5 AANVULLEND GEBIEDSSPECIFIEK BELEID
5.3 Gemeentelijke wegbermen en wegen
5.3.1 Grondverzet in gemeentelijke in bermen van rijkswegen en spoorwegbermen
Ten aanzien van de toepassing van grond binnen rijkswegen en spoorwegbermen, wordt gebruik gemaakt van het generieke beleidskader.
5.3.2 Grondverzet in gemeentelijke en provinciale wegbermen buiten de bebouwde kom
Voor de wegen buiten de bebouwde kom, die niet in beheer zijn bij Rijkswaterstaat, is een onderverdeling gemaakt in:
•Doorgaande wegen;
•Overige wegen.
De definitie van deze wegen is opgenomen in de begrippenlijst in bijlage 1 van deze Nota. De bermen van de doorgaande wegen zijn aangemerkt als aparte zone en ingedeeld in de functie industrie. De bermen langs de overige wegen buiten de bebouwde kom, zijn niet in een aparte zone ingedeeld. Deze wegbermen vallen in de kwaliteitszone van het omliggende gebied (buitengebied) en hebben ook de bodemfunctie van dat gebied (overig: landbouw en natuur).
Voor de toepassing van grond binnen de bermen van de doorgaande wegen, is een Lokale Maximale Waarde (LMW) vastgesteld op het niveau van de kwaliteitsklasse industrie. Voorwaarde bij het grondverzet is dat de toe te passen grond afkomstig is uit het gezamenlijke bodembeheergebied. Is deze grond afkomstig van elders, dan mag die toegepast worden indien voldaan wordt aan de generieke toepassingseisen.
De gebiedskwaliteit binnen het bodembeheergebied blijft hiermee gelijk, waarmee voldaan wordt aan het stand-still principe.
Onderzoeksinspanning
Om bij de doorgaande wegen vast te stellen of de vrijkomende grond minimaal voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie, kan volstaan worden met een verminderde onderzoeksinspanning volgens de NEN 5740, onderzoekstrategie VED HE verdacht met onbekende plaats van voorkomen.
De resultaten hiervan worden indicatief getoetst aan de normen van de Regeling bodemkwaliteit. Dergelijk bodemonderzoek kan plaatsvinden op projectbasis of in het kader van de jaarlijkse onderhoudsplanning.
De wegbermen langs de overige wegen buiten de bebouwde kom worden niet in een aparte zone ingedeeld. Zij vallen in de kwaliteitszone van het omliggende gebied (buitengebied) en hebben ook de bodemfunctie van dat gebied (overig: landbouw en natuur). Het grondverzet binnen deze wegbermen kan plaatsvinden op basis van de bodemkwaliteitskaart. Indien grond uit deze bermen elders (dus niet in bermen maar in woon- of buitengebied) wordt toegepast, dient een partijkeuring plaats te vinden.
Wegbermen binnen de gemeente Tytsjerksteradiel
Gemeente Tytsjerksteradiel hanteert een onderscheid tussen doorgaande/lokale wegen en overige wegen. Bij de toepassing van grond en baggerspecie in de doorgaande en lokale wegen wordt gebruik gemaakt van LMW, passend bij de bodemfunctie Wonen. Bij de toepassing van grond uit de wegbermen doorgaande en lokale wegen wordt gebruik gemaakt van de onderzoeksresultaten uit het vastgestelde voorgaande bodembeheer Wegbermen Gemeente Tytsjerksteradiel (mei 2003). De wegbermen zijn destijds volgens de NEN5740 onderzocht. Uit de toetsing volgens het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat de boven- en ondergrond van de wegbermen doorgaande en lokale wegen klasse Wonen betreft. PAK-10 is hierin de kritische parameter.
Voor de toepassing van grond en baggerspecie van grond uit wegbermen langs ‘overige wegen’ wordt gebruik gemaakt van LMW, passend bij de bodemfunctie Industrie. Hier geldt de beperking dat de vrijkomende grond uit wegbermen van ‘overige wegen’ niet toegepast mag worden in de doorgaande en lokale wegen.
Uit de toetsing volgens het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat de boven- en ondergrond van de wegbermen van ‘overige wegen’ circa 80% klasse Industrie betreft en circa 20% Niet Toepasbare grond ofwel sterk verontreinigde grond betreft. PAK-10 is hierin de kritische parameter. Om vast te stellen dat vrijgekomen grond uit de wegbermen van ‘overige wegen’ minimaal voldoet aan de kwaliteitsklasse industrie, kan volstaan worden met een verminderde onderzoeksinspanning volgens de NEN 5740, onderzoekstrategie VED HE verdacht met onbekende plaats van voorkomen.
Gebruiksrisico’s
Het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor dat deze Nota bodembeheer 2018 onderbouwt dat de gekozen verruiming van toepassingsnormen niet leidt tot onaanvaardbare risico’s en dat de bodemfunctie geschikt blijft voor het gebruik. De gemeenten hebben ervoor gekozen om de maximale waarden voor de zone “wegbermen hoofdwegen” met bodemgebruiksfunctie industrie aan te laten sluiten bij de landelijke generieke waarden voor deze bodemgebruiksfunctie. Daarmee is per definitie onderbouwd dat de beleidsmatig gekozen verruimde toepassingsmogelijkheden niet tot onaanvaardbare risico’s leiden en de bodem duurzaam geschikt blijft voor het gebruik. De generieke maximale waarden van de functie industrie zijn immers gebaseerd op de afwezigheid van onaanvaardbare risico’s bij deze functie. Daarmee is voldaan aan deze eis.
Tabel 5-1: Grondverzet in bermen
Grondverzet in bermen
Doorgaande wegen
Overige wegen
Binnenbebouwde kom
Functie: Gelijk aan omgeving
Toepassing: conform ter plaatse geldend beleid (generiek c.q. gebiedsspecifiek in Harlingen
Bewijsmiddel: bodemkwaliteitskaar of AP04
Buiten bebouwde kom
Functie: Industrie
Toepassing grond en baggerspecie in bermen:
Gebiedsspecifiek, LMW=industrie; Onderzoek bij grondverzet tussen bermen
Toe te passen grond: indicatief onderzoeken (NEN 5740,strategie VED-HE)
Toepassing van grond van buiten de wegbermen
Bewijsmiddel is de bodemkwaliteitskaart of AP04- onderzoek
Functie: overige (landbouw en natuur)
Toepassing: vrij binnen wegbermen in dezelfde categorie (buiten bebouwde kom, overige wegen)* Onderzoek: geen
Toepassing grond van elders: generiek metbewijsmiddel: bkk of AP04
Indien bermgrond elders (buiten de wegbermen van de overigewegen buiten de bebouwde kom) wordt toegepast, danis een AP04keuring noodzakelijk
•Onder de gebruikelijke voorwaarden als genoemd in par. 6.3 t/m 6.5
•Voor Tytsjerksteradiel is de tabel afwijkend, zie hiervoor paragraaf 5.3.2 ”Wegbermen binnende gemeente Tytsjerksteradiel”
5.3.3 Wegbermen in grondwaterschermings- en waterwingebieden
Ongeacht het hiervoor beschrevene dient voor de toepassing van grond in gebieden die door de provincie Fryslân zijn aangewezen als grondwaterbeschermings- en waterwingebieden voldaan te worden aan de eisen die daarvoor gesteld zijn in de Provinciale Milieuverordening uit 2013.
5.3.4 Opgebroken wegtracés
Opgebroken wegtracés zijn geen wegen meer, maar zijn evenmin te beschouwen als reguliere percelen met een kwaliteit overeenkomstig de direct omgeving. Daarom worden deze opgebroken wegtracés als verdachte locaties behandeld. Dit geldt totdat het tegendeel van het betreffende wegtracé is bewezen met onderzoek.
5.7 Gebiedsspecifieke toepassingszones gemeente Harlingen
5.7.1 Beleidsmatige keuze
Harlingen streeft ernaar waar mogelijk, vrijkomende grond en baggerspecie toe te passen binnen de eigen gemeentegrenzen. Het aandeel grond daarin met de kwaliteitsklassen wonen en industrie is geschikt voor de bodemfuncties wonen en/of industrie. In de structuurvisie 2025 bestaan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen uit een herstructurering van woongebieden en een herstructurering (Hermes, Koningsbuurt, Industriehaven) en uitbreiding van bedrijventerreinen richting Waddenzee en aan de oostzijde van Harlingen. Bij deze werkzaamheden en met name de uitbreidingen, is een grote grondvraag. In de woongebieden is grond met kwaliteitsklasse wonen daarvoor uitstekend geschikt. Op bedrijventerreinen geldt dit voor grond met de kwaliteitsklasse industrie.
Onder het generieke beleid vormt de dubbele toets op functie en kwaliteit vaak een belemmering op het toepassen van grond met deze kwaliteitsklassen.
Om die reden kiest de gemeente Harlingen beleidsmatig voor het loslaten van de dubbele toets in een aantal zones. Dat betekent dat de gemeente Harlingen bij de toepassing van grond en baggerspecie slechts toetst aan de bodemgebruikfunctie.
5.7.2 Uitwerking en randvoorwaarden
De beleidsmatige keuze om de dubbele toets los te laten en slechts te toetsen aan de functie (kwaliteit volgt functie) heeft tot gevolg dat de hergebruiksmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen wonen en industrie verruimd worden.
Concreet betekent dit dat in woongebieden grond met de kwaliteitklasse wonen toegepast mag worden en op (toekomstige) bedrijventerreinen grond met de kwaliteitsklassen wonen en industrie. De Lokaal Maximale Waarden voor de functies Wonen en Industrie zijn weergegeven in tabel 5.2.
Tabel 5-2: Lokaal Maximale Waarden gemeente Harlingen
Bodemgebruiksfunctie
Lokaal Maximale Waarde
•Wonen
•Wonen
•Industrie
•Industrie
Plaatselijk staan we toe dat de kwaliteit minder wordt, maar wel geschikt blijft voor de functie die het gebied heeft; elders werken we aan verbetering van de bodemkwaliteit. Met het oog op behoud van de overall bodemkwaliteit in Harlingen (stand-still principe) stelt Harlingen de voorwaarde dat de toepassing van voor het gebruik geschikte grond in zones waarvan de bestaande kwaliteit beter is, slechts mag onder de voorwaarde dat de toe te passen grond afkomstig is van het grondgebied van de gemeente Harlingen.
Indien grond toegepast wordt die afkomstig is van buiten de gemeentegrenzen, dan is het generieke kader met dubbele toets op functie én kwaliteit van toepassing.
Harlingen heeft gebiedsspecifiek beleid sinds 2013. Dat betekent dat de toe te passen grond minimaal moet voldoen aan de functie van de toepassingslocatie. De consequentie is dat een geringe vermindering van de kwaliteit in bijvoorbeeld industriegebieden, geaccepteerd wordt. Plaatselijk zal dit in de afgelopen jaren het geval zijn geweest. Daarom wordt in Harlingen voor grond, afkomstig uit gebieden met de functie Industrie en waar de gemiddelde kwaliteit AW2000 of Wonen is, een extra toets ingevoerd met de vraag: “Is op deze ontgravingslocatie in het verleden grond van de klasse Industrie toegepast? En gaat deze grond toegepast worden binnen de functies Wonen of Overig? Indien het antwoord op beide vragen JA is, dan is de bodemkwaliteitskaart geen bewijsmiddel en moet een partijkeuring uitgevoerd worden.
Neem contact op met de FUMO. In alle andere gevallen gelden geen beperkingen”.
In deze paragraaf zijn de toepassingsmogelijkheden onder dit gebiedsspecifieke kader in Harlingen in een gebiedsspecifieke toepassingskaart opgenomen.
5.7.3 Gebruiksrisico’s
Het Besluit bodemkwaliteit schrijft voor dat deze Nota bodembeheer 2018 onderbouwt dat de gekozen verruiming van toepassingsnormen niet leidt tot onaanvaardbare risico’s en dat de bodemfunctie geschikt blijft voor het gebruik. Harlingen heeft ervoor gekozen om de maximale waarden voor de zones met bodemgebruiksfunctie wonen en industrie aan te laten sluiten bij de landelijke generieke waarden voor deze bodemgebruiksfuncties. Daarmee is per definitie onderbouwd dat de beleidsmatig gekozen verruimde toepassingsmogelijkheden niet tot onaanvaardbare risico’s leiden en de bodem duurzaam geschikt blijft voor het gebruik.
De generieke maximale waarden wonen en industrie zijn immers gebaseerd op de afwezigheid van onaanvaardbare risico’s bij deze functies. Daarmee is voldaan aan deze eis.
5.8 Gebiedspecifieke toepassingszones gemeenten Terschelling en Vlieland
5.8.1 Gemeente Terschelling
De gemeente Terschelling continueert het beleid dat grond, vrijkomend uit de oude dorpskernen van Terschelling-West en Midsland (zone B4), zoveel mogelijk op eigen terrein herschikt moet worden.
Overtollige grond dient afgevoerd te worden naar het vasteland.
In paragraaf 6.2 is beschreven dat er geen sprake is van onacceptabele risico’s voor de mens bij hergebruik van grond uit zone B4 in een woonomgeving.
5.8.2 Gemeente Vlieland
De gemeente Vlieland continueert het beleid dat grond, vrijkomend uit de oude dorpskern (zone B3), zoveel mogelijk op eigen terrein herschikt moet worden. Overtollige grond dient afgevoerd te worden naar het vasteland.
In paragraaf 6.2 is beschreven dat er geen sprake is van onacceptabele risico’s voor de mens bij hergebruik van grond uit zone B3 in een woonomgeving.
Bijlage 1: Begrippenlijst
Begrip
Omschrijving
AW
Afkorting van ‘Achtergrondwaarde’: Landelijk vastgestelde concentraties aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit, waarvoor geldtdat er geensprake is vanbelasting door lokaleverontreinigingbronnen.
Baggerspecie
Materiaal dat is vrijgekomen uit de bodemvia het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in eenverhouding en meteen structuur zoals dezein de bodemvan nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 mm.
Bestemmingsplanwijziging
Wijzigingvan het gemeentelijk bestemmingsplan op grondvan de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Bodeminformatiesysteem
(Gemeentelijk) informatiesysteem (database) waarin digitaal de bekende bodemgegevens uitmilieuonderzoeken zijn opgenomen.
Bodemkwaliteitskaart
Onder het begrip bodemkwaliteitskaart wordt zowel een set van kaarten als de karakteristiek van de gebiedseigen bodemkwaliteit door middel van kengetallen verstaan. De kaartbestaat als het ware uit verschillende 'lagen', waarbij elk van de lagen gericht is op de ruimtelijke rangschikking van een verschillend type informatie waarvoor verondersteld wordt dat deze bepalend is voor de gebiedseigen bodemkwaliteit.
Bodemkwaliteitsdata
Data opgeslagen in het bodeminformatiesysteem.
Bodemkwaliteitszone
Deel van een beheersgebied waarvoor geldt dat er eenzelfde verwachting bestaat omtrent de bodemkwaliteit, waarbij zowel de verwachtingswaarde als de mate van variabiliteit bepalend zijn.
Bodemonderzoek wegbermen
Onderzoektoe te passenwegbermgrond: indicatief (NEN 5740, strategie VED-HE)
College B&W
College van Burgemeester en Wethouders
DDT 's
Dichloor-diphenyl-trichloorethaan, een organisch chemisch insecticide
Diffuse bodemkwaliteit
Algehele bodemkwaliteit zoals die geldt voor het grootste gedeelte van eenvooraf bepaalde zone.Het begrip diffuse bodemkwaliteit is het tegengestelde van een puntbron.
Duurzaam bodembeleid
Het nieuwe bodembeleid richt zich op bewuster en duurzamer bodemgebruik die de waarde van de bodembehoudt
Emissiewaarden
Uitloogwaarden van (licht) verontreinigde grond.
Gebiedsspecifiek beleid
Lokale regelsinzake het toepassen van grond en bouwstoffen waarbij lokale maximale waarden aan stoffen gelden in bodemkwaliteitszones. Gebiedsspecifiek beleid is door de gemeenteraad vastgesteld.
Generiek beleid
Landelijkgeldende regels voorhet toepassen van grond en bouwstoffen.
Gezoneerd gebied
Gebied waarvoor een bodemkwaliteitszone is vastgesteld.
Grond
Vast materiaal dat bestaat uit minerale delenmet een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodemvan nature wordt aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 mm, niet zijnde baggerspecie.
Begrip
Omschrijving
Hergebruik van grond als bodem
Het hergebruiken van grond, zodanig dat deze een integraal onderdeel van de ontvangende bodem wordt. Dit is het geval in bijvoorbeeld ophogingen of aanvullingen van de bodem met uitsluitendgrond
Heterogeniteit
Matig tot veel variatie in de bodemkwaliteit in de betreffende zone
Homogeniteit
Geen tot nauwelijks variatie in de bodemkwaliteit in de betreffende zone
Inrichting
Een locatie waar bedrijfsmatig activiteiten worden uitgevoerd binnen de reikwijdte van het begrip inrichting van artikel 1.1 lid 1 van de Wet Milieubeheer. Inrichtingen moeten gecategoriseerd zijn zoals omschreven in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit.
Interventiewaarde
Waarde die aangeeft bij welke concentratie sprake is van ernstige of dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen van de bodem voor mens, plant of dier
Kaderrichtlijn water
Europeserichtlijn ten behoeve van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater
Kwaliteitsbewijsmiddel
Bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit conform het Besluit bodemkwaliteit van grond, baggerspecie of een bouwstof.
Landelijk meldpunt
Meldpunt voor het melden vanhet toepassen vangrond conform het Besluit bodemkwaliteit: www.meldpuntbodemkwaliteit.nl
Licht verontreinigde grond
Grond diebij toetsing aande achtergrondwaarden (AW2000) uit de 'Regeling bodemkwaliteit' van 21 december 2007 en de 'Wijziging Regeling bodemkwaliteit' van respectievelijk 27 juni 2008 en 7 april 2009 en de interventiewaarden uit de 'Circulaire bodemsanering 2009' van 7 april 2009 niet voldoet aan de streefwaarden bodemkwaliteit, maar waarbij voor géén van de stoffen sprake is
van overschrijding van de tussen- en/of interventiewaarde
Ms-PAF methode
Meer stoffen-Potentieel Aangetaste Fractie van lagereorganismen, zijnde een aanduiding voor ecologische risico's als gevolg van bodemverontreiniging van waterbodems
NEN 5720
Norm die de werkwijze beschrijft voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek naar de aanwezigheidvan waterbodemverontreiniging. Dezenorm geldt ook voor het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de waterbodemen eventueel daaruitvrijkomende baggerspecie.
NEN 5740
Norm die de werkwijze beschrijft voor het opstellen van de onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek naar de (mogelijke) aanwezigheid van bodemverontreiniging en de werkwijze voor hetbepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de landbodem (inde rest vanhet document 'bodem' genoemd) en eventueel daaruit vrijkomende grond.
Nota bodembeheer 2018
Nota waarin- op grond van de bodemkwaliteitskaart - aangegeven op welke wijze met ingrepen in de (diffuus verontreinigde) bodem wordt omgegaan. In de bodembeheernota zijn de toepassingsmogelijkheden van de bodemkwaliteitskaart uitgewerkt.
Overgangsrecht
Een artikel uit het Besluitbodemkwaliteit dat het mogelijk maakt voor een gemeente om maximaal 5 jaar na inwerkingtreding van het
Begrip
Omschrijving
Besluit bodemkwaliteit nog gebruik te maken, vande 'bestaande' bodemkwaliteitskaart en bijbehorend bodembeheersplan
P50, P80 en P95 (50-, 80- en 95-percentielwaarde)
In ditdocument: concentratieniveau vaneen bepaalde stof;resp. 50%, 80 % en 95% van de beschikbare waarnemingen (analyseresultaten beschikbaar voor die stof binnen een bodemkwaliteitszone) ligt beneden dit concentratieniveau
PAK
Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen. Naam voor een verzameling van stoffen
Partijkeuring (AP04)
Schriftelijke verklaring op basis van een eenmalig onderzoek, dat wordt uitgevoerd door een persoon of instelling die daartoe beschiktover een erkenning, en waarin wordtvermeld of een partij onder het regimevan het Besluitkan worden toegepast
Postzegels
Postzegels zijn kleinestukjes kaart met een functie die afwijkt van de omgeving
Puntverontreiniging
Een (kern)belasting van de bodem,zoals lekkages, morsingen, verbrandingen et ceteramet beperkte omvang
Samenstellingswaarden
De gehalten aan stoffen in een partijgrond
Stand-still op klasse niveau
De mogelijkheid om grond uit te wisselen binnen een vastgesteld beheergebied zonder dat daarbij de actuele bodemkwaliteit, beoordeeld op bodemkwaliteitsklassen, in negatieve zin beïnvloed wordt
Sterk verontreinigde grond
Grond diebij toetsing aande interventiewaarden uitde 'Circulaire bodemsanering 2009' van 7 april 2009 de interventiewaarde overschrijdt
VED-HE
Onderzoeksstrategie uit de NEN 5740 vooreen verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming
Verantwoordingsrapportage
Rapportagewaarin de totstandkoming van het Gebiedsspecifiek bodembeleid wordttoegelicht
Wbb-locatie
Locatie waar een geval van ernstige bodemverontreiniging is geconstateerd of een vermoeden bestaat dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Er is sprakevan een geval van ernstige bodemverontreiniging indien in de grond meer dan 25 m3 de interventiewaarde overschrijdt of in het grondwater meer dan 100 m3 de interventiewaarde overschrijdt. De provincie Fryslân c.q. de gemeente Leeuwarden is voor dergelijke locaties bevoegd gezag
Wegen
De wegen zijnonderverdeeld in:
•Rijkswegen;
•Doorgaande wegen;
•Overige wegen.
Rijkswegen vallen onder beheer van Rijkswaterstaat en zijn aangeduid met de hoofdletter “A”. Doorgaande wegen zijn provinciale (N) wegen en/of wegen die bewoningskernen (rechtstreeks) met elkaarverbinden. Overige wegenzijn wegen die niet zijn aante merken als Rijkswegen of doorgaande wegen
Weilanddepots
De tijdelijke opslagvan grond of baggerspecie over de aan de watergang grenzende percelen
Zorgplicht
Een artikel in de Wet bodembescherming (zogeheten ‘kapstokartikel’) dat moet voorkomen dat door bewust menselijk handelen de bodem verontreinigd raakt, zonder dat ervoor verantwoordelijkheid wordt genomen door de veroorzaker.
Bijlage 2: Technische onderbouwing van de kaarten
Notitie / Memo
HaskoningDHV Nederland B.V.
Transport & Planning
Aan: Friese Uitvoeringsdienst Milieu en Omgeving
Van: Coert Fossen
Datum: 12 juli 2018
Kopie: archief
Ons kenmerk: T&PBF5695M001F01
Classificatie: Projectgerelateerd
Onderwerp:Totstandkoming bodemkwaliteitskaart
1Inleiding
In deze memo is de technisch-inhoudelijke totstandkoming van de functiekaart, de ontgravingskaart en toepassingskaart van veertien deelnemende gemeenten beschreven. De kaarten zijn in bijlage 1 opgenomen. In de Regeling bodemkwaliteit en de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten is opgenomen dat in totaal drie kaarten dienen te worden opgesteld. De eerste kaart betreft een indeling naar bodemgebruik: de bodemfunctiekaart. De tweede een indeling naar chemische bodemkwaliteit: de ontgravingskaart. De derde kaart is de resultante van de functiekaart en de ontgravingskaart: de toepassingskaart. De ontgravings- en toepassingskaarten zijn opgesteld op basis van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, Ministerie van VROM, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007 en de aanvulling Wijzigingsblad d.d. 1 januari 2016 bij de “Richtlijn bodemkwaliteitskaarten versie 3 september 2007”, Ministerie van Infrastructuur en Milieu, 15 juli 2015. De functiekaart is opgesteld volgens de voorschriften in de Regeling bodemkwaliteit.
De Richtlijn voor het opstellen van deze kaarten in het kader van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit is bedoeld voor het gebruik van de kaarten:
■ bij het toepassen van grond en bagger op de bodem;
■ als bewijsmiddel voor de kwaliteit van vrijkomende grond.
Dertien gemeenten hebben besloten om het generiek beleid te volgen. De functiekaart en toepassingskaart zijn aldus opgesteld voor het generieke beleid. De gemeente Harlingen heeft gebiedsspecifiek beleid. Dit betekent dat voor gebiedseigen grond verruimde toepassingsnormen, in dit geval: kwaliteit volgt functie, van kracht zijn. Voor toepassing van gebiedseigen grond in Harlingen is de toepassingskaart gelijk aan de functiekaart.
2Bodemkwaliteitskaart
Een bodemkwaliteitskaart bestaat uit een aantal kaartlagen, die als geheel een beschrijving geven van de bodemkwaliteit in een bepaald gebied. Voor toepassing van het beleid inzake grondverzet zijn de volgende kaartlagen opgesteld en overzichten beschikbaar:
1.Bijzondere omstandigheden: verdacht, onderzochte en gesaneerde locaties
Locaties waar de bodem mogelijk verontreinigd is (bijzondere omstandigheden, verdachte locaties zoals (voormalige) bedrijfsterreinen, ondergrondse tanks, etc.) zijn opgenomen in het Bodeminformatie- systeem. Via de desbetreffende gemeenten kunt u nadere informatie opvragen. Tevens wordt verwezen naar www.bodemloket.nl.
2.Functiekaart
Deze kaart geeft inzicht in de geldende functie van de verschillende zones van het beheergebied.
3.Ontgravingskaart
De ontgravingskaart geeft inzicht in de diffuse bodemkwaliteit van de grond die in de verschillende zones vrijkomt. Deze kaart wordt in de praktijk veelal als ‘bodemkwaliteitskaart’ aangeduid. Dit betreft een statische kaart die voor vijf jaar wordt vastgesteld. De bodemkwaliteit is berekend voor twee trajecten:
■ 0,0 - 0,5 meter beneden het maaiveld (bovengrond);
■ 0,5 - 2,0 meter beneden het maaiveld (ondergrond).
Van beide bodemlagen is een ontgravingskaart gemaakt.
4.Toepassingskaart
Deze kaart geeft inzicht in de normstelling voor toepassing van grond of bagger in de verschillende zones van het beheergebied. Dit betreft een statische kaart die voor vijf jaar wordt vastgesteld.
3Totstandkoming
Voor de totstandkoming van de kaarten zijn een aantal technisch inhoudelijke stappen doorlopen:
■ verzamelen digitale gegevens van de gemeenten;
■ indeling beheergebied in homogene deelgebieden;
■ actualiseren functiekaart;
■ voorbewerken dataset;
■ verzamelen aanvullende gegevens;
■ verdere analyse en bewerking dataset en bodemkwaliteit;
■ opstellen ontgravingskaart;
■ opstellen toepassingskaart.
In navolgende paragrafen zijn de uitgevoerde werkzaamheden per stap nader beschreven.
3.1Verzamelen digitale gegevens
De eerste stap is het verzamelen en ontsluiten van (digitale) gegevens. Deze zijn aangeleverd door de FUMO. De beschikbare data zijn gecontroleerd op relevantie, volledigheid, ‘houdbaarheid’ en geschiktheid voor gebruik in het GIS/BIS (Geografisch Informatie Systeem/Bodem Informatie Systeem). De volgende digitale bestanden zijn gebruikt:
■ bodemonderzoeksrapporten (export d.d. 29 augustus 2017);
■ contouren van bodemonderzoeklocaties;
■ contouren van drinkwaterbeschermingsgebieden;
■ ligging provinciale wegen;
■ topografische ondergronden;
■ gemeentegrenzen.
3.2Indeling in homogene deelgebieden
Homogene deelgebieden zijn gebieden waar op basis van een aantal kenmerken van dat gebied een bepaalde diffuse bodemkwaliteit wordt verwacht. De huidige indeling in homogene deelgebieden is ongewijzigd gebleven ten opzichte van de voorgaande bodemkwaliteitskaart. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat die ingrijpend gewijzigd is in de afgelopen vijf jaar. De indeling is weergegeven in tabel 1.
Tabel 1 Homogene deelgebieden Bodemkwaliteitskaart Fryslân
Boven-/ondergrond
Zone
Bovengrond
1Zone Achtergrondwaarde (AW2000)
2Zone Wonen
3Zone Industrie
Ondergrond
4Zone Achtergrondwaarde (AW2000)
5Zone Wonen
6Zone Industrie
3.3Functiekaart
De functiekaart geeft het gebruik (de functie) van een gebied weer. Het Besluit bodemkwaliteit maakt in het gebiedsspecifieke kader onderscheid in zeven functies en voor het generieke beleid in drie functieklassen, zie tabel 2. In de functiekaart wordt geen onderscheid in bebouwingsperiode gemaakt. Deze zeven functies worden gegroepeerd in drie functieklassen: wonen, industrie en overige (natuur en landbouw). De functieklassenkaart is opgenomen in figuur 1 in bijlage 1.
Tabel 2 Bodemfuncties gebiedsspecifiek en generiek beleidskader
Bodemfuncties (gebiedsspecifiek beleid)
Bodemfunctieklassen generiek beleid
Wonen met tuin
Wonen
Plaatsen waar kinderen spelen
Groen met natuurwaarden
Natuur
Overig (Achtergrondwaarden)
Landbouw
Moestuinen en volkstuinen
Ander groen,bebouwing, infrastructuur en industrie (nagenoeg geheel verhard)
Industrie
De functiekaart is geactualiseerd. Op aangeven van de deelnemende gemeenten zijn functiewijzigingen, bijvoorbeeld nieuwe uitleggebieden, opgenomen. Daarnaast zijn de doorgaande wegen, vanwege het specifieke beleid dat geldt voor hergebruik van bermgrond van deze wegen (zie nota bodembeheer), in de kaart ingetekend.
3.4Bodemkwaliteitskaart
Inleiding
De bodemkwaliteitskaart is opgesteld op basis van de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, Ministerie van VROM, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 3 september 2007, inclusief Wijzigingsblad d.d. 1 januari 2016.
De bodemkwaliteitskaart heeft uitsluitend betrekking op grond, niet op grondwater of waterbodem. De bodemkwaliteitskaart is voor twee trajecten opgesteld:
■ 0,0 - 0,5 meter beneden het maaiveld (bovengrond);
■ 0,5 - 2,0 meter beneden het maaiveld (ondergrond).
Voorbewerken dataset
In de Nederlandse gemeenten zijn de afgelopen vijfentwintig jaar om diverse redenen bodemonderzoeken uitgevoerd die digitaal verwerkt zijn in een database (BIS). De door de FUMO op 28 augustus 2017 aangeleverde database met beschikbare bodemonderzoeken heeft een aantal voorbewerkingen ondergaan. In deze fase is beoordeeld welke gegevens representatief zijn voor het bepalen van de diffuse bodemkwaliteit. Bodemonderzoeken die bijvoorbeeld bij een tankstation zijn uitgevoerd, zijn niet bruikbaar voor het bepalen van de diffuse bodemkwaliteit. Verkennend onderzoek dat uitgevoerd is in een weiland voor een bouwvergunning is juist wel representatief. Voor het berekenen van de statische kenmerken zijn waarnemingen uit de dataset geselecteerd op basis van de volgende criteria:
■ De waarneming is van na 31 december 2007.
■ Het betreft alleen waarneming uit verkennende bodemonderzoeken NEN 5740 (of NVN 5740).
■ Er is geen geval van bodemverontreiniging aanwezig of bekend op de locatie waarop de waarneming is genomen (m.a.w. de locatie is als onverdacht aangemerkt in de dataset).
■ Waarnemingen beneden de detectielimiet zijn omgerekend naar 0,7 * detectielimiet.
■ Uitbijters (extreme waarden) zijn verwijderd. Uitbijters zijn waarnemingen die niet voldoen aan een patroon dat door andere waarnemingen is bevestigd. Uitbijters kunnen ontstaan door typefouten, kalibratieproblemen, elektrische storingen, etc., maar ook door de aanwezigheid van een veel grotere variatie dan werd verwacht (TNO-MEP, 1998). Uitbijters zijn derhalve niet representatief voor het bepalen van het achtergrondgehalte voor een stof in de bodem van een deelgebied. Het moet dus worden voorkomen uitbijters in de statistische bewerking mee te nemen, aangezien hun aanwezigheid de hoogte van met name de hogere percentielwaarden (zoals P90 en P95) sterk kan beïnvloeden. Indien het vermoeden bestaat dat een waarneming een uitbijter is, moet worden nagegaan of er een aanleiding bestaat voor het verhoogde gehalte (puin, koolresten of bepaalde bedrijfsactiviteiten). Een lijst met (mogelijke) uitbijters is ter beoordeling aan de deelnemende gemeenten overlegd. Zij hebben aangegeven welke mogelijke uitbijters terecht als uitbijter aangemerkt worden. Die zijn niet gebruikt voor het bepalen van de statistische kenmerken van de homogene deelgebieden. De overige zijn wel meegenomen.
■ In afwijking van de richtlijn zijn bij het opstellen van de bodemkwaliteitskaarten resultaten ouder dan vijf jaar meegenomen. De vijfjaars houdbaarheidsgrens zoals vroeger opgenomen in de NEN 5740 is inmiddels uit deze norm geschrapt. Bodemkwaliteit is nagenoeg stabiel, mits niet beïnvloed door menselijk handelen. Op locaties waar geen activiteiten worden uitgevoerd die mogelijk de bodemkwaliteit nadelig kunnen beïnvloeden, kan dus verwacht worden dat de huidige kwaliteit stabiel is. Wel is gekozen voor de ondergrens van 1 januari 2008 omdat alle analyses vanaf dan voldoen aan het AS3000.
■ Gecheckt is dat elk homogeen deelgebied per bodemlaag minimaal twintig waarnemingen bevat. Die eis volgt uit de Richtlijn.
■ Bij niet-aaneengesloten deelgebieden is per snipper volstaan met één waarneming behorende bij het nieuwe stoffenpakket. De motivatie is dat vijf jaar geleden uit indicatieve berekeningen, gebaseerd op het bodemdatabestand van de deelnemende gemeenten, is gebleken dat de nieuwe parameters molybdeen, barium en kobalt niet van invloed zijn op de kwaliteitsklasse-indeling van de bodem. Deze bevinding wordt gedeeld in een tussentijdse evaluatie van de Regeling, uitgevoerd in opdracht van Bodem+ (CSO, project 10K208, “Tussentijdse evaluatie bodemkwaliteitskaarten, concept 3 februari 2011). Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan Wijzigingsblad 1-1-2016.
■ De ruimtelijke spreiding is geverifieerd. Nagegaan is of conform de Richtlijn voldaan wordt aan de criteria voor ruimtelijke spreiding. Dit betekent dat een homogeen deelgebied in 20 denkbeeldige vakken wordt onderverdeeld, waarbij in 10 van deze 20 vakken een waarneming moet liggen. Voor alle homogene deelgebieden wordt hieraan voldaan.
■ Behandeling van mengmonsters. Mengmonsters bestaan uit meerdere puntmonsters. Mengmonsters zijn slechts eenmaal meegenomen in de dataset.
■ Bepalen diepte van monsters: in een groot aantal situaties zijn (meng)monsters niet strikt binnen het dieptetraject van 0-0,5 m-mv genomen. Op basis van begin- en einddiepten van de monsters zijn gemiddelde diepten berekend. Die is bepalend voor de toekenning aan een dieptetraject. De overige monsters zijn, mits het gemiddelde monsternametraject niet dieper is dan 2 m-mv, aan de ondergrond toegekend (traject 0,5-2,0 m-mv).
■ De meetwaarden zijn omgerekend naar de organische stof- en lutumgehalten van standaard bodem (organische stof = 25%, lutum = 10%).
■ Tot slot moet conform de Richtlijn nagegaan worden of monstervoorbehandeling heeft plaatsgevonden. Monstervoorbehandeling is sinds 1 juli 2007 gestandaardiseerd (conform AS3000) dus kan ervan uit worden gegaan dat vanaf die datum pas zeker monstervoorbehandeling heeft plaatsgevonden.
Alle stappen zijn (digitaal) gedocumenteerd zodat te allen tijde de totstandkoming van de bodemkwaliteitskaart is te reproduceren.
Statistiek
Binnen de homogene deelgebieden variëren de gehalten van een stof. Er is dus geen sprake van één gehalte, maar van een verdeling van gehalten. Deze verdeling karakteriseert de diffuse bodemkwaliteit van het homogene deelgebied. Veelal is sprake van een scheve verdeling: de bulk van de waarnemingen bevindt zich in de laagste regionen. Deze waarnemingen zijn veelal de van nature in de bodem voorkomende hoeveelheden en zijn niet als verontreinigingen aan te merken. Om de mate van diffuse verontreiniging in een getal uit te drukken, zijn verschillende statistische kentallen bruikbaar. In het kader van hergebruik van grond is met name het gemiddelde belangrijk. Het gemiddelde wordt gebruikt om de bodemkwaliteit per homogeen deelgebied te karakteriseren.
Per deelgebied zijn voor de boven- en ondergrond van 12 stoffen/stofgroepen een aantal statistische waarden (kentallen) bepaald (gemiddelde, 50-, 80-, 90- en 95-percentielwaarde), Deze statistische waarden worden gebruikt bij de karakterisering van het deelgebied. In het ene deelgebied kan de statistische variatie in gehalten veel groter zijn dan in het andere (bijvoorbeeld landbouwgebied). Voor deze mate van heterogeniteit is een parameter berekend die de mate van spreiding tussen statistisch lage (5-percentielwaarde) en statistisch hoge waarden (95-percentielwaarde) in verhouding tot de achtergrondwaarde en de Maximale Waarde Industrie weergeeft.
De statistische kentallen zijn voor respectievelijk de boven- en ondergrond opgenomen in bijlage 2.
De diffuse bodemkwaliteit van elk homogeen deelgebied wordt gedefinieerd door de gemiddelde gehalten van de geanalyseerde stoffen te toetsen aan de maximale generieke waarden van het Besluit bodemkwaliteit. Hierbij is de volgende kwalificatie gehanteerd:
■ Alle stoffen < achtergrondwaarden: ‘schoon’.
■ Eén of meerdere stoffen overschrijden de AW2000 waarde: Wonen*.
■ Eén of meerdere stoffen overschrijden de waarde(n) voor Wonen: Industrie.
*Toelichting:Uitzondering op deze regel: indien er slechts voor twee stoffen een overschrijding is en de gemiddelde waarde van die twee stoffen lager is dan twee keer de achtergrondwaarde (AW2000) valt in dat geval het gebied in de klasse achtergrondwaarde (AW2000) (art. 4.2.2. onder 4.b. van de Regeling bodemkwaliteit).
Toelichting statistiek bij bodemkwaliteitskaarten
Per homogeen deelgebied zijn voor de boven- en ondergrond van 11 stoffen een aantal statistische kentallen bepaald. Deze zijn getoetst aan de Bodemgebruikswaarden (AW2000, Wonen en industrie). In figuur 1 zijn de statistische waarden in relatie tot de bodemkwaliteit toegelicht.
Figuur 1 relatie aantal waarnemingen en gehalte
Gemiddelde
Gemiddeld concentratie/gehalte van een stof in een deelgebied. Hiertoe worden alle concentraties van de representatieve waarnemingen bij elkaar opgeteld en gedeeld door het aantal waarnemingen. Van de stoffen wordt het gemiddelde bepaald per homogeen deelgebied. De stof of stofgroep die het hoogst wordt gemeten ten opzichte van de gebruikswaarden karakteriseert uiteindelijk de diffuse bodemkwaliteit in dit deelgebied. Als bijvoorbeeld het loodgehalte de waarde AW2000 overschrijdt en de overige stoffen lager zijn dan de AW2000, dan wordt dit deelgebied als ‘Wonen’ gekarakteriseerd op basis van het gemiddeld loodgehalte. Het (gemiddeld) loodgehalte wordt dan de ‘kritische parameter’ van dit deelgebied genoemd.
95-percentielwaarde (P95)
Deze waarde geeft een concentratieniveau aan waarbij 95% van de bepaalde concentraties van de representatieve waarnemingen in een homogeen deelgebied lager of gelijk is aan dat concentratieniveau. Als bijvoorbeeld de P95 voor lood 200 mg/kg ds is in een deelgebied, dan heeft 95% van de waarnemingen een gehalte dat lager is dan of gelijk is aan 200 mg/kg ds.
Heterogeniteit
De heterogeniteit van de dataset is per parameter berekend als:
De uitkomst van deze vergelijking levert een factor op die de mate van heterogeniteit weergeeft:
■ Bij waarden kleiner dan 0,2: er is sprake van weinig heterogeniteit
■ Bij waarden tussen 0,2 en 0,5: er is sprake van beperkte heterogeniteit
■ Bij waarden groter dan 0,7: er is sprake van sterke heterogeniteit
3.5Toepassingskaart
De (generieke) toepassingskaart is een resultante van de functiekaart en de ontgravingskaart. Voor de toepassingseisen geldt dat de kwaliteit van de grond die wordt toegepast moet voldoen aan de strengste kwaliteitsklasse op basis van de functieklassenkaart en de ontgravingskaart. In tabel 3 is aangegeven tot welke toepassingseis een specifieke combinatie van functieklasse en bodemkwaliteit op een specifieke locatie leidt.
Tabel 3 Relatie bodemfunctieklasse, bodemkwaliteit en toepassingseis
Functieklasse
Bodemkwaliteit (o.b.v. ontgravingskaart)
Toepassingseis (generiek) bij toepassing van grondvan buiten de zone
Landbouw/natuur
Achtergrondwaarde (AW2000)
Achtergrondwaarde (AW2000)
Landbouw/natuur
Wonen
Achtergrondwaarde (AW2000)
Landbouw/natuur
Industrie
Achtergrondwaarde (AW2000)
Wonen
Achtergrondwaarde (AW2000)
Achtergrondwaarde (AW2000)
Wonen
Wonen
Wonen
Wonen
Industrie
Wonen
Industrie
Achtergrondwaarde (AW2000)
Achtergrondwaarde (AW2000)
Industrie
Wonen
Wonen
Industrie
Industrie
Industrie
Wegen + 10 m wegberm
Industrie
Industrie
4Samenvatting resultaten
In deze paragraaf is een samenvatting van de resultaten opgenomen. De volledige resultaten (aantal gebruikte waarnemingen, gemiddelden, P95, etc.) zijn weergeven in de tabellen in bijlage 2. In tabel 4 is een samenvatting van resultaten opgenomen voor respectievelijk de boven- en ondergrond.
Tabel 4 Gemiddelde gehalten en toetsing
Boven-/ondergrond
Zone
Bovengrond
1Zone Achtergrondwaarde (AW2000)
AW2000
2Zone Wonen
Wonen
3Zone Industrie
Industrie
Ondergrond
4Zone Achtergrondwaarde (AW2000)
AW
5Zone Wonen
Wonen
6Zone Industrie
Industrie
5Bijlagen
Bijlage 1: Kaarten
•Figuur 1 Bodemfunctiekaart
•Figuur 2 Ontgravingskaart (bovengrond en ondergrond)
•Figuur 3 Toepassingskaart (bovengrond en ondergrond)
Bijlage 2: Kentallen bodemkwaliteitszones
Bijlage 1Kaarten
Bijlage 2Kentallen bodemkwaliteitszones
Bijlage 3: Evaluatie Nota bodembeheer 2011
1Inleiding
Met het van kracht worden van het Besluit bodemkwaliteit in 2008, is er voor de gemeenten de mogelijkheid gekomen om beleid vast te stellen voor het hergebruik van bouwstoffen, grond en bagger. Ook is er de mogelijkheid gekomen om met meerdere gemeenten één beleid op te stellen. De gemeenten hebben dan zoals dat binnen het Besluit bodemkwaliteit heet één bodembeheergebied. Dit maakt het gemakkelijk om binnen dit bodembeheergebied veelal zonder milieuhygiënisch onderzoek, grond binnen het bodembeheergebied her te gebruiken.
In 2011 is voor de gemeenten Achtkarspelen, Ameland, Het Bildt, Boarnsterhim, Ferwerderadiel, Dantumadiel, Dongeradeel, , Kollumerland c.a., Leeuwarderadeel, Littenseradiel, Menameradiel, Schiermonnikoog, Smallingerland, Terschelling, Tytsjerksteradiel en Vlieland één bodembeleid en een bodembeheergebied vastgesteld. Gemeente Harlingen heeft zich bij dit beheergebied aangesloten, maar hanteert binnen de eigen gemeentegrenzen gebiedsspecifiek beleid. Dit is vastgelegd in de Nota bodembeheer 2011 van 2 december 2011.
Het Regeling bodemkwaliteit die onder het Besluit valt, stelt in artikel 4.3.5 in lid 2:
Een kaart als bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheidsduur van maximaal vijf jaar. De geldigheidsduur kan worden verlengd.
Na vijf jaar moet de kaart, en daarmee dus ook het bijbehorende beleid, worden geëvalueerd.. Dat is in de achterliggende periode gedaan. In deze periode zijn de volgende activiteiten gedaan:
•Het beleid is getoetst of het nog voldoet aan de huidige wensen;
•De bodemfunctiekaarten zijn met alle gemeenten doorgenomen of er wijzigingen zijn;
•De bodemkwaliteitskaart is aangepast aan de wijzigingen in de bodemfunctiekaart. De bodemkwaliteitskaart is opnieuw doorgerekend.
2Evaluatie van het beleid en bodemfunctiekaart
Het beleid is geëvalueerd met alle gemeenten aan de hand van een vragenlijst. De vragenlijst is besproken met de genoemde gemeenten c.q. hun rechtsopvolgers. Dat zijn ook de gemeenten waarvoor deze Nota bodembeheer 2018 is opgesteld.
De vragenlijst was onderverdeeld in de volgende thema’s:
1Gebruik van de bodemkwaliteitskaart;
2Kosten;
3Ervaringen met het gebruik;
4Kennisniveau;
5Wensen ten aanzien van het beleid.
De bevindingen van de gesprekken hierover met de gemeenten staan hieronder. In dezelfde gesprekken is met de gemeenten de bodemfunctiekaart doorgenomen. De wijzigingen in functies die er zijn geweest, fouten in de kaart en toekomstige veranderingen zijn meegenomen in de actualisatie van de bodemfunctiekaart.
3Bevindingen beleid
De bevindingen zijn beschreven aan de hand van de thema’s van de vragenlijst. De gesprekken die gevoerd zijn met de gemeenten hadden allemaal een soortgelijk resultaat. Daarom zijn de resultaten weergegeven voor alle gemeenten in één keer.
3.1Gebruik van de bodemkwaliteitskaart
De bodemkwaliteitskaart wordt in de meeste gemeenten met regelmaat gebruikt. Aannemers die projecten doen, maken hier ook met regelmaat gebruik van. Dit is te constateren door meldingen voor grondverzet die worden ingediend.
De discipline om te melden is per gemeente nogal verschillend.
3.2Kosten
Aangezien de bodemkwaliteitskaart regelmatig wordt gebruikt, betekent dit kostenbesparingen voor de gemeenten en ook voor de aannemers en andere betrokkenen. In de afgelopen jaren zijn met de bodemkwaliteitskaart honderden meldingen ingediend. In de meeste gevallen is dan gebruik gemaakt van de bodemkwaliteitskaart. Daarmee is voor honderden keren geen partijkeuring en geen onderzoek op de toepassingslocatie noodzakelijk geweest. En dat is een directe kostenbesparing.
3.3Ervaringen met het gebruik
De kaart zelf wordt veelal digitaal geraadpleegd. Er is voor Fryslân een website gemaakt waarmee snel en eenvoudig te bepalen is of een partij grond van de ene plek op een andere plek toegepast mag worden en welke voorwaarden dan gelden.
De webtool wordt het meeste gebruikt. De webtool wordt praktisch in het gebruik gevonden. Deze webtool wordt tientallen keren per week gebruikt. Dat kan beschouwd worden als een intensief gebruik.
Verder wordt het beleidsdocument weinig geraadpleegd, alleen in complexe gevallen. In 2012 is een handzaam boekje uitgegeven met daarin de essenties. Dit boekje wordt door alle betrokkenen veel gebruikt en gewaardeerd.
3.4Kennisniveau
Het kennisniveau van de gemeenten wordt, op de hoofdlijnen van het beleid althans, als voldoende beschouwd. Voor complexere zaken, is het kennisniveau soms te beperkt. Dan wordt teruggevallen op de FUMO of op externe adviseurs.
Het kennisniveau bij externe partners is sterk wisselend. Van de grotere adviesbureaus en aannemers is dit eigenlijk prima. De kleinere bedrijven hebben de kennis meestal niet.
3.5Wensen ten aanzien van het beleid
Het beleid heeft de afgelopen vijf jaar goed gefunctioneerd. Daardoor zijn er geen specifieke wensen naar voren gekomen die meegenomen moeten worden in de aanpassing van het beleid.
4Actualisatie bodemfunctiekaart
Met alle deelnemende gemeenten is de bodemfunctiekaart besproken. Doel hiervan was om veranderingen, fouten en toekomstige ontwikkelingen mee te nemen in deze kaart. Dit was de eerste keer dat met meerdere gemeenten tezamen bodemfunctiekaarten zijn besproken.
Hieruit bleek dat in het verleden soms wisselend is omgegaan met classificaties.
Om een eenduidigheid te krijgen in de bodemfunctiekaart zijn de volgende uitgangspunten aangehouden voor een aantal keuzes:
Tabel IX-1: Uitgangspunten voor functietoekenning bodemfunctiekaart
Betreft
Dilemma
Gemaakte keuze
Industrieterreinen
Sommige industrieterreinen zijn als ‘industrie’ ingedeeld. Andere industrieterreinen zijn als ‘wonen’ ingedeeld
Als industrieterreinen eenduidelijk industriële functie hebben en wonen is hier ondergeschikt aan, dan is de functie ‘industrie’ aan de orde. Bedrijventerrein waar ook gewoond wordt (bedrijfswoningen), zijn als ‘industrie’ ingedeeld.
Als er wordt gewoond en er is een enkelbedrijf van een lichte categorie (kantoor en vergelijkbaar), dan is er sprake van de functie ‘wonen’.
Een individueel bedrijf van een zwaardere categorie, denk aan aannemersbedrijven, zijn als ‘industrie’ ingedeeld
Recreatieparken
Sommige recreatieparken zijn ingedeeld als ‘wonen’ en sommige als ‘overige’.
Recreatieparken met een hoge intensiteit met huisjes worden als ‘wonen’ geclassificeerd. Recreatieparken waarbij huisjesverspreid in hetbos staan, wordenals ‘overige’geclassificeerd
Strekdammenen dijken
Gebleken is dat strekdammen en dijken niet altijd een functie toegekend hadden gekregen die logisch is
Voor het bepalen van de functie, is gekeken naar de directe omgeving. Als er een dijk langs een industrieterrein loopt, is de functie ‘industrie’ aangehouden. Als er een strekdam aansluit op een gebiedmet de functie ‘wonen’, dan is de functie‘wonen’ toegekend. Daarmee worden postzegels voorkomen.
Postzegels zijnkleine stukjes kaartmet een functie die afwijkt van de omgeving
Verspreide bebouwing
Soms is verspreide bebouwing als functie ‘wonen’ aangegeven. Dit kan er toe leiden dat er veel postzegels ontstaan met de functie ‘wonen’
Om te voorkomen dat er overal postzegels ontstaan, is als vuistregel gehanteerd dat er een functie ‘wonen’ kan zijn als er 10 woningen of meer bij elkaar gegroepeerd zijn
Doorgaande wegen: de definitie is niet altijd duidelijk
De doorgaande wegen waarvoor gebiedsspecifiek beleid geldt, zijn opgenomen in de bodemfunctiekaart