Aanhef
De burgemeester van de gemeente Utrechtse Heuvelrug ,
gelet op artikel 13b Opiumwet en artikel 4:81 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht,
besluit
1De ‘Beleidsregel bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet gemeente Utrechtse Heuvelrug (Damoclesbeleid gemeente Utrechtse Heuvelrug)’ vast te stellen;
2gelijktijdig de ‘Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Utrechtse Heuvelrug houdende regels omtrent de toepassing van bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid gemeente Utrechtse Heuvelrug) in te trekken;
3Dit besluit in werking treedt op 1 januari 2025.
3. Reikwijdte beleid
3.1. Algemeen
3.1.1. Woning en daarbij behorende erf
Een woning is een pand dat in hoofdzaak dient tot woning dan wel dienstbaar is aan wonen. Hieronder valt zowel een koopwoning als een huurwoning, maar ook stacaravans, woonwagens en woonschepen. Daarnaast vallen gebouwen zoals bergingen, garages, schuren en stallen, welke op hetzelfde perceel als de woning zelf staat of aan de woning toebehoort, hier ook onder.
De woning is de plaats waar een persoon zijn huishouden leidt. Dit wordt niet zonder meer bepaald door uiterlijke kenmerken zoals de bouw en aanwezigheid van een bed en ander huisraad, maar ook door de daadwerkelijk daaraan gegeven bestemming in het Omgevingsplan of een voor het gebruik verleende omgevingsvergunning. Een tijdelijke afwezigheid van de bewoner leidt er niet toe dat de ruimte het karakter van woning verliest. Een persoon die incidenteel overnacht in een woning wordt niet aangemerkt als bewoner. Een inschrijving in de Basisregistratie Personen is een indicatie voor bewoning maar hoeft niet doorslaggevend te zijn.
3.1.2. Lokalen en daarbij behorende erf
Een lokaal wordt gezien als een pand dat niet wordt gebruikt voor bewoning dan wel niet zijnde een woning. Hieronder vallen alle gelegenheden die – al dan niet met enige beperking, zoals entreegeld of lidmaatschap toegankelijk zijn.
Voorbeelden van voor publiek toegankelijke lokalen zijn: winkels, horecabedrijven zoals hotels, restaurants, pensions, cafés, cafetaria, snackbars, discotheken, buurthuizen of clubhuizen. Onder een voor publiek opengesteld lokaal wordt ook verstaan een bij dit bedrijf behorend terras en andere aanhorigheden.
Niet voor het publiek toegankelijke lokalen zijn bijvoorbeeld loodsen, schuren en bedrijfsruimten. Een voor bewoning bestemde ruimte die niet gebruikt wordt als woning kan aangemerkt worden als lokaal.
4. Handhaving
4.2. Toepassing maatregel
4.2.1 Geen onderscheid soft- en harddrugs
Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen hard- en softdrugs. Beide drugs zijn aan elkaar gewaagd en doen voor elkaar niet onder. Immers, de hennepteelt heeft de afgelopen jaren een professionalisering doorgemaakt, met de daarbij behorende risico’s en uitstraling die het heeft op de leefomgeving.
4.2.2. Sluiten
De constatering van een meer dan geringe of een grote handelshoeveelheid drugs leidt in beginsel tot sluiting van een pand. In de handhavingsmatrix is weergegeven wanneer hiervan sprake is. Bij verzachtende en/of bijzondere omstandigheden kan van sluiting worden afgeweken. Het opleggen van een last onder dwangsom, het geven van een waarschuwing of verkorten van de sluitingsduur ligt dan in de lijn om toe te passen.
De aanwezigheid van goederen ter productie van drugs (de voorbereidingshandelingen) wordt ook gezien als een ernstig geval. Dit, omdat het productieproces gepaard gaat met grove veronachtzaming van de maatschappelijke effecten, zoals de schade voor de gezondheid en milieu en gevaar voor de samenleving. Bovendien wordt met deze verboden gedraging de drugscriminaliteit in stand gehouden. Gelet hierop wordt de aanpak op de voorbereidingshandelingen gelijkgesteld met de aanpak op de constatering van ‘een meer dan geringe of grote handelshoeveelheid drugs’ en wordt de sluitingsmaatregel in beginsel ook op deze situatie toegepast.
4.2.3. Sluitingstermijn
Aan de sluitingsmaatregel is een termijn gekoppeld die de duur van de sluiting bepaald. De sluitingstermijn is in beginsel 3, 6, 9 of 12 maanden. De termijnduur wordt onder andere bepaald door de hoeveelheid, de ernst en omvang van de aangetroffen drugs of het materiaal ter productie, de locatie, het aantal constateringen, recidive, de verzachtende, bijzondere of verzwarende omstandigheden. De burgemeester kan een sluiting gedurende de termijn tevens verlengen, indien daar aanleiding voor is, in het kader van de te behalen doelen zoals gesteld in dit beleid.
De sluitingstermijn bij een niet-bewoond pand ligt vanaf de eerste constatering/overtreding hoger dan bij een bewoond pand.
4.2.4. Spoedsluiting
Afhankelijk van de ernst van de situatie en de mate van gevaarzetting is het mogelijk gebruik te maken van een spoedsluiting. Het gaat daarbij om situaties waarbij onmiddellijk optreden is vereist en aan betrokkene niet eerst de mogelijkheid wordt geboden tot het geven van een zienswijze (mening). In een dergelijke situatie volgt het feitelijk handelen tot sluiting vrij kort op het mondelinge besluit van de burgemeester om het pand onmiddellijk te sluiten. De schriftelijke vastlegging van het besluit volgt binnen een redelijke termijn.
4.2.5. Waarschuwing
De constatering van een geringe handelshoeveelheid drugs leidt in beginsel bij een eerste overtreding/constatering tot het geven van een bestuurlijke waarschuwing, tenzij uit feiten en omstandigheden blijkt dat desondanks voldoende noodzaak bestaat tot het toepassen van een zwaardere maatregel. In dat geval volgt in beginsel een sluiting. In de handhavingsmatrix is weergegeven wanneer sprake is van een geringe handelshoeveelheid drugs.
4.2.6. Last onder dwangsom
De last onder dwangsom is een maatregel die bij hoge uitzondering wordt toegepast. Daarom is het als toe te passen maatregel niet opgenomen in de handhavingsmatrix. Het wordt in beginsel alleen toegepast als uit feiten en omstandigheden en/of de diverse belangen die er spelen, blijkt dat deze maatregel passender is dan de andere maatregelen. Deze maatregel geldt voor beide handelshoeveelheden en kan daarom worden opgelegd als verzachtende maatregel.
4.2.7. Hoogte dwangsom
De hoogte van een op te leggen dwangsom moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van de vermeende geschonden belangen. Dat wil zeggen dat het bedrag een voldoende afschrikwekkend effect moet hebben zodat voorkomen wordt dat wederom een overtreding van de Opiumwet plaatsvindt. De hoogte kan gebaseerd worden op de te verwachten opbrengst van de drugs, mits de politie middels een bestuurlijke rapportage hier een inschatting van geeft.
4.2.8. Verzwarende omstandigheden
Dit zijn omstandigheden die extra invloed hebben op de toepassing van de te nemen handhavingsmaatregel en/of de duur daarvan. Deze kunnen leiden tot toepassing van een zwaardere maatregel of een langere sluitingsduur dan in beginsel is bepaald. Dit betekent dat:
•bij een waarschuwing dit kan leiden tot een sluiting, waarbij in beginsel de sluitingsduur van de eerste constatering wordt gehanteerd; of
•bij een waarschuwing dit kan leiden tot het opleggen van een last onder dwangsom;
•bij een sluiting de sluitingsduur van de volgende constatering wordt gehanteerd (de sluitingsduur van de eerste constatering wordt verzwaard naar de sluitingsduur van de tweede constatering);
•bij een niet-bewoond pand kan dit leiden tot een langere sluitingstijd. Dit heeft te maken met het feit dat er rekening wordt gehouden met het woonrecht van de betrokkene en dienst privéleven. Als er geen persoon in het pand woont, heeft dit ook geen effecten op de persoonlijke levenssfeer.
Voorbeelden van verzwarende omstandigheden (niet uitputtend):
-aanwezigheid van wapens en/of explosieven (bijvoorbeeld zwaar vuurwerk) en/of munitie in de zin van de Wet wapens en munitie;
-indicatie van betrokkenheid bij grootschalige (internationale) drugshandel; en/of in combinatie met verdenking witwassen;
-de aanwezigheid van grote sommen contant geld;
-ernstige gewelds- of andere openbare orde delicten gelieerd aan de locatie (waaronder ripdeals, aanslagen, bedreiging, mensenhandel, prostitutie, illegaal vuurwerk);
-de aannemelijkheid dat er ook andere locaties betrokken zijn bij de drugshandel;
-zeer ernstig gevaar voor en/of bedreiging van de woon- en leefomgeving;
-de mate van overlast;
-recidive van betrokkene(n), daaronder in ieder geval begrepen eerdere overtredingen door de gebruikers of eigenaren van het pand van de Opiumwet en/of eerdere sluiting van eigendommen van één of meerdere pandeigenaren op grond van artikel 13b Opiumwet;
-antecedenten van betrokkene;
-samenloop van overtredingen;
-de aanwezigheid van een complete opstelling. Daarvan is sprake als een samenstelling en/of opstelling van voorwerpen en/of stoffen waardoor de beroeps- of bedrijfsmatige of grootschalige hennepkwekerij of een productiepunt voor soft- en/of harddrugs in principe direct kan plaatsvinden;
-Het actief (online) aanbieden van producten uit lijst I of II van de Opiumwet.
4.2.9. Verzachtende of bijzondere omstandigheden
Dit zijn omstandigheden die extra invloed hebben op de toepassing van de te nemen handhavingsmaatregel en/of de duur daarvan. Uit een zienswijze of informatie van derden kan blijken of deze omstandigheden voor betrokkene zich voordoen. Deze omstandigheden worden afgewogen tegen de doelstellingen van de maatregel. Op basis daarvan wordt een passende maatregel vastgesteld. Deze omstandigheden kunnen leiden tot toepassing van een lichtere maatregel of een mildere of kortere sluitingsduur dan in beginsel is bepaald. Dit betekent dat bij een sluiting dit zal leiden tot:
•het hanteren van een mildere sluitingsduur; of
•het hanteren van de sluitingsduur van de eerdere constatering (de sluitingsduur van de tweede constatering wordt verlicht naar de sluitingsduur van de eerste constatering); of
•het opleggen van een last onder dwangsom.
4.2.10. Recidive
Een herhaalde constatering van de overtreding zoals aangegeven in art 13b Opiumwet binnen drie jaar en na de verzenddatum van een eerder genomen bestuurlijke handhavingsbesluit, wordt aangemerkt als recidive.
Bij herhaling van een overtreding zal de bekendheid van het pand groter zijn en kan een langere sluitingstijd nodig zijn om de openbare orde te herstellen en of om andere met dit beleid beoogde doelen te bereiken. In beginsel sluit de zwaarte van de toe te passen maatregel aan op de mate, ernst en omvang van de recidive.
4.2.11. Samenloop
Van samenloop is sprake als op een en hetzelfde moment sprake is van meerdere overtredingen zoals aangegeven in art. 13b Opiumwet (bv. spullen voor de productie van drugs + hoeveelheid harddrugs + hoeveelheid softdrugs). Bij samenloop wordt de zwaarst gestelde maatregel van toepassing of wordt naar aanleiding van feiten en omstandigheden gekozen voor de maatregel die past bij de ernst van de situatie.
4.2.12. Intrekken vergunningen
Naast bestuursrechtelijke handhaving op grond van artikel 13b Opiumwet wordt in geval van vergunningplichtige inrichtingen ook beoordeeld of er aanleiding is om de vergunningen in te trekken (zoals een alcohol-, huisvestings- of exploitatievergunning).
7. Procedurele aspecten
7.1. Algemeen
7.1.1. Zienswijze23 Artikel 4:8 Algemene wet bestuursrecht.
Voordat de burgemeester een definitief besluit neemt op de op te leggen maatregel, wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld om zijn/haar mening te geven over het te nemen besluit en zijn/haar belangen aanvoeren. Dit alles kan/zal de burgemeester meewegen bij de uiteindelijke besluitvorming. In het definitieve besluit zal de burgemeester toelichten hoe de zienswijzen gewaardeerd zijn en aangeven om al dan niet af te wijken van het voorgenomen besluit.
Er kunnen zich situaties voordoen waarin een direct optreden van de burgemeester wordt verlangd. In dat geval is sprake van een spoedeisende situatie en kan de burgemeester besluiten bestuursdwang toe te passen zonder voorafgaande last of zelfs zonder voorafgaand besluit, omdat dit niet kan worden afgewacht.
24Artikel 5:31 lid 1 jo. lid 2 Algemene wet bestuursrecht.
In dergelijke gevallen kan ook niet eerst de gelegenheid worden geboden om een zienswijze in te dienen.
25Artikel 4:11 onder a Algemene wet bestuursrecht.
7.1.2. Hardheidsclausule
De burgemeester beschikt bij het gebruik van diens bevoegdheden op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a en b, van de Opiumwet over beleidsvrijheid. De uitgangspunten uit deze beleidsregel en de stappen in de matrixen ter zake zowel drugshandel als voorbereidingshandelingen, gelden te allen tijde als uitgangspunt. Als echter feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven, dan kan de burgemeester gemotiveerd van deze uitgangspunten en stappen – zowel strenger als soepeler – afwijken.
7.2. Na het besluit
7.2.1. Registratie bij sluiting pand
De burgemeester is op grond van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken (Wkpb) verplicht om binnen vier dagen na bekendmaking van het sluitingsbesluit of de last onder dwangsom, in het beperkingenregister in ieder geval aan te tekenen dat een pand en/of de daarbij behorende erven is gesloten of een last onder dwangsom is opgelegd. Wanneer de sluiting wordt opgeheven of wanneer de sluitingstermijn afloopt, wordt dit aangepast in het Wkpb-register.
7.2.2. Kostenverhaal bestuursdwang
De kosten voor de toepassing van bestuursdwang zullen in beginsel op de overtreder(s) verhaald worden. Het gaat hierbij in de eerste plaats om de directe kosten van feitelijk optreden door of vanwege het bestuursorgaan (denk aan de vervanging van sloten, de verzegeling of de afsluiting van een perceel door middel van hekken en schermen). Ook andere kosten van bestuursdwang in de zin van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht kunnen worden verhaald. In het sluitingsbesluit (last onder bestuursdwang) kan tegelijk een aanzegging tot kostenverhaal worden opgenomen. Het kostenverhaal kan achterwege blijven bij iedere ontbrekende verwijtbaarheid aan de zijde van de overtreder.
7.2.3.. Verjaring
Indien gedurende drie jaar na de waarschuwing of het op de eerdere constatering genomen besluit geen nieuwe constatering plaatsvindt, zal de zaak als afgedaan worden beschouwd. Een latere constatering op dezelfde locatie zal dan gelden als een eerste constatering. De verjaringstermijn van drie (3) jaren is met terugwerkende kracht van toepassing.
Bijlage 1 Verzoek opheffen sluiting
Van de mogelijkheid tot opheffing van de sluiten wordt terughoudend gebruik gemaakt. Alleen als aannemelijk is dat met de sluiting geen enkel doel meer wordt gediend, waarbij rekening wordt gehouden met de aard, ernst en duur van de overtreding en de uitgangspunten van dit beleid, kan de sluiting worden opgeheven.
Afweging bij tussentijdse schriftelijk verzoek tot opheffing
De betrokkene kan de burgemeester tussentijds schriftelijk verzoeken de sluiting op te heffen. Bij zijn beslissing op een dergelijk verzoek neemt de burgemeester onder andere in overweging of de te realiseren doelen van de sluiting reeds zijn behaald. Deze afweging wordt mede gemaakt op basis van een door de politie en eventuele andere veiligheidspartners zoals het Regionale Informatie- en Expertise Centra (RIEC), gemaakte inschatting. Zo nodig kan daartoe een bestuurlijke rapportage of advies worden opgevraagd. Van belang bij de besluitvorming hieromtrent is de bereidheid en de bekwaamheid van de betrokkene om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling van de geconstateerde overtreding(en) te voorkomen. Daarbij geldt de getroffen sluitingsmaatregel als uitgangspunt. Nagegaan zal worden of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen niet meer aan de orde zijn.
Eisen schriftelijk verzoek
De hoofdregel is dat alleen tot opheffing van een sluiting kan worden besloten, als sprake is van een schriftelijk verzoek van een betrokkene waarin gemotiveerd wordt aangegeven dat het op basis van veranderde feiten en omstandigheden aannemelijk is dat er niet opnieuw overtredingen van de Opiumwet in of vanuit de woning, het lokaal en/of het daarbij behorend erf zullen worden gepleegd, de openbare orde hersteld is, de bekendheid van het pand is weggenomen en er geen gevaar (meer) is voor omwonenden. Er dienen minimaal voldoende maatregelen te zijn getroffen om te voorkomen dat erin of vanuit het pand opnieuw overtredingen plaatsvinden van de Opiumwet. Aan het opleggen van een sluiting wordt in de regel geen medewerking verleend, eerder dan in de onderstaande tabel genoemde periode:
Sluitingsduur
Verzoek opheffing na
< 3 maanden
Niet mogelijk
3maanden
6weken
6maanden
3maanden
12maanden
6maanden
24maanden
12maanden
36maanden
18maanden
Voorts gelden de volgende eisen:
-de betrokkene van het pand en/of het daarbij behorende erf heeft geen nieuwe overtreding van de Opiumwet begaan;
-er is sprake van een nieuwe betrokkene, die een andere is dan degene die ten tijde van de sluiting betrokkene was en die ook geen directe relatie (zakelijk of privé) met de betrokkene heeft en deze nieuwe betrokkene heeft de laatste drie jaar geen overtreding van de Opiumwet begaan;
-Bij het verzoek moet een plan worden overgelegd, waaruit blijkt op welke wijze zal worden voorkomen dat er opnieuw een overtreding van de Opiumwet plaatsvindt.
Als sprake is van een lokaal: bij het verzoek moet een (ondernemings)plan worden overgelegd, waaruit blijkt welke invulling aan het gebruik aan het gebruik van het lokaal zal worden gegeven en op welke wijze zal worden voorkomen, dat er opnieuw een overtreding of overtredingen van de Opiumwet plaatsvindt. Het voorgenomen gebruik moet in overeenstemming zijn met het omgevingsplan.
BIJLAGE 2 Na de sluiting
Tussentijdse heropening gesloten pand
Na de sluiting mag een woning, lokaal of een daarbij behorend erf niet meer worden betreden (artikel 2:41, tweede lid, van de APV gemeente Utrechtse Heuvelrug). In uitzonderlijke gevallen kan ontheffing worden verleend van dat verbod. Daarmee wordt zeer terughoudend omgegaan. Er wordt alleen toestemming gegeven om een woning, lokaal of daarbij behorend erf te betreden als sprake is van dringende en zwaarwegende omstandigheden, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van een (spoed-)reparatie.
Effectuering sluiting
Na de bekendmaking van het sluitingsbesluit wordt overgegaan tot het sluiten van de woning, het lokaal en/of het bijbehorende erf. De betrokkene krijgt gedurende de begunstigingstermijn de kans om voor de sluiting persoonlijke eigendommen, huisraad of huisdieren uit de woning, het lokaal en/of daarbij behorende erven te halen. Alle deuren en ramen dienen te worden gesloten. Namens de burgemeester wordt gecontroleerd of de betrokkene heeft voldaan aan de last onder bestuursdwang. Indien nodig krijgt de gemeente assisstentie van de politie. Voorts vinden in ieder geval de navolgende maatregelen plaats.
Verbod betreden gesloten pand behoudens toestemming
Het is op grond van de Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Utrechtse Heuvelrug verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen. Een op grond van artikel 13b van de Opiumwet gesloten pand en/of het daarbij behorende erf mag alleen worden betreden als de burgemeester daarvoor toestemming heeft gegeven.
Sleutels overdragen
De sleutels van de bestaande sloten van het te sluiten pand worden overgedragen. Namens de burgemeester wordt dit vastgelegd in een sleuteloverdrachtformulier. Het sleuteloverdrachtformulier wordt in tweevoud ondertekend namens de burgemeester en de betrokkene als bewijs van ontvangst.
Sloten vervangen
Als naar het oordeel van de burgemeester de sleuteloverdracht van bestaande sloten niet voldoende toereikend is, bijvoorbeeld omdat de vrees bestaat dat het pand toch zal worden betreden of omdat niet alle sleutels voorhandel zijn, wordt namens de burgemeester de opdracht gegeven aan een derde om de sloten van alle toegangen te vervangen. De betrokkene moet hieraan zijn medewerking verlenen.
Kennisgeving/kenbaarheid sluiting
De sluiting wordt kenbaar gemaakt door bijvoorbeeld het aanbrengen van borden, stickers of posters aan of binnen het pand of aan de toegang tot het daarbij behorende erf. Op de borden, stickers of posters staat dat het pand en/of het daarbij behorende erf is gesloten op last van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De reden van deze openbare kennisgeving van de sluiting is dat publiekelijk bekend wordt gemaakt dat in het pand en/of het daarbij behorende erf geen met de Opiumwet strijdige activiteiten meer plaatsvinden en dat actief wordt opgetreden tegen overtredingen van de Opiumwet. Hiermee wordt in het bijzonder beoogd te voorkomen dat in het pand en/of het daarbij behorende erf of in de omgeving daarvan opnieuw met de Opiumwet strijdige activiteiten worden ontplooid en aan het eventueel betrokken circuit kenbaar te maken dat het pand en/of het daarbij behorende erf hieraan is onttrokken.
26ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2906.
Bewonersbrieven
Het is mogelijk dat de gebruikers van omliggende panden via een bewonersbrief ter kennisgeving van het sluitingsbesluit op de hoogte worden gesteld.
Onderzoek terugkeermogelijkheid in de woning, lokaal en/of een daarbij behorend erf na sluiting
Wanneer de sluitingstermijn is verstreken kan de betrokkene in beginsel terugkeren in de woning. De burgemeester zal de betrokkene in principe op de hoogte stellen van de openstelling van de woning. Vervolgens kunnen afspraken worden gemaakt over bijvoorbeeld de overdracht van sleutels en de verwijdering van zegels, borden, stickers of andere aanduidingen waarmee de sluiting is kenbaar gemaakt.
Een overtreding van de Opiumwet in een huurwoning of gehuurd lokaal en/of een daarbij behorend erf kan in een privaatrechtelijke (huur)relatie, zoals met een woningcorporatie, leiden tot een procedure die gericht is op de ontbinding van de huurovereenkomst. Het recht om ingeval van een dergelijke overtreding een huur- of gebruiksovereenkomst (buitengerechtelijk) te ontbinden komt toe aan de eigenaar/verhuurder van het pand waarin de overtreding heeft plaatsgevonden en staat eveneens los van de bevoegdheid van de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De toepassing door de burgemeester van artikel 13b van de Opiumwet heeft een van de ontbinding van huur- of gebruiksovereenkomst te onderscheiden functie, ter voorkoming van verdere overtredingen in de betrokken woning of lokaal.
27ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3481.
Het ligt op de weg van de betrokkene om de burgemeester erop te wijzen of bovengenoemde omstandigheid zich voordoet, bijvoorbeeld in de zienswijze. Dit kan aanleiding geven voor de burgemeester om met de eigenaar/verhuurder in overleg te treden over de sluitingsmaatregel en welke mogelijkheden er zijn voor de betrokkene om na de sluiting terug te keren in de betreffende of een andere woning.
Er is een hennepconvenant actief in Midden-Nederland. In het Hennepconvenant Midden-Nederland is opgenomen dat de convenantpartners onderling afstemmen, coördineren of gezamenlijk optreden bij mogelijke acties ten aanzien van hennepcriminaliteit. Zo kunnen privaatrechtelijke rechtshandelingen en het beëindigen of ontbinden van huurovereenkomst tot de opties behoren.
In dat kader (dus in het geval van Hennepcriminaliteit) wordt bijvoorbeeld nagegaan of de betrokkene door sluiting van de woning op een zogenoemde zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Als een betrokkene niet kan terugkeren in de betreffende woning of op een zwarte lijst komt te staan, hoeft zich dat niet zonder meer tegen de sluiting te verzetten. Hierbij komt onder andere gewicht toe aan de mate van verwijtbaarheid van de betrokkene aan de overtreding of de ernst van de overtreding.
28ABRvS 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:719; ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1149.
Deze omstandigheden zal de burgemeester in zijn belangenafweging betrekken.