Aanhef
Beleidsregel ex. artikel 4 bijlage II van het Bor
Actualisatie 2023
Beslispunten:
-Het “Beleid planologische afwijkingen, Beleidsregel ex. artikel 4 bijlage II van het Bor, actualisatie 2023” vast te stellen.
-Intrekken van het oude beleid
1 Inleiding
1.1 Aanleiding
De aanleiding om beleid voor planologische afwijkingen op te stellen vloeit voort uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Deze geeft de wettelijke grondslag om in bepaalde gevallen een omgevingsvergunning te kunnen verlenen voor het gebruiken van gronden en bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan: de zogenoemde ‘kruimelgevallen’.
De Wabo is uitgewerkt in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB): het Besluit omgevingsrecht (Bor). In artikel 4 van bijlage II van het Bor staat aangegeven voor welke categorieën van gevallen de bevoegdheid om een kruimelafwijking te verlenen gebruikt kan worden. Deze bepalingen zijn echter niet in alle gevallen concreet waardoor er veel invullingsruimte overblijft.
Als gevolg van deze ruimte wordt nu per geval een uitgebreide afweging gemaakt wanneer wel en wanneer niet van een bestemmingsplan wordt afgeweken. Dit leidt tot een grote werkdruk en vergroot de kans dat willekeur optreedt. Vandaar dat er behoefte is aan beleid op dit vlak.
2 Wettelijk kader en achtergrond
2.2 Wettelijk kader
2.2.1 Wabo
De van toepassing zijnde artikelen van de Wabo op dit beleid:
•artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo;
•artikel 2.10, eerste lid, onder c, en tweede lid, van de Wabo;
•artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de Wabo.
artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo
In dit artikel is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan of beheersverordening te gebruiken. Het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan moet hier in ruime zin worden uitgelegd. Het begrip ‘gebruiken’ heeft niet alleen betrekking op het gebruik van gronden of bouwwerken, maar ook op het bouwen en slopen van bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.
artikel 2.10, eerste lid, onder c, en tweede lid, van de Wabo
Op grond van artikel 2.10, eerste lid onder c van de Wabo moeten aanvragen voor bouwactiviteiten (als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo) getoetst worden aan de geldende planologische regelgeving. Wanneer het bouwplan in strijd is met die planologische regelgeving, levert dat op zichzelf niet direct een weigeringsgrond op. In dat geval moet de bouwactiviteit tevens worden aangemerkt als een aanvraag voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo en wordt de vergunning slechts geweigerd als vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is. Dit is neergelegd in artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo.
Artikel 2.10 (en 2.7) van de Wabo is op 25 april 2013 gewijzigd. Deze wijziging van artikel 2.10 (en 2.7) van de Wabo draagt bij aan een verdere flexibiliteit in de vergunningverlening. Met deze wijziging is het mogelijk gemaakt om voorafgaand en los van de activiteit bouwen een omgevingsvergunning aan te vragen voor de activiteit strijdig gebruik. Hierdoor is het mogelijk geworden om eerst het oordeel van het college van B&W te vragen over de wenselijkheid en aanvaardbaarheid van het verlenen van een afwijking van het bestemmingsplan zonder dat er al volledig uitgewerkte bouwtekeningen en berekeningen ingediend hoeven te worden. Deze losse aanvraag voor de activiteit strijdig gebruik moet wel betrekking hebben op een concreet bouwplan. Als de aanvraag voor de activiteit bouwen afwijkt van de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit strijdig gebruik, dan moet een nieuwe omgevingsvergunning voor de activiteit strijdig gebruik verleend worden.
artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de Wabo
Dit artikel geeft de mogelijkheid om afwijkingen toe te staan van de regeling uit een bestemmingsplan. Wanneer een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wabo, dus het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan of de beheersverordening, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend in de bij AMvB, te weten het Bor, aangewezen gevallen.
2.2.2 Bor
De van toepassing zijnde artikelen van het Bor en de bijlage van het Bor op dit beleid:
•artikel 2.7 van het Bor;
•artikel 4 van bijlage II van het Bor;
•artikel 2.8 van het Bor.
Artikel 2.7 van het Bor
Artikel 2.7 van het Bor kan worden gezien als het schakelartikel tussen de Wabo en het belangrijkste artikel van bijlage II van het Bor voor de inhoud van dit beleid. Dit artikel geeft namelijk aan dat de AMvB, waar artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 2, van de Wabo over spreekt, artikel 4 van bijlage II van het Bor is.
Artikel 4 van bijlage II van het Bor
Dit artikel geeft aan voor welke categorieën van gevallen voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2o, van de Wabo kan worden verleend. De in dit artikel genoemde categorieën van gevallen, de kruimelgevallen, worden in dit beleid ingevuld.
Artikel 2.8 van het Bor
Dit artikel is eveneens een schakelartikel. Het geeft aan dat voor toepassing van de onderdelen 9 en 11 van artikel 4 van bijlage II van het Bor, een beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid van de Wet milieubeheer (Wm) is vereist.
2.2.3 Wet milieubeheer
artikel 5.16, tweede lid, onder g, onder 3o van de Wet milieubeheer (Wm)
Zoals hierboven reeds is aangegeven wordt in dit artikel van de Wm onder meer aangegeven dat indien wordt afgeweken in de bij AMvB aangewezen gevallen een beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit vereist wordt. In artikel 2.8 van het Bor is bepaald dat deze gevallen de onderdelen 9 en 11 van artikel 4 van bijlage II van het Bor zijn.
2.2.4 Wet geluidhinder
In de artikelen 49, 58 van de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald wat de gevolgen zijn van een zone ter zake van de geluidsbelasting vanwege een industrieterrein. In artikel 76a van de Wet geluidhinder is bepaald dat rekening gehouden moet worden met het wegverkeerslawaai. In de artikelen 49, 58 en 76a van de Wet geluidhinder (Wgh) wordt verwezen naar de Wabo:
‘artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover het betreft een afwijking voor een termijn langer dan tien jaar van het bestemmingsplan wordt afgeweken’.
Dit houdt in dat indien een aanvraag binnen een zone ter zake van de geluidsbelasting vanwege een industrieterrein ligt of in een zone vanwege een weg ligt, de artikelen 49, 58 en 76a van de Wgh van toepassing zijn voor het gehele artikel 4 van bijlage II van het Bor, voor zover het een afwijking voor een termijn langer dan 10 jaar betreft. Als er bij de omgevingsvergunning geen termijn voor de afwijking wordt genoemd moet dus aan de Wgh getoetst worden. De Wgh is niet van toepassing op categorie 11 van artikel 4 van bijlage II van het Bor. Dat zijn namelijk situaties waarbij tijdelijk, korter dan 10 jaar, wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Bij alle andere categorieën dient er getoetst te worden aan de genoemde artikelen van de Wgh.
2.2.5 Besluit geluidhinder
In artikel 4.2 van Besluit geluidhinder (Bgh) wordt op een zelfde wijze verwezen naar de Wabo als bij de Wet geluidhinder. Vanuit dit artikel wordt weer doorverwezen naar artikel 4.1 van het Bgh. Dit houdt in dat met uitzondering van situaties waarbij tijdelijk, korter dan 10 jaar, wordt afgeweken van het bestemmingsplan, rekening moet worden gehouden met spoorweglawaai.
2.2.6 Besluit externe veiligheid inrichtingen
Artikel 5 en 13 van Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn van toepassing op het gehele artikel 4 van bijlage II van het Bor (inclusief categorie 11), voor zover het betreft de bouw of vestiging van kwetsbare objecten. Artikel 5 geeft aan dat er aan grenswaarden voor kwetsbare objecten moet worden voldaan, het zogenoemde plaatsgebonden risico. In artikel 13 wordt aangegeven dat een afweging met betrekking tot het groepsrisico moet worden gemaakt.
3 Algemene beleidsregels
3.2 Privaatrechtelijke aspecten
3.2.1 Toelichting
In het kader van de belangenafweging dienen de belangen van de aanvrager, de belangen van de gemeente en de belangen van derden tegen elkaar te worden afgewogen. Bouwen heeft namelijk naast publiekrechtelijke- ook privaatrechtelijke aspecten, zoals het eigendomsrecht en het burenrecht. Hierbij moet opgemerkt worden dat privaatrechtelijke aspecten primair een zaak zijn tussen vergunninghouder en de derde-belanghebbende. Uit vaste jurisprudentie
4zie o.a. ABRS 23 januari 2013, 201206157/1/A1.
van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat er alleen een grond is de afwijking van het bestemmingsplan te weigeren als sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering.
3.2.2 Beleidsregel privaatrechtelijke aspecten
Blijkt in het kader van de behandeling van het verzoek om planologische afweging dat er een privaatrechtelijke belemmering voor de realisering van een bouwwerk aanwezig is, dan wordt onderzocht of sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering. Wanneer blijkt dat er geen evidente privaatrechtelijke belemmering is of dat de aanvrager toestemming heeft van de derde-belanghebbende, dan kan de afwijking verleend worden. Wanneer sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering waarbij de derde-belanghebbende geen toestemming geeft, moet het plan aangepast worden zodat de belemmering weggenomen wordt. Als de aanvrager niet bereid is het plan aan te passen, dan wordt de afwijking geweigerd.
3.3 Milieu
3.3.1 Toelichting
Zoals in paragrafen 2.2.3 tot en met 2.2.6 is aangegeven dient rekening te worden gehouden met diverse milieuaspecten. Het gaat om geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Bij geluid gaat het om afwijkingen voor een termijn langer dan tien jaar. Bij luchtkwaliteit gaat het om de categorieën waarbij een afwijkend gebruik wordt toegestaan: categorieën 9 en 11 van artikel 4 bijlage II van het Bor. Met externe veiligheid dient rekening te worden gehouden voor zover het de bouw of vestiging van kwetsbare objecten betreft, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Indien van toepassing dient altijd onderbouwd te worden waarom er voldaan wordt aan de milieuregels. Indien nodig wordt hiertoe (extern) advies ingewonnen.
3.3.2 Beleidsregel milieu aspecten
Er moet rekening gehouden worden met de wettelijk verplichte toetsing op de volgende milieuaspecten:
Milieuaspect
Toetsing van toepassing voor onderdeel artikel 4 bijlage II van het Bor
Geluid
lid 1 t/m 10 (bij termijn langer dan 10 jaar)
Luchtkwaliteit
lid 9 en 11
Externe veiligheid
geheel artikel 4 voor zover het betreft de bouw of vestiging van kwetsbare objecten, zoals bedoeld in artikel 1 Bevi
3.4 Inherente afwijkingsbevoegdheid, artikel 4:84 Awb
3.4.1 Toelichting
In dit beleid zijn regels opgesteld die tot doel hebben om bij concrete verzoeken om planologische afwijking een afwegingskader te bieden waarmee snel een oordeel over de wenselijkheid en aanvaardbaarheid van medewerking kan worden gegeven. Het college van B&W handelt in overeenstemming met deze beleidsregels en derden moeten hierop kunnen vertrouwen. In artikel 4:84 van de Awb wordt gesproken over het gegeven dat het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregels.
Er kunnen bijzondere omstandigheden zijn die voor één of meer belanghebbenden gevolgen hebben die wegens die bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. De tweede zinsnede van artikel 4:84 van de Awb ziet hierop toe.
Deze onevenredige gevolgen moeten tot een zodanige hardheid leiden dat toepassing van de beleidsregel opzij moet kunnen worden gezet. Er zal moeten worden gemotiveerd waarom afwijking van dit beleid noodzakelijk is. Hierbij is het belangrijk dat er geen redelijke alternatieven zijn om te voorkomen dat van dit beleid wordt afgeweken. De ruimtelijke consequenties moeten beperkt blijven en er mag geen vrees bestaan dat er een (ongewenste) precedentwerking ontstaat. Het gaat bij de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 Awb om (categorieën van) gevallen die wel genoemd zijn in dit beleid. Voor (categorieën van) gevallen die niet genoemd zijn in dit beleid maar wel binnen de reikwijdte van Bor Bijlage II artikel 4 vallen, geldt dat een individuele afweging wordt gemaakt, zie paragraaf 3.2 en hoofdstuk 4.
3.4.2 Beleidsregel inherente afwijkingsbevoegdheid, artikel 4.84 Awb
Artikel 4:84 van de Awb geeft aan dat het bestuursorgaan in overeenstemming met de beleidsregel moet handelen. Er kunnen echter altijd bijzondere omstandigheden zijn die bij toepassing van het vastgestelde beleid in een concreet geval onevenredig zijn in verhouding tot de met dit beleid te dienen doelen. Dit is het geval als:
•er bijzondere omstandigheden kunnen worden aangevoerd die tot medewerking in afwijking van het beleid noodzaken en er geen redelijke alternatieven bestaan, mits de ruimtelijke consequenties beperkt blijven en geen (ongewenste) precedentwerking hoeft te worden gevreesd;
•een verzoek weliswaar niet binnen het geldende beleid past, maar een beleidswijziging als gevolg van het verzoek in de rede ligt;
•een verzoek weliswaar past binnen de in dit beleid neergelegde uitgangspunten maar dat, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, er geen medewerking dient te worden verleend, omdat de gevolgen van het verlenen van de afwijking onevenredig zijn in verhouding tot de met dit beleid te dienen doelen.
Onderkend moet worden dat elk beleid onvoorziene neveneffecten kan hebben. Met een beroep op deze clausule kunnen onvoorziene gevolgen van beleidsregels worden voorkomen. Indien deze clausule wordt toegepast of in afwijking van de in het afwijkingenbeleid opgenomen criteria geen medewerking aan een verzoek wordt verleend, wordt zowel het verzoek, het ruimtelijke ordeningsadvies, als de voorgenomen beleidswijziging aan B&W voorgelegd. In het afwijkingsbesluit wordt gemotiveerd aangegeven waarom in een specifiek geval wordt afgeweken van het afwijkingenbeleid.
4 Beleidsregels per thema
4.2 Beleidsregel bijbehorend bouwwerk (art. 4, onderdeel 1)
4.2.1 Wettekst
‘een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a.niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b.de oppervlakte niet meer dan 150 m2’
4.2.2 Voorwaarden
Het betreft een voor de omgeving niet-ingrijpende ontwikkeling.
Er dient te zijn aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging, waarbij in ieder geval is gekeken of sprake is van belemmeringen ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat, bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en opstallen, stedenbouw, landschappelijke inpasbaarheid, verkeer, parkeren en milieu.
4.2.3 Rechtstreeks toelaatbaar
Van een niet-ingrijpende ontwikkeling, een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging is in ieder geval sprake in de volgende situaties:
4.2.3.1Het bouwen over één laag en ondergronds
Het bouwen van bijbehorende bouwwerken over één laag en ondergronds is toegestaan indien voldaan wordt aan de volgende regels:
a.voor zover binnen het bouwvlak, niet zijnde een bouwvlak binnen een bestemming “recreatie-verblijfsrecreatie”, of op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
15 m;
20,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en
3het hoofdgebouw.
b.indien buiten het bouwvlak wordt gebouwd:
1dient minimaal 1 meter achter de voorgevel te worden gebouwd;
2voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
•indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;
•functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg.
3niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;
4de ligging van een verblijfsgebied in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag;
5ondergronds bouwen uitsluitend onder een bijbehorend bouwwerk is toegestaan tot een maximum van 30 m2, met dien verstande dat dit binnen planologisch beschermde zones alleen is toegestaan indien overeenstemming met de betreffende beheerder is bereikt;
6bouwen in de bestemming Tuin en Recreatie niet is toegestaan;
7de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:
•in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;
•in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2;
•in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2.
•in afwijking van de bovenstaande bullits mag in geval van een hoekperceel welke zicht hebben op of gelegen zijn aan de zijde van een openbare weg of openbaar groen, de oppervlakte van het zijerf 1 meter achter de voorgevel bij het bebouwingsgebied worden opgeteld als het ware één bebouwingsgebied, voor de bepaling van de toegestane oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken.
c.in afwijking van lid b onder 1 mag ook op minder dan 1 meter achter de voorgevel worden gebouwd indien de bestaande bebouwing op minder grote afstand dan 1 m van de voorgevel staat, in welk geval de bestaande afstand als minimum geldt;
d.in afwijking van lid b onder 1 en 6 mag ook op minder dan 1 meter achter de voorgevel worden gebouwd in de bestemming Tuin voor het bouwen van erkers, toegangsportalen, luifels, balkons, trappen en bordessen vòòr de voorgevel van het hoofdgebouw en voor het bouwen van erkers, toegangsportalen, luifels, balkons, trappen, bordessen én overkappingen aan zijgevels, welke zicht hebben op of gelegen zijn aan de zijde van een openbare weg of openbaar groen, mits:
1de bouwgrens met ten hoogste 1,5 m wordt overschreden;
2de afstand vanaf het openbaar toegankelijk gebied tot aan het te bouwen bouwwerk minimaal 2,5 m is;
3de bouwhoogte maximaal 3 m, dan wel 0,25 m boven de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw bedraagt;
4de breedte maximaal 2/3 van de breedte bedraagt van de gevel van het hoofdgebouw waaraan uitgebouwd wordt tot maximaal 4 m;
e.in afwijking van lid c onder 1 en 6 mag ook op minder dan 1 meter achter de voorgevel worden gebouwd in de bestemming Tuin voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk, mits:
1de oppervlakte van het bouwperceel minimaal 2000 m2 bedraagt;
2de afstand van de voorgevelrooilijn van de hoofdbebouwing tot aan het openbaar toegankelijk gebied minimaal 7 m bedraagt;
3de afstand vanaf het openbaar toegankelijk gebied tot aan het te bouwen bouwwerk minimaal 2,5 m is;
4de inpassing in de omgeving op zorgvuldige wijze plaatsvindt, waarbij eisen kunnen worden gesteld betreffende situering en afscherming door beplanting of anderszins;
5de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
4.2.3.2Uitbouw over meerdere lagen
Uitbreiding van het hoofdgebouw over meerdere lagen is toegestaan, mits:
a.het een aanvraag betreft voor een twee onder één kapwoning van het type waarbij voor de andere aaneengebouwde woning in het verleden met vergunning, aan het hoofdgebouw reeds een uitbouw over meerdere lagen is gerealiseerd;
b.de uitbouw aan de achterzijde, niet of nauwelijks zichtbaar vanaf de openbare weg, wordt gebouwd;
c.de uitbouw qua afmetingen en vormgeving gelijk is aan de naburige reeds geplaatste uitbouw;
4.2.3.3Uitzondering beschermd dorpsgezicht
In afwijking van artikel 4.2.3 is geen sprake van een rechtstreeks toelaatbare niet-ingrijpende ontwikkeling indien sprake is van een beschermd dorpsgezicht. Per concreet geval zal worden beoordeeld of de omgevingsvergunning ook daadwerkelijk wordt verleend. Hiervoor wordt advies gevraagd aan de monumentencommissie. Deze toetst de aanvraag aan het aanwijzingsbesluit beschermd dorpsgezicht. Indien het advies positief is kan de omgevingsvergunning verleend worden.
4.3 Beleidsregel gebouw t.b.v. een infrastructurele of openbare voorziening (art. 4, onderdeel 2)
4.3.1 Wettekst
‘een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2,onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a.niet hoger dan 5 m, en
b.de oppervlakte niet meer dan 50 m².’
4.3.2 Voorwaarden
Het betreft een voor de omgeving niet-ingrijpende ontwikkeling.
Er moet aangetoond worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging, waarbij in ieder geval is gekeken of sprake is van belemmeringen ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat, bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en opstallen, stedenbouw, landschappelijke inpasbaarheid, verkeer, parkeren en milieu.
4.4 Beleidsregel bouwwerk, geen gebouw zijnde (art. 4, onderdeel 3)
4.4.1 Wettekst
‘een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a.niet hoger dan 10 m, en
b.de oppervlakte niet meer dan 50 m²’
4.4.2 Voorwaarden
Het betreft een voor de omgeving niet-ingrijpende ontwikkeling.
Er dient te zijn aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging, waarbij in ieder geval is gekeken of sprake is van belemmeringen ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat, bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en opstallen, stedenbouw, landschappelijke inpasbaarheid, verkeer, parkeren en milieu.
4.4.3 Rechtstreeks toelaatbaar
Van een niet-ingrijpende ontwikkeling, een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging is in ieder geval sprake in de volgende situaties:
4.4.3.1Erf- en perceelafscheidingen
Algemene regels
Voor het bouwen van erfafscheidingen, poorten en poeren voor de voorgevel gelden de volgende algemene regels:
a.de afstand van de voorgevelrooilijn tot aan de openbare weg bedraagt minimaal 7 meter;
b.in beschermde stads- en dorpsgezichten, en bij gemeentelijke- en rijksmonumenten moeten deze in overeenstemming zijn met de monumentale waarde van de omgeving en/of het gebouw.
Erfafscheidingen voor de voorgevel
Het bouwen van erfafscheidingen voor de voorgevel is toegestaan, mits:
a.de bouwhoogte bij erfafscheidingen met een gesloten karakter maximaal 1,1 m bedraagt;
b.de bouwhoogte bij erfafscheidingen met een open karakter maximaal 1,5 m bedraagt.
Erfafscheidingen op het zijerf
Het bouwen van erfafscheidingen op het naar de openbare weg gekeerde zijerf is toegestaan, mits:
a.achter (het denkbeeldige verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd;
b.de bouwhoogte maximaal 2 m bedraagt.
Poorten
Het bouwen van poorten voor de voorgevel is toegestaan, mits:
a.de bouwhoogte bij poorten met een gesloten karakter maximaal 1,1 m bedraagt;
b.de bouwhoogte bij poorten met een open karakter maximaal 2 m bedraagt;
Poeren
Het bouwen van poeren voor de voorgevel is toegestaan, mits:
a.de bouwhoogte bij erfafscheidingen en poorten met gesloten karakter maximaal 1,5 m bedraagt;
b.de bouwhoogte bij erfafscheidingen en poorten met open karakter maximaal 2 m bedraagt.
4.4.3.2Lichtmastreclame
Algemene eis
Lichtmastreclame (een reclame-uiting in een transparante houder die aan een lichtmast is bevestigd) dient een gelijkvormig beeld te geven en mag geen gevaar opleveren voor de verkeersveiligheid.
Aanvullende eisen
Het bevestigen van lichtmastreclame is toegestaan, mits:
a.alle lichtmastreclames op dezelfde hoogte, gemeten vanaf het maaiveld tot aan de onderste rand van de houder, worden gehangen:
14,50 m boven de weg;
2ca. 3,50 m boven het trottoir gehangen.
b.de houder van de lichtmastreclame een maatvoering heeft van maximaal 0,70 m (breedte) x 1,0 m (hoogte) x 0,045 m (dikte);
c.maximaal één houder per lichtmast wordt geplaatst;
d.in afwijking van lid c mogen maximaal twee lichtmastreclames worden geplaatst aan lichtmasten, die op de middengeleider van een weg staan, met dien verstande dat zij op gelijke hoogte aan weerszijden van de mast worden geplaatst;
e.het perceel niet is gelegen binnen een van rijks-, provincie- of gemeentewege beschermd dorpsgezicht, een rijksmonument of een gemeentelijk monument;
f.het perceel is gelegen:
1langs de wegtracés genoemd onder A zoals opgenomen in bijlage ‘Gebieden voor lichtmastreclame’ binnen de bebouwde kom, zoals deze op grond van artikel 27 van de Wegenwet is vastgesteld;
2langs de wegtracés genoemd onder B zoals opgenomen in bijlage ‘Gebieden voor lichtmastreclame’, indien er redelijkerwijs geen andere locatie voorhanden is en na overleg met het college van burgemeester en wethouders.
g.in de gemeente in totaal maximaal 50 stuks lichtmastreclames aanwezig mogen zijn.
4.4.3.3Zonnepanelen in veldopstelling voor eigen gebruik
Het opwekken van energie met grondgebonden zonnepanelen voor eigen gebruik bij een (bedrijfs)woning is toegestaan indien wordt voldaan aan de volgende regels:
a.de grondgebonden zonnepanelen binnen hetzelfde bouwperceel worden gerealiseerd als de (bedrijfs)woning;
b.de oppervlakte maximaal 50 m2 bedraagt;
c.in afwijking van lid b is nogmaals een oppervlakte van maximaal 50 m2 toegestaan indien is aangetoond dat deze nodig is in verband met de energiebehoefte van een warmte koude opslaginstallatie (wko) of warmtepompinstallatie;
d.in afwijking van lid a zijn grondgebonden zonnepanelen niet toegestaan indien het perceel is gelegen:
1op een grafheuvel;
2in een ‘beschermd stads- en dorpsgezicht’;
2in beschermde historische park- en tuinaanleggen, zoals een landschapspark met solitairen, boomgroepen en open weiden zoals een arboretum of een heidetuin;
3in een Natura 2000-gebied;
4in het ‘oude engen’ gebied zoals opgenomen in de Welstandsnota;
5op de Grebbelinie.
e.de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan hieronder is aangegeven:
Grondgebonden zonnepaneelinstallaties
Maximum bouwhoogte
Binnen het bebouwingsgebied
2m
Buiten het bebouwingsgebied (het voorerfgebied)
1m
4.4.3.4Mestopslag, andere silo’s en kuilvoerplaten
Het buiten een bouwvlak in de agrarische bestemming bouwen van mestopslag, andere silo’s of kuilvoerplaten is toegestaan mits:
a.ten hoogste één bouwwerk voor mestopslag wordt gebouwd bij elk agrarisch bedrijf, met een oppervlakte van maximaal 50 m2 en een maximum bouwhoogte van 5 m;
b.andere silo's, dan voor mestopslag, en/of kuilvoerplaten worden gebouwd met een oppervlakte van maximaal 50 m2 per silo, tot een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 250 m² bij elk agrarisch bedrijf, en een maximum bouwhoogte van 2 m;
c.het bouwwerk direct aansluitend op het bouwvlak wordt gesitueerd;
d.de noodzaak voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering van situering buiten het bouwvlak is aangetoond;
e.indien gelegen in een gebied met landschappelijke waarden deze daardoor niet onevenredig worden aangetast;
f.de inpassing in het landschap op zorgvuldige wijze plaatsvindt, waarbij eisen kunnen worden gesteld betreffende situering en afscherming door beplanting of anderszins.
4.4.3.5Uitzondering beschermd dorpsgezicht
In afwijking van artikel 4.4.3 is geen sprake van een rechtstreeks toelaatbare niet-ingrijpende ontwikkeling indien sprake is van een beschermd dorpsgezicht. Per concreet geval zal worden beoordeeld of de omgevingsvergunning ook daadwerkelijk wordt verleend. Hiervoor wordt advies gevraagd aan de monumentencommissie. Deze toetst de aanvraag aan het aanwijzingsbesluit beschermd dorpsgezicht. Indien het advies positief is kan de omgevingsvergunning verleend worden.
4.5 Beleidsregel dakkapel, dakopbouw en isolatie (art. 4, onderdeel 4)
4.5.1 Wettekst
‘een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw’
4.5.2 Voorwaarden
Het betreft een voor de omgeving niet-ingrijpende ontwikkeling.
Er dient te zijn aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging, waarbij in ieder geval is gekeken of sprake is van belemmeringen ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat, bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en opstallen en stedenbouw.
4.5.3 Rechtstreeks toelaatbaar
Van een niet-ingrijpende ontwikkeling, een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging is in ieder geval sprake in de volgende situaties:
4.5.3.1Dakkapellen
Dakkapellen in hoofdgebouwen zijn toegestaan, mits:
a.de breedte van dakkapellen in de dakvlakken aan de voorgevel en de naar de openbare weg gekeerde zijgevels per dakvlak niet meer dan de helft van de breedte van de desbetreffende dakvlakken ter hoogte van de bovenkant van de dakkapel bedraagt;
b.gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,5 m;
c.onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
d.zijkanten meer dan 0,9 m van de zijkanten van het dakvlak;
e.bij meerdere dakkapellen deze uitsluitend in één horizontale lijn worden geplaatst;
f.niet op:
1een woonwagen,
2een gebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat het slechts voor een bepaalde periode in stand mag worden gehouden, of
3een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden.
4.5.3.2Dakopbouwen
Dakopbouwen zijn toegestaan, mits:
a.het een aanvraag betreft voor een twee onder één kapwoning van het type waarbij voor de andere aaneengebouwde woning in het verleden met vergunning, in het dakvlak van het hoofdgebouw reeds een dakopbouw is gerealiseerd;
b.de dakopbouw aan de achterzijde, niet zichtbaar vanaf de openbare weg, wordt gebouwd;
c.de dakopbouw qua afmetingen en vormgeving gelijk is aan de naburige reeds geplaatste dakopbouw;
4.5.3.3Isoleren van een gebouw
Uitbreiding van een gebouw ten behoeve van voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw is toegestaan, mits:
a.bouwgrenzen niet meer dan 0,3 m worden overschreden;
b.maximale goot- en bouwhoogten niet meer dan 0,5 m worden overschreden;
c.het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt aangetast.
4.5.3.4Uitzondering beschermd dorpsgezicht
In afwijking van artikel 4.5.3 is geen sprake van een rechtstreeks toelaatbare niet-ingrijpende ontwikkeling indien sprake is van een beschermd dorpsgezicht. Per concreet geval zal worden beoordeeld of de omgevingsvergunning ook daadwerkelijk wordt verleend. Hiervoor wordt advies gevraagd aan de monumentencommissie. Deze toetst de aanvraag aan het aanwijzingsbesluit beschermd dorpsgezicht. Indien het advies positief is kan de omgevingsvergunning verleend worden.
4.6 Beleidsregel antenne-installatie (art. 4, onderdeel 5)
4.6.1 Wettekst
‘een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m’
4.6.2 Voorwaarden
Het plaatsen van antenne-installaties is toegestaan, mits:
a.de hoogte maximaal 40 m bedraagt;
b.de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
c.het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
4.7 Beleidsregel installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling (art. 4, onderdeel 6)
4.7.1 Wettekst
‘een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998’
4.7.2 Voorwaarden
Er dient te zijn aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging, waarbij in ieder geval is gekeken of sprake is van belemmeringen ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat, bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en opstallen, stedenbouw, landschappelijke inpasbaarheid, verkeer en milieu.
4.8 Beleidsregel installatie bij een agrarisch bedrijf voor duurzame energie (art. 4, onderdeel 7)
4.8.1 Wettekst
‘een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen’
4.8.2 Voorwaarden
Er dient te zijn aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging, waarbij in ieder geval is onderzocht of sprake is van belemmeringen ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat, bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en opstallen, stedenbouw, landschappelijke inpasbaarheid, verkeer en milieu.
4.9 Beleidsregel gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied (art. 4, onderdeel 8)
4.9.1 Wettekst
‘het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied’
4.9.2 Voorwaarden
Er dient te zijn aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging, waarbij in ieder geval is onderzocht of sprake is van belemmeringen ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat, bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en opstallen, stedenbouw, landschappelijke inpasbaarheid, verkeer, parkeren en milieu.
4.10 Beleidsregel gebruiken van bouwwerken eventueel in samenhang met bouwactiviteiten (art. 4, onderdeel 9)
4.10.1 Wettekst
‘het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen’
4.10.2 Voorwaarden
Er dient te zijn aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging, waarbij in ieder geval is onderzocht of sprake is van belemmeringen ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat, bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en opstallen, stedenbouw, landschappelijke inpasbaarheid, verkeer, parkeren en milieu.
4.10.3 Rechtstreeks toelaatbaar
Van een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging is in ieder geval sprake in de volgende situaties:
4.10.3.1Uitoefenen van een bed & breakfast binnen de bebouwde kom
Het uitoefenen van een bed & breakfast in of bij een (bedrijfs)woning binnen de bebouwde kom is toegestaan, mits:
a.niet meer dan 30 % van de totale bruto vloeroppervlakte van de (bedrijfs)woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, voor de uitoefening van bed & breakfastvoorzieningen wordt gebruikt, met een maximum van 75 m²;
b.de oppervlakte per bed & breakfastvoorziening dient minimaal 20 m² te bedragen;
c.het aantal bed & breakfastvoorzieningen mag maximaal 3 bedragen;
d.de activiteiten door de bewoners worden uitgeoefend;
e.per bed & breakfastvoorziening een zelfstandige sanitaire ruimte aanwezig is;
f.per bed & breakfastvoorziening geen zelfstandige keuken aanwezig is;
g.per bed & breakfastvoorziening een extra parkeerplaats op eigen terrein aanwezig is.
4.10.3.2Uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis binnen de bebouwde kom
Het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis binnen de bebouwde kom is toegestaan, mits:
a.een (bedrijfs)woning op het perceel aanwezig is;
b.niet meer dan 40% van de totale bruto vloeroppervlakte van het hoofdgebouw, inclusief bijbehorende bouwwerken, voor de uitoefening van het beroep of bedrijf wordt gebruikt;
c.bij de uitoefening van een bedrijf aan huis alleen activiteiten worden uitgevoerd die genoemd worden in de bij deze regels behorende bijlage 'Bedrijf aan huis' en/of een internetwinkel zonder een afhaalbalie, showroom of andere fysieke bezoekmogelijkheid;
d.geen horeca- en/of detailhandelsactiviteiten worden uitgeoefend, uitgezonderd beperkte verkoop die ondergeschikt is aan de uitoefening van het betrokken beroep of bedrijf aan huis;
e.de beroeps- en bedrijfsactiviteiten mede door de bewoners worden uitgeoefend;
f.de verkeersbelasting niet onevenredig toeneemt;
g.in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien of, ingeval dit niet mogelijk is, voldoende parkeergelegenheid in de directe nabijheid aanwezig is;
h.geen buitenopslag ten behoeve van de activiteit plaatsvindt.
4.10.3.3Bijzondere woonvormen en kamerbewoning binnen de bebouwde kom
Bijzondere woonvormen en kamerbewoning in een woning niet zijnde een bedrijfswoning binnen de bebouwde kom zijn toegestaan, mits:
a.de functie een ruimtelijke werking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;
b.de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
c.in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien of, ingeval dit niet mogelijk is, voldoende parkeergelegenheid in de directe nabijheid aanwezig is;
d.het gebruik binnen het bouwvlak van het geldende bestemmingsplan (of beheersverordening) plaatsvindt;
e.het gebruik alleen in een bovenwoning plaatsvindt indien de woning zich in het kernwinkelgebied bevindt.
4.10.3.4Extra woningen binnen de bebouwde kom
Meer woningen binnen de bebouwde kom zijn toegestaan, mits:
a.sprake is van een bestemming Centrum, Detailhandel, Dienstverlening, Gemengd, Horeca, Kantoor of Maatschappelijk;
b.op het bouwperceel al één of meerdere woningen zijn toegestaan;
c.de oppervlakte per woning minimaal 30 m2 bedraagt;
d.de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
e.in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien of, ingeval dit niet mogelijk is, voldoende parkeergelegenheid in de directe nabijheid aanwezig is;
f.indien sprake is van een bestemming Centrum, alle woningen als bovenwoning worden gerealiseerd;
g.indien niet voldaan kan worden aan lid a maar wel aan lid b t/m e, dan wordt per concreet geval een afweging gemaakt of afwijking wordt verleend.
4.10.3.5Toestaan van een afhaalpunt bij bedrijven binnen de bebouwde kom
Een afhaalpunt is in de bedrijfsbestemming binnen de bebouwde kom toegestaan, mits:
a.de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsbebouwing niet wordt vergroot, voor zover deze vergroting betrekking heeft op het met de omgevingsvergunning toegestane gebruik;
b.binnen eenzelfde bouwvlak de vloeroppervlakte van het afhaalpunt niet meer dan 50 m² bedraagt;
c.geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
d.de verkeersbelasting niet onevenredig toeneemt;
e.voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.
4.11 Beleidsregel gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning (art. 4, onderdeel 10)
4.11.1 Wettekst
‘het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a.de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;
b.de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,
c.de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en
d.de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was’
4.11.2 Voorwaarden
Het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning wordt niet toegestaan.
4.12 Beleidsregel tijdelijk gebruik van gronden of bouwwerken (art. 4, onderdeel 11)
4.12.1 Wettekst
‘ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar’
4.12.2 Voorwaarden
Voor het tijdelijk gebruik van gronden of bouwwerken geldt:
a.er dient te zijn aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en een zorgvuldige belangenafweging, waarbij in ieder geval is onderzocht of sprake is van belemmeringen ten aanzien van een goed woon- en leefklimaat, bouw- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en opstallen, stedenbouw, landschappelijke inpasbaarheid, verkeer, parkeren en milieu.
b.een beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit heeft plaatsgevonden zoals bedoeld in artikel 5.16, lid 1 van de Wet Milieubeheer, waarbij aannemelijk is gemaakt dat het project aan één of een combinatie van de volgende voorwaarden voldoet:
1geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
2per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;
3slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging;
4is opgenomen in, of past binnen, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen.
c.indien sprake is van de realisatie van een beperkt kwetsbaar object zoals bedoeld in artikel 1 van het Bevi een beoordeling van de gevolgen voor de externe veiligheid heeft plaatsgevonden, waarbij aannemelijk is gemaakt dat het aan de in de betreffende wet en regelgeving genoemde voorwaarden voldoet;
d.na het vervallen van de omgevingsvergunning dat de gronden of gebouwen in overeenstemming met de geldende juridisch-planologische situatie worden gebracht.
Bijlage 1: Wetteksten
Hieronder worden de relevante wetteksten weergegeven zoals geldend op 17-12-2018:
Artikel 2.1, eerste lid, sub c, van de Wabo
1Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
c.het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
Artikel 2.10, eerste lid, sub c, van de Wabo
1Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
c.de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
2In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12, eerste lid, sub a, onderdeel 2, van de Wabo
1Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a.indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
Artikel 2.7. Planologische gebruiksactiviteiten, van het Bor
Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.
Artikel 2.8. Luchtkwaliteit, van het Bor
Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, onder g, van de Wet milieubeheer waarbij bij het verlenen van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet een beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer is vereist, worden aangewezen de categorieën gevallen, bedoeld in artikel 4, onderdelen 9 en 11, van bijlage II.
Artikel 4, van bijlage II, van het Bor
Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:
1een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a.niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b.de oppervlakte niet meer dan 150 m2;
2een gebouw ten behoeve van een infrastructurele of openbare voorziening als bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, onder a, dat niet voldoet aan de in dat subonderdeel genoemd eisen, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a.niet hoger dan 5 m, en
b.de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
3een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a.niet hoger dan 10 m, en
b.de oppervlakte niet meer dan 50 m²;
4een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw;
5een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m;
6een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998;
7een installatie bij een agrarisch bedrijf waarmee duurzame energie wordt geproduceerd door het bewerken van uitwerpselen van dieren tot krachtens artikel 5, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen eindproducten van een krachtens dat artikellid omschreven bewerkingsprocedé dat ziet op het vergisten van ten minste 50 gewichtsprocenten uitwerpselen van dieren met in de omschrijving van dat procedé genoemde nevenbestanddelen;
8het gebruiken van gronden voor een niet-ingrijpende herinrichting van openbaar gebied;
9het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;
10het gebruiken van een recreatiewoning voor bewoning, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
a.de recreatiewoning voldoet aan de bij of krachtens de Woningwet aan een bestaande woning gestelde eisen;
b.de bewoning niet in strijd is met de bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij gestelde regels of de Reconstructiewet concentratiegebieden,
c.de bewoner op 31 oktober 2003 de recreatiewoning als woning in gebruik had en deze sedertdien onafgebroken bewoont, en
d.de bewoner op 31 oktober 2003 meerderjarig was;
11ander gebruik van gronden of bouwwerken dan bedoeld in de onderdelen 1 tot en met 10, voor een termijn van ten hoogste tien jaar.
Artikel 5, eerste lid, sub b en c, van bijlage II, van het Bor
1Bij de toepassing van de artikelen 2, 3 en 4 blijft het aantal woningen gelijk. Deze eis is niet van toepassing op de gevallen, bedoeld in:
a.de artikelen 2, onderdelen 3 en 22, en 3, onderdeel 1, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,
b.artikel 4, onderdeel 1, voor zover het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,
c.artikel 4, onderdelen 9 en 11.
Artikel 5, zesde lid, van bijlage II, van het Bor
6Artikel 4, onderdelen 9 en 11, is niet van toepassing op een activiteit als bedoeld in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
Bijlage 2: Staat van activiteiten Bedrijf aan Huis
Staat van Activiteiten: Bedrijf aan Huis
SBI-code
Omschrijving
Afstanden in meters
Indices
Geur
Stof
Geluid
Gevaar
CATEGORIE
Verkeer
Bodem
Lucht
58
UITGEVERIJEN, DRUKKERIJEN EN REPRODUCTIE VAN OPGENOMEN MEDIA
1814
Grafische afwerking
0
0
10
0
1
1
182
Reproductiebedrijven opgenomen media
0
0
10
0
1
1
62
COMPUTERSERVICE- EN INFORMATIETECHNOLOGIE
62
Computerservice- en informatietechnologie-bureau's e.d.
0
0
10
0
1
1
58, 63
Datacentra
0
0
30
0
2
1
72
SPEUR- EN ONTWIKKELINGSWERK
722
Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek
0
0
10
0
1
1
96
OVERIGE DIENSTVERLENING
9602
Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten
0
0
10
0
1
1
9609
Persoonlijke dienstverlening n.e.g., exclusief seksinrichtingen en prostituees
0
0
10
0
1
1
Bijlage 3: Gebieden voor lichtmastreclame
Gebied A
Driebergen-Rijsenburg:
1Hoofdstraat, vanaf de komgrens nabij de A12 tot ter hoogte van Hoofdstraat 65
2Hoofdstraat, vanaf ter hoogte van Bosstraat 1 tot de kruising met de Hoge Steeg
3Loolaan
4Arnhemsebovenweg, vanaf de komgrens nabij de A12 tot de komgrens nabij dePatrimoniumstraat
5Arnhemsebovenweg, vanaf de komgrens nabij de Bosstraat tot de komgrens nabij de Horstlaan
6Nijendal
7Damhertlaan
Doorn
8Dorpsstraat, vanaf de kruising met de Acacialaan tot aan ter hoogte van Dorpsstraat 15a
9Langbroekerweg, kruising met de Dorpsstraat tot en met de kruising met de Schoonoordselaan
10Amersfoortseweg, kruising met de Dorpsstraat tot de kruising met de Willem de Zwijgerlaan
Maarn:
11Tuindorpweg, vanaf de oostelijke komgrens tot en met de kruising met de Raadhuislaan
12Tuindorpweg, vanaf ter hoogte van nr. 56 tot aan de Poortse Bos.
13Poortse Bos
Maarsbergen
14Tuindorpweg
15Haarweg
16Ambachtsweg
Leersum
17Scherpenzeelseweg, vanaf (exclusief) de kruising met de Rijksstraatweg tot en met ter hoogte van 60
18Torenzichtlaan
19Honingraat
20Kerkweg
Amerongen
21Koenestraat: tot aan (exclusief) de kruising met de Jan van Zutphenweg
22Bertus Leendersweg
23Industrieweg
24Industrieweg-Noord
25Industrieweg-Zuid, vanaf de kruising met de Bertus Leendersweg tot en met ter hoogte van nr. 18.
Gebied B
Driebergen-Rijsenburg
1Hoofdstraat, vanaf ter hoogte van nr. 144 tot (exclusief) ter hoogte van Bosstraat 1
2Hoofdstraat, de kruising met de Hoge Steeg tot en met die met de Akkerweg
Doorn
3Dorpsstraat, oostelijke grens van de bebouwde kom tot aan de kruising met de Acacialaan
4Dorpsstraat, ter hoogte van Dorpsstraat 15a tot aan de westelijke grens van de bebouwde Kom
5Amersfoortseweg, kruising met de W. de Zwijgerlaan tot aan de noordelijke grens van de bebouwde kom
Leersum
6Scherpenzeelseweg: vanaf (exclusief) ter hoogte van nr. 60 tot aan de noordelijke komgrens
Bijlage 4: Begrippen
achtererfgebied
erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.
afhaalpunt
een locatie waar de consument uitsluitend via internethandel bestelde goederen kan afhalen of retourneren, waar uitsluitend logistiek en opslag van bestelde goederen gedurende een korte periode plaatsvindt en waarbij geen sprake is van uitstalling ten verkoop en/of overige activiteiten.
bebouwingsgebied
achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw.
bed & breakfastvoorziening
een (deel van een) gebouw, bedoeld voor veelal kortdurend recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen.
bedrijf
een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van producten en goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen.
bedrijf aan huis
een bedrijf dat in een (gedeelte van) een woning en/of bijbehorende bouwwerken wordt uitgeoefend en gericht is op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, mede door de bewoner van de woning, met dien verstande dat de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
beroep aan huis
een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in een woning en/of de bijbehorende bouwwerken mede wordt uitgeoefend door de bewoner van de woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
bijzondere woonvorm
een complex van ruimten bedoeld voor de huisvesting van één of meerdere huishoudens door hulpbehoevenden op het fysieke, psychische en/of sociale vlak eventueel met extra zorg en/of begeleiding, met bijbehorende voorzieningen, zoals een gemeenschappelijke ruimte en kantoor.
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.
bouwgrens
de grens van een bouwvlak.
bouwlaag
een voor mensen toegankelijk deel van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen wordt begrensd. De eerste bouwlaag is de bouwlaag op de begane grond.
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel.
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
bouwwerk
een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden
daknok
hoogste punt van een schuin dak.
dakvoet
laagste punt van een schuin dak.
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.
erker
een uitbouw aan een woning, die zich bevindt aan de gevel van een woning en ondergeschikt is aan de massa van het hoofdgebouw.
functie
doeleinden ten behoeve waarvan gebruik van gebouwen en/of gronden of aangewezen delen daarvan, is toegestaan.
functiegebied
gebruiksgebied of een gedeelte daarvan, waar de voor die gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten, niet zijnde het verblijven van personen, plaatsvinden.
functieruimte
in een functiegebied gelegen ruimte.
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
gebruiksfunctie
gedeelten van een of meer bouwwerken die dezelfde gebruiksbestemming hebben en die tezamen een gebruikseenheid vormen.
gebruiksgebied
vrij indeelbaar gedeelte van een gebruiksfunctie waar voor de gebruiksfunctie kenmerkende activiteiten plaatsvinden, dat bestaat uit een of meer op dezelfde bouwlaag gelegen ruimten gelegen in een brandcompartiment die niet door een dragende scheidingsconstructie van elkaar zijn gescheiden en die geen toiletruimte, badruimte, technische ruimte of verkeersruimte zijn, tenzij die ruimte zelf een functieruimte is.
glastuinbouw
de teelt van tuinbouwgewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen.
hoofdgebouw
gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.
horeca
een bedrijf waar hoofdzakelijk overdag en/of in de avonduren dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, restaurant, hotel, pension, en naar aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven.
huisvesting in verband met mantelzorg
huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning.
internetwinkel
winkel waarbij de verkoop plaatsvindt op internet en de klantencontacten grotendeels of geheel digitaal verlopen.
kamerbewoning
het bewonen van eenzelfde woning door meerdere personen die ieder in een eigen ruimte een eigen huishouden voeren waarbij deze bewoners wezenlijke voorzieningen, zoals een entree, keuken en/of sanitaire ruimte, gemeenschappelijk gebruiken.
kas
een gebouw met overwegend transparante, lichtdoorlatende afdekking en wanden van een bouwhoogte van meer dan 1 meter, bedoeld voor het kweken en telen van gewassen.
mantelzorg
intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond.
nutsvoorzieningen
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalinginstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie.
overkapping
een bouwwerk, omsloten door maximaal één, tot de constructie behorende wand en voorzien van een gesloten dak.
paardenbak
een niet overdekt terrein ingericht voor het africhten, trainen en berijden van paarden en pony's en het anderszins beoefenen van de paardensport.
permanente bewoning
bewoning van een ruimte als hoofdwoonverblijf, waarbij door betrokkene(n) niet aannemelijk is of kan worden gemaakt dat elders daadwerkelijk over een hoofdwoonverblijf wordt beschikt.
recreatiewoning
een gebouw, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen.
schuilgelegenheid
een bouwwerk bestemd voor het schuilen van dieren.
staat van bedrijfsactiviteiten
bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen.
verblijfsgebied
gebruiksgebied of een gedeelte daarvan voor het verblijven van personen.
voorerfgebied
erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied.
voorgevel
de naar de weg gekeerde of aan de voorzijde van een gebouw gelegen gevel of, indien het een gebouw betreft met meerdere zodanige gevels, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.
voorgevelrooilijn
de lijn die horizontaal loopt door het buitenwerks vlak van de voorgevel, tot aan de perceelsgrenzen.
woning
een gebouw of gedeelte van een gebouw, bestaande uit een complex van ruimten, dat is bedoeld en dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
Bijlage 5: Wijze van meten
Tenzij anders bepaald, worden de waarden die in deze regels in m of m² zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:
a.afstanden loodrecht,
b.hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven, en
c.maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot maximaal 0,5 m buiten beschouwing blijven