Aanhef
Behorende bij de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Utrechtse Heuvelrug 2024
1 Inleidende bepalingen
1.2 Vorm van de verstrekking
1.2.1 In natura
Bij natura verstrekking wordt de voorziening 'gebruiksklaar' ter beschikking gesteld aan degene die er aanspraak op heeft. Bij hulpmiddelen gaat het dan om het leveren van het hulpmiddel aan de gebruiker. Het is mogelijk naturavoorzieningen in eigendom of in bruikleen te verstrekken. Bij de gemeente Utrechtse Heuvelrug is het uitgangspunt dat voorzieningen in bruikleen worden verstrekt. Een andere vorm van naturaverstrekking is dienstverlening, zoals bijvoorbeeld regiovervoer. Waar nodig regelt de gemeente onderhoud (hierbij is reparatie inbegrepen), keuring en verzekering van hulpmiddelen. Bij gecontracteerde leveranciers wordt vaak een totaalpakket afgenomen. In zo’n pakket zijn onderhoud, keuring, reparatie en een pech-onderweg service ondergebracht.
1.2.2 Persoonsgebonden budget (pgb)
Met een pgb kan cliënt naar eigen wens een voorziening inkopen die vergelijkbaar is met de geïndiceerde voorziening in natura. Een pgb is een geldbedrag dat in plaats van een naturavoorziening kan worden verstrekt. De hoogte van een pgb bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. De Sociale Verzekeringsbank beheert de budgetten en zorgt voor uitbetalingen voor diensten zoals huishoudelijke ondersteuning en begeleiding.
Een eenmalig pgb voor een hulpmiddel woonvoorziening, vervoervoorziening keert de gemeente uit aan de aanvrager of leverancier. Indien dit een tweedehands voorziening betreft, dan zal het te verstrekken bedrag gebaseerd zijn op de kostprijs hiervan, qua prijs maar ook qua beperkte levensduur vanwege het al afgeschreven deel. Dit dient vastgesteld te worden door een onafhankelijk deskundige partij. Bij een pgb wordt ook gecontroleerd of de cliënt pgb-vaardig is. In hoofdstuk 3 wordt uitgebreid ingegaan op de regels rond het pgb.
1.2.3 Financiële tegemoetkoming
Een financiële tegemoetkoming is een vastgesteld bedrag dat eenmalig of gefaseerd door de gemeente wordt uitbetaald. In de Verordening maatschappelijke ondersteuning Utrechtse Heuvelrug is vastgelegd voor welke voorzieningen een (gemaximeerde) financiële tegemoetkoming mogelijk is.
2 Aanvraag hulp en ondersteuning
2.1 Hulpvraag, melding, familiegroepsplan, onderzoek en aanvraag
Hulpvraag
De inwoner, die behoefte heeft aan ondersteuning, of diens vertegenwoordiger, kan terecht bij de Sociale Dorpsteams in de dorpen, maar ook bij andere dienst-/hulpverleners in de gemeente (b.v. huisarts, wijkverpleegkundige). Bij de Sociale Dorpsteams werken consulenten die qua opleiding en ervaring toegerust zijn voor hun taken. In eerste instantie wordt een verkennend gesprek gevoerd met de inwoner of diens vertegenwoordiger. Dit gebeurt vanuit de algemene voorziening in de vorm van ondersteuning maatschappelijk werk. Een melding kan uit dit gesprek voortvloeien.
Melding
Een hulpvraag kan door of namens een aanvrager bij het college op enigerlei wijze worden gemeld. Dat kan dus telefonisch, via de website of bij de Sociale Dorpsteams. De melding wordt door het Sociale Dorpsteam bevestigd.
Opstellen van een familiegroepsplan
Het opstellen van een familiegroepsplan is specifiek voor ondersteuning zoals bedoeld volgens de Jeugdwet. Een familiegroepsplan kan al worden opgesteld nadat de melding is gedaan en voordat het onderzoek plaatsvindt. Vandaar dat het op deze plek in het proces is geplaatst. Het opstellen van het familiegroepsplan kan echter ook later in het proces nog plaatsvinden.
Het Sociale Dorpsteam brengt de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. Het familiegroepsplan speelt ook een rol in het gedwongen kader. De beschrijvingen in deze beleidsregels omtrent het familiegroepsplan betreffen echter alleen het vrijwillig kader van jeugdhulp.
De Jeugdwet geeft een aantal uitzonderingen waarin ouders en jeugdige geen gelegenheid krijgen om eerst een familiegroepsplan te maken. In het vrijwillige kader is dit wanneer het opstellen van een familiegroepsplan de belangen van de jeugdige schaadt, bijvoorbeeld door een concrete bedreiging van de veiligheid of ontwikkeling van het kind. Reden: als een professional ernstige onveiligheid (bijvoorbeeld seksueel misbruik, ernstige verwaarlozing of mishandeling) constateert bij een kind, dan heeft het gezin blijkbaar zelf niet voldoende in die veiligheid kunnen voorzien. Veiligheid voor het kind is dan de eerste prioriteit.
Ook is de uitvoering van een familiegroepsplan begrensd door het professionele kader op grond van de te hanteren professionele standaard als bedoeld in artikel 453 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 4.1.1, tweede lid, juncto 4.1.5, eerste lid, van de Jeugdwet en de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Deze eisen zijn geoperationaliseerd in het Kwaliteitskader van het Besluit Jeugdwet. De professional zal dus vanuit zijn beroepsuitoefening moeten toetsen of hij uitvoering kan geven aan het familiegroepsplan en daarover in gesprek moeten gaan met betrokkenen, met als ondergrens de veiligheid en gezonde ontwikkeling van de jeugdige.
Ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan
De gemeente heeft de taak om haar beleid zo vorm te geven dat het gericht is op het tot stand brengen en uitvoeren van familiegroepsplannen (artikel 2.1, onder g, van de Jeugdwet). De bedoeling is dat ouders en jeugdigen versterkt worden in hun eigen kracht en zoveel mogelijk zelf de regie houden wanneer zij kampen met problemen. Het familiegroepsplan is daarbij een belangrijk instrument. Dat jeugdigen en ouders niet gedwongen kunnen worden om een familiegroepsplan op te stellen spreekt voor zich. Uiteraard kan het Sociale Dorpsteam – in bepaalde gevallen waar dat meerwaarde zou kunnen hebben – dit wel aanraden en stimuleren. Bovendien, ook als er geen familiegroepsplan wordt opgesteld, zullen bepaalde zaken die ter sprake kunnen komen tijdens het opstellen van een familiegroepsplan óók ter sprake komen tijdens het onderzoek (een gesprek tussen het Sociale Dorpsteam en de jeugdige of zijn ouders, zie volgende paragraaf). Dan gaat het bijvoorbeeld om het vermogen van de jeugdige of zijn ouders om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden. In dat geval is het familiegroepsplan ingebed in het handelen van de hulpverlener.
Het kan zijn dat het nodig is om enige vorm van ondersteuning te bieden bij het opstellen van een familiegroepsplan om hier effectief uitvoering aan te geven. Deze ondersteuning dient geboden te worden als de jeugdige of zijn ouders hier behoefte aan hebben. Uiteraard kunnen de jeugdige of zijn ouders niet gedwongen worden om ondersteuning te accepteren, maar kan het Sociale Dorpsteam – in bepaalde gevallen waar dat meerwaarde zou kunnen hebben – ook hier wel aanraden en stimuleren. Welke vorm deze ondersteuning heeft, is aan het Sociale Dorpsteam, bovendien kan deze van geval tot geval verschillen. Belangrijk is voor ogen te houden dat er geen sprake is van “one size fits all”. Het kan nodig zijn op verschillende manieren het opstellen van het familiegroepsplan te faciliteren. Belangrijke factoren hierin zijn:
-de wensen van het gezin: hoe willen en kunnen zij het familiegroepsplan vormgeven en wie hebben zij daar bij nodig?
-het vertrouwen dat een gezin wel of niet heeft in een professional die hen ondersteunt bij een familiegroepsplan. Bijvoorbeeld, gezinnen met een langdurige hulpverleningsgeschiedenis hebben mogelijk meer vertrouwen in een onafhankelijke coördinator dan in een professional uit een instelling die zij al kennen.
-de aard en ernst van de problemen in het gezin: bij ernstige of complexe problemen hebben ouders wellicht meer ondersteuning nodig om een familiegroepsplan op te stellen dan bij lichte problemen. En bij omstandigheden die een bedreiging voor de ontwikkeling van een kind vormen is het nodig dat professionals de veiligheid van een kind in de gaten houden een vinger aan de pols houden of het familiegroepsplan voldoende is.
Het familiegroepsplan moet binnen redelijke termijn opgesteld worden. Een vaste termijn stellen is niet mogelijk, aangezien dit ook mede afhangt van de mate waarin en de vorm van eventuele geboden ondersteuning. Omdat het onderwerp zal zijn van het onderzoek, ligt het voor de hand dat het familiegroepsplan voorafgaand aan het begin van het onderzoek wordt opgesteld. Maar ook tijdens het onderzoek kan mogelijk nog de (gedeelde) wens ontstaan om de eigen kracht nader te onderzoeken en een familiegroepsplan op te stellen. Zo de situatie zich daarvoor leent, kan dan besloten worden hiermee aan de slag te gaan en het onderzoek daarna voort te zetten. Het opstellen van een familiegroepsplan hoeft niet een eenmalige gebeurtenis te zijn, maar het kan herhaald en bijgesteld worden. Ook kan het familiegroepsplan later in het proces, bijvoorbeeld ten tijden van het onderzoek worden opgesteld.
Onderzoek
Het gesprek is het uitgangspunt van het uitgebreide onderzoek naar de situatie van de aanvrager. Specifiek voor jeugd geldt het volgende. Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt het Sociale Dorpsteam dat als eerste bij het onderzoek. Altijd zal het Sociale Dorpsteam moeten oordelen welke jeugdhulp zij nodig acht en in welke mate de jeugdige en zijn ouders, zo nodig met hulp uit de naaste omgeving, op eigen kracht bepaalde problemen (deels) kunnen oplossen. Een deugdelijk familiegroepsplan, al dan niet opgesteld met hulp van de Sociale Dorpsteams, kan deze stap in het proces vergemakkelijken.
Bij het onderzoek – zowel in het kader van de Wmo als voor Jeugd - is aandacht voor:
-de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van aanvrager;
-het gewenste resultaat van de gevraagde ondersteuning;
-de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp te voorzien in zijn behoefte aan ondersteuning en maatwerk;
-de mogelijkheid om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn situatie;
-de behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger(s) van aanvrager;
-de mogelijkheid om gebruik te maken van algemene, collectieve en/of andere voorliggende voorzieningen;
-de mogelijkheid om van een maatwerkvoorziening gebruik te maken;
-de mogelijkheid om te kiezen voor verstrekking in de vorm van een pgb;
-welke eigen bijdrage voor aanvrager van toepassing is (alleen van toepassing op de Wmo).
Het onderzoek wordt uitgevoerd aan de hand van de 5 stappen die de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft vastgesteld als zijnde de stappen die gezet moeten worden in het kader van een zorgvuldig onderzoek. De formulering kan door de gemeente aangepast worden, maar qua inhoud blijven de stappen zoals opgesteld door de CRvB.
Voor Wmo zijn deze vragen:
-Wat is de precieze hulpvraag?
-Welke concrete problemen en/of feitelijke beperkingen doen zich voor bij zelfredzaamheid en participatie?
-Wat heeft cliënt nodig, naar aard en omvang, om voldoende zelfredzaam te zijn en aanvaardbaar te kunnen participeren?
-Welke ondersteuning kan worden geboden vanuit eigen kracht, mantelzorg, sociaal netwerk, voorliggende voorzieningen en algemene voorzieningen?
-Concludeer of er nog een deel van de hulpvraag overblijft om te compenseren als Wmo-maatwerkvoorziening.
Voor Jeugd zijn deze vragen:
-Wat is de precieze hulpvraag?
-Van welke opgroeiproblemen, opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen is er sprake?
-Welke hulp is naar aard en omvang nodig voor jeugdige om gezond en veilig op te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren?
-Welke ondersteuning kan worden geboden vanuit eigen kracht, mantelzorg, sociaal netwerk, voorliggende voorzieningen? In hoeverre zijn de eigen mogelijkheden toereikend?
-Concludeer of er nog een deel van de hulpvraag overblijft om te compenseren als Jeugd-maatwerkvoorziening.
De consulent doet op basis van de gegevens uit het gesprek nader onderzoek om te bepalen of aanvrager een maatwerkvoorziening of dienst op grond van de Wmo 2015 of Jeugdwet nodig heeft en informeert hem over zijn bevindingen. Een gesprek om een voorziening aan te meten (bijvoorbeeld een rolstoel), een haalbaarheidstraining of een offerte van een woningaanpassingsbedrijf kan ook onderdeel uitmaken van het onderzoek.
Het aanvragen van een medisch advies -bij de door de gemeente gecontracteerde instantie voor sociaal medisch en/of ergonomisch advies- kan onderdeel uitmaken van het onderzoek. Dit onderzoek vindt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de melding plaats.
Van de uitkomsten van het onderzoek wordt een verslag gemaakt. Het verslag is opgebouwd langs de stappen van de CRvB, zoals hierboven beschreven. De Sociale Dorpsteams geven bij het verslag een advies aan de gemeente m.b.t. het wel of niet toekennen van een maatwerkvoorziening, de duur en benodigde omvang van de voorziening en indien aan de orde, de pgb-vaardigheid van de cliënt. Dit verslag wordt met een aanvraagformulier naar de cliënt gestuurd. Wanneer duidelijk is dat de cliënt geen aanvraag wil gaan indienen, kan het aanvraagformulier achterwege gelaten worden. Hier wordt echter terughoudend mee omgegaan, omdat het een cliënt vrij staat om toch een aanvraag in te dienen. Een cliënt heeft ten alle tijden de mogelijkheid om alsnog een aanvraagformulier op te vragen bij de Sociale Dorpsteams en een aanvraag in te dienen, ook als de Sociale Dorpsteams adviseren om de aanvraag af te wijzen. Cliënt kan het ingevulde aanvraagformulier terugsturen. De aanvraag kan door de cliënt ook elektronisch worden ingediend, waarbij ontvangst van de aanvraag als aanvraagdatum geldt.
Tijdens het onderzoek komt aan de orde in hoeverre de inwoner voldoende geholpen is met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen, of andere voorliggende voorzieningen zoals de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg of de Wet Passend Onderwijs. Deze zijn voorliggend op de maatwerkvoorzieningen. Ook wordt er gekeken in hoeverre er sprake is van gebruikelijke zorg. Specifiek bij jeugdhulp wordt stilgestaan bij de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders. Belangrijk daarbij is dat een afweging wordt welke noodzakelijke ondersteuning ouders zelf kunnen bieden ook al is die meer dan bij een ander kind van dezelfde leeftijd en hulp van andere personen uit het sociale netwerk.
Aanvraag
Een aanvraag kan alleen door de gemeente in behandeling worden genomen wanneer een aanvraagformulier is voorzien van naam, geboortedatum en ondertekening door de aanvrager (of gemachtigde). De ondertekening dient te gebeuren met een zogenoemde ‘natte handtekening’. Digitaal ondertekenen, een gescande handtekening of een plaatje van de handtekening is niet geldig. Wanneer de gemeente het mogelijk maakt om een aanvraag in te dienen achter DigiD, dan hoeft er geen natte handtekening gezet te worden, omdat de aanvraag plaatsvindt achter DigiD. De datum waarop de aanvraag juist en volledig is ontvangen door de gemeente, geldt als aanvraagdatum. De aanvraag dient gestuurd te worden naar het post- of e-mailadres dat op het aanvraagformulier staat aangegeven.
Wanneer de gemeente een aanvraag ontvangt die door een ander bestuursorgaan behandeld moet worden, heeft de gemeente doorzendplicht (art. 2:3 Awb).
2.2 Algemene toetsingscriteria
2.2.1 Beleid hulphond
Regelmatig wordt een aanvraag ingediend voor een hulphond, bijvoorbeeld bij PTSS-klachten. Hulphonden kunnen worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet, bijvoorbeeld een blindengeleidehond. Deze wordt echter alleen vergoed als de effectiviteit wetenschappelijk is vastgesteld. Op dit moment is er onvoldoende wetenschappelijke bewijs van het effect van hulphonden bij psychische klachten. Daarom vergoedt de zorgverzekeringswet dit niet en omdat er onvoldoende wetenschappelijk bewijs is voor het effect van hulphonden bij psychische klachten, is er ook geen aanleiding om dit te verstrekken op grond van de Wmo 2015. Daar komt bij dat het in veruit de meeste gevallen niet de goedkoopst adequate oplossing zal zijn voor de ondervonden problemen/belemmeringen. Vanuit de compensatieplicht die er bij de gemeente ligt moet er altijd onderzoek en een individuele beoordeling plaatsvinden. Hierbij wordt de meest recente jurisprudentie meegenomen. Regel is in principe dat (opleidingskosten voor) een hulphond niet wordt vergoed vanuit de Wmo 2015, mits!
2.4 Algemene voorziening
2.4.1 Creatieve therapie voor kinderen van de basisschool behorend bij het asielzoekerscentrum (AZC) in Leersum.
Conform artikel 1 ad. c. van de Verordening kan een algemene voorziening ingericht worden en toegankelijk zijn voor een specifieke groep. Voor kinderen die naar de basisschool gaan behorend bij het AZC in Leersum, is het mogelijk om gebruik te maken van creatieve therapie.
4 Huishoudelijke ondersteuning
4.1 Hulp bij het huishouden
4.1.1 Voorliggende voorzieningen
Er wordt eerst gekeken of er voorliggende (algemene) voorzieningen zijn en of deze een oplossing kunnen bieden alvorens een maatwerkvoorziening wordt verstrekt. Zie hiervoor hoofdstuk 2.3 en de daar genoemde voorbeelden.
De meeste voorzieningen (commercieel of zonder winstoogmerk) zijn beschikbaar in onze gemeente. Er wordt hierbij rekening gehouden met de individuele omstandigheden van de aanvrager (beschikbare ruimte in de woning voor technische aanpassingen/hulpmiddelen, financiële mogelijkheden voor aanschaf/gebruik).
4.1.2 Gebruikelijke hulp
Indien de aanvrager huisgenoten heeft (partner, kind, ouders, familielid, andere huisgenoten) die wel in staat zijn huishoudelijk werk te verrichten, komt men niet in aanmerking voor hulp in het huishouden. Er is dan namelijk sprake van gebruikelijke hulp.
Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter en hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden.
Iedere volwassene wordt geacht ook naast een drukke baan of gezin een huishouden te voeren.
Jong volwassenen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar worden geacht een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Vanaf 21 jaar wordt iemand geacht een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren.
Van kinderen in de leeftijd van 12 tot 18 jaar wordt verwacht dat zij hun eigen kamer schoonhouden en een bijdrage leveren aan de licht huishoudelijke taken (zoals tafel afruimen, afwassen, kleding in de wasmand doen, kleine boodschappen doen).
Aangezien bij iedere aanvraag een onderzoek naar de individuele kenmerken en mogelijkheden van de aanvrager wordt gedaan is het mogelijk om af te wijken van gebruikelijke hulp. Uit jurisprudentie van de Wmo en de voormalige Awbz is bekend dat als een huisgenoot in aaneengesloten perioden van zeven etmalen vanwege werk afwezig is (bijvoorbeeld een vrachtwagenchauffeur internationaal) kan geen gebruikelijke hulp worden verwacht.
Wanneer een huisgenoot minder dan zeven etmalen afwezig is zal onderzocht moeten worden in hoeverre de huisgenoot een deel van de (uitstelbare) taken al dan niet kan overnemen.
Voor huisgenoten die aangeven geen huishoudelijke taken over te kunnen nemen omdat zij niet weten hoe dit moet en dit nog nooit gedaan hebben, kan voor korte tijd huishoudelijke ondersteuning worden ingezet om de huisgenoot de vaardigheden aan te leren.
4.1.3 Uitstelbare en niet uitstelbare taken
Bij huishoudelijke taken wordt onderscheid gemaakt tussen uitstelbare en niet uitstelbare taken. Uitstelbare taken zijn taken die gefaseerd over de week uitgevoerd kunnen worden zoals de was verzorging en de zwaar huishoudelijke taken. Niet uitstelbare taken zijn taken die dezelfde dag of binnen niet afzienbare tijd uitgevoerd moeten worden zoals maaltijden verzorgen, afwassen en opruimen en, ingeval van calamiteiten of door de aandoening veroorzaakte extra bevuiling, de was verzorging en het sanitair schoonmaken.
4.1.4 Huishoudelijke ondersteuning als maatwerkvoorziening
Huishoudelijke ondersteuning is beschikbaar als maatwerkvoorziening, waarbij het recht individueel bepaald is. Huishoudelijke ondersteuning draagt bij aan het langer zelfstandig een huishouden kunnen voeren en zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen blijven wonen.
Het signaleren of de zelfstandigheid en/of veiligheid van de inwoner in het gedrang komt, is een belangrijk onderdeel van huishoudelijke ondersteuning. Het gesprek met de cliënt is belangrijk om te kunnen bepalen welke type huishoudelijke ondersteuning iemand nodig heeft.
Typen huishoudelijke ondersteuning;
De gemeente Utrechtse Heuvelrug kent 2 typen Huishoudelijke ondersteuning:
1Huishoudelijke ondersteuning (HO): resultaat ligt op een schoon en leefbaar huis. Hierbij ligt de nadruk op het overnemen van huishoudelijke taken wanneer er sprake is van beperkingen in zelfredzaamheid of participatie.
2Huishoudelijke ondersteuning extra (HO-X): resultaat ligt zowel op een schoon en leefbaar huis als op de cliënt weer zelf de regie te laten voeren over zijn huishouden. De regie over het huishouden wordt (tijdelijk) overgenomen. Hierbij is er tevens aandacht voor ondersteuning in de vorm van praktische inzet rond de structurering van het huishouden en ondersteuning van de cliënt daarbij.
Het resultaat “een schoon en leefbaar huis” wordt uitgelegd als;
Schoon: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen.
Leefbaar: opgeruimd en functioneel, bv om vallen te voorkomen.
Huishoudelijke ondersteuning (HO)
De huishoudelijke ondersteuning betreft slechts de woonruimte die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning én die daadwerkelijk dagelijks in gebruik zijn. In principe zijn dit de volgende ruimtes: woonkamer, keuken, slaapkamer(s) (in gebruik bij inwoners en huisgenoten), badkamer, toilet, trap, hal en overloop.
Huishoudelijke ondersteuning heeft alleen betrekking op het schoonmaakwerk in het huis. Hierbij horen geen activiteiten buitenshuis, zoals bv. het onderhouden van de tuin, opruimen van schuur, wassen van de auto of schoonmaken van de stoep, terras, balkon, galerij, trappenhuis, centrale toegangsruimten. Voor eventueel extra taken kan een inwoner voor eigen rekening eventueel zelf afspraken maken met de zorgaanbieder.
De passende huishoudelijke taken van HO zijn oa:
-licht huishoudelijke taken;
-zwaar huishoudelijke taken;
-was verzorging;
-Signaleren van veranderingen in gezondheid en sociale situatie
Huishoudelijke ondersteuning extra (HO-X)
HO-X zal in de regel tijdelijk wordt ingezet en zich richten op normalisering en stabilisering van de situatie. Er zal dan dus altijd sprake zijn van een activerende indicatie waarbij cliënten leren om zelf, of met hulp van zijn/haar netwerk weer de regie te voeren over hun huishouden. Dat kan wel inhouden dat daarna ‘gewone’ schoonmaakhulp nog langere tijd nodig is. De indicatie zal concreet de beoogde resultaten bevatten waaraan de zorgaanbieder gaat werken met de cliënt samen binnen een periode van maximaal een jaar.
De hierbij passende huishoudelijke taken zijn:
-huishoudelijke werkzaamheden zoals onder HO;
-dagelijkse organisatie van het huishouden;
-verzorging van inwonende kinderen;
-het aanleren en activeren van huishoudelijke taken
4.1.5 Omvang huishoudelijke ondersteuning
Huishoudelijke ondersteuning wordt op een minimum van 1 uur per week en een maximum van 2 uur per week gesteld. Als een inwoner vanwege ernstige medische problemen meer huishoudelijke ondersteuning nodig heeft, kan de voorziening aangevuld worden met een ½ uur. Dit gebeurt na een gedegen onderzoek door de consulent, indien nodig aangevuld met een extern (medisch) advies.
Indien uit het onderzoek blijkt dat de inwoner niet thuis kan blijven wonen met het maximum aantal toekenbare uren, kunnen er – bovenop het aanvullende ½ uur - meer uren worden toegekend. Dit gebeurt alleen bij uitzonderlijke gevallen na een gedegen extern (medisch) onderzoek. In principe zal dit een medisch onderzoek zijn, maar het is ook denkbaar dat er aan bijvoorbeeld een ergotherapeut advies wordt gevraagd.
Waar de huishoudelijke ondersteuning uit bestaat, kan per cliënt verschillen. De cliënt bepaalt in overleg met de zorgleverancier welke hulp hij/zij nodig acht, zowel voor de als maatwerkvoorziening toegekende uren als voor de eventueel zelf ingekochte uren. Indien HO-extra wordt toegekend, omdat de regie ontbreekt, bespreekt de consulent de benodigde hulp nadrukkelijk met de cliënt en indien aanwezig de mantelzorger.
4.1.6 Overbelasting
Wanneer de mantelzorger, tevens huisgenoot, overbelast blijkt te zijn door de zorg voor de aanvrager, kan tijdelijk hulp bij het huishouden worden ingezet. Van aanvrager en mantelzorger/huisgenoot wordt dan verwacht dat zij onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te verminderen, zodat op den duur de huishoudelijke taken weer door de huisgenoot kunnen worden uitgevoerd.
Een cliëntondersteuner of mantelzorgconsulent kan hierbij adviseren of ondersteuning bieden. Alleen wanneer blijkt dat, na een tijdelijke toekenning, ondanks herhaalde pogingen van betrokkenen om tot oplossingen te komen, het echt niet mogelijk is om de overbelasting te reduceren, kan langdurig hulp bij het huishouden worden ingezet.
4.1.7 Voortzetten hulp na overlijden huisgenoot
Wanneer de cliënt overlijdt en een huisgenoot, die beperkingen heeft, achterblijft wordt de huishoudelijke ondersteuning gedurende zes weken voortgezet. Zo heeft de achterblijvende huisgenoot zes weken de tijd om de hulp op een andere manier te organiseren of een aanvraag te doen voor huishoudelijke ondersteuning.
4.1.8 Invloed van de woning of woonvorm op de huishoudelijke ondersteuning
Een grotere woning leidt niet tot meer hulp. Er wordt uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw. Bij kamerverhuur wordt de huurder van de betreffende ruimte niet als huisgenoot gezien van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht. Dat er sprake is van kamerverhuur moet met een huurovereenkomst worden aangetoond.
Als mensen zelfstandig samenwonen op één adres en gemeenschappelijke ruimtes delen wordt verwacht dat het aandeel in het schoonmaken van de gedeelde ruimtes bij uitval van één van de bewoners wordt overgenomen door een of meer andere bewoners.
Huishoudelijke ondersteuning wordt dan alleen geleverd aan de woonruimte van de aanvrager en een evenredig deel van het schoonmaken van de gemeenschappelijke ruimtes. Er kan hier gedacht worden aan woongroepen of vormen van beschermd wonen of meerdere generaties in één huis.
In vakantiewoningen, tweede woningen, hotels/pensions of bij kamerhuur wordt in beginsel geen huishoudelijke ondersteuning toegekend. Aangezien een vakantie doorgaans van korte duur is, is er sprake van uitstelbare taken of kan schoonmaak bij de verhuurder worden ingekocht.
6 Vervoer onder de Wmo 2015 en Jeugdwet
6.1 Vervoer onder de Wmo 2015
6.1.1 Financiële tegemoetkoming
De vergoeding voor (individuele) taxiritten is gebaseerd op de eerder genoemde jurisprudentie waarin wordt gesteld dat cliënt tot 1500 (directe lokale omgeving) moet kunnen reizen, waarbij in acht wordt genomen dat als cliënt met het reguliere OV of de regiotaxi had kunnen reizen hij ook kosten had gemaakt.
De vergoeding wordt verleend voor het gebruik van een:
-(eigen) auto;
-Taxi;
-Rolstoeltaxi: als het slechts om incidenteel taxigebruik gaat, is de regiotaxi hier voorliggend.
De financiële tegemoetkoming voor vervoer wordt in principe voor een periode van twee jaar toegekend. Deze periode kan worden ingekort of verlengd, indien de situatie daar aanleiding toe geeft. In dat geval dient gemotiveerd te worden waarom er voor een langere of kortere periode wordt beschikt. Indien iemand verblijft in een instelling met een Wlz-indicatie is de Wlz voorliggend en kan er geen aanspraak gedaan worden op een financiële tegemoetkoming voor vervoer vanuit de Wmo.
Collectief vervoer versus individueel vervoer
Wanneer een cliënt problemen ervaart op het gebied van vervoer die hij niet zelf, met hulp van zijn sociale omgeving of met vrijwilligers kan oplossen, wordt allereerst beoordeeld of de regiotaxi een geschikte oplossing biedt alvorens individuele voorzieningen worden overwogen. De regiotaxi is hiermee voorliggend op individuele vervoersvoorzieningen zoals een vergoeding voor gebruik van (individuele service-) taxi of eigen auto. Een individuele voorziening wordt vaak beschouwd als meest wenselijke oplossing, het is echter niet de goedkoopst adequate oplossing.
Alleen wanneer (op basis van medisch advies) is vastgesteld dat de regiotaxi als collectief vervoer voor de aanvrager niet voldoet (bijvoorbeeld in geval van onbeheersbare incontinentie of ernstige gedragsproblemen) kan de vervoerder, die de regiotaxi verzorgt, gevraagd worden individuele ritten te verzorgen of kan er een vergoeding voor gebruik eigen auto of vervoer door derden worden verstrekt.
Vervoersdoeleinden
1Voor vervoer naar school is men zelf verantwoordelijk, maar kan in bepaalde gevallen (bijvoorbeeld bij speciaal onderwijs verder dan zes kilometer vanaf de woning) leerlingenvervoer bij de gemeente worden aangevraagd op grond van de verordening leerlingenvervoer.
2Als bij vervoer naar werk beperkingen worden ervaren, moet men hiervoor een beroep doen op de werkgever.
3Voor vervoer naar dagbesteding wordt een indicatie voor vervoer doorgegeven aan de instelling, die de begeleiding verleent. Wanneer een cliënt in staat is zelfstandig (openbaar vervoer, eigen vervoermiddel) de dagbesteding te bereiken is dat voorliggend. Wanneer dit niet mogelijk is kan vervoer van en naar de dagbesteding worden toegekend. Het vervoer is in het kader van het samenstellen van het arrangement door de aanbieder een verantwoordelijkheid van de aanbieder.
De gemeente staat het gebruik van de regiotaxi niet toe voor vervoer van/ naar (arbeidsmatige) dagbesteding/ werk.
4Voor recreatieve en therapeutische doeleinden (onder andere gericht op ontwikkeling) wordt een voorziening op grond van de Wmo niet verstrekt.
Aangepaste fietsen
Er zijn fietsen, zoals de driewielfiets en een duofiets, die speciaal ontworpen en bestemd zijn voormensen met een beperking en alleen bij gespecialiseerde bedrijven worden verkocht.
Een fiets met lage instap, fiets met hulpmotor of elektrische fiets zijn niet speciaal ontworpen voor mensen met een beperking en worden in de reguliere handel verkocht (al dan niet tweedehands). Daarom worden deze als algemeen gebruikelijk beschouwd.
Autoaanpassingen
Als een cliënt zonder autoaanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het collectief vervoer niet voldoet, kan het college op basis van medisch advies een auto-aanpassing overwegen.
a.Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft, die meer kosten dan gebruikelijke autoaanpassingen.
b.Faciliteiten die veelal standaard in auto’s zijn ingebouwd komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om elektrisch bedienbare portierruiten, rembekrachtiging, een schakelautomaat, airconditioning, stuurbekrachtiging, cruise control, inparkeerfunctie, achteruitrij-camera, et cetera.
c.In de Wmo wordt uitgegaan van een levensduur van minimaal zeven jaar van de aanpassingen; dit is in praktijk een redelijke termijn. Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming voor een autoaanpassing is het daarom redelijk om van de aanvrager te verlangen dat wordt aangetoond door middel van een keuringsrapport dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog zo’n zeven jaar mee kan).
d.Vervanging van een bestaande autoaanpassing of overzetten naar of aanbrengen in een nieuwe auto is niet vanzelfsprekend. Wanneer een dergelijk verzoek wordt gedaan, zal eerst in kaart gebracht worden wat de goedkoopst adequate voorziening is.
6.2 Eigen bijdrage
6.2.1 Rolstoelvoorziening
Het verplaatsen in en om de woning kan op verschillende wijzen plaatsvinden zoals met een rollator of met een rolstoel. Van deze voorzieningen valt uitsluitend de rolstoel onder de Wmo. Een rolstoel is een voorziening om het bestaande verplaatsingsprobleem in en om de woning te compenseren. Verplaatsen is vervoer over kleine afstanden, van enkele tientallen tot maximaal enkele honderden meters. Wie op grond van beperkingen geen andere mogelijkheid heeft dan zich verplaatsen met een rolstoel, kan een rolstoel toegekend krijgen.
Voor een individuele maatwerkrolstoel geldt nog als eis dat “dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning” noodzakelijk is. Het gaat om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. Daarom gaat het hier om cliënten die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel.
Voor rolstoelen geldt dat voor kortdurend gebruik een beroep kan worden gedaan op de uitleen- of verhuurservice.
6.2.2 Aanpassingen aan de rolstoel
Met aanpassingen wordt bedoeld; extra onderdelen die niet standaard op een rolstoel zitten (zoals comfort beensteunen of een werkblad), maar wel noodzakelijk zijn voor de cliënt.
Accessoires zoals een boodschappenmand en een extra spiegel zijn doorgaans wenselijk, maar niet noodzakelijk en worden daarom niet vergoed.
6.2.3 Sportvoorziening
Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Wanneer het voor de cliënt zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn - dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare)sport - kan een sportvoorziening worden verstrekt.
Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. De aanvrager moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Bovendien kost sporten zonder beperking ook geld dus mag van de aanvrager zelf ook worden verwacht dat hij de kosten draagt die verbonden zijn aan de uitoefening van de betreffende sport. Bijvoorbeeld, wanneer iemand aan zeilen doet, wordt de zeilboot niet vergoed, maar noodzakelijke aanpassingen aan de zeilboot vanwege iemands beperkingen, kunnen wel worden vergoed.
Voor een sportvoorziening wordt een eigen bijdrage opgelegd totdat de kostprijs van de voorziening is bereikt of tot het moment dat de voorziening is afgeschreven, als dit moment eerder is.
7 Maatwerk begeleiding in de Wmo
7.3 Toekenning van begeleiding
7.3.1 Voorliggende voorziening: behandeling
Alvorens maatwerk begeleiding te verstrekken is het van belang dat wordt onderzocht wat de mogelijkheden van behandeling zijn.
De stelregel hierbij is dat als verbetering van functioneren of handelen (vaardigheden) nog mogelijk is, eerst behandeling wordt ingezet. Het is uiteraard niet aan de Wmo consulent om dit te bepalen. Hiervoor wordt een medisch adviseur (onafhankelijk arts) ingeschakeld.
Behandeling kan worden geboden door bijvoorbeeld een ergotherapeut, psycholoog, specialist ouderengeneeskunde of in een revalidatiecentrum of een centrum gespecialiseerd in bepaalde problematiek (zoals een reuma-centrum, centrum voor mensen met niet-aangeboren hersenletsel). Behandeling is gericht op: het verbeteren van de aandoening/stoornis en vermindering van de beperking, het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag of nadere functionele diagnostiek.
De diagnose is niet leidend, maar een diagnose is doorgaans wel vereist om behandeling in te kunnen zetten en om te bepalen hoe maatwerk begeleiding de behandeling eventueel kan ondersteunen/versterken (en niet contra- productief is). Maatwerk begeleiding kan wel worden ingezet om de tijdens behandeling geleerde vaardigheden te oefenen of te consolideren. Soms kunnen maatwerkbegeleiding en behandeling ook tegelijkertijd worden ingezet. Uiteraard dient er hierover een goede afstemming tussen behandelaar en begeleider plaats te vinden.
Bijlage: Algemeen gebruikelijke voorzieningen
De volgende voorzieningen worden in beginsel als algemeen gebruikelijk gezien, deze lijst is niet limitatief:
a.standaard toilet;
b.hangtoilet;
c.verhoogd toilet (6+);
d.eenvoudige beugels (30-40 cm lang);
e.dubbel glas;
f.toiletbril;
g.thermostatische kraan;
h.éénhendelmengkraan;
i.spiegel;
j.douchekop, glijstang;
k.aankleedblad/tafel;
l.box;
m.keramische kookplaat;
n.gewone fiets;
o.tandem;
p.fiets of tandem met hulpmotor (elektrische fiets of tandem);
q.fiets met lage instap;
r.fiets met trapondersteuning;
s.gewone kinderdriewieler;
t.aankoppelfiets voor kinderen;
u.centrale verwarming;
v.vervanging van een lavet;
w.automatische versnellingsbak;
x.elektrisch bedienbare ramen;
y.kosten APK;
z.warmtewerend glas.