Gemeentelijke regelgeving

Beleidsregels Jeugdhulp Urk 2025

Gemeente Urk · geldt sinds 25 januari 2025

1. Algemene uitgangspunten

1.2 Taak van de gemeente

1.2.1 Resultaatverplichting

De jeugdhulpplicht van de gemeente is een resultaatverplichting. Dat wil zeggen als er hulp-op-maat nodig is, dan is dat gericht op het bereiken van de resultaten zoals hiervoor omschreven.

Beoordelingsruimte

De gemeente heeft ruimte bij de beoordeling met welke hulp-op-maat een of meerdere noodzakelijke resultaten worden bereikt. Dat staat in de wet. Het is verder zo dat hulp-op-maat passende jeugdhulp moet zijn. Ook dat staat in de wet.

2. Procedure

2.2 Het onderzoek

2.2.1 Voor het onderzoek begint

Voor het onderzoek wordt gedaan bekijkt de gemeente in ieder geval of:

•Het gaat om een jeugdige zoals bedoeld in de wet.

•De aanvrager belanghebbende is bij het besluit dat de gemeente neemt. Eenvoudig gezegd: kan door degene een aanvraag worden gedaan.

•De gemeente verantwoordelijk is voor de jeugdige in het kader van het woonplaatsbeginsel.

2.2.2 Deskundigheid

2.2.3 lid 4 Verordening

Het onderzoek wordt gedaan onder de verantwoordelijkheid van een SKJ of BIG geregistreerde persoon. Die kijkt ook of er meer of een andere deskundigheid nodig is en schakelt de juiste deskundigheid in. Bijvoorbeeld een gedragswetenschapper, orthopedagoog of een (jeugd)arts. De deskundigen die betrokken zijn bij het onderzoek worden genoemd in het verslag.

2.3 Het stappenplan

2.3.1 Stap 1 van het stappenplan

Een volledig beeld is nodig

De gemeente kan niet altijd alleen uitgaan van de hulpvraag die de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij de gemeente neerleggen. De gemeente moet zelf actief onderzoek doen naar de problemen van het gezin en rekening houden met de hulp die zij hierbij wensen. Pas dan wordt een volledig beeld verkregen van de (gezins)situatie. De aanwezigheid van het sociaal netwerk van de jeugdige en zijn ouder(s) kan van grote meerwaarde zijn. Het kan informatie geven die van belang is voor het onderzoek. Ook kan het onderdeel uitmaken van de eigen kracht. Dat komt bij stap 4 van het stappenplan aan bod.

Er wordt specifiek hulp-op-maat gevraagd

De hulpvraag kan niet bestaan uit de vraag aan de gemeente om een specifieke jeugdhulpvoorziening toe te kennen. Dit gelet op het wettelijk kader en het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep. De gemeente houdt wel rekening met de wens van de jeugdige of zijn ouder(s) om de gevraagde hulp-op-maat te ontvangen. Dat is onderdeel van het onderzoek.

2.3.2 Stap 2 van het stappenplan

Bij deze stap worden de opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen inzichtelijk in kaart gebracht en vervolgens welke problemen en stoornissen er zijn. Het hoeft daarbij niet alleen te gaan om de jeugdige die kampt met bepaalde problematiek; ouders kunnen door die problematiek opvoedingsproblemen ondervinden.

Opvoedingsproblemen

Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn.

Methode

Het onderzoek is de leidraad voor het onderzoeksverslag. De gehanteerde methode die hierbij wordt gebruikt voldoet aan de eisen van de Centrale Raad van Beroep.

Zorgmomentenoverzicht

Als dat nodig is kan de gemeente van ouders een zorgmomentenoverzicht (dag/week) vragen waarin de situaties waar de jeugdige hulp bij nodig heeft adequaat worden beschreven. De gemeente kan dit overzicht vergelijken met de Richtlijn Gebruikelijke hulp van de verordening.

Familiegroepsplan

Het familiegroepsplan is een plan dat de ouder(s) opstellen samen met mensen die tot hun sociaal netwerk en dat van de jeugdige behoren. Het familiegroepsplan is een belangrijk instrument om het gezin weer regie over het eigen leven te kunnen geven en het sociaal netwerk daarbij te betrekken. De gemeente kan in aanvulling op het familiegroepsplan wel hulp-op-maat verlenen als dat nodig is. Het spreekt voor zich dat het familiegroepsplan door de gemeente wordt betrokken bij het onderzoek.

Bijlagen bij de beleidsregels

Eén of meerdere bijlagen van deze beleidsregels kunnen helpen bij het onderzoek naar de opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen.

•bijlage 1 Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging

•bijlage 2 Aandachtspunten resultaatgebieden (kind gerelateerd)

•bijlage 3 Aandachtspunten ouderschap

•bijlage 4 Ouder gerelateerde aandachtspunten

•bijlage 5 Richtlijn ouderschap

2.3.3 Stap 3 van het stappenplan

In stap 3 van het stappenplan wordt vastgesteld welke hulp er naar aard en omvang nodig is om de wettelijke jeugdhulpdoelen te behalen zoals die in 1.2 van deze beleidsregels zijn beschreven.

Welke hulp-op-maat is nodig

Zoals gezegd wordt bij deze stap beoordeeld of er volgens de gemeente hulp-op-maat nodig is waardoor de jeugdige:

•gezond en veilig kan opgroeien en kan groeien naar zelfstandigheid; en

•voldoende zelfredzaam is en maatschappelijk kan participeren,

rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Ook worden de te bereiken resultaten vastgesteld. Zie hoofdstuk 4 van deze beleidsregels voor hulp-op-maat.

Blijkt uit het onderzoek bij stap 2 en 3 dat er (ook) andere hulp nodig is dan op grond van de Jeugdwet (voorliggende voorziening), dan komt dat bij stap 5 van het stappenplan aan de orde. Het gaat bij stap 3 van het stappenplan nog niet om de hulp-op-maat die de gemeente daadwerkelijk zal gaan verlenen.

2.3.4 Stap 4 van het stappenplan

Bij stap 4 van het stappenplan wordt vastgesteld of de eigen kracht toereikend is. Zie voor de beoordeling van eigen kracht verder hoofdstuk 3 van deze beleidsregels.

2.3.5 Stap 5 van het stappenplan

Na het doorlopen van het stappenplan wordt bij stap 5 vastgesteld of de gemeente hulp-op-maat zal verlenen. En zo niet, wat de reden daarvan is. En zo ja, welke dat is om de vastgestelde resultaten te bereiken.

De gemeente beoordeelt of de volgende aspecten aan de orde zijn:

1Er is geen sprake van jeugdhulp.

2Geen noodzaak tot het verlenen van hulp-op-maat.

3Gebruikmaking van een andere wet.

4Vrij toegankelijk jeugdhulpvoorziening biedt een passende oplossing.

5Welke hulp-op-maat is aangewezen en in welke vorm die wordt verleend.

1.Geen jeugdhulp

Op basis van het onderzoek kan de gemeente vaststellen dat er geen sprake is van jeugdhulp. Dat kan te maken hebben met aanspraken die geregeld zijn in een andere wet maar ook situaties waarin geen sprake kan zijn van jeugdhulp. De volgende voorbeelden worden genoemd:

•Hulp met als doel het realiseren van (passend) onderwijs valt niet onder Jeugdwet. Dat geldt ook voor het thuis doorlopen van een onderwijsprogramma.

•Vervoer naar diverse (hobby)activiteiten is geen jeugdhulp.

•Tandartsbezoeken waarbij de behandeling onder narcose moet plaatsvinden, begeleiding bij de controle door de kinderarts en het laten innemen van de medicatie.

•Begeleiding van en naar de zwemles.

•Hulp in de vorm van alleen opvang van de jeugdige.

2.Geen noodzaak

Op basis van het onderzoek kan blijken dat er weliswaar sprake is van een behoefte aan jeugdhulp, maar dat de gemeente kan vaststellen dat er geen noodzaak is voor het verlenen van hulp-op-maat. Dat kan bijvoorbeeld te maken hebben met de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. In de praktijk zal dit meestal voorkomen bij een verzoek om een specifieke jeugdhulpvoorziening (aard en omvang) van ouders of jeugdigen.

3.Gebruikmaking van een andere wet

Uit het onderzoek kan al duidelijk zijn dat de jeugdige aanspraak kan maken op een andere wet. Denk aan het Leerlingenvervoer, de Zorgverzekeringswet of de Wet passend onderwijs. Ook kan de gemeente vaststellen dat, gelet op problematiek, aanspraak bestaat (kan bestaan) op een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Van ouders wordt in zo’n geval verwacht dat een aanvraag bij het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt gedaan. Ouders kunnen bij die aanvraagprocedure gebruikmaken van cliëntondersteuning. Jeugdhulp en Wlz kunnen wel samengaan als een behoefte van ouders of jeugdigen niet onder de Wlz valt.

4.Vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening

Op basis van het onderzoek kan de gemeente vaststellen dat gebruikmaking van een vrij-toegankelijke jeugdhulpvoorziening een passende oplossing biedt.

5Hulp-op-maat

De gemeente beoordeelt of er hulp-op-maat is aangewezen. En zo ja, welke hulp-op-maat dat is. Daarbij heeft de gemeente beoordelingsruimte. De gemeente houdt in ieder geval rekening met de uitgangspunten van artikel 4.1 en 4.2 van de Verordening en de hoofdstukken 1 en 3 van deze beleidsregels. In hoofdstuk 4 van deze beleidsregels is de hulp-op-maat verder uitgewerkt.

2.4.1 Hulp-op-maat van gecontracteerde jeugdhulpaanbieders

Als hulp-op-maat nodig is, wordt eerst gekeken of er een jeugdhulpaanbieder is met een contract bij de gemeente die de hulp kan bieden.

De gemeente werkt resultaatgericht en stelt de te behalen resultaten vast tijdens het onderzoek. De jeugdhulpaanbieder die lokaal is gecontracteerd spreekt vervolgens met de jeugdige en/of ouder(s) af op welke manier de door de gemeente vastgestelde resultaten behaald gaan worden. Dat wordt vastgelegd in een ondersteuningsplan. Ouders en jeugdigen hebben enige zeggenschap in welke activiteiten daarbij worden ingezet. Als iedereen het eens is met die manier, gaan de jeugdige en/of ouder(s) en jeugdhulpaanbieder samen aan de slag, zie hoofdstuk 4 van deze beleidsregels.

2.4.2 Het besluit

Hebben jeugdigen of ouders een aanvraag bij de gemeente gedaan, dan moet de gemeente daarop beslissen. De beschikking is de brief die de gemeente aan ouders of jeugdigen stuurt. Daarin staat het besluit van de gemeente op de aanvraag. In artikel 2.3.1 van de Verordening staat wat in elk geval in de beschikking wordt vastgelegd.

2.5 Inlichtingen- en medewerkingsplicht

2.5.1 Voorbeelden

•Medewerking aan een onderzoek.

•Het desgevraagd verstrekken van een zorgmomentenoverzicht.

•Toestemming geven aan een deskundige voor het door mogen geven van de informatie aan de gemeente uit het (medisch) advies.

Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

2.5.2 De jeugdige

In het kader van medewerking verlenen geldt ook het uitgangspunt dat de jeugdige altijd wordt gezien en als dat aangewezen is, wordt gesproken. Dat geldt ook als de gemeente om een deskundigenadvies vraagt. Denk in dat kader ook aan het recht van de jeugdige om zijn mening te vormen en vrijelijk te uiten. Daarvoor geldt in het algemeen de leeftijdsgrens van 12 jaar, zie verder 2.3 van deze beleidsregels.

2.6 Overige aspecten van het onderzoek

2.6.1 Informatieplicht gemeente

In de wet staat dat de gemeente objectieve en begrijpelijke informatie aan jeugdigen en ouders geeft over de gevolgen van een keuze voor een pgb in plaats van hulp-op-maat in natura. Dat staat in de wet. Het ligt voor de hand dat de gemeente ook informatie geeft over de inlichtingen- en medewerkingsplicht en wat de gevolgen zijn als daar niet aan wordt voldaan.

2.6.2 Cliëntondersteuning

Onafhankelijke cliëntondersteuning wordt geboden door Caritas. Het belang van de jeugdige en de ouder(s) is het uitgangspunt. Cliëntondersteuning is domeinoverstijgend en heeft ook betrekking op de Jeugdwet. De jeugdige en zijn ouder(s) kunnen zich ook laten bijstaan door andere (externe) ondersteuners. Denk aan ondersteuning van een bestaande cliënten- of belangenorganisatie.

2.6.3 Vertrouwenspersoon

De gemeente informeert jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon. Dat staat in de wet. Het ligt voor de hand dat tijdens het onderzoek te doen. Het Ministerie van VWS is ervoor verantwoordelijk dat jeugdigen en hun ouder(s) een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) voert dit vertrouwenswerk in de praktijk uit. Jeugdigen, ouder(s) en pleegouder(s) kunnen op deze organisatie terugvallen als ze vragen of klachten hebben over de jeugdhulp. Dat kan gaan over (personen werkzaam bij) de gemeente, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling of Veilig Thuis.

3. Eigen kracht

3.2 Zorgplicht van ouders

3.2.1 Inhoud zorgplicht ouders

Begrippenlijst Verordening

De zorgplicht van ouders omvat de plicht en het recht van de ouder zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Daaronder wordt verstaan:

a.de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede;

b.het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid;

c.de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen;

d.het bieden van een beschermende woonomgeving.

De zorgplicht van ouders kan worden vertaald naar kernpunten over goed ouderschap.

Kernpunten goed ouderschap

De wetgever heeft bij goed ouderschap acht kernpunten voor ogen:

1Handelingen II 2018/19, 33 836, nr. 45, p. 2.

1Een onvoorwaardelijke toewijding.

2Continuïteit in de opvoedingsrelatie.

3Verzorging en zorg voor lichamelijk welzijn.

4Opvoeding tot zelfstandigheid en sociale en maatschappelijke participatie.

5Het organiseren en monitoren van de opvoeding in het gezin, op school en in het publieke domein.

6Zorg dragen voor de vorming van de afstammingsidentiteit van het kind.

7Zorg dragen voor contact- en omgangsmogelijkheden met voor het kind belangrijke personen.

8Een veilige opvoedsituatie van het kind.

De gemeente kan gebruik maken van deze kernpunten bij de motivering van de beslissing op de aanvraag. In de Richtlijnen van het Nederlands Jeugdinstituut zijn deze kernpunten ook terug te vinden. Bijvoorbeeld in de Richtlijn ‘goed genoeg’ opvoederschap.

3.2.2 Beoordelingskader eigen kracht

Begrippenlijst Verordening

De verordening bepaalt wat onder eigen kracht wordt verstaan: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen als bedoeld in artikel 2.3 van de wet gebaseerd op de zorgplicht van ouders op grond van artikel 1:82 en 1:247 van het Burgerlijk Wetboek en zoals nader uitgewerkt in hoofdstuk 4 van de verordening.

4.2a Verordening

Om te beoordelen of de eigen kracht van ouders toereikend is gebruikt de gemeente afwegingsfactoren die zijn opgenomen in de verordening.

1Of gebruikelijke hulp (volgens de Richtlijn gebruikelijke hulp) binnen de eigen kracht valt is afhankelijk van de volgende afwegingsfactoren:

a.de opvoedkundige capaciteiten van ouders, en

b.de beschikbaarheid van ouders rekening houdend met acute omstandigheden die zich kunnen voordoen.

2Boven-gebruikelijke hulp. Of boven-gebruikelijke hulp binnen de eigen kracht valt is afhankelijk van:

a.de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige;

b.de voor de jeugdige benodigde ondersteuningsintensiteit en de duur daarvan;

c.de mogelijkheden, draagkracht en de belastbaarheid van de ouders, die verband houdt met de zorgplicht. Waarbij geldt dat ouders hun (dagelijkse) leven zo inrichten dat zij hun draagkracht en belastbaarheid zo groot mogelijk maken en houden;

d.de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

e.het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen.

3Vervoer van en naar de jeugdhulplocatie als dat medisch noodzakelijk is of de jeugdige (nog) niet zelfredzaam is. Of het jeugdhulpvervoer binnen de eigen kracht valt is afhankelijk van:

a.of de jeugdige in staat is om zelf te reizen;

b.de aanwezigheid van een auto of de mogelijkheid voor gebruik van het openbaar vervoer;

c.de afstand in verband met de tijd die nodig is voor het vervoer en de vraag of er een jeugdhulpvoorziening dichterbij is die ook geschikt is;

d.het tijdstip waarop de ritten uitgevoerd moeten worden;

e.het aantal dagen dat vervoer nodig is;

f.draagkracht en draaglast in het gezin.

4Hulp van personen uit het sociaal netwerk. Van ouders wordt verwacht dat zij zich in hoge mate inspannen om hulp van personen uit het sociaal netwerk te krijgen.

5Hulp van niet gecontracteerde organisaties of instellingen binnen Urk. Van ouders wordt verwacht dat zij zich inspannen om hulp van die organisaties of instellingen binnen de gemeente Urk te krijgen. De gemeente kan voorbeelden geven.

6Gebruik maken van een aanvullende zorgverzekering. Van ouders wordt verwacht dat zij gebruik maken van aanspraken op grond van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten.

Ouders en eigen kracht

Het Burgerlijk Wetboek geeft een andere definitie van het begrip ouders dan de Jeugdwet. Daarom bepaalt de Verordening dat het eigen-kracht-principe ook van toepassing is op ouders in de zin van de Jeugdwet. Het gaat om iemand die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.

Kortdurend en langdurend

De behoefte aan jeugdhulp kan kortdurend of langdurend van aard zijn. Dat is afhankelijk van de opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen.

Hierna worden de zes punten over de beoordeling van de eigen kracht nader toegelicht.

3.3 Gebruikelijke hulp

3.3.1 Uitgangspunten beoordelen gebruikelijke hulp

De gemeente stelt op basis van de Richtlijn gebruikelijke hulp vast of er sprake is van gebruikelijke hulp, en zo ja wat de omvang daarvan is. Een door ouders opgesteld zorgmomentenoverzicht kan helpen bij de vaststelling. De Richtlijn gebruikelijke hulp voorziet niet in een precieze tijdsindicatie; het gaat om een bandbreedte. De gemeente beoordeelt bij stap 3 van het stappenplan op welke hulp de jeugdige is aangewezen, rekening houdend met de leeftijd. Valt een noodzakelijke ‘activiteit’ binnen een bepaald ontwikkelingsprofiel van de richtlijn, dan is in beginsel sprake van gebruikelijke hulp. De volgende vier uitgangspunten worden gehanteerd bij de beoordeling.

1Leeftijd van de jeugdige

De Richtlijn Gebruikelijke hulp gaat uit van een bandbreedte in het normale ontwikkelingsprofiel van een kind. Ook tussen kinderen van dezelfde leeftijd zonder behoefte aan jeugdhulp kan de omvang van de verzorging, begeleiding en opvoeding (per dag) verschillen. Het ene kind is nu eenmaal gemakkelijker of sneller zelfstandig dan het andere kind. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook activiteiten omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Een voorbeeld. Veel kinderen van 4 jaar zijn overdag zindelijk en gaan zelf naar het toilet, maar het is niet ongewoon dat een kind van deze leeftijd hier stimulans, hulp of toezicht bij nodig heeft.

2Aard van de zorghandelingen

Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen die een gebruikelijke zorghandeling vervangen. Twee voorbeelden. Het geven van sondevoeding in plaats van eten of handelingen die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen.

3Frequentie en patroon van de zorghandelingen

Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals drie keer eten per dag, worden als gebruikelijke hulp aangemerkt. Een voorbeeld. Als een kind bij het ontbijt en het naar bed gaan medicatie aangereikt moet krijgen, loopt dit mee in de het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind en wordt dit als gebruikelijke hulp aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij kinderen met een lichamelijke beperking.

4Omvang van de met de zorghandelingen gemoeide tijd

De omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer sprake is van gebruikelijke hulp. Een voorbeeld. Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke hulp gezien maar als boven-gebruikelijke hulp.

3.3.2 Afwegingsfactoren gebruikelijke hulp

4.2a lid 2 Verordening

Voor de beoordeling of ouders de gebruikelijke hulp kunnen bieden bepaalt de verordening twee afwegingskaders:

1de opvoedkundige capaciteiten van ouders;

2de beschikbaarheid van ouders rekening houdend met acute omstandigheden die zich kunnen voordoen.

Ad. 1 Opvoedkundige capaciteiten

Beschikken ouders niet over (voldoende) capaciteiten om de gebruikelijke hulp te bieden aan de jeugdige, dan kan dat ook niet van hen worden verwacht. Denk bijvoorbeeld aan ouders met LVB-problematiek. De gemeente kan gebruik maken van bijlage 3 Aandachtspunten ouderschap en bijlage 4 Ouder gerelateerde aandachtspunten bij deze beleidsregels. In het geval van onvoldoende opvoedkundige capaciteiten wordt beoordeeld of een vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening een passende oplossing kan bieden. En zo niet, of hulp-op-maat is aangewezen. En zo ja, welke. Het zal in de praktijk gaan om ouders instrumenten in handen te geven waardoor zij in staat worden gesteld invulling te geven aan hun zorgplicht.

Ad. 2 Beschikbaarheid

De beschikbaarheid van ouders voor de gebruikelijke hulp aan de jeugdige kan worden vergeleken met ouders en hun kinderen zonder behoefte aan jeugdhulp. Bij gebruikelijke hulp gaat het immers om normale oudertaken rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau. De problemen die kunnen ontstaan bij de zorg en opvoeding zullen (alle) ouders, ongeacht het hebben van kinderen met jeugdhulpproblemen, zelf het hoofd moeten bieden door bijvoorbeeld:

•herverdeling van oudertaken;

•oplossingen te zoeken binnen het sociaal netwerk, waaronder ook volwassen inwonende huisgenoten kunnen vallen;

•gebruik te maken van verlofmogelijkheden van de Wet arbeid en zorg (werkende ouders).

Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

Acute situatie

Er kan zich een acute situatie voordoen waardoor ouders, ondanks de feitelijke beschikbaarheid, toch tijdelijk niet in staat zijn om de gebruikelijke hulp te bieden. Denk bijvoorbeeld aan het plotseling overlijden van een ouder (partner) of een echtscheiding. In deze gevallen kan er feitelijk tijdelijk geen draagkracht zijn.

3.9 Nadere uitleg en voorbeelden

3.9.1 Gebruikelijke hulp en boven-gebruikelijke hulp bij zorghandelingen

Zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van zorg van ouders aan een ouder kind. Het gaat om situaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind.

Handelingen die gebruikelijke zorghandelingen vervangen

•het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen;

•bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

Voorbeelden boven-gebruikelijke hulp persoonlijke verzorging

•Het toedienen van eten en drinken door een ouder aan een kind van 2 jaar is gebruikelijke hulp, ook als het om sondevoeding gaat. Kost het voeden van dit kind via de sonde meer tijd, of moet het vaker gebeuren dan de normale dagelijkse eet- en drinkmomenten dan valt het niet binnen de gebruikelijke hulp.

•Overname van de (intieme) persoonlijke verzorging door ouders van een kind vanaf 12 jaar valt onder de boven-gebruikelijke hulp.

•Voor zover de persoonlijke verzorging van niet-uitstelbare aard is en degene die de gebruikelijke hulp moet verlenen niet beschikbaar is, wegens reguliere school- of werkweek van hem/haar zelf of van het kind.

•Bij zorghandelingen tijdens de kinderopvang of tijdens het onderwijs als het gaat om handelingen die organisaties voor kinderopvang of onderwijs niet plegen te bieden zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten. Bij een baby met ernstige slikproblemen kost het extra tijd om een flesje te geven. Het geven van (aangewezen) sondevoeding valt niet onder zorg zoals instanties voor kinderopvang die bieden.

•Voor zover de jeugdige zich in de terminale levensfase bevindt.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

Eigen beslissingsbevoegdheid

Wanneer de jeugdige van 12 jaar of ouder geen (intieme) persoonlijke verzorging (meer) wil ontvangen van de ouder(s), dan wordt daarin geen (boven-)gebruikelijke hulp van ouders verwacht. Dat vloeit mede voort uit de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WBGO) op grond waarvan jeugdigen vanaf 12 jaar een eigen beslissingsbevoegdheid hebben wat hun lichamelijke integriteit aangaat. Zie voor de rol van de jeugdige tijdens het onderzoek in 2.3 van deze beleidsregels.

3.9.2 Toezicht en begeleiding (opvoeding)

Toezicht dan wel 24 uurs zorg in de nabijheid valt onder de zorgplicht van ouder(s). De mate waarin dat nodig is, is in het algemeen afhankelijk van de leeftijd en een normaal ontwikkelingsprofiel (zie ook Richtlijn gebruikelijke hulp bij de verordening). Binnen zo’n ontwikkelingsprofiel is bijvoorbeeld pedagogische correctie, aansturing van gedrag en bieden van stimulans gebruikelijk. Bij een cognitief beperkt kind met gedragsproblemen kan het zijn, dat er meer dan gebruikelijk correctie en aansturing van gedrag en vaak ook meer aandacht voor vaste structuur nodig is.

Werkende ouders en begeleiding

Wanneer ouders werken, zijn zij verantwoordelijk voor de opvang dan wel verzorging van hun kinderen. De begeleiding die als gebruikelijke hulp wordt beschouwd, kan gedurende de tijd dat de ouders werken niet als hulp-op-maat worden verleend. Wanneer sprake is van boven-gebruikelijke hulp in de vorm van begeleiding, wordt deze vastgesteld over een volledig etmaal. Dus feitelijk ook gedurende de periode dat ouders werken. Onder werken kan ook het volgen van onderwijs worden verstaan.

Voortdurend toezicht

Bij voortdurend toezicht moeten ouders continue in de nabijheid zijn om (on)planbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) problemen van het kind in de zin van de wet. Bij voortdurend toezicht is geen noodzaak tot actieve observatie.

Permanent toezicht

Permanent toezicht valt niet binnen de eigen kracht van ouders. Het gaat bij permanent toezicht om het onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal (24/7), waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de jeugdige vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige, gevaarlijke, (levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor de jeugdige kan worden voorkomen. Bij permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) misgaan.

3.9.3 Situatie van ouders

Opvoedingsproblemen

Bij opvoedingsproblemen gaat het om problemen van ouders bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door de ouder(s) niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn. Lukt dat niet, dan kan een vorm van opvoedondersteuning zijn aangewezen.

Opvangvraagstuk

Ook werkende ouders zijn verantwoordelijk voor de gebruikelijke hulp voor hun kinderen. Zie ook hiervoor onder het kopje werkende ouders en begeleiding. In het algemeen geldt dat het bieden van (alleen) kinderopvang niet als jeugdhulp kan worden gekwalificeerd. Als één of beide ouders niet werken of geen re-integratietraject volgen, dan komen zij niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst Toeslagen. Deze ouders kunnen mogelijk wel in aanmerking komen voor een Sociaal Medische Indicatie (SMI) die toegang geeft tot kinderopvang. Dit is geen vorm van jeugdhulp, maar een bijzondere regeling binnen de gemeente.

Sociaal Medische Indicatie

Naast de wettelijke doelgroep van de Wet kinderopvang (Wko) bestaat er ook een doelgroep, die de kinderopvang nodig heeft vanwege een Sociaal Medische Indicatie (SMI). Het gaat om situaties waarin de ouder(s) door een sociale of medische situatie (tijdelijk) niet in staat zijn om voor hun kinderen te zorgen.

Afbakening Wmo 2015 en Jeugd

Ouders kunnen in aanmerking komen voor jeugdhulp als zij problemen ondervinden bij de opvoeding. Heeft de jeugdige echter geen problemen in de zin van de Jeugdwet, dan verleent de gemeente geen hulp-op-maat, tenzij de behoefte van ouders te maken heeft met wezenlijke problemen heeft met het opvoeden. In andere gevallen kan bijvoorbeeld tijdelijk kindzorg worden ingezet op grond van de Wmo 2015.

3.9.4 Overbelasting of dreigende overbelasting

Een beroep op (dreigende) overbelasting moet door de ouder(s) aannemelijk worden gemaakt en zo nodig nader worden onderbouwd. Er moet een causaal verband zijn tussen het bieden van de boven-gebruikelijke hulp zorg aan de jeugdige en de (dreigende) overbelasting (zie 3.4 van deze beleidsregels). Is dat het geval, dan rust de plicht op de gemeente daar onderzoek naar te doen en te bepalen wat de gevolgen zijn van de uitkomsten daarvan.

Omvang planbare en onplanbare zorg

Soms is het duidelijk dat de ouder overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van planbare zorg, maar ook de mate van de noodzaak tot het telkens aanwezig zijn om onplanbare zorg te bieden kan van invloed zijn op de belastbaarheid van degene die geacht wordt boven-gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij telkens aanwezigheid en alertheid wordt gevraagd van degene die geacht wordt boven-gebruikelijke hulp te verlenen.

Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting

Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een (medisch) deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal van (dreigende) overbelasting worden opgevat.

4. Hulp-op-maat

4.2 Begeleiding individueel

4.2.1 Begeleiding individueel basis

Begeleiding individueel basis wordt ingezet wanneer er sprake is van enkelvoudige opgroei- en opvoedproblemen en/of een verstandelijke beperking. Begeleiding individueel basis biedt ondersteuning vanuit een systeemgericht ondersteuningsplan waarmee invulling wordt gegeven aan de door de gemeente vastgestelde te bereiken resultaten.

Richt zich op

Begeleiding individueel basis richt zich op het oefenen en structureren van dagelijkse vaardigheden. De begeleiding is gericht op het versterken van de opgroei- en opvoedsituatie om deze beter aan te laten sluiten op de ontwikkelingsbehoefte van de jeugdige. Daarnaast kan dit ook gericht zijn op het tijdelijk overnemen van zorgtaken mede gericht op het versterken van de eigen kracht van ouder(s) en jeugdigen. De begeleiding is gericht op stabilisatie, het toepassen en inslijpen van (nieuwe) vaardigheden en ter voorkoming van terugval.

Waar

De begeleiding kan geboden worden in de thuissituatie van de jeugdige en/of ouder(s) en/of op locatie van de jeugdhulpaanbieder.

Resultaten die centraal staan

Bij begeleiding individueel basis staan de volgende resultaten centraal:

•Het aanleren, verbeteren, oefenen en structureren van dagelijkse (opvoed)vaardigheden en handelingen waardoor de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouder(s) en jeugdigen worden vergroot om de psychosociale, psychische of gedragsmatige problemen in de thuissituatie/op school zelfstandig te kunnen hanteren.

•Het vergroten van de zelfredzaamheid en versterken van de jeugdige en de ouder(s) in de opvoedsituatie, waardoor de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige gewaarborgd zijn.

•Het leren toepassen van aangeleerde (gedrags)vaardigheden in verschillende situaties.

•Integratie in de samenleving en sociale participatie (denk aan andere voorzieningen, vrij toegankelijke voorzieningen, sociaal netwerk, school, vrije tijd en arbeid).

Bijzonderheden

•Begeleiding individueel basis is kortdurend van aard en wordt daarom voor maximaal een jaar geïndiceerd.

•De begeleiding wordt ingezet om de jeugdige en/of ouder(s) te ondersteunen en daarnaast te kijken welke duurzame vorm van jeugdhulp mogelijk nodig is om stabiliteit in de thuissituatie te behouden. Er is hierbij speciaal aandacht voor het sociaal netwerk en vrij toegankelijke voorzieningen.

Begeleiding individueel bij persoonlijke zorg

Hierbij gaat het om het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) op het gebied van de persoonlijke verzorging. Dit in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Onder ADL valt in ieder geval hulp bij:

•Wassen/douchen.

•Aan- en uitkleden.

•Eten en drinken.

•Toedienen van medicatie.

•Toiletbezoek.

•Reguliere huidverzorging, mond- en gebitsverzorging, scheren, hand- en voetverzorging.

Zorgverzekeringswet

Houdt de verzorging bij jeugdigen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, dan valt die zorg onder de Zorgverzekeringswet. Dit wordt door een kinderverpleegkundige vastgesteld.

4.2.2 Begeleiding individueel specialistisch

Begeleiding individueel specialistisch wordt ingezet wanneer er sprake is van meervoudige opgroei- en opvoedproblemen. Deze problematiek wordt veroorzaakt door psychosociale problemen en/of verslavingsproblemen en/of (een ernstig vermoeden van) een psychische stoornis en/of verstandelijke beperking. Begeleiding individueel specialistisch kent een behandelcomponent. Dat wil zeggen dat er betrokkenheid is van een psychiater, orthopedagoog-generalist of gz-psycholoog. Begeleiding individueel specialistisch werkt altijd vanuit een systeembenadering.

Richt zich op

Begeleiding individueel specialistisch is voor zowel de jeugdige als de ouder(s) gericht op het oplossen, verminderen of voorkomen van verergering, dan wel het leren omgaan met de gevolgen van de problematiek. De problemen zijn dusdanig verweven tussen de jeugdige en de ouder(s), waardoor begeleiding specialistisch altijd systeemgericht is. Er is sprake van een ondersteuningsplan en er zijn concrete en haalbare behandeldoelen waarmee invulling wordt gegeven aan de door de gemeente vastgestelde te bereiken resultaten. De uitvoering van het ondersteuningsplan valt onder verantwoordelijkheid van een psychiater, orthopedagoog-generalist of gz-psycholoog.

Stabilisatie

De begeleiding is gericht op het aanleren en verbeteren van (nieuwe) vaardigheden en gedrag om verergering van de problemen te voorkomen. Door deze nieuw aangeleerde vaardigheden en gedrag, vindt stabilisatie plaats bij de jeugdige en ouder(s) in zowel de thuissituatie, op school als ook in de vrije tijd. Ouder(s) zijn weer in staat om de opvoeding en ontwikkeling van het kind te waarborgen. De begeleiding van kind en ouder(s) lopen parallel en hebben als doel de verbetering van de uitvoering van de opvoedingstaken. Ouder(s) kunnen op een positieve manier de ouderrol op zich nemen, waarmee een ontwikkelingsbedreiging van de jeugdige op de lange termijn wordt afgewend. Het kan dan ook zo zijn dat het bereiken van het vastgestelde resultaat leidt tot (deels) toereikende eigen kracht van ouder(s) en jeugdigen.

Waar

De begeleiding kan geboden worden in de thuissituatie van de jeugdige en ouder(s) en/of op de locatie van de jeugdhulpaanbieder.

Resultaten die centraal staan

Bij begeleiding individueel specialistisch staan de volgende resultaten centraal:

•Het verhelderen van de ernst van de problematiek/beperking en de samenhang tussen eventuele psychosociale problemen en/of psychische stoornis en/of verslavingsproblemen en het formuleren van een systeemgericht ondersteuningsplan.

•Het toepassen van aangeleerde (gedrags)vaardigheden en nieuw gedrag in verschillende leefsituaties, gericht op het herstellen van veiligheid.

•Het vergroten van de zelfredzaamheid en versterken van de jeugdige en de ouder(s) in de opvoedsituatie. De ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige thuis en/of op school/dagbesteding en/of in de vrije tijd zijn hierdoor gewaarborgd.

•Integratie in de samenleving en sociale participatie (denk aan, vrij toegankelijke voorzieningen, sociaal netwerk, school, vrije tijd en arbeid).

Bijzonderheden

Begeleiding individueel specialistisch is kortdurend van aard. Het uitgangspunt is om deze begeleiding voor maximaal zes maanden te indiceren. Bij deze vorm van begeleiding is een multidisciplinair team betrokken en te allen tijde direct inzetbaar.

4.3 Begeleiding groep

4.3.1 Begeleiding groep basis

Begeleiding groep basis wordt ingezet wanneer er sprake is van een enkelvoudig problematiek. Begeleiding groep basis biedt activiteiten gericht op het oefenen, structureren en bestendigen van dagelijkse vaardigheden of handelingen en/of het oefenen met het aanbrengen van (dag)structuur. Begeleiding groep basis biedt jeugdhulp vanuit een ondersteuningsplan waarmee invulling wordt gegeven aan de door de gemeente vastgestelde te bereiken resultaten.

Richt zich op

Begeleiding groep basis is gericht op het toepassen en inslijpen van aangeleerde vaardigheden en gedrag in het dagelijks leven. Hierbij is aandacht voor het functioneren en kunnen deelnemen aan activiteiten vanuit een groepsverband. Middels herhaling en methodische interventie binnen groepsverband wordt inzet van zwaardere jeugdhulp voorkomen. Ook richt de begeleiding zich op het versterken van de opgroei- en opvoedsituatie om deze beter aan te laten sluiten op de ontwikkelbehoefte van de jeugdige. Het doel hierin is altijd terugwerken naar volledig thuis, al dan niet met hulp van het sociaal netwerk of een vrij toegankelijke voorziening.

Uitzondering

Begeleiding groep basis kan in hoge uitzondering gericht zijn, indien er sprake is van een (licht) verstandelijke/meervoudige beperking, op het stabiliseren en/of voorkomen van verergering van de problematiek. Hierbij is de hulpvraag van dien aard, dat het sociaal netwerk of een vrij toegankelijke jeugdhulpvoorziening niet in deze specifieke hulpvraag kan voorzien. Begeleiding groep basis dient er toe dat de jeugdige op verantwoorde wijze in de vertrouwde thuissituatie kan blijven wonen.

Waar?

De begeleiding wordt geboden in groepsverband op de locatie van de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder heeft vanuit de systeemgerichte benadering oog voor de begeleiding in de thuissituatie. De jeugdhulpaanbieder biedt, indien nodig, deze begeleiding aan vanuit het principe doen wat nodig is en wat passend is bij de situatie.

Resultaten die centraal staan

Bij begeleiding groep basis kunnen de volgende resultaten centraal staan:

•Het aanleren, verbeteren, oefenen en structureren van dagelijkse (opvoed)vaardigheden en handelingen waardoor de veerkracht bij de jeugdige en ouder(s) wordt vergroot en zelfstandige deelname van de jeugdige in groepsverband weer mogelijk is;

•Het leren toepassen van aangeleerde (gedrags)vaardigheden in verschillende situaties;

•Het vergroten van de zelfredzaamheid en het versterken van de opvoedsituatie van de jeugdige, de ouder(s), waardoor de ontwikkeling en de veiligheid van de jeugdige gewaarborgd zijn;

•Integratie in de samenleving en het vergroten van de sociale participatie (denk aan vrij toegankelijke voorzieningen, sociaal netwerk, school, vrije tijd en arbeid).

Bijzonderheden

•Begeleiding groep basis wordt afgegeven per dagdeel. Een dagdeel bestaat uit 4 uur. Een dag kent maximaal 2 dagdelen.

•De jeugdhulpaanbieder biedt, waar nodig, ouderbegeleiding. Dat wil zeggen: handvatten bieden als onderdeel van de doelen van het ondersteuningsplan. Dat past binnen de systeemgerichte benadering.

•Begeleiding groep basis is niet mogelijk tijdens schooltijd of ter vervanging van onderwijs.

•Onder begeleiding groep basis wordt niet verstaan een reguliere dagstructurering die in de woon-/verblijfssituatie wordt geboden; een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke; en 1e lijns vaktherapieën.

•Onder begeleiding groep basis wordt niet verstaan hulp van enkel een opvangvraagstuk.

4.3.2 Begeleiding groep specialistisch, het Kinderbehandelcentrum

Begeleiding groep specialistisch kan worden geboden door het Kinderbehandelcentrum aan jeugdigen met complexe problematiek. Op het kinderbehandelcentrum wordt een behandelomgeving geboden die in het teken staat van ontwikkeling en het stimuleren daarvan. Het Kinderbehandelcentrum beschikt over deskundigen en multidisciplinair team waar ook zorg op grond van de Zorgverzekeringswet geboden kan worden.

Het gaat hier om jeugdigen met (ernstige) gedragsproblemen door een lichamelijke, zintuigelijke, cognitieve of verstandelijke beperking of een psychiatrische of psychosociaal probleem of een combinatie daarvan. De jeugdigen hebben te maken met complexe en soms langdurige gedragsproblematiek veelal multi-problematiek. Begeleiding groep specialistisch is specialistische hulp voor jeugdigen in de leeftijd van twee tot vijf jaar.

4.5 Behandeling Jeugd-GGZ (JGGZ)

4.5.1 Preventieve JGGZ

Preventieve JGGZ is een vrij toegankelijke voorziening. Voor het gebruik is geen besluit nodig van de gemeente. Vanuit de preventieve JGGZ zijn er bij de huisartsen praktijkondersteuners JGGZ (POH JGGZ) beschikbaar. Zij werken onder de eindverantwoordelijkheid van de huisarts en opereren onafhankelijk van een GGZ-aanbieder. De POH JGGZ gaat uit van het versterken van de eigen kracht van de jeugdige (zelfredzaamheid), betrekt de context en werkt samen met de jeugdige aan het behouden, versterken en herstellen van gezondheid. Door positionering binnen de huisartsenpraktijk en aandacht voor problemen op meerdere gebieden is integrale, vraaggerichte zorg voor mensen met psychische problemen mogelijk. Jeugdigen en hun sociaal netwerk kunnen altijd laagdrempelig bij de POH JGGZ terecht.

4.5.2 Basis JGGZ

Basis JGGZ is niet vrij toegankelijk en wordt op aanvraag verleend. Het gaat bij basis JGGZ om behandeling van jeugdigen met een (sterk vermoeden van) DSM-5 stoornis. De behandeling is gericht op het verminderen of voorkomen van verergering van psychische problemen, waardoor een blijvende verbetering in het (maatschappelijk) functioneren wordt gerealiseerd. Naast de verbetering op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg richt de behandeling zich op een verbetering van het functioneren van de jeugdige in het gezin, in sociale relaties en op het vlak van aanpalende levensdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs en vrije tijd).

4.5.3 Specialistische JGGZ

Specialistische JGGZ is niet vrij toegankelijk en wordt op aanvraag verleend. Het gaat bij deze vorm van hulp-op-maat om behandeling van jeugdigen waarbij sprake is van een hoog risico en/of hoge complexiteit bij vermoeden van een in de DSM-5 benoemde stoornis. De jeugdige wordt individueel behandeld. De behandeling is gericht op maatschappelijk herstel en op het verminderen of voorkomen van verergering van problemen, waardoor een blijvende verbetering in het functioneren wordt gerealiseerd. Naast de verbetering op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg richt de behandeling zich op een verbetering van het functioneren van de jeugdige in het gezin, in sociale relaties en op het vlak van aanpalende levensdomeinen (bijvoorbeeld onderwijs en vrije tijd).

4.5.4 Hoog specialistische jeugd GGZ en Specialistische jeugd GGZ Intercultureel

Deze specialistische vormen van hulp-op-maat zijn niet vrij toegankelijk en worden op aanvraag verleend. Het gaat om specialistische psychiatrische behandelingen die regionaal zijn ingekocht. Het gaat om:

•Forensische jeugd GGZ,

•Hoogcomplexe jeugd GGZ,

•Klinische behandeling jeugd GGZ, en

•Interculturele specialistische jeugd GGZ.

Forensische jeugd GGZ

Jeugdigen die (dreigend) delict gedrag en/of seksueel of agressief grensoverschrijdend gedrag vertonen. Zonder passende en tijdige behandeling vormen deze jeugdigen een gevaar voor zichzelf en/of hun omgeving, waarbij het steeds moeilijker wordt het grensoverschrijdende gedrag te beperken en de negatieve ontwikkeling en achterliggende problematiek aan te pakken.

Hoogcomplexe jeugd GGZ

Hoog complexe Jeugd GGZ is bedoeld voor jeugdigen bij wie sprake is van (sterke aanwijzingen zijn voor) één of meerder psychische stoornissen met een hoog risico waarbij duidelijke aanwijzingen zijn voor gevaar en/of complexe problematiek waarbij de kwaliteit van leven ernstig onder druk staat.

Klinische behandeling jeugd GGZ

De behandeling is bestemd voor kinderen met ernstige problemen van psychische aard, waardoor een tijdelijke opname noodzakelijk is en die daardoor tijdelijk niet bij hun ouders kunnen of mogen verblijven.

Interculturele specialistische jeugd GGZ

Jeugdigen met een niet westerse culturele achtergrond en een (vermoeden van) een psychische stoornis. De jeugdige heeft een meervoudige ernstige problematiek en ervaart aanzienlijke beperkingen in het dagelijks functioneren, zowel thuis, op school als elders als gevolg van het ziektebeeld.

4.6 Jeugdhulp 24-uurs hulp

4.6.1 Thuis op Maat

Thuis op Maat (TOM) wordt ingezet voor instroom én voor door- en uitstroom van verblijf.

Instroom als:

•verblijf is voorgeschreven en de aanbieder kan het ambulant uitvoeren;

De inzet van TOM instroom is maximaal 9 maanden.

Door- en uitstroom als:

•een jeugdige met lichtere verblijfszorg (zoals gezinshuizen of pleegzorg) geholpen kan worden, waardoor de doorlooptijd korter wordt;

•zodra de belangrijkste doelen van verblijf zijn behaald en voor de jeugdige een traject start om naar huis terug te keren of als de weg naar zelfstandigheid ingezet kan worden.

De inzet van TOM uitstroom is maximaal 3 maanden.

4.6.2 Gezinsgericht wonen

Pleegzorg

In pleegzorg verblijven jeugdigen die om verschillende kind en/of gezins-gerelateerde redenen (zoals ernstige gedragsproblemen, opvoedingsproblemen, gezinsproblemen) tijdelijk of langdurig niet bij de eigen ouder(s) kunnen opgroeien, maar wel kunnen functioneren in een gezinssituatie. Ze hebben dus geen behandelsetting nodig. De jeugdige is vaak onveilig gehecht en getraumatiseerd. Het zijn jeugdigen die in een reguliere gezinssituatie kunnen functioneren en daarbij niet zijn aangewezen op professionele opvoeders.

Gezinshuizen

Een gezinshuis is vooral bedoeld voor jeugdigen die niet in hun eigen gezin of in een pleeggezin kunnen wonen. Jeugdigen hebben vaak complexere problemen, zoals onveilige gehechtheid en trauma’s, maar worden (in principe) in staat geacht in een gezinsstructuur te functioneren. De jeugdige heeft een begeleidings- of behandelvraag, afhankelijk van de problematiek. De zwaarte van dit jeugdhulpaanbod zit tussen een pleeggezin en verblijf op een leefgroep in.

Kamertrainingscentrum/Fasehuis

De hulp is bestemd voor jeugdigen tussen de 16 en 18 jaar die begeleid en voorbereid worden op zelfstandig wonen. Wanneer er sprake is van verlengde jeugdhulp kan dit ook voor jeugdigen van 18 jaar of ouder zijn.

Woon- en leefgroep (ombouwen naar kleinschalig wonen)

De hulp is bestemd voor jeugdigen tussen de 4 tot 18 jaar die niet bij hun ouders kunnen of mogen verblijven en die niet in een pleeggezin of gezinshuis kunnen wonen. Dit vanwege een verstandelijke en/of lichamelijke beperking en vormen van gedrags- en ontwikkelingsproblemen of combinaties hiervan.

4.6.3 Behandeld wonen

Behandeld wonen is bestemd voor de jeugdige (gezin/systeem) die te maken heeft met gedragsproblematiek, een verstandelijke en/of lichamelijke beperking, problemen op school en/of problemen thuis. Er is (een vermoeden van) psychiatrische of psychosociale problematiek.

Driemilieusvoorziening

Aanvullend op Behandeld wonen: De hulp is bestemd voor jeugdigen die (tijdelijk) niet bij hun ouders kunnen of mogen verblijven, maar een kleinschalige woonomgeving nodig hebben om behandeld te worden voor ernstige opvoed- en gedragsproblemen. Deze hulp wordt geboden aan jeugdigen die niet geholpen zijn met andere vormen van hulpverlening (lichter en dichter bij het gezin), als intensieve ambulante behandeling specialistisch en/of overige vormen van verblijf.

JeugdzorgPlus

Aanvullend op Behandeld wonen: deze hulp wordt geboden aan jeugdigen die niet geholpen zijn met lichtere hulpverlening, die dichter bij het gezin wordt geboden, zoals intensieve ambulante behandeling specialistisch en/of overige vormen van verblijf. Zonder verblijf en behandeling in een JeugdzorgPlus omgeving vormen zij een risico voor zichzelf of voor hun omgeving. De zorg kan in dit geval alleen worden geboden door erkende JeugdzorgPlus-instellingen.

4.7 Crisis

4.7.1 Regionaal Expertiseteam

Er is één centraal punt waar verwijzers extra expertise en om-denkvermogen kunnen inschakelen om uithuisplaatsingen te voorkomen. Met name bij zeer complexe hulpvragen en/of out of the box oplossingen voor jeugdigen. Dit kunnen bijvoorbeeld ook vormen zijn van buiten de jeugdhulp. Vanuit dit centrale punt kan ook besloten worden tot kortdurende inzet van het multidisciplinaire Team dat in de gezinnen zelf ‘doet wat nodig is’.

Er zijn een paar situaties waarin slechts in uitzonderlijke gevallen door de gemeente hulp-op-maat wordt ingezet.

5. Jeugdhulp in combinatie met bredere jeugdhulpinzet

5.2 Diagnostiek

5.2.1 Second opinion

Bij twijfel of onduidelijkheid van de eerste diagnostiek kan een second opinion door de gemeente worden gevraagd. Bij een second opinion wordt een andere deskundige om diagnostiek gevraagd.

5.2.2 Intelligentieonderzoek

School is verantwoordelijk voor een intelligentieonderzoek als vastgesteld moet worden wat passend onderwijs voor een leerling is. Daar kan aanleiding voor zijn als er bijvoorbeeld vragen zijn over de cognitieve capaciteiten en vaardigheden.

6. Persoonsgebonden budget (pgb)

6.4 Beoordelen voorwaarden recht op pgb

6.4.1 Criteria

In deze beleidsregels worden verschillende criteria genoemd die de gemeente hanteert bij de beoordeling. Daarmee is geen limitatief overzicht bedoeld. De wet bepaalt een aantal voorwaarden die de gemeente moet beoordelen om het recht op pgb vast te stellen. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Dat wil zeggen dat aan alle voorwaarden moet zijn voldaan om voor een pgb in aanmerking te komen. Het gaat om:

•Pgb-vaardigheid.

•Motivatie-eis wens pgb.

•Voldoen aan kwaliteitseisen.

6.5 Verplichting Budgetplan

6.5.1 Indienen Budgetplan

Wordt geen Budgetplan ingediend of is het Budgetplan niet volledig of niet op juiste wijze ingevuld, dan wordt de budgethouder uitgenodigd dat te herstellen. Wordt het Budgetplan wederom niet ingediend? Dan merkt de gemeente dat aan als het niet verlenen van medewerking. Wordt het Budgetplan wederom niet juist of volledig ingevuld? Dan gaat de gemeente er van uit dat de budgethouder onvoldoende pgb-bekwaam is. In beide situaties is dat voor gemeente aanleiding het pgb te weigeren en hulp-op-maat in natura te verlenen.

6.6 Besteding pgb sociaal netwerk

6.6.1 Voorwaarden Verordening

In artikel 6.3.1 van de Verordening staat dat besteding van het pgb aan iemand uit het sociaal netwerk (ook de ouders) is begrensd. Het pgb mag alleen aan hen worden besteed als dit volgens de gemeente leidt tot betere en effectievere hulp en die doelmatiger is. Het ligt op de weg van de jeugdige en/of ouder(s) om dat aan te tonen. Dat kan bijvoorbeeld blijken uit de motivering in het Budgetplan en het gesprek dat de gemeente daarover voert met ouders of jeugdigen. Een onafhankelijke cliëntondersteuner kan bij dat gesprek aanwezig zijn.

6.6.2 Beoordeling

De gemeente moet, kort gezegd, beoordelen of de hulp-op-maat door iemand uit het sociaal netwerk (ook de ouders) tot een beter resultaat zal leiden dan hulp-op-maat in natura. Dat kan te maken hebben met de aangewezen hulp-op-maat, die:

•Niet goed vooraf is in te plannen.

•Op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden.

•Op verschillende locaties moet worden geboden.

•Op afroep te organiseren moet zijn.

•Door de aard van de problematiek van de jeugdige alleen (of beter) door de betreffende persoon kan worden geboden.

Er is geen limitatieve opsomming beoogd.

6.7 Pgb-vaardigheid

6.7.1 Hulp bij pgb-vaardigheid

De budgethouder kan een vertegenwoordiger hebben. Dat is een persoon of rechtspersoon die hem vertegenwoordigt als de budgethouder niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen. Eenvoudig gezegd: de budgethouder zelf is niet pgb-vaardig. Bij een vertegenwoordiger kan het gaan om iemand die door de budgethouder gemachtigd is of een wettelijke vertegenwoordiger die is aangesteld door de rechtbank (bewindvoerder of mentor). De gemeente moet dan vaststellen of de vertegenwoordiger pgb-vaardig is (zie verder hierna).

Bewindvoerder

Met de aanstelling van een bewindvoerder is het risico dat het pgb niet besteed zal worden aan de daarvoor bestemde doelen voldoende ondervangen. Bewind gaat immers over vermogensrechtelijke handelingen. Het spreekt voor zich dat de gemeente niet bevoegd is een oordeel te geven of de bewindvoerder de taken uit hoofde van de bewindvoering op juiste wijze uitvoert. Maar de gemeente zal wel moeten vaststellen of de bewindvoerder de (andere) taken die aan het pgb zijn verbonden op juiste wijze uitvoert. Denk bijvoorbeeld aan het aansturen en aanspreken van de jeugdhulpverlener (of iemand uit het sociaal netwerk) en het evalueren van de geboden jeugdhulp.

Mentor

Een mentor behartigt de niet-vermogensrechtelijke belangen van bijvoorbeeld ouders of jeugdigen. Een mentor kan zonder verdere machtiging een aanvraag doen maar is (zonder machtiging van ouders of jeugdigen) niet bevoegd om het pgb-beheer (vermogensrechtelijke handelingen) uit te voeren.

Belang van de budgethouder

De vertegenwoordiger mag alleen handelen in het belang van de budgethouder en dus niet ook zijn eigen belang dienen. Een vertegenwoordiger zorgt er feitelijk voor dat (namens) de budgethouder de verplichtingen die aan het pgb zijn verbonden ook daadwerkelijk worden nagekomen; hij biedt de budgethouder gewaarborgde hulp. Dat is van belang omdat de gevolgen van het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen in principe voor rekening en risico van de budgethouder komen. Denk aan de weigering van een pgb, het intrekken van het recht op pgb of de terugvordering van een ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb.

Gewaarborgde hulp

Blijkt uit onderzoek dat de vertegenwoordiger de gewaarborgde hulp niet kan bieden of daar tenminste twijfels over bestaan, dan zal de gemeente de jeugdige of zijn ouder(s) in de gelegenheid moeten stellen om een andere vertegenwoordiger te machtigen die in staat is de pgb-vaardigheid op zich te nemen. Lukt dat niet, dan zal de gemeente het pgb weigeren en hulp-op-maat in natura verlenen.

6.7.2 Conflicterende belangen

Het kan voorkomen dat de vertegenwoordiger ook degene is aan wie het pgb wordt besteed. Dat is niet toegestaan, dit volgt uit de rechtspraak. In dat geval weigert de gemeente het pgb omdat de aan het pgb verbonden taken niet op verantwoorde wijze kunnen worden uitgevoerd. Immers kan niet worden vastgesteld dat de beheerstaken met voldoende afstand en kritisch kunnen worden vervuld. Het kan gaan om iemand aan wie het pgb wordt besteed maar ook om een vertegenwoordiger die een daaraan gelieerde persoon is. Daaronder wordt bijvoorbeeld een medewerker verstaan die bij deze persoon (of organisatie) in dienst is of er op een andere manier verwevenheid bestaat.

6.7.3 Besteding pgb aan sociaal netwerk

Conflicterende belangen zijn ook aan de orde als iemand uit het sociaal netwerk zowel als vertegenwoordiger optreedt maar ook degene is aan wie het pgb wordt besteed. Ook dat is niet toegestaan. Een uitzondering kan zich voordoen als:

•uit deskundigenadvies blijkt dat de hulp-op-maat alleen door deze persoon kan worden geboden, en

•het niet mogelijk is iemand anders in te schakelen als vertegenwoordiger.

Deze persoon mag daarbij op geen enkele wijze druk uitoefenen op de ouder(s) en jeugdige bij de keuze van een pgb ter besteding aan die persoon. Dat wil zeggen de budgethouder mag niet door deze persoon worden beïnvloed.

6.7.4 Besteden pgb aan ouder(s)

Is de jeugdige budgethouder en wenst hij het pgb te besteden aan zijn ouder(s), dan liggen conflicterende belangen voor de hand. De jeugdige moet in staat worden geacht om bijvoorbeeld degene die de hulp-op-maat biedt aan te sturen en zo nodig bij te sturen. Dat is bij een kind-ouderrelatie tegennatuurlijk. Daarnaast kan een loyaliteitsconflict ontstaan omdat de jeugdige indirect verantwoordelijk is voor het inkomen van de ouder(s).

6.7.5 Ouders onderdeel van het gezinssysteem

Blijkt dat de ouder(s) bijdragen aan het in stand houden van de problemen omdat zij er een (wezenlijk) onderdeel van uitmaken, dan mag het pgb niet aan ouders worden besteed.

6.13 Kwaliteit

6.13.1 Kwaliteitseisen

Artikel 6.3.1 lid 5 onder a van de Verordening bepaalt dat de professional (organisatie of Zzp’er) aan wie het pgb wordt besteed, moet voldoen aan de eisen die gelden voor de jeugdhulpaanbieders die door de gemeente zijn gecontracteerd. Dat is alleen anders als die eisen alleen te maken hebben met het contract met de gemeente over bijvoorbeeld kritische prestatie-indicatoren of rapportageverplichtingen. Zie ook 6.13.3 van deze beleidsregels. In de begrippenlijst van de Verordening staan de begripsbepalingen van een professionele organisatie en Zzp’er. Daaruit blijken ook de eisen waaraan een professional moet voldoen. Het gaat daarbij vooral om de inhoudelijke kwaliteit om de vastgestelde resultaten te behalen, zoals de vakbekwaamheid en het werken volgens effectief interventies. Zie 4.11 van deze beleidsregels (effectief bewezen interventies). Voor iemand uit het sociaal netwerk (of de ouders) ligt dat anders. Zo gelden voor hen niet de opleidingseisen en/of registratie eisen (SKJ of BIG). Wel geldt de eis dat een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) moet worden overlegd, behalve als het de eigen ouder(s) betreft. Het spreekt voor zich dat ouders en mensen uit het sociaal netwerk in staat moeten zijn om de noodzakelijke hulp-op-maat te kunnen bieden.

6.13.2 Specifiek jeugdhulp met verblijf

Als het pgb wordt besteed aan de inkoop van jeugdhulp met verblijf, dan gelden specifieke criteria. Denk bijvoorbeeld aan het landelijk kwaliteitskader gezinshuizen, tenzij het pgb wordt besteed aan iemand uit het sociaal netwerk.

6.13.3 Kwaliteit en besteding pgb aan professionals

Het kan gaan om iemand in dienst bij een professionele organisatie of die als Zzp’er werkzaam is. De gemeente beoordeelt in ieder geval of:

•de hulp-op-maat aansluit aan bij de vastgestelde stoornissen of problemen van de jeugdige en de te behalen resultaten;

•de jeugdhulpverlener beschikt over een relevante opleiding en is periodiek bijgeschoold. De opleidingseis zal kunnen verschillen naar gelang de aard van de noodzakelijke hulp-op-maat;

•de jeugdhulpverlener beschikt over een VOG. Deze verklaring mag in principe niet ouder zijn dan drie maanden voorafgaand aan de aanvang van de hulp-op-maat;

•de jeugdhulpverlener de omvang/intensiteit van de noodzakelijke hulp-op-maat kan bieden. Deze vraag zal zich voornamelijk voordoen bij Zzp’ers. Die zullen namelijk ook door andere budgethouder(s) kunnen worden ingekocht. Denk in dit kader aan de 40-urige werkweek.

•de beoogde jeugdhulpverlener niet al (te) lang betrokken is bij de jeugdige, zijn gezin en/of mensen uit het sociaal netwerk. Dat kan de professionele kijk op de jeugdige of het gezinssysteem vertroebelen. Dat wil zeggen dat de gemeente onderzoekt of er nog wel sprake is van voldoende professionele distantie om het resultaat te kunnen behalen. Dat kan bijvoorbeeld al blijken uit het ontbreken van voortuitgang in het behalen daarvan.

6.14 Besteding pgb

6.14.1 Algemeen

Voor het pgb geldt een ruime mate van bestedingsvrijheid. Dat wil zeggen dat het pgb mag worden besteed aan hulp-op-maat waarmee het door de gemeente vastgestelde resultaat wordt bereikt. Vooropgesteld dat wordt voldaan aan voorwaarden om voor een pgb in aanmerking te komen. Om doorkruising met de wettelijke systematiek te voorkomen bepaalt de Verordening dat het pgb niet mag worden besteed aan hulp die volgens de gemeente valt binnen de gebruikelijke hulp. Het spreekt voor zich dat als ouder(s) meer hulp kunnen bieden dat daarvoor hetzelfde geldt (eigen mogelijkheden en oplossend vermogen).

6.14.2 Kostensoorten en declareren

In artikel 6.3.1 lid 5, 6 en 7 van de Verordening staan regels over kostensoorten en het declareren van een pgb. Voor een aantal kostensoorten geldt dat het pgb daar niet aan mag worden besteed. Verder geldt dat de declaraties geen vast maandbedrag mogen bevatten. Dat wil zeggen er wordt altijd gedeclareerd in tijd. Ook geldt dat geen gebruik wordt gemaakt van een zogeheten verantwoordingsvrij bedrag. Gemeenten zijn vrij om dat te bepalen.

6.14.3 Termijn besteding pgb

De Verordening schrijft voor binnen welke termijn de budgethouder het pgb moet besteden. Wanneer de budgethouder het pgb niet binnen de geldende termijn heeft besteed, dan onderzoekt de gemeente wat de reden is. Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek kan er aanleiding zijn om over te gaan tot herziening of intrekking van het pgb-besluit.

Bijlage 1 Richtlijn gemiddelde tijd en frequentie van activiteiten bij persoonlijke verzorging

Deze richtlijn is gebaseerd op de CIZ Indicatiewijzer (toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014, versie 7.1, juli 2014) en is bedoeld als richtlijn ter beoordeling of de boven-gebruikelijke hulp in het kader van de eigen kracht door ouders geboden kan worden.

Activiteiten persoonlijke verzorging

Overzicht handelingen die deel uit kunnen maken van de activiteit

Richtlijn gemiddelde tijd per keer in minuten

Richtlijn maximale frequentie per dag

1.1

Zich wassen

Delen van het lichaam

10

1x

Gehele lichaam

20

1x

1.2

Zich aankleden

Volledig aankleden/uitkleden

2Hier wordt bedoeld aan- en uitkleden bij het opstaan en het ’s avonds naar het bed gaan.

15

2x

Gedeeltelijk uitkleden

10

1x

Gedeeltelijk aankleden

10

1x

1.3

In en uit bed gaan

Hulp bij uit bed komen

3Hier wordt de hulp bedoeld bij het uit bed komen naar uiteindelijk bijvoorbeeld een stoel en vice versa.

10

1x

Hulp bij in bed gaan

10

1x

Hulp bij middagrust

10

1x

Hulp bij middagrust

10

1x

1.4

Zich verplaatsen in zit- of lighouding (hulp bij bewegen, houding)

-

20

Naar noodzaak

1.5

Naar toilet gaan en zich reinigen c.q. incontinentiemateriaal verwisselen

-

15

Naar noodzaak

1.6

Eten en drinken

Hulp bij broodmaaltijd excl. drinken

10

2x

Hulp bij warme maaltijd excl. drinken

15

1x

Hulp bij drinken

10

6x

1.7

Ondersteuning bij uitscheiding

Stomaverzorging bij lokaal intacte huid

20

Naar noodzaak

Stomazakje wisselen

10

Naar noodzaak

Katheterzaak legen /wisselen

10

Naar noodzaak

Uritip aanbrengen

15

Naar noodzaak

Klysma microlax

15

Naar noodzaak

1.8

Sondevoeding

Sondevoeding toedienen (inclusief aan-/en afkoppelen)

20

Naar noodzaak

Sondevoeding toedienen bij kinderen

40

Naar noodzaak

Sondevoeding via PEG

40

Naar noodzaak

1.9

Medicatie

Medicijnen aanreiken

4Inclusief uit de koelkast, weekdoos/baxter pakken, inschenken enzovoort.

5

Naar noodzaak

Medicijnen toedienen (oraal/via sonde)

5

5De inlooptijd van de medicatie kan in voorkomende gevallen in verband met bijvoorbeeld misselijkheid langer dan vijf minuten duren.

Naar noodzaak

Aanbrengen medicinale pleister

5

Naar noodzaak

Toedienen oog-, oor- of neusdruppels of oog- gel, medicatie toedienen (vaginaal of rectaal)

10

Naar noodzaak

Vernevelen

20

Naar noodzaak

2.1

Persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid

Zorg voor tanden

5

2x

Zorg voor haren

5

1x

Zorg voor nagels

5

1x per week

Scheren

10

1x

Inspectie van de intacte huid op (dreigende) vervormingen, ontstekingen en/of infecties

10

Naar noodzaak

Zalven van de intacte huid

10

Naar noodzaak

Verzorging van smetplekken (roodheid en irritaties van de huid)

10

Naar noodzaak

Verzorging van de intacte huid rondom natuurlijke en onnatuurlijke lichaamsopeningen (zoals PEG-katheter, suprapubiskatheter , tracheastoma

6Bij het verwisselen van de tracheacanule (onderdeel VP) maakt de verzorging van de huid rondom de tracheastoma onderdeel uit van deze handeling. De verzorging wordt dan ook niet geïndiceerd bij het verwisselen van de tracheacanule.

, sonde)

10

Naar noodzaak

Mondverzorging in verband met risico op infecties bij cytostaticagebruik. Betreft spoelen van de mond, aanbrengen medicatie en het poetsen van de tanden

10(hiervan is de tijd voor het tandenpoetsen al vanaf getrokken)

6xper dag

2.2

Aanbrengen / verwijderen prothese

7Hiermee worden o.a. ledemaatprotheses en/of gehoorapparaten bedoeld.

Aanbrengen prothese/hulpmiddel

15

1x

Verwijderen prothese/hulpmiddel

15

1x

Aanbrengen D.P.S.

5

Naar noodzaak

Verwijderen D.P.S.

5

Naar noodzaak

Aanbrengen T.E.N.S.

5

Naar noodzaak

Verwijderen T.E.N.S.

5

Naar noodzaak

Bijlage 2. Aandachtspunten resultaatgebieden kind gerelateerd, per leeftijdscategorie:

Aandachtspunten resultaatgebied 0-4 jaar

PERSOONLIJK FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Emotie-regulatie (overspoelen, uitbarsten, driftbuien)

Huilen

Onzeker/angsten

Dwars/koppig

Gooien

Schelden, vieze woorden gebruiken

Slaan, schoppen, bijten

Zelfbeschadigend gedrag

Dwanghandelingen (herhaling van gedragingen)

SOCIAAL FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Hechting

Omgang met ouder

Omgang met ander (broer/zus/e.d.)

Samen spelen met volwassenen

Samen spelen met leeftijdgenootjes

GEZONDHEID EN ZELFZORG

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Eten (gevarieerd)

Wassen (incl. tanden poetsen)

Aankleden

Toilet (zindelijk, bedplassen, broekpoepen)

Slapen (inslapen, doorslapen, wakker worden, dagnachtritme)

DAGINVULLING

(spel)

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Algemene ontwikkeling (sorteren, herkennen, benoemen)

Grof motorische activiteiten (bal gooien, voetballen, fietsen,

Fijn motorische activiteiten (schrijven, knippen)

Visio-motorische activiteiten (puzzelen, rijgen, bouwen)

Creatieve activiteiten (knutselen, tekenen, kleien, zingen)

Bewegen en sporten

Aandachtspunten resultaatgebied 4-12 jaar

PERSOONLIJK FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Zelfbeeld

Zelfinzicht/zelfreflectie

Omgaan met veranderingen

Begrijpen consequenties (korte termijn)

Keuzes maken

Grenzen aangeven

Impulsiviteit (sociale regels, geen risico zien)

Taakinitiatie (andere dingen doen i.p.v. aan de slag)

Emotie-regulatie (overspoelen, uitbarsten, driftbuien)

Angsten (incl. spanning, zenuwen, nerveus, bang)

Stemmingsproblemen (somber, wisselingen, uitbundig)

Teruggetrokken/ eenzaam/ verdrietig

Luidruchtig opstandig

Ongehoorzaam

Pesten

Agressie verbaal /fysiek (dreigen, vloeken, anderen pijn doen)

Zelfbeschadigend gedrag

Dwanghandelingen (herhaling van gedragingen)

SOCIAAL FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Functioneren binnen gezin/familie

Vrienden maken

Vriendschappen behouden

Beste vriend

Vriendengroep

Verkering

Grenzen aangeven

Beïnvloedbaar

Houdt rekening met anderen

GEZONDHEID EN ZELFZORG

(BASALE ADL)

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Eten (verantwoord, bereiden

Wassen (verzorgd uiterlijk)

Aankleden (schone kleding)

Toilet (zindelijk, bedplassen, broekpoepen)

Slapen (inslapen, doorslapen, wakker worden, dagnachtritme)

Klusjes in huis (afwassen, kamer opruimen)

Omgaan met geld (incl. schulden)

Seksuele gezondheid

VERPLAATSEN EN VERVOER

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Aanleren vaardigheden

Verkeersinzicht

Deelname verkeer (zelfstandig)

Gebruik maken van OV

SCHOOL/ DAGBESTEDING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Ingeschreven

Aanwezigheid

Voorbereiding/huiswerk

Meedoen met aangeboden lesstof

Leerstrategieën

Leervakken

Creatieve/vrije vakken /gym

Taal- en rekenproblemen

Lezen

Spelling

Schrijven

Rekenen

klokkijken

VRIJE TIJD

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Sporten

Hobby’s

Buurt

Religie

Interesse in nieuws

JUSTITIE

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Stelen

Vandalisme

Drugs

Geweld

HALT

Leerplicht

VERSLAVING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Roken

Alcohol

Soft-drugs

Hard-drugs

Gamen

Telefoongebruik/social media

Anders

Aandachtspunten resultaatgebied 12-18 jaar

PERSOONLIJK FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Zelfbeeld

Zelfinzicht/zelfreflectie

Omgaan met veranderingen

Begrijpen consequenties (korte lange termijn)

Keuzes maken

Grenzen aangeven

Impulsiviteit (sociale regels, geen risico zien)

Taakinitiatie (andere dingen doen i.p.v. aan de slag)

Emotie-regulatie (overspoelen, uitbarsten, driftbuien)

Angsten (incl. spanning, zenuwen, nerveus, bang)

Stemmingsproblemen (somber, wisselingen, uitbundig)

Teruggetrokken/ eenzaam/ verdrietig

Luidruchtig opstandig

Ongehoorzaam

Pesten

Agressie verbaal / fysiek (dreigen, vloeken, vechten)

Zelfbeschadigend gedrag

Dwanghandelingen (herhaling van gedragingen)

SOCIAAL FUNCTIONEREN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Functioneren binnen gezin/familie

Vrienden maken

Vriendschappen behouden

Beste vriend

Vriendengroep

Verkering

Grenzen aangeven

Beïnvloedbaar

Houdt rekening met anderen

GEZONDHEID EN ZELFZORG (BASALE ADL)

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Eten (verantwoord, bereiden)

Wassen (verzorgd uiterlijk, geur)

Aankleden (schone kleding)

Toilet (zindelijk, bedplassen)

Slapen (in- doorslapen, wakker worden, dag-nachtritme)

Voldoende beweging

Voorkomen van ziekten

Huishouden

Omgaan met geld (incl. schulden)

Seksuele gezondheid (incl. veilig vrijen)

Zelfstandigheid

VERPLAATSEN EN VERVOER

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Aanleren vaardigheden

Verkeersinzicht

Deelname verkeer (zelfstandig)

Gebruik maken van OV

SCHOOL

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Algemeen

Aanwezigheid

Op tijd komen

Voorbereiding/ huiswerk

Leerstrategieën

Passend bij interesse

Voldoende resultaten

Maken van keuzes voor de toekomst

Accepteren autoriteit

Vakspecifieke problemen

Taal

Vreemde talen

Rekenen/ Wiskunde

Sectorspecifieke vakken

VRIJE TIJD

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Kan alleen thuis zijn

Opvang geregeld

Structuur/invulling

Sport

Hobby’s

Religie

Interesse in nieuws

JUSTITIE

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

HALT

Leerplicht

Stelen

Vandalisme

Geweld

Oplichting

Taakstraf

Jeugdreclassering

Boetes

Schulden

VERSLAVING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Roken

Alcohol

Softdrugs

Harddrugs (incl. Anabolen)

Gamen

anders

Bijlage 3. Aandachtspunten ouderschap

LICHAMELIJKE VERZORGING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Veiligheid

Hygiëne

Primaire levensbehoeften

Op tijd naar (medische) hulpverlening

Gezond weekmenu

Voldoende beweging

SOCIAAL-EMOTIONELE ONDERSTEUNING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Toezicht ouder(s)/aanwezigheid opvang

Betrouwbaar

Beschikbaar (emotioneel)

Betrokkenheid ouder(s)

Structuur

Regels

Stimulatie

SCHOOL EN WERK

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Schoolkeuze

Ingeschreven

Vervoer

Mogelijkheid huiswerk maken/werk voorbereiden

Toekomstperspectief

Stimulatie/steun

OPVANG

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Veiligheid woning en omgeving

Hygiëne (schoon en leefbaar)

Eigen ruimte (bijv. eigen kamer/bed)

Overlast

Dreigende uithuiszetting

Bijlage 4. Ouder gerelateerde aandachtspunten

FINANCIEN/ADMINISTRATIE

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Basisverzekering afgesloten

Inkomen passend bij uitgave

Overzicht (financiën en administratie op orde)

Overzicht over de totale schulden

Aangemeld bij een instantie voor schuldhulpverlening

Schuldeisers (aflossing van de schulden)

Schuldenlast (vermindering)

WONEN

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Onderhoud

Overlast

Veiligheid

Huur /hypotheek betaald

Dreigende uithuiszetting

Postadres

Slaapplek

Tijdelijk onderdak (toegeleid naar)

Begeleiding bij het contact leggen richting huisvesting

SOCIAAL NETWERK

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Familie

Buurt

Geloof

Vrienden

Vereniging

DAGBESTEDING (WERK)

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Evenwichtig dag- en nachtritme

Dagstructuur

Werk

VERPLAATSEN EN VERVOER

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Gebruikmaken eigen vervoermiddel (o.a. fiets, auto)

Gebruikmaken van openbaar vervoer

JUSTITIE

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Stelen/vandalisme

Geweld

Heling/oplichting

Taakstraf

Boetes

VERSLAVING

Problematiek

nee

licht

matig

zwaar

Roken

Alcohol

Softdrugs

Harddrugs (incl. Anabolen)

Gamen

Telefoon/social media

Seks/porno

Anders

Bijlage 5. Richtlijn ouderschap

RESULTAATGEBIED

LICHT

MIDDEL

ZWAAR

LICHAMELIJKE VERZORGING

•Gezond menu

•Kleding

•Hygiëne

•Voldoende beweging

•Nakomen medische afspraken

Het lukt de ouder niet altijd om het kind te stimuleren en/of toezicht te houden op het gebied van de lichamelijke verzorging op de genoemde gebieden.

De ouder is niet goed in staat om het kind te stimuleren en/of toezicht te houden op het gebied van de lichamelijke verzorging op de genoemde gebieden.

De ouder is beperkt of niet in staat om het kind te stimuleren en/of toezicht te houden op het gebied van de lichamelijke verzorging op de genoemde gebieden.

SOCIAAL EMOTIONELE ONDERSTEUNING

•Toezicht

•Betrouwbaarheid

•Structuur

•Regels

•Stimulatie

Stelt niet altijd leeftijds-adequate grenzen. Heeft moeite om een emotionele, veilige relatie aan te gaan met het kind. Het lukt de ouder niet altijd om het kind te stimuleren en te ondersteunen bij het aanleren van vaardigheden.

De ouder stelt onvoldoende grenzen of stelt grenzen niet leeftijdsadequaat. Is beperkt in staat om een emotioneel veilige relatie aan te gaan met het kind. Toont beperkt interesse in de belevingswereld van het kind. Stuurt onvoldoende op wenselijk gedrag.

De ouder is niet in staat om te voorzien in de sociaal-emotionele behoeften van het kind en regie te nemen. Ouder stelt geen grenzen. Toont geen interesse in de belevingswereld van het kind. Stuurt onvoldoende op gedrag en geeft geen goed voorbeeld.

SCHOOL

•Aanwezigheid

•Op tijd komen

•Betrokkenheid

Leerplichtige kinderen zijn zelden (max. 1 keer per maand) zonder geldige reden afwezig in de les. Er zijn met enige regelmaat problemen om huiswerk te maken. Ouder(s) zijn beperkt betrokken bij school.

Leerplichtige kinderen zijn regelmatig (25 keer per maand) zonder geldige reden afwezig. Hebben beperkte mogelijkheden om huiswerk te maken. Ouder(s) zijn beperkt betrokken bij school.

Leerplichtige kinderen zijn frequent (meer dan 5 keer per maand) zonder geldige reden afwezig. Hebben geen mogelijkheden om huiswerk te maken. Ouder(s) zijn minimaal betrokken bij school.

OPVANG

•Aanwezigheid

•Betrouwbaarheid

Opvang is soms noodzakelijk en niet altijd voldoende en betrouwbaar beschikbaar. Opvang voorziet in alle aspecten van lichamelijk basiszorg én toereikende uitvoering opvoedtaken.

Noodzakelijke opvang voorziet in alle aspecten van basiszorg maar is onbetrouwbaar beschikbaar. Lichamelijke basiszorg is op orde maar één of meerdere opvoedtaken worden door opvang niet uitgevoerd.

Noodzakelijke opvang van één of meer kinderen is amper beschikbaar of er is een belangrijk probleem op één of meer gebieden van lichamelijke basiszorg en meerdere opvoedtaken worden door opvang niet uitgevoerd.

Geldende tekst uit de Centrale Voorziening Decentrale Regelgeving (CVDR, open data van de overheid). Raadpleeg lokaleregelgeving.overheid.nl voor de officiële versie. Dit is geen juridisch advies.