten.
8De vergunninghouder is verplicht ervoor te zorgen dat zijn standplaats er steeds verzorgd uitziet.
9De plaatsing van de standplaats/uitstalling en de zich daarop en daarin bevindende zaken moeten windvast zijn. Er mogen geen stoffen of materialen op (andere delen van) de weg komen.
Terrassen
10Als onderdeel van een standplaats in levensmiddelenbranches is een terras toegestaan met een maximale omvang van acht zitplaatsen. Er mag, naast niet-alcoholische dranken, uitsluitend eigen aanbod worden geserveerd. Het terras moet aangevraagd worden bij de aanvraag om de standplaats vergunning en mag alleen geplaatst worden op de aangewezen locatie, binnen de oppervlakte op de standplaatsenkaart.
Geluid
11Om geluidsoverlast door aggregaten te voorkomen geldt het volgende:
a.de standplaatshouder moet gebruik maken van een zogenaamde fluisterstil aggregaat, met een maximale geluidsproductie van 50 dB;
b.de afstand van de standplaats tot het dichtstbijzijnde gevoelige object moet zodanig zijn dat voor de bewoners/gebruikers daarvan het aggregaat niet overmatig hoorbaar is.
Veiligheid algemeen
12De verkooppunten die zijn ingericht voor bak- en kookdoeleinden moeten tenminste 5,00 meter vanaf de bebouwing zijn geplaatst. (deze voorwaarde geldt niet, indien de gevel van de bebouwing geheel blind [geen ramen en deuren aanwezig] en onbrandbaar is uitgevoerd).
13Ten behoeve van de hulpdiensten moet een doorgaande vrije route met een breedte van 3,25 meter en een hoogte 4,20 meter beschikbaar zijn.
14Bluswatervoorzieningen moeten worden vrijgehouden en bereikbaar zijn voor brandweervoertuigen.
15Tuidraden en elektriciteitskabels welke over de weg zijn gespannen dienen minimaal 4,20 meter boven het straatniveau worden aangebracht.
Elektriciteit
16Elektriciteitsinstallaties dienen te voldoen aan NEN 1010 en de nadere eisen van het energiebedrijf. Het aanbrengen van kabels dient zodanig te worden uitgevoerd dat het publiek er niet over kan struikelen of vallen;
17Schakelaars en zekeringkasten van elektrische installaties dienen onbereikbaar te zijn voor publiek;
18Elektriciteitskabels dienen te allen tijde volledig van de haspel afgerold te zijn.
19De voor de standplaats/uitstalling noodzakelijke voedingskabels voor de elektriciteitsvoorziening mogen niet in de vrije doorgang voor het publiek worden aangebracht.
Blusmiddelen
20Nabij gastoestellen voor verwarming of verlichting en op plaatsen waar wordt gebakken of gekookt, moet(en) een draagbaar blustoestel met een inhoud van tenminste 6 kg poeder; 5 kg koolzuursneeuw of gelijkwaardige vulling aanwezig zijn.
21Het blustoestel moet zijn voorzien van een label of sticker waarop de laatste controledatum is aangegeven.
22In de onmiddellijke nabijheid van een bak-, kook- of frituur toestel moet een goed passende deksel of een blus deken aanwezig zijn.
Gas- en Frituurtoestellen
Losse aansluiting
23Bij gebruik van een gastoestel mag:
a.de gezamenlijke waterinhoud van gasflessen niet meer zijn dan 115 liter. Een losse gasfles mag een waterinhoud hebben van ten hoogste 40 liter;
b.de gasfles, zoals blijkt uit de ingeponste datum, niet ouder zijn dan 10 jaar;
c.een reduceer (drukregelaar) van de gasinstallatie niet ouder zijn dan 5 jaar;
d.de slang van een gasfles mag niet:
-zijn uitgedroogd en geen andere beschadigingen vertonen;
-niet langer zijn dan 10 meter;
-niet ouder zijn dan de productspecificatie aangeeft.
-Toelichting: Propaanslangen zijn er in twee uitvoeringen: de oranje/bruin gekleurde, met op de slang het jaar van aanmaak aangegeven en de zwarte slang met vaste metalen koppelingen. Het jaar van fabricage is hier ingeponst op de metalen koppeling. Deze laatste moeten om de 10 jaar worden vervangen. De oranje/bruine gasslang mag niet ouder zijn dan 2 jaar. Het fabricage jaar staat op de slang gedrukt
24Een frituurtoestel is thermisch zodanig beveiligd dat de temperatuur van het bakmedium niet boven 200°C kan oplopen.
Vaste aansluiting
25Het leidingnet met toebehoren moet iedere twee jaar en zo vaak als de omstandigheden daartoe aanleiding geven (bijvoorbeeld bij wijzigingen en reparaties), worden gekeurd en beproefd. Van de beproeving moet een door of vanwege de installateur getekende en door de vergunninghouder mede ondertekende verklaring bij de gebruikers aanwezig zijn. De keuring en beproeving moeten bevatten:
a.controle op de vereiste beveiligingen van het leidingsysteem en controle op de goede werking van deze beveiligingen;
b.controle op de toepassing van goedgekeurd toebehoren;
c.beproeving van de installatie met lucht of een inert gas.
Overschrijving vaste standplaatsvergunning
26In geval van overlijden, blijvende arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder, in geval van bedrijfsbeëindiging of indien de vergunninghouder niet langer zelf gebruik wenst te maken van de vergunning, kan de vaste standplaatsvergunning worden overgeschreven op de echtgenoot, de geregistreerde partner of een andere achterblijvende persoon met wie hij duurzaam samenwoonde, of zijn kind.
27Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond van het eerste lid, kan een medewerk(st)er van de vergunninghouder de vergunning voor een vaste standplaats krijgen indien hij ten minste drie jaar in loondienst van het marktbedrijf van de vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft gefunctioneerd.
28Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee maanden na het overlijden van de vergunninghouder, nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld, in geval van bedrijfsbeëindiging of indien de vergunninghouder niet langer zelf gebruik wenst te maken van de vergunning.
Afwezigheid wegens vakantie of bijzondere omstandigheden
29De vergunninghouder van een vaste standplaats die wegens vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste standplaats in te nemen, deelt dit schriftelijk mee aan het college. Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn afwezigheid duurt.
30De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de desbetreffende dag gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling of telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een schriftelijke bevestiging daarvan aan het college.
Vervanging
31In geval van vakantie of van bijzondere omstandigheden kan het college toestaan dat de standplaats wordt ingenomen door een vervanger. Een aanvraag daartoe vermeldt te reden en de verwachte duur van de afwezigheid van de vergunninghouder en de naam van de beoogde vervanger.
32De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten – behalve die tot vervanging ingevolge het vorige lid- en verplichtingen die bij of krachtens deze verordening gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op de vervanger.
Intrekkingsgronden
33Het college kan de vergunning intrekken:
a.op grond van de in artikel 1:6 APV genoemde intrekkingsgronden;
b.indien de vergunninghouder, zonder mededeling aan het college, de standplaats langer dan 3 weken achtereen niet gebruikt heeft.
34Het college gaat in ieder geval over tot intrekking van de vergunning indien de vergunninghouder is overleden en geen verzoek tot overschrijving is ingediend binnen de gestelde termijn van 2 maanden.
Algemeen
35Tijdens evenementen kan de locatie van de standplaats tijdelijk worden gewijzigd of kan de standplaats mogelijk tijdelijk niet worden ingenomen. Hiervoor is de organisator van het evenement verantwoordelijk. Over een gewijzigde locatie is overleg tussen de organisator en standhouder.
36Het college is bevoegd als daartoe aanleiding is nadere voorschriften aan de standplaatsvergunning te verbinden.
Bijlage 3: Overzicht vaste en seizoensgebonden standplaatsen
Dorpskern
Locatie
Opmerkingen
Amerongen
Koenestraat
1vaste standplaats, geen terras
Leersum
Torenzichtlaan
1vaste standplaats, geen terras
Doorn
Dorpsstraat
parkeerterrein supermarkt
1vaste standplaats, geen terras
Privéterrein, stroom in eigen beheer
Doorn
Plein 1923
1vaste standplaats, met terras
Doorn
Plein 1923
1seizoensplaats, geen terras
Driebergen
Plein bij de Lei/Traaij
1vaste standplaats, met terras
Driebergen
Plein bij de Lei/Traaij
1seizoensplaats, met terras
Driebergen
Traaij/ Lindelaan
1vaste standplaats, geen terras
Driebergen
Hoofdstraat
1vaste standplaats, terras alleen onder luifel
Driebergen
De Sluis
1vaste standplaats, geen terras
Maarn
5mei plein
1vaste standplaats, geen terras
Gehele gemeente
Overige seizoen plaatsen per aanvraag afweging maken.
Bijlage 4: Standplaatskaarten
Amerongen: Koenestraat
Doorn: Dorpsstraat
Doorn: Plein 1923
Driebergen: Traaij/Lei
Driebergen: Hoofdstraat
Driebergen: Lindenlaan
Driebergen: De Sluis
Leersum: Torenzichtlaan
Maarn: 5-meiplein